Stel de vraag
welke schrijver mij, na Shakespeare uiteraard, het liefst is en ik heb daar
niet zo één twee drie een antwoord op. James Joyce en Marcel Proust, de grote
modernisten, komen als eerste boven. Maar dan misschien toch eerder nog Jorge
Luis Borges, de blinde bibliothecaris uit Buenos Aires: ik heb niet voor niets
mijn boekwinkeltje, waarop ik mijn overtollige boeken aanbiedt, ‘borges’
genoemd.
Of Dostojevski, vanwege de enorme intensiteit van zijn schrijven.
Maar uiteindelijk kom ik toch bij Charles Dickens uit. En dat is redelijk verrassend. Natuurlijk, ik heb al vele jaren een speciale band met Dickens omdat ik ieder jaar in december verschillende keren zijn Christmas Carol voordraag. Ik verbeeld me zelfs daarmee (een beetje maar, want Dickens moet een ongeëvenaard voordrachtskunstenaar zijn geweest) in de voetsporen van de auteur te treden. Maar goed, de Christmas Carol mag dan door de jaren heen zijn populairste werk zijn geweest, Dickens is zo veel meer dan dit ene kerstverhaal (het op één na bekendste, zeg ik dan altijd, na dat in het Evangelie volgens Lucas). Hij is bovenal de schrijver van 15 dikke tot zeer dikke romans, waarvan er één (Mystery of Edwin Drood) onafgemaakt is gebleven door Dickens’ dood in 1870. En nu blijkt het eigenlijk vrij moeilijk te zijn precies te zeggen waarom hij zo’n goede romanschrijver is en waarom ik hem prefereer boven de onvergelijkelijke Joyce en al die anderen.
Eigenlijk ben je min of meer geneigd ‘over hem heen te lezen’. Hij is zo’n vanzelfsprekend onderdeel van de inboedel van de Engelse cultuur geworden dat je je niet meer realiseert hoe goed hij eigenlijk is. En we zijn allang vergeten dat een schrijver als Dostojevski, die door de meesten wel tot de buitencategorie gerekend wordt, Dickens als zijn grootste voorbeeld zag.
Toch zette
George Bernard Shaw, wiens verzamelde Dickens commentaren (“Shaw on Dickens”
zeer lezenswaardig zijn) de auteur op één lijn met Shakespeare. Weliswaar kan
niemand pretenderen dat Dickens op dezelfde hoogte staat (Shakespeare’s werk is
kwalitatief met niemand anders te vergelijken), maar wel dat Dickens Engelands
grootste dramaschrijver is sinds Shakespeare. Natuurlijk, Dickens schreef
romans en Shakespeare toneelstukken, maar zijn werk is zo dramatisch en heeft
zoveel geïncorporeerd van de Engelse toneeltraditie door de eeuwen heen dat die
karakterisering zo gek nog niet is. Trouwens, Dickens zelf ging regelmatig naar
het theater en was gek op toneel spelen. En er is nog een andere parallel met
Shakespeare: hij is de enige Engelse schrijver die met de bard uit Stratford te
vergelijken is wat de uitgestrektheid en variatie van de door hen gecreëerde
literaire wereld betreft en de levendigheid van de daarin wonende personages.
De romans van
Dickens doorkruisen (net als de stukken van Shakespeare) alle sociale klassen.
Je kunt bij Dickens terecht om te horen hoe het is in de werkhuizen en de
gevangenissen waar de allerarmsten zijn opgesloten. Maar ook hoe het is om een
overheidspost te bekleden of lid van het Parlement te zijn: we horen hoe die
mensen praten, hoe ze zich gedragen. En datzelfde geldt voor de middenklasse:
de advocaten, de winkeliers, de zeelui. Het werk van Dickens is een
dwarsdoorsnede van de Engelse samenleving in de 19e eeuw.
En: Dickens
herhaalt zichzelf nooit. Al die romans verschillen van elkaar en maken ten
opzichte van elkaar een duidelijke ontwikkeling door.
Op deze plek wil
ik nu het voornemen uitspreken een aantal romans van Dickens te gaan behandelen.
Onder voorbehoud, je moet altijd maar afwachten wat er terecht komt van zo’n
voornemen, het is een enorme klus. Een Dickens roman bevat toch al gauw 600
bladzijden tot soms zelfs een kleine 900. Ik lees niet snel en lees er dan ook
weer andere dingen tussendoor (ik wissel met name filosofie en literatuur af,
maar over filosofie wil ik, ik heb het al eerder gezegd, liever niet schrijven
omdat het zo’n specifieke discipline is. Maar ook dat kan zo weer veranderen.
Dit terzijde). Bovendien wil ik, om het zo grondig mogelijk aan te pakken, er
het één en ander aan kritiek en commentaren omheen lezen. Zo ben ik nu al bijna
anderhalve maand aan de Pickwick Papers bezig. Het is een boek waar ik al twee
keer aan begonnen was, zonder het uit te lezen. Misschien komt dat omdat het
een redelijk onsamenhangend geheel is, eerder uit een aantal losse taferelen
lijkt te bestaan dan dat het een hechte romancompositie is. En het is zo
intimiderend om na een flink aantal leesuren te zien, dat je nog steeds niet op
de helft bent. Misschien liggen er andere boeken op je te wachten die vooralsnog
aantrekkelijker lijken en ineens staat het boek weer onuitgelezen in de kast.
Maar nu is het voornemen van Pickwick Papers mijn eerste Dickens publikatie te
maken in dit blog een extra stimulans en ik moet zeggen: ik geniet erg van het
boek: de figuren, de wildgroei aan over elkaar heen buitelende situaties, de
taal en (bovenal) de humor: dit is echt een heel grappig boek.
Dit is nu het
moment om te bekennen dat er nog meer Dickens romans zijn die ik halverwege heb
laten zitten: Martin Chuzzlewit bijvoorbeeld en Little Dorrit. En die horen
toch echt tot zijn betere romans. Goede gelegenheid om ze voor dit blog weer op
te pakken. Er zijn vroege romans die ik nog niet gelezen heb (Nicholas
Nickleby) of die ver zijn weggezakt (the Old curiosity shop) en ik ben geïntrigeerd
door de merkwaardige, want totaal niet gangbare opvatting van Chesterton, nl.
dat Dickens’ vroege romans te prefereren zijn boven het latere werk.
Maar ik ga niet alles lezen. Oliver Twist is voor mij een beetje verpest door
de vele film – en musicalbewerkingen, het lijkt me ook niet zijn beste roman,
hoewel ik ook wel inzie waarom dit zo populair kon worden. Tegen sommige van de
romans heb ik een vooroordeel: Barnaby Rudge en Tale of two Cities
bijvoorbeeld. Ze lijken me onkarakteristiek voor de rest van Dickens’ oeuvre en
ik heb daardoor het idee dat ik ze minder goed zal vinden.
Dombey and Son heb ik met veel plezier gelezen, maar ik geloof niet dat nog een
keer lezen iets extra’s gaat opleveren. Die laten we dus ook zitten.
Bij een meesterwerk als David Copperfield echter, heb ik het tegenovergestelde:
ik ben zeker van plan de bijna 900 pagina’s die de roman telt, voor dit blog
nog een keer te lezen. Zoals ik me ook verheug op het herlezen van geweldige
romans als Bleak House (mijn grote favoriet) en Great expectations (voor
Dickens’ doen een dunnetje). En ik heb Our mutual friend nog nooit gelezen. Ga
ik dus ook een keer doen!!
Maar nu de vraag
die ook Maarten ’t Hart stelt, in zijn leuke stuk over Dickens (in de bundel
het Eeuwige moment uit 1983): wat maakt Dickens tot zo’n geweldige schrijver?
Het heeft echt een tijd geduurd voordat ik werkelijk open kon staan voor die
romans. Ze hadden in mijn ogen, ondanks hun enorme volume, al die honderden
bladzijden, zo weinig echte inhoud. Een werkelijk grote schrijver, dat was in
mijn ogen iemand met een groot psychologisch inzicht, iemand als Proust, die je
recht in de ziel van zijn personages doet kijken. Of een ongeëvenaard
taalkunstenaar, zoals James Joyce, een schrijver die qua taalvermogen welhaast
het niveau van Shakespeare benadert (en dat zegt wat!). Of een schrijver met
grote ideeën, die je eindeloos kan blijven doordenken. Kafka is zo’n schrijver,
of Borges die een briljant spel speelt met allerlei filosofische concepten. Of
dan tenminste iemand met een groot ideaal, een Dostojevski, zelfs als dat,
zoals bij hem, vertroebeld wordt door orthodox religieuze en nationalistische
tendensen: het is het vuur waarmee dat ideaal wordt nagestreefd dat zo’n
schrijver de moeite waard maakt.
Niets van dat
alles vind je bij Dickens, zoals Maarten ’t Hart in zijn stuk overtuigend
aantoont.
Je kijkt bij zijn personages nooit naar binnen, hij is geen groot psycholoog
(dat je door goed te observeren een personage door beschrijving van de
buitenkant heel overtuigend neer kunt zetten, blijkt bij Dickens echter keer op
keer, ik kom daar op terug).
Substantiële ideeën, gedachten waar je op door kunt denken: niet aanwezig (dat
dat niet hoeft om een goede roman te hebben, daar kwam ik pas heel laat
achter).
Zijn voornaamste ideaal is het burgermansgezin: al die weeskinderen en verloren
personages die onwetend zijn omtrent hun afkomst – hun ultieme doel is
opgenomen te worden in een warme huiselijk kring (dat dat zo gek niet is en
misschien zelfs wel te prefereren boven de wereld redden of God vinden is iets
wat je ook pas leert als je ouder wordt).
Hedendaagse
literatuur is mij steeds minder gaan interesseren. Hetzelfde geldt voor Nederlandse
romans. Waarom zou je iets lezen dat toevallig in deze tijd of in het land waar
je geboren bent is geschreven als er 30 eeuwen wereldliteratuur op je liggen te
wachten? Om via die literatuur je eigen tijd en je eigen land te leren kennen?
Dat kun je ook doen door om je heen te kijken, kranten te lezen of TV te kijken
(hoewel ik onmiddellijk toegeef dat de laatste twee bronnen het antiquarische
toevluchtsoord vormen van een 60er die koppig weigert zijn nieuws te halen van
internet en sociale media). Ik concentreer me liever op wat tijdloos en
universeel is en wat je om die reden ook steeds weer kunt herlezen (Goede
literatuur is nieuws dat nooit oud wordt, zei Ezra Pound al). Dickens is
daarvan voor mij een groot voorbeeld. Als ik een roman van Dickens heb gelezen
en daarna iets hedendaags uitprobeer, komt me dat vaak toch vlak en kleurloos
voor.
(Deel II volgt)

Geen opmerkingen:
Een reactie posten