vrijdag 22 april 2022

Charles Dickens, deel 2

 Wat maakt Dickens nu tot zo’n goede schrijver? Op die vraag heb ik nog steeds geen antwoord gegeven.

Ik zou vier sterke punten willen onderscheiden:

1.      Zijn humor

2.      Zijn sociaal engagement

3.      Zijn taalgebruik, met name de buitengewoon beeldende manier van schrijven

4.      Zijn onuitputtelijke vermogen tot het creëren van personages

In de eerste plaats is daar dus zijn humor. Er is een criticus die Dickens karakteriseert als ‘the funniest writer in the world’.
Daar valt veel voor te zeggen en het is des te ongelofelijker als je bedenkt dat uit alle biografische beschrijvingen Dickens in het dagelijks leven overkomt als een humorloze, harde man; iemand die zich zeer zakelijk en onverzoenlijk op kon stellen, als tijdschriftredacteur een dictator was en zeker ook geen zorgende vader of liefhebbende echtgenoot (hij heeft zelfs zijn vrouw uit huis gezet toen hij aanpapte met een veel jongere actrice). In zijn laatste jaren werd hij gekweld door depressies. “My father was a wicked man” schreef één van zijn dochters over hem. Toch doe je hem denk ik onrecht door hem zo eenzijdig neer te zetten. Hij kon ook heel sociaal zijn, gaf geweldige Chrismas parties waar hij optrad als een warme, levenslustige gastheer die kosten nog moeite spaarde. Maar het is wel een beetje als Scrooge die kerstmis komt vieren bij neef Fred en daarna weer mokkend op zijn stoffige kamers zit: een manisch depressieve, achterdochtige man.
Het is waarschijnlijk niet teveel gezegd dat hij al zijn mededogen, inventiviteit en gevoel voor humor in zijn romans heeft gestopt.

Het uitlichten van humor als Dickens‘ eerste pluspunt wil echter niet zeggen dat de romans één groot lachfestijn zijn. Dickens had een vrij pessimistisch wereldbeeld, gevoed door zijn harde jeugd en de misstanden die hij om zich heen zag: uitwassen van beginnend kapitalisme en industrialisatie. Zijn sociaal engagement is zeker iets wat hem als mens toch weer voor ons inneemt, dat was zeer gemeend. Zie hieronder.
En de humor kan behalve uitermate grappig ook ofwel morbide zijn, of wreed. Talrijk zijn de grappen die draaien rondom de dood, begrafenisondernemers of doodskisten.
En sadistisch en agressief wordt die humor als hij zich richt op personages die niet beter verdienen (en daarvan wemelt het in zijn boeken, ze vormen een noodzakelijk tegenwicht voor de goede characters, die soms zo overduidelijk Dickens’ instemming en voorkeur hebben dat ze, misschien wel één van de grote tekortkomingen in zijn werk, als bijna heilig worden voorgesteld of een niet helemaal geloofwaardige bekering doormaken. In de Christmas Carol is dat geen bezwaar, want dat is een soort van sprookje; in de meer realistische romans echter wel).

Sociaal engagement is wellicht niet de eerst reden waarom je een schrijver gaat lezen, het is ook geen literaire kwaliteit an sich, maar het is bij Dickens wel een heel essentieel element in het weefsel dat zijn romans vormen. Vanaf het eerste begin (Pickwick papers) spelen gevangenissen een rol. Daarnaast had Dickens een grote fascinatie voor criminelen: na de frivole middle class heren van de Pickwick Club in de eerste roman komt Oliver Twist (twede roman) terecht in een milieu van boeven en zakkenrollers. Er wordt een moord gepleegd (en het is niet de laatste in zijn werk): de moord op Nancy door Bill Sykes was in zijn laatste levensjaren één van zijn favoriete passages in zijn voordrachten. Ook executies fascineerden hem: in Oliver Twist is er een scène van een ter dood veroordeelde in zijn cel. Zijn hele leven heeft Dickens geijverd voor het verbeteren van de omstandigheden in gevangenissen en het verbieden van publieke executies en hij heeft daarbij ook het één en ander weten te bereiken.

Toch ademen de vroege romans overwegend een andere sfeer. De sociale kritiek is zeker niet afwezig, maar nog niet zo bijtend als in de late romans. Zijn Engeland is een land dat in zijn tijd (van industrialisatie en spoorwegen) eigenlijk al aan het verdwijnen is, een Engeland van postkoetsen en herbergen waar altijd een stevige maaltijd en een glas warme cognac klaar staat; een Engeland van goedmoedigheid, gezellige avonden vol verhalen vertellen en liedjes zingen rond de tafel of bij het haardvuur. Dick Swiveller uit the Old Curiosity shop staat voor die manier van leven. De industriestad uit Hard Times of de permanente mist in Bleak House, de dustpile uit Our mutual friend, zijn hier nog ver weg. Natuurlijk kom je er naast de criminelen en aan lager wal geraakte armoezaaiers ook gewiekste zakenlieden tegen, maar ze zijn zoiets als de boze oom uit het pantomimespel die even de tijd krijgt om de sfeer te verpesten, maar uiteindelijk toch óf zijn verdiende loon krijgt, óf bekeerd wordt.
Ook Pecksniff, de postsierlijke architect uit Martin Chuzzlewit (een boek dat qua sfeer wel een overgang markeert), is nog een soort van clown, maar toch ook al een hypocriet die we niet zo maar goedmoedig af kunnen serveren. Maar dan krijg je Dombey, de zakenman. En zijn collega Murdstone. Zij vertegenwoordigen een nieuwe generatie in Engeland, staan voor vrekkigheid en exploitatie, een niets ontziende manier van zaken doen, die zich een plek weet te verwerven in het hart van de samenleving, deel gaat uitmaken van haar fundament (de mechanismen ervan zijn als geen ander door Karl Marx, die in dezelfde tijd in Londen woonde, geanalyseerd) en de oude waarden langzaam naar buiten drukt: de vrolijkheid, de openheid, de onafhankelijkheid, alles wat Dickens van waarde achtte. De deugden van de middenklasse die hier verloren gaan en plaats moeten maken voor een nietsontziende koopmansgeest.

In de prachtige roman Bleak House komt dit alles op zeer overtuigende wijze samen. Het is een sociaal drama verpakt als een detective. Je hebt de aristocraten, Sir Leicester en Lady Dedlock, die door de persoonlijke omstandigheden waarmee ze zeer plotseling geconfronteerd worden, wel gedwongen worden in contact te komen met de lagere klassen die ze nooit een blik waardig hebben gegund. Je komt er allerlei vormen van liefdadigheid tegen en vaak, hoewel niet altijd, om de verkeerde redenen. En de rode draad is een gigantische, zich jaren lang voortslepende rechtzaak die de levens van vele mensen verwoest.

Maar laten we niet te lang stil staan bij al die vormen van onrecht. Veel onheilsprofeten en sociale critici uit Dickens’ tijd worden niet meer gelezen.
De reden dat dat bij hem wel het geval is, ligt toch vooral in zijn stijl.
Wat je bij Dickens’ schrijfstijl als eerste opvalt is het beeldende taalgebruik. Zijn romans staan, naar goed 19e eeuws gebruik vol van beschrijvingen: van mensen, landschappen, steden of situaties. Dat die beschrijvingen ver uitstijgen boven de gemiddelde 19e eeuwse roman komt juist door dat beeldende karakter: zijn taal is altijd zo levend en gevat dat hij in enkele zinnen een totaalbeeld weet op te roepen. Je ziet het voor je ogen gebeuren, telkens weer. Omdat die beschrijvingen zo veelvuldig zijn dat ze in eerste instantie de voortgang van het verhaal lijken te belemmeren, had ik in het begin de neiging stukken over te slaan (die romans zijn al zo dik!). Maar dan mis je toch wel wat. En dat heeft vooral te maken met zijn gebruik van metaforen. Daarin is hij ongelofelijk inventief: één enkele alinea kan zo maar vier of vijf vondsten bevatten die een andere schrijver zijn hele leven lang niet bedenken kan. Zeker als niet-Engelstalig lezer zou je er zo maar overheen kunnen lezen, maar dat zou zonde zijn, het is zo’n rijkdom!
Hij kan levenloze voorwerpen presenteren alsof ze bezield en levend zijn (een soort moderne variant van animisme), wat zijn beschrijvingen nooit saai maakt, maar juist uitermate beweeglijk en expressief. In die beschrijvingen komt Londen tot leven, het bruist en beweegt, donkere plekken lichten op, we zien de straten en de huizen voor ons en dit alles is de vrucht van de vele zwerftochten die de wandelaar Dickens door de stad maakte; als kind al, als hij klaar was met zijn geestdodende werk in de schoensmeerfabriek: lang voordat hij schrijver zou worden was de stad en zijn vele straatbeelden al een deel van hem. En hij heeft de taal gevonden om die op zeer expressieve wijze gestalte te geven.

Zijn grootste kwaliteit als schrijver is echter misschien wel zijn vermogen tot het scheppen van personen van vlees en bloed. Ik heb het bij Shakespeare ook aangeduid als één van zijn grote kwaliteiten en gewezen op de eindeloze rij van characters, van Bottom en Shylock, via Falstaff en Hamlet tot Prospero, die van hun maker zo’n grote mate van zelfstandigheid geschonken hebben gekregen dat ze ook buiten de stukken lijken voort te leven.
Bij Dickens zou je wellicht een nog langere rij van geslaagde personages op kunnen noemen. Als je ervan uit gaat dat een gemiddelde Dickens roman zo’n zestig uitgewerkte personages heeft en er 15 romans zijn, reken dan maar uit van hoeveel fictieve kinderen Charles de verwekker is. “I am a very affectionate father”, zei hij zelf, “to every child of my fancy”. Die indruk krijg je inderdaad als je hem leest: dat hij voor al zijn personages, zelfs de slechteriken, zorg draagt; ze met liefde tekent en vol medeleven naar hun einde draagt, zo dat aan de orde is. Ook hier zou je weer kunnen zeggen: hij geeft hen wat hij zijn fysieke kinderen nooit heeft kunnen geven.
Een ander aspect is dat je bij Dickens zelden een saai personage aantreft. Natuurlijk kom je figuren tegen die saaiheid als karaktertrek hebben, maar zelfs zulke personen stralen geven licht af en wekken onze interesse.
Ook van de minor characters, die in slechts enkele scènes optreden, weet hij afgeronde personages te maken; trouwens ook weer een overeenkomst met Shakespeare.

Onvergetelijk zijn ze, al die Dickens characters, juist omdat hun schepper ze in zo veel facetten tot uiting brengt:
David Copperfield, titelkarakter van Dickens’ meest autobiografische roman en Mr. Micawber (gebaseerd op Dickens’ vader John), die altijd in schulden is; of de schurkachtige Uriah Heep (een onderkruipsel waar je kippevel van krijgt) uit hetzelfde boek (en vergeet Davids tante, Betsey Trotwood, niet ‘a piece of female timber’ noemt één criticus haar).
Pip uit Great expectations (en wat te denken van Mrs. Havisham?).
Arthur Clennam, de hoofdrolspeler uit Little Dorrit.
Uit Martin Chuzzlewit: Sairy Gamp, de verpleegster die wel van een slokje houdt (Maarten ’t Hart noemt haar Dickens’ grootste creatie) altijd in gezelschap van haar imaginaire creatie Mrs. Harris; Mark Tapley en Pecksniff, de architect die nooit iets gebouwd heeft.
Natuurlijk Sam Weller en Mr. Pickwick (maar vooral Sam, hij redt zowel zijn meester als de roman uit de middelmatigheid; zijn vader Tony is trouwens ook een prachtige figuur en de conversaties tussen vader en zoon zijn hoogtepunten van het boek). Joe Bagstock en Captain Cuttle uit Dombey and Son (en niet te vergeten Paul Dombey uit dat boek, één van Dickens’ meest geslaagde portretten van een kind; de roman wordt ook armer nadat Paul gestorven is).
Dick Swiveller uit the Old Curiosity shop wordt ergens ‘simply one of the most splendid creations in the world’ (wat die roman ook min of meer redt, want Swiveller vormt een mooi tegenwicht voor de al te sentimentele geschiedenis van Little Nell).
Of Inspecteur Bucket uit Bleak House, één van de eerste detectives in de Engelse literatuur, prachtig getekend. En dat is nog maar een kleine greep!

Wel valt op dat vrouwelijke personages in deze lijst veruit in de minderheid zijn. Het was niet Dickens’ sterkste punt. Little Nell, Agnes Wickfield uit David Copperfield (beiden zijn halve heiligen) of Little Dorrit kun je nauwelijks geslaagd noemen; je vraagt je dan zelfs af of Dickens wel van vrouwen hield, of ze misschien in het geheel niet begreep. Hoewel, de hoofdpersoon van Bleak House, Esther Summerson, irriteert eigenlijk nooit en in David Copperfield staat tegenover de mislukte creatie Agnes Wickfield de juist zeer geslaagde Dora Spenlow. Maar het is, inderdaad, een minderheid.

Er is iets wat vrijwel al die personages bij Dickens gemeen hebben. Ze worden geïntroduceerd in een vaak vrij uitgebreide alinea, waarin hun uiterlijk en hun kleding worden beschreven, de algemene indruk die de persoon maakt, zijn uitstraling; waarna heel veel van die personen kort gekarakteriseerd worden door een bepaalde zinswending, een uitdrukking, een grapje dat gemaakt wordt. Of / en een bepaalde tic, iets wat iemand zich heeft aangewend en waarvan hij zich niet meer bewust lijkt te zijn. Die spreekgewoonten en aanwensels blijven dan in allerlei variaties terug komen, de hele roman door. Dat lijkt een schrijverstrucje, maar het is heel knap gedaan: het zorgt ervoor dat je, zou je er een studie van maken, ieder willekeurig personage uit ieder willekeurig boek met één alinea directe rede, onmiddellijk zou herkennen, want ze verschillen allemaal van elkaar.
Criticus na criticus heeft Dickens hierover bekritiseerd: het zou een grove simplificatie zijn. Maar geeft hij er niet juist zo blijk van een groot observator van menselijk gedrag, met een goed afgestemd oor voor menselijk taalgebruik te zijn? Mensen spreken niet in de volzinnen die Jane Austen haar personages in de mond legt. Ze hebben juist allemaal ingegroeide gewoonten, uitdrukkingen en stopwoordjes die steeds terugkomen, dezelfde grappen en anecdotes die worden verteld, een herkenbare lichaamstaal of mimiek waardoor iemand onmiddellijk herkenbaar wordt voor zijn vrienden en bekenden.
Goed, die gewoonten en zegswijzen worden door Dickens wel uitvergroot, hij heeft niet alleen veel geleerd van de Shakespeareaanse toneeltraditie, maar ook van het melodrama van zijn tijd. Goede en slechte mensen staan tegenover elkaar als zwart tegen wit, er is weinig overlap. En toch worden ze nergens karikaturaal, het is vrijwel altijd menselijk en herkenbaar, juist ook door die uitvergroting. Overdrijving, ja dat zeker, maar die overdrijving, die je niet alleen in de personages maar ook in de beschrijvingen vindt, zou je haast de definitie van Dickens’ kunst kunnen noemen. Alsof hij een vergrootglas over de werkelijkheid heen legt.

Ga Dickens lezen, zou ik zeggen. En dan natuurlijk het liefst in het Engels. Om de hierboven genoemde redenen. Zijn gevoel voor humor eerder nog dan zijn sociaal engagement, wat nooit een reden op zich kan zijn om een schrijver te bewonderen. De wijze waarop hij de stad Londen, de decors waartegen zijn verhalen zich afspelen, zo levend en beweeglijk weet te maken. Maar bovenal de characters. Je zou zelfs kunnen volhouden dat die de ware bestaansreden van de romans zijn, de onuitputtelijke cast van mensen van vlees en bloed die de romans bevolken. De plot is vaak secundair, wordt voortgedreven door onwaarschijnlijheden of kan soms onmogelijk sentimenteel worden. Het is niet meer dan het decor waartegen de personages tot ontwikkeling kunnen komen. Ze zijn larger than life, maar het is de plank misslaan wanneer je dat veroordeelt als een gebrek aan realisme. Ze zijn de inwoners van een mythologisch universum, waarin zijn figuren, op wie de tijd geen vat heeft, hun vaste plek innemen, als planeten in een constellatie. Ze zijn, als de helden, de goden en de bovennatuurlijke wezens uit mythen en volksverhalen, onsterfelijk en onvergetelijk.

dinsdag 19 april 2022

Charles Dickens, deel 1

 

Stel de vraag welke schrijver mij, na Shakespeare uiteraard, het liefst is en ik heb daar niet zo één twee drie een antwoord op. James Joyce en Marcel Proust, de grote modernisten, komen als eerste boven. Maar dan misschien toch eerder nog Jorge Luis Borges, de blinde bibliothecaris uit Buenos Aires: ik heb niet voor niets mijn boekwinkeltje, waarop ik mijn overtollige boeken aanbiedt, ‘borges’ genoemd.
Of Dostojevski, vanwege de enorme intensiteit van zijn schrijven.


Maar uiteindelijk kom ik toch bij Charles Dickens uit. En dat is redelijk verrassend. Natuurlijk, ik heb al vele jaren een speciale band met Dickens omdat ik ieder jaar in december verschillende keren zijn Christmas Carol voordraag. Ik verbeeld me zelfs daarmee (een beetje maar, want Dickens moet een ongeëvenaard voordrachtskunstenaar  zijn geweest) in de voetsporen van de auteur te treden. Maar goed, de Christmas Carol mag dan door de jaren heen zijn populairste werk zijn geweest, Dickens is zo veel meer dan dit ene kerstverhaal (het op één na bekendste, zeg ik dan altijd, na dat in het Evangelie volgens Lucas). Hij is bovenal de schrijver van 15 dikke tot zeer dikke romans, waarvan er één (Mystery of Edwin Drood) onafgemaakt is gebleven door Dickens’ dood in 1870. En nu blijkt het eigenlijk vrij moeilijk te zijn precies te zeggen waarom hij zo’n goede romanschrijver is en waarom ik hem prefereer boven de onvergelijkelijke Joyce en al die anderen.
Eigenlijk ben je min of meer geneigd ‘over hem heen te lezen’. Hij is zo’n vanzelfsprekend onderdeel van de inboedel van de Engelse cultuur geworden dat je je niet meer realiseert hoe goed hij eigenlijk is. En we zijn allang vergeten dat een schrijver als Dostojevski, die door de meesten wel tot de buitencategorie gerekend wordt, Dickens als zijn grootste voorbeeld zag.

Toch zette George Bernard Shaw, wiens verzamelde Dickens commentaren (“Shaw on Dickens” zeer lezenswaardig zijn) de auteur op één lijn met Shakespeare. Weliswaar kan niemand pretenderen dat Dickens op dezelfde hoogte staat (Shakespeare’s werk is kwalitatief met niemand anders te vergelijken), maar wel dat Dickens Engelands grootste dramaschrijver is sinds Shakespeare. Natuurlijk, Dickens schreef romans en Shakespeare toneelstukken, maar zijn werk is zo dramatisch en heeft zoveel geïncorporeerd van de Engelse toneeltraditie door de eeuwen heen dat die karakterisering zo gek nog niet is. Trouwens, Dickens zelf ging regelmatig naar het theater en was gek op toneel spelen. En er is nog een andere parallel met Shakespeare: hij is de enige Engelse schrijver die met de bard uit Stratford te vergelijken is wat de uitgestrektheid en variatie van de door hen gecreëerde literaire wereld betreft en de levendigheid van de daarin wonende personages.

De romans van Dickens doorkruisen (net als de stukken van Shakespeare) alle sociale klassen. Je kunt bij Dickens terecht om te horen hoe het is in de werkhuizen en de gevangenissen waar de allerarmsten zijn opgesloten. Maar ook hoe het is om een overheidspost te bekleden of lid van het Parlement te zijn: we horen hoe die mensen praten, hoe ze zich gedragen. En datzelfde geldt voor de middenklasse: de advocaten, de winkeliers, de zeelui. Het werk van Dickens is een dwarsdoorsnede van de Engelse samenleving in de 19e eeuw.

En: Dickens herhaalt zichzelf nooit. Al die romans verschillen van elkaar en maken ten opzichte van elkaar een duidelijke ontwikkeling door.

Op deze plek wil ik nu het voornemen uitspreken een aantal romans van Dickens te gaan behandelen. Onder voorbehoud, je moet altijd maar afwachten wat er terecht komt van zo’n voornemen, het is een enorme klus. Een Dickens roman bevat toch al gauw 600 bladzijden tot soms zelfs een kleine 900. Ik lees niet snel en lees er dan ook weer andere dingen tussendoor (ik wissel met name filosofie en literatuur af, maar over filosofie wil ik, ik heb het al eerder gezegd, liever niet schrijven omdat het zo’n specifieke discipline is. Maar ook dat kan zo weer veranderen. Dit terzijde). Bovendien wil ik, om het zo grondig mogelijk aan te pakken, er het één en ander aan kritiek en commentaren omheen lezen. Zo ben ik nu al bijna anderhalve maand aan de Pickwick Papers bezig. Het is een boek waar ik al twee keer aan begonnen was, zonder het uit te lezen. Misschien komt dat omdat het een redelijk onsamenhangend geheel is, eerder uit een aantal losse taferelen lijkt te bestaan dan dat het een hechte romancompositie is. En het is zo intimiderend om na een flink aantal leesuren te zien, dat je nog steeds niet op de helft bent. Misschien liggen er andere boeken op je te wachten die vooralsnog aantrekkelijker lijken en ineens staat het boek weer onuitgelezen in de kast.
Maar nu is het voornemen van Pickwick Papers mijn eerste Dickens publikatie te maken in dit blog een extra stimulans en ik moet zeggen: ik geniet erg van het boek: de figuren, de wildgroei aan over elkaar heen buitelende situaties, de taal en (bovenal) de humor: dit is echt een heel grappig boek.

Dit is nu het moment om te bekennen dat er nog meer Dickens romans zijn die ik halverwege heb laten zitten: Martin Chuzzlewit bijvoorbeeld en Little Dorrit. En die horen toch echt tot zijn betere romans. Goede gelegenheid om ze voor dit blog weer op te pakken. Er zijn vroege romans die ik nog niet gelezen heb (Nicholas Nickleby) of die ver zijn weggezakt (the Old curiosity shop) en ik ben geïntrigeerd door de merkwaardige, want totaal niet gangbare opvatting van Chesterton, nl. dat Dickens’ vroege romans te prefereren zijn boven het latere werk.
Maar ik ga niet alles lezen. Oliver Twist is voor mij een beetje verpest door de vele film – en musicalbewerkingen, het lijkt me ook niet zijn beste roman, hoewel ik ook wel inzie waarom dit zo populair kon worden. Tegen sommige van de romans heb ik een vooroordeel: Barnaby Rudge en Tale of two Cities bijvoorbeeld. Ze lijken me onkarakteristiek voor de rest van Dickens’ oeuvre en ik heb daardoor het idee dat ik ze minder goed zal vinden.
Dombey and Son heb ik met veel plezier gelezen, maar ik geloof niet dat nog een keer lezen iets extra’s gaat opleveren. Die laten we dus ook zitten.
Bij een meesterwerk als David Copperfield echter, heb ik het tegenovergestelde: ik ben zeker van plan de bijna 900 pagina’s die de roman telt, voor dit blog nog een keer te lezen. Zoals ik me ook verheug op het herlezen van geweldige romans als Bleak House (mijn grote favoriet) en Great expectations (voor Dickens’ doen een dunnetje). En ik heb Our mutual friend nog nooit gelezen. Ga ik dus ook een keer doen!!

Maar nu de vraag die ook Maarten ’t Hart stelt, in zijn leuke stuk over Dickens (in de bundel het Eeuwige moment uit 1983): wat maakt Dickens tot zo’n geweldige schrijver?
Het heeft echt een tijd geduurd voordat ik werkelijk open kon staan voor die romans. Ze hadden in mijn ogen, ondanks hun enorme volume, al die honderden bladzijden, zo weinig echte inhoud. Een werkelijk grote schrijver, dat was in mijn ogen iemand met een groot psychologisch inzicht, iemand als Proust, die je recht in de ziel van zijn personages doet kijken. Of een ongeëvenaard taalkunstenaar, zoals James Joyce, een schrijver die qua taalvermogen welhaast het niveau van Shakespeare benadert (en dat zegt wat!). Of een schrijver met grote ideeën, die je eindeloos kan blijven doordenken. Kafka is zo’n schrijver, of Borges die een briljant spel speelt met allerlei filosofische concepten. Of dan tenminste iemand met een groot ideaal, een Dostojevski, zelfs als dat, zoals bij hem, vertroebeld wordt door orthodox religieuze en nationalistische tendensen: het is het vuur waarmee dat ideaal wordt nagestreefd dat zo’n schrijver de moeite waard maakt.

Niets van dat alles vind je bij Dickens, zoals Maarten ’t Hart in zijn stuk overtuigend aantoont.
Je kijkt bij zijn personages nooit naar binnen, hij is geen groot psycholoog (dat je door goed te observeren een personage door beschrijving van de buitenkant heel overtuigend neer kunt zetten, blijkt bij Dickens echter keer op keer, ik kom daar op terug).
Substantiële ideeën, gedachten waar je op door kunt denken: niet aanwezig (dat dat niet hoeft om een goede roman te hebben, daar kwam ik pas heel laat achter).
Zijn voornaamste ideaal is het burgermansgezin: al die weeskinderen en verloren personages die onwetend zijn omtrent hun afkomst – hun ultieme doel is opgenomen te worden in een warme huiselijk kring (dat dat zo gek niet is en misschien zelfs wel te prefereren boven de wereld redden of God vinden is iets wat je ook pas leert als je ouder wordt).

Hedendaagse literatuur is mij steeds minder gaan interesseren. Hetzelfde geldt voor Nederlandse romans. Waarom zou je iets lezen dat toevallig in deze tijd of in het land waar je geboren bent is geschreven als er 30 eeuwen wereldliteratuur op je liggen te wachten? Om via die literatuur je eigen tijd en je eigen land te leren kennen? Dat kun je ook doen door om je heen te kijken, kranten te lezen of TV te kijken (hoewel ik onmiddellijk toegeef dat de laatste twee bronnen het antiquarische toevluchtsoord vormen van een 60er die koppig weigert zijn nieuws te halen van internet en sociale media). Ik concentreer me liever op wat tijdloos en universeel is en wat je om die reden ook steeds weer kunt herlezen (Goede literatuur is nieuws dat nooit oud wordt, zei Ezra Pound al). Dickens is daarvan voor mij een groot voorbeeld. Als ik een roman van Dickens heb gelezen en daarna iets hedendaags uitprobeer, komt me dat vaak toch vlak en kleurloos voor.

(Deel II volgt)

 

vrijdag 25 maart 2022

Shakespeare’s Falstaff, deel 2

 Shakespeare’s twee Henry IV stukken, met een glanzende hoofdrol voor Sir John Falstaff, zoals ik al zei één van mijn favoriete Shakespeare personages.  

Ik wil er drie momenten uitlichten. De verstoting van Falstaff door prins Hal, de toekomstige koning Henry V vindt zijn voorafschaduwing in de act 2, scene 4 van het eerste deel van Henry IV, als Falstaff nog het bruisende middelpunt is van de troep in de Boar’s Head en de vrolijkheid, de levenslust ervan af spat. Falstaff en Hal doen een rollenspel om de kroonprins voor te bereiden op een bezoek aan zijn vader, de volgende dag, die zich ongetwijfeld zeer kritisch over hem gaat uitlaten. In de eerste ronde speelt Falstaff de koning die zijn zoon verwijt zich onder zeer twijfelachtig gezelschap te begeven. Er is echter één uitzondering: zo’n corpulente man “of a cheerful look, and a pleasing eye and a noble carriage... Harry, I see virtue in his looks”... Falstaffs heerlijke lofzang op zichzelf. Dan wisselen de rollen en speelt Hal zijn eigen vader en Falstaff de zoon. Het is een stroom van woede en ingehouden gewelddadigheid die Falstaff in de rol van Hal (maar natuurlijk eigenlijk als zichzelf) over zich heen krijgt. Hal is in het gezelschap van een duivel in de vorm van een dikke oude man: de scheldwoorden rollen over elkaar heen. “Wherein is he good, but to taste sack and drink it? Wherein crafty, but in villainy? That abominable misleader of youth, Falstaff, that old white-bearded Satan?”

Het is buitengewoon lelijk en naar wat Hal hier doet. Falstaff moet volkomen ontdaan zijn; zijn antwoord ontroert mij telkens weer: “No good my lord, banish Peto, banish Bardolph, banish Poins [de namen van Falstaffs metgezellen], but for sweet Jack Falstaff, kind Jack Falstaff, true Jack Falstaff... old Jack Falstaff, banish him not thy Harry’s company: banish plump Jack [ik stel me zo voor dat hier de rollende, lachende woordenvloed van Falstaff tot een nauwelijks meer hoorbare fluister is geworden], and banish all the world”. Jack Falstaff verbannen is alles in de wereld verbannen dat niet machtspolitiek en geweld is. Hals antwoord (met samengeklemde kaken) is grimmig en resoluut: “I do, I will”...

Falstaff stijgt tot nieuwe hoogten (het tweede moment dat ik wil uitlichten) als Hal hem als officier meeneemt naar het slagveld waar de beslissende slag tegen Hals rivaal Hotspur zal plaatsvinden. Natuurlijk is Falstaff geen vechtersbaas. ‘Wat sta je daar’, schreeuwt Hal hem toe, ‘geef me je zwaard’! Falstaff bezweert hem dat hij maar wat op adem staat te komen na grootse heldendaden: “Turk Gregory never did such deeds in arms as I have done this day”. Hal kan zijn pistool wel krijgen en hij geeft hem zijn holster.  Er blijkt een bottle of sack in te zitten. Dat is Falstaffs statement, zijn afkeer van het bloedvergieten. Een buitengewoon grappige scène, maar ook een uiting van pacifisme. Dit is een scène die zijn geldigheid blijft houden in alle tijden, op alle slagvelden, ook nu weer, in deze tijd van oorlog en verovering.
Wat Falstaff verder vooral probeert te doen, is wat wij denk ik allemaal zouden doen wanneer we het slagveld opgeschopt werden: overleven. Ook op het slagveld triomfeert de vitalist: de man die in alle omstandigheden, ook met zo veel dood om zich heen, het leven zoekt en zeker niet een eervolle (hoezo eervol?) dood: “I like not such grinning honour as sir Walter hath (een edelman die hij net dood heeft aangetroffen): give me life”.
Het is het motto dat Bloom aan zijn boekje over Falstaff meegaf: “Give me life”.

Even later vindt hij, als hij vijanden ziet naderen die ongetwijfeld veel sterker zijn dan hij, geen andere mogelijheid dan zich dood te houden en zo zijn leven te redden. Ook Hal denkt dat hij dood is, zijn zogenaamde laatste woorden voor zijn oude metgezel zijn niet bepaald uitingen van verdriet (“Poor Jack, farewell” en verder laat hij het erbij). En zodra Hal verdwenen is springt de oude ridder met hernieuwd elan weer op: een seculiere wederopstanding. Zijn speech hier draait om het woord ‘counterfeit’ (‘nep’, verwijzend naar zijn nep-dood van zojuist).
“I am not a counterfeit. To die is to be a counterfeit; for he is but a counterfeit of a man who hath not the life of a man. But to counterfeit dying when a man thereby liveth is to be no counterfeit but the true and perfect image of life indeed”. Een prachtig voorbeeld hoe Shakespeare een speeech kan opbouwen door eindeloos om één en hetzelfde woord heen te blijven cirkelen. En dan het mooiste: “The better part of valour is discretion”, m.a.w.: dit was geen lafheid, ware dapperheid is weten wanneer je uit moet wijken als je zo je leven kunt redden.

Falstaff rebuked
Tenslotte is daar de afwijzing van Falstaff door de nieuwbenoemde King Henry V: Hal, die zijn overleden vader is opgevolgd.
Het is een briljante vondst van Shakespeare om dit vooraf te laten gaan door een scène in het landelijke Gloucestershire, waar Falstaff in de boomgaard van zijn oude vriend Justice Shallow zijn laatste onbekommerde momenten viert.
Dan is er een klop op de deur: het is Ancient Pistol die het goed nieuws brengt uit de hoofdstad: “Sweet knight” (zegt hij tegen Falstaff), “thou art now one of the greatest men in the realm... Sir John, thy tender lambkin now is king”. Falstaff is zeker, denkt hij, nu zijn vertrouweling koning is, van een bevoorrechte positie aan het hof: “Master Robert Shallow, choose whatever office thou wilt in the land, ‘tis thine. Pistol, I will double-charge thee with dignities”. Hij begint nu al met erebaantjes uitdelen. Het geluk lijkt hem toe te lachen: “I am fortune’s steward... I know the young king is sick for me... the laws of England are at my command”.
Maar als toeschouwer of lezer weet je eigenlijk al dat nooit zo zal kunnen zijn. En Falstaff zelf, ik ben ervan overtuigd, weet het ook. Hij is intelligent genoeg en hij kent Hals ambivalentie door en door. Dit is ontken– en ontwijk gedrag. En het is eigenlijk te droevig voor woorden. Het duister komt en Falstaff zal erin verdwijnen. Tot ontstentenis van een ieder die hem een warm hart toedraagt.

Act V, scene V van Henry IV, part II geeft ons de daadwerkelijke afwijzing. En inderdaad, als Falstaff staat te wachten op de stoet van de koning, kun je eigenlijk niet anders dan veronderstellen dat hij die afwijzing verwacht en er zelfs op aanstuurt. Dat is de ondertoon van wat hij zegt tegen Robert Shallow: “I will leer upon him (verlangend uitkijken naar) as he comes by, and do but mark the countenance that he will give me”.
- een wanhopige wens, tegen beter weten in, geaccepteerd te worden door de nieuwe koning.
Als de stoet arriveert springt Falstaff naar voren:
“God save thy grace, King Hal, my royal Hal... God save thee, my sweet boy”. Maar de koning richt zich niet rechtstreeks tot Falstaff, maar tot de Lord Chief Justice in zijn gevolg: “Speak to that vain man”. Deze wijst hem terecht. Het “My King, I speak to thee, my heart” van Falstaff klinkt als een laatste noodkreet. Hij weet dat het allemal voorbij is, wat de koning hem ook inderdaad te verstaan geeft:
“I know thee not, old man. Fall to thy prayers (Hal als koning is ineens een toonbeeld van vroomheid);
How ill white hairs become a fool and jester! - voor de koning is Falstaff een irreële droomfiguur geworden, een belachelijke clown: I have long dreamt of such a man,
so surfeit-swelled (verwijst naar zijn corpulentie), so old and so profane;
But, being awaked I do despise my dream...
De koning is niet meer Hal, Falstaffs kroegmaat:
Presume not that I am the thing I was
... I have turned away my former self
En hij geeft Falstaff de definitieve nekslag:
Know the grave doth gape for thee thrice wider than for other men”

Het vonnis dat wordt uitgesproken luidt in eerste instantie dat Falstaff zich niet meer binnen de tien mijl van de koning mag begeven (een contactverbod), maar even later wordt hij toch opgepakt en naar Fleet Street prison gebracht.

De angst verstoten te worden is een centraal thema geworden voor Shakespeare, kijk naar de grote tragedies die volgen: Hamlet die Ophelia verstoot en haar tot zelfmoord drijft; Othello die Iago passeert bij een benoeming en zo de ellende over zich afroept; de dubbele afwijzing in King Lear: die van Cordelia door Lear en van Edgar door Gloucester. De romances die Shakespeare aan het einde van zijn carrière schreef, gaan daarentegen weer over hereniging, met name van vaders en dochters.

Aan het begin van Shakespeare’s volgende stuk, Henry V, doet Mistress Quickly verslag van de dood van Falstaff: “I saw him fumble with the sheets and play with the flowers and smile upon his fingers’ ends... he babbled of green fields” (een verwijzing naar Psalm 23). Hij roept het uit: “God, God, God” - geen vredige dood, lijkt mij zo, maar Mistress Quickly staat hem bij: “to comfort him ... bid him there was no need to trouble himself with any such thoughts yet”. We proberen een stervende gerust te stellen met leugentjes: het is nog lang je tijd niet. Maar ze voelt zijn voeten, zijn knieën en hogerop en het is allemaal ijskoud. De overeenkomst met de dood van Socrates, beschreven in de Phaedo, is opvallend.

Ik stel me zo voor dat er iets gestorven moet zijn in Shakespeare zelf, toen hij zijn tot dan toe grootste creatie liet sterven. Hierna komt the Merchant of Venice, waarin de figuur Shylock al even out of place is in een komedie als Sir John Falstaff dat is in een historiestuk. En het is een zeer getroubleerde figuur; Shakespeare’s tekening van hem reflecteert het antisemitisme dat in zijn tijd gemeengoed was.

En dan komen die meesterwerken, de grote tragedies waarin Shakespeare zo overduidelijk aan het worstelen is met zichzelf en die zijn grootste creaties hebben opgeleverd: van Hamlet to Cleopatra. Falstaff heeft die weg mogelijk gemaakt.
Zoals William Blake zegt: “Exuberance is Beauty”.
En Falstaff zelf: “Give me life!” Het blijft, ondanks zijn tragische ondergang en dood, overeind staan. Geweldig!






dinsdag 22 maart 2022

Shakespeare's Falstaff, deel 1

 

Ik heb lange tijd een zwart randje gehad, maar inmiddels is dat vervaagd tot lichtgrijs. De zware depressies horen nu echt tot het verleden en komen ook niet meer terug, dat weet ik zeker. Wat overblijft is een melancholisch gemoed, maar dat is niet eens onprettig. Een kriebelend (maar niet meer pijnlijk) bitterzoet. Soms wilde ik dat ik een ander temperament had. Uitbundig, levenslustig (ik bedoel: ik hou van het leven, maar op een ingetogen manier), spraakzaam, gevat en altijd vrolijk. Zoiets als Shakespeare’s Falstaff. Maar het volgende moment realiseer ik me alweer dat dat echt niet bij me hoort en dat ik blij ben dat ik ik ben.


Sir John Falstaff is één van mijn favoriete Shakespeare personages.
Ook van Harold Bloom, die qua postuur en gestalte wel wat weg had van de Fat Knight with the Round Belly, wat hij trouwens zelf ook grinnikend toegaf.
Falstaff treedt op in de twee delen die genoemd zijn naar King Henry IV en daar is iets merkwaardigs mee aan de hand, iets dat tot dan toe nog nauwelijks vertoond was. Tragedie en Komedie waren altijd strikt gescheiden geweest, een toneelstuk was óf het één óf het ander.
(De dialoog van Plato, het Symposium, eindigt met Socrates die diep in de nacht nog in gesprek is met een tragediedichter en Arisophanes, die beroemd was door zijn komedies. Het gesprek ging over de vraag of iemand die tragedies schrijft ook komedies moet kunnen schrijven. Socrates vond van wel, maar was zijn tijd daarmee ver vooruit. Eigenlijk verwijst hij hier naar Shakespeare).

Natuurlijk staan de twee stukken Henry IV bol van de cynische machtspolitiek die in alle Historiestukken van Shakespeare is terug te vinden. Serious business. Maar er is een tegenhanger met de troep die zich rond Falstaff verzamelt in de Boar’s Head Tavern in Eastcheap, London. Wie daar ook vaak te vinden is, is Prince Hal, de kroonprins. Falstaff fungeert als de surrogaat vader die zijn aangenomen zoon inwijdt in kwade zaken, zoals het drinken van grote hoeveelheden sack (een soort van goedkope sherry), het bezigen van schunnigheden en het organiseren van overvallen voor de grap.
Eigenlijk is Falstaffs onvoorwaardelijke liefde voor de kroonprins (die in de loop van het stuk steeds verder zijn masker laat vallen) verbazingwekkend. Is het wellicht een combinatie van liefde voor de zoon die hij zelf nooit kreeg en de trots van een leraar voor zijn meest begaafde leerling?
(Want dat Hal van Falstaff geleerd heeft is zeker. Hij is zelfs bijna zijn evenknie in hun verbale schermutselingen).

Het is geen wonder dat King Henry totaal geen vertrouwen heeft in zijn zoon en in hem eerder een klaploper dan een toekomstig koning ziet. Totdat het werkelijk nodig is, Hal op het slagveld zijn mannetje blijkt te staan en zijn grote rivaal Hotspur verslaat. En als zijn vader overlijdt en zijn koningschap een feit is, is het gedaan met de vriendschap met Falstaff; als koning kan hij zich die niet meer permitteren.

De verstoting van Falstaff door de nieuwbakken koning vind ik één van de pijnlijkste scènes in Shakespeare. Hier slaat de Komedie die een integraal onderdeel was van een Historiestuk om in de Tragedie van Sir John Falstaff.
Is de angst om afgewezen te worden door wie we liefhebben niet één van onze grootste nachtmerries? Falstaff sterft aan een gebroken hart.
In het volgende stuk, Henry V, doet Mrs. Quickly (prachtig) verslag van zijn overlijden. Zelfs Falstaff blijkt sterfelijk te zijn, iets wat je haast niet voor mogelijk had gehouden.

Want Falstaff, dat is het leven zelf.

Dat Falstaff van Hal houdt is overduidelijk, net als zijn wanhopige behoefte geliefd te worden. Hamlet houdt van niemand en heeft ook geen liefde nodig. We weten weinig van Shakespeare’s innerlijk leven, maar wanneer je veel met de stukken bezig bent geweest, ontwikkel je een bepaald soort gevoeligheid. En iets zegt mij dat van alle characters  Falstaff en Hamlet het dichtste bij Shakespeare zelf staan.  Maar ze zijn antithesen. Eigenlijk lijkt Falstaff meer op King Lear. Lear houdt van Cordelia, maar schat haar volkomen verkeerd in; zijn ondergang en tragiek is een overmaat aan gevoel dat zijn oordeelsvermogen deels verduistert. Maar i.t.t Falstaff ontvangt Lear ook liefde, van iedereen in het stuk die een gezond oordeel heeft.

Als je me vraagt wat nu het aantrekkelijke is van Falstaff, dan zou ik zeggen: zijn enorme levenslust.
Hamlet en Falstaff zijn misschien wel de intelligentste characters van Shakespeare. Maar Hamlet is een gekweld mens, de ambassadeur van de dood die hij wel vrijwillig lijkt te zoeken. Terwijl Falstaff het leven viert, op zijn eigen, ongebreidelde manier. Daarnaast is zijn motto: niet moraliseren. Falstaff doet veel wat niet door de beugel kan en is daarvoor door moraliserende literatuurcritici vaak veroordeeld. Maar dat wil niet zeggen dat hij een slecht mens is. Het is zijn excessieve liefde voor het leven die hem er toe brengt tot de grens te gaan, geen limiet te kennen, alles te willen uitproberen. Geen enkele mogelijkheid te veroordelen. Daarbij hakt hij in zijn enthousiasme zo wild om zich heen dat er regelmatig spaanders vallen.

Zelfspot is één van zijn sterke punten.
Zijn leeftijd: “They hate us youth”, roept hij als hij met zijn companen een roofoverval op touw zet. En als de Lord Chief Justice (een soort van commissaris van politie) verbaasd uitroept: “And will you yet call yourself young?”, is Falstaffs briljante antwoord: “My Lord, I was born three of the clock in the afternoon , with a white head and something of a round belly... I am only old in judgement and understanding”.
Hij neemt zichzelf voortdurend op de hak.
Zijn corpulentie: “Do I not dwindle? Why, my skin hangs about me like an old lady’s loose gown, I am withered like an old apple-john”. (Natuurlijk is hij precies het tegenovergestelde).
Of als hij zijn zogenaamde deugdzaamheid prijst: slechts één keer op een dag gokken, niet meer dan één keer per kwartier een bordeel bezoeken en slechts heel af en toe geld terugbetalen dat hij geleend heeft. ’Virtuous enough’  vindt Sir John Falstaff zichzelf.
Hij is een smulpaap, een drinkebroer en een hoerenloper, maar hij is genereus en openhartig, hij geeft om zijn vrienden en er is geen wreedheid in hem (in tegenstelling tot de cynicus Hal, die vanaf het begin Falstaffs toenaderingen afweert met een nauwelijks verhulde agressiviteit).

Falstaff is niet productief, brengt niets tot stand en moet altijd geld van anderen lenen en op de pof leven; hij schrikt niet van een leugentje om bestwil; zijn leven is één groot briljant spel dat excelleert in wat de Engelsen (vrij onvertaalbaar) ‘wit’ noemen. Juist daarom is hij zo’n uitstekend gezelschap, al zal hij altijd en poging doen je portemonnee te rollen of je op te zadelen met de rekening.

Maar hij wordt steeds weer gered door zijn humor (en hoeveel moeilijker wordt het een opgewekt mens te zijn en te blijven naarmate je ouder wordt; Falstaff is zeker een eind in de 70) en de klaterende, zonbeschenen waterval van taal die uit hem stroomt. Het is puur goud. Beautiful, laughing, living speech noemde William Butler Yeats het.
In Falstaff vindt Shakespeare’s taalvermogen een voorlopig hoogtepunt en op een bepaalde manier heeft hij het nooit meer overtroffen. Dit is een man die op alles een antwoord heeft. Tenminste, tot de finale afwijzing die hem sprakeloos laat.

Falstaff is vitaal als het leven zelf, maar het is ook een ijzeren wet dat levenskracht af moet nemen met de jaren. In de loop van de twee stukken Henry IV (en dan met name in het tweede deel) zie je de blijde straling die Falstaff steeds omgeven heeft, geleidelijk afnemen. Zijn humor is er nog, maar nu met een droeve ondertoon. Alsof de ondergang onafwendbaar is.
Na een vrolijke uiteenzetting met de prostituee Doll Tearsheet en de jonge herrieschopper Pistol, is daar ineens een ontroerend moment waarin Falstaff zijn eigen sterfelijkheid beseft. “When wilt thou leave fighting a-days and foining (boete doen) a-nights, and begin to patch up thine old body for heaven?”, vraagt Doll hem. Waarop Falstaff verzucht: “Do not speak like a death’s head; do not bid me remember mine end... I am old, I am old...”

 

vrijdag 11 maart 2022

Shakespeare deel 2

 


We weten heel weinig van de persoon Shakespeare. Hij moet een niet heel opmerkelijke man zijn geweest, zo blijkt uit de schaarse getuigenissen van tijdgenoten die we hebben. Schrijvers als Dante, Milton of Tolstoj waren formidabele, imponerende persoonlijkheden. Dat zelfde geldt voor tijdgenoten als Ben Jonson of Christopher Marlowe, of de Spanjaard Cervantes, schrijver van Don Quixote, (geboren in hetzelfde jaar als Shakespeare, men zegt zelfs wel op dezelfde dag, 23 april) die een leven van spanning en avontuur leed.  Maar Shakespeare was een heel gewone man: open, vriendelijk en zacht, gevat en humoristisch, iemand met wie je zo naar de pub zou gaan om een biertje te drinken. Bovendien is het de vraag of hij zich van zijn exceptionele kwaliteiten bewust was. Dante en Milton waren dat wel: zij waren bezig met het schrijven van meesterwerken waarvan zij wisten (of in elk geval hoopten) dat ze eeuwen na hun dood nog gelezen zouden worden. Maar Shakespeare? Zijn teksten waren toneelmanuscripten, werkmateriaal voor de acteurs van zijn gezelschap, waar voortdurend in geschrapt werd of aan toegevoegd. Van King Lear hebben we twee verschillende versies die totaal niet op elkaar passen, iedere tekstredacteur moet weer zijn eigen combinatie maken. Het is toch haast ondenkbaar dat het grootste meesterwerk uit de wereldliteratuur nooit door zijn maker geredigeerd is, dat hij het kennelijk als wegwerpmateriaal beschouwde. De eerste versie van de verzamelde plays verscheen pas in 1623, 7 jaar na Shakespeares dood.
Van het beeld dat we hebben van Shakespeare als ‘one of the guys’, een simpele plattelandsjongen met weinig opleiding, komt ook de (nogal snobistische) opvatting dat William Shakespeare  nooit de auteur van al deze meesterwerken kan zijn geweest. Dat moet wel een edelman geweest zijn, zoals Francis Bacon of Edward de Vere, de Earl of Oxford (Sigmund Freud hing de laatste theorie aan).
Wat hem ook wel verweten wordt (door Tolstoj bijvoorbeeld, die een grote hekel aan Shakespeare had), is dat hij geen ideologie heeft. Ted Hughes, in zijn Shakespeare boek dat verderop ter sprake komt, ziet in hem een occulte neoplatonist, wat een fascinerende visie is, maar waar eigenlijk geen enkele basis voor is. Shakespeare had geen theologie, geen metafysica, geen ethiek, geen politiek. Uit zijn werk vallen geen morele lessen te trekken.
Dat enkele van zijn characters zo universeel en onuitputtelijk zijn, dat ze daardoor een metafysische dimensie krijgen, is wat anders. Dat is de uitwerking van Shakespeares verbeeldingskracht. Maar dat hij katholiek of protestant zou zijn (nogal een issue in zijn tijd), welke leer of doctrine hij aanhing, of hij er bepaalde principes op na hield: het blijkt nergens uit. Zijn werk omvat de totale werkelijkheid. Omdat hij zich letterlijk in alles en iedereen verplaatsen kon.

Er is eigenlijk niets wat te vergelijken valt met de vier grote Shakespeare tragedies (of eigenlijk zijn het er vijf: Hamlet, Othello, King Lear, Macbeth en ik reken ook Anthony and Cleopatra daarbij). T.S. Eliot zei: “Dante and Shakespeare divide the modern world between them; there is no third.” Maar James Joyce, de enige 20e -eeuwse schrijver die qua uitbundigheid, complexiteit en de gelaagdheid van zijn taal enigszins in de buurt komt, vond dat zelfs Dante niet de rijkdom van Shakespeare had. En ik denk dat hij gelijk heeft. De galerij Shakespeare characters warmee ik hierboven een begin heb gemaakt, gaat verder en verder, ze omvat Hamlet en Falstaff, Rosalind (uit As you like it) en Cleopatra, Iago (Othello’s tegenspeler) en Lear, Macbeth en Prospero en over ieder individueel zou je boeken kunnen vullen (wat overigens ook uitgebreid gedaan is).

Lear and Cordelia, Ford Madox Brown

Hierboven noemde ik King Lear het grootste meesterwerk uit de wereldliteratuur. Er is geen opvoering, geen lezing die rechtdoet aan de complexe, rijke gelaagdheid, aan de emotionele diepte van dit stuk. Er zijn scènes die ik nooit kan lezen zonder tranen in de ogen te krijgen: de hereniging van Lear en Cordelia, de ontmoeting van Gloucester en Lear op de hei, de desolate slotscène waarin Lear opkomt met het lichaam van zijn dode dochter in zijn armen... 


Ik wil het niet over Edmund hebben, hij is Shakespeare’s grootste nihilist, zijn koudste personage. En hij is schitterend getekend, echter niet iemand die je graag tegen zou komen. Hij vormt de antithese van Lear, de allergrootste representatie van alle koningen bij Shakespeare. Door een domme beoordelingsfout en gebrek aan mensenkennis bereidt hij, Lear, zijn eigen ondergang voor. Hij is soms onuitstaanbaar in zijn koppigheid, maar het is ook zo duidelijk dat álle ‘good characters’ van het stuk (en in geen stuk van Shakespeare zijn  de scheidslijnen tussen goed en kwaad zó duidelijk) van hem houden: Cordelia en the Fool, Gloucester en Kent, Edgar en Albany. Wat zo indrukwekkend is aan zijn personage is niet alleen zijn passionele intensiteit (geen enkele van de characters voelt zo veel en zo diep), maar ook zijn vermogen, op 80-jarige leeftijd, tot verandering. Als hij buitengesloten wordt en in een storm op de hei rondzwerft, brengt de zwaarte van zijn lijden hem niet alleen op de rand van krankzinnigheid, maar ook tot inzichten die hij als koning nooit gekend heeft. Hij ziet het lot der verschoppelingen en voelt mededogen. Ik vind die karakterverandering zó indrukwekkend! Ook daar krijg ik kippevel van.

Wie zich in King Lear verdiept, kan niet anders dan zich verbinden met zijn lijden, meevoelen met wat hij voelt. En tenslotte totaal aangedaan zijn door zijn dood.

Ik kom later nog terug op King Lear.
Als leidraad bij het schrijven over de stukken, houd ik “Shakespeare and the Goddess of Complete Being” van Ted Hughes aan, één van de merkwaardigste Shakespeare boeken die ik ken. Voordat ik daarmee begin, wil ik het eerst over de twee delen Henry IV hebben. Want die bevatten de onvergelijkelijke Falstaff.
Daarnaast heb ik ook veel gehad aan “the Meaning of Shakespeare” van Harold Goddard, die net als zijn naamgenoot Bloom de stukken één voor één behandelt. En “Shakespeare the Thinker” van A.D. Nuttall die het werk meer filosofisch benadert. Zelf probeer ik uit te drukken wat al deze stukken, deze characters, deze taal, voor mij betekenen. Genoemde schrijvers zijn voor mij gidsen geweest. En ik heb niet de illusie dat ik nog veel origineels toe kan voegen. Maar dat hoeft ook niet. Ik wil vooral Shakespeare recht doen.

 

 

 

Shakespeare's Macbeth, deel II

De scène van de moord op Lady Macduff en haar kinderen is vrijwel ondragelijk. Je kunt je afvragen waarom Macduff zijn gezin niet heeft meeg...