We weten heel weinig van de persoon Shakespeare. Hij moet een niet heel opmerkelijke man zijn geweest, zo blijkt uit de schaarse getuigenissen van tijdgenoten die we hebben. Schrijvers als Dante, Milton of Tolstoj waren formidabele, imponerende persoonlijkheden. Dat zelfde geldt voor tijdgenoten als Ben Jonson of Christopher Marlowe, of de Spanjaard Cervantes, schrijver van Don Quixote, (geboren in hetzelfde jaar als Shakespeare, men zegt zelfs wel op dezelfde dag, 23 april) die een leven van spanning en avontuur leed. Maar Shakespeare was een heel gewone man: open, vriendelijk en zacht, gevat en humoristisch, iemand met wie je zo naar de pub zou gaan om een biertje te drinken. Bovendien is het de vraag of hij zich van zijn exceptionele kwaliteiten bewust was. Dante en Milton waren dat wel: zij waren bezig met het schrijven van meesterwerken waarvan zij wisten (of in elk geval hoopten) dat ze eeuwen na hun dood nog gelezen zouden worden. Maar Shakespeare? Zijn teksten waren toneelmanuscripten, werkmateriaal voor de acteurs van zijn gezelschap, waar voortdurend in geschrapt werd of aan toegevoegd. Van King Lear hebben we twee verschillende versies die totaal niet op elkaar passen, iedere tekstredacteur moet weer zijn eigen combinatie maken. Het is toch haast ondenkbaar dat het grootste meesterwerk uit de wereldliteratuur nooit door zijn maker geredigeerd is, dat hij het kennelijk als wegwerpmateriaal beschouwde. De eerste versie van de verzamelde plays verscheen pas in 1623, 7 jaar na Shakespeares dood.
Van het beeld dat we hebben van Shakespeare als ‘one of the guys’, een simpele plattelandsjongen met weinig opleiding, komt ook de (nogal snobistische) opvatting dat William Shakespeare nooit de auteur van al deze meesterwerken kan zijn geweest. Dat moet wel een edelman geweest zijn, zoals Francis Bacon of Edward de Vere, de Earl of Oxford (Sigmund Freud hing de laatste theorie aan).
Wat hem ook wel verweten wordt (door Tolstoj bijvoorbeeld, die een grote hekel aan Shakespeare had), is dat hij geen ideologie heeft. Ted Hughes, in zijn Shakespeare boek dat verderop ter sprake komt, ziet in hem een occulte neoplatonist, wat een fascinerende visie is, maar waar eigenlijk geen enkele basis voor is. Shakespeare had geen theologie, geen metafysica, geen ethiek, geen politiek. Uit zijn werk vallen geen morele lessen te trekken.
Dat enkele van zijn characters zo universeel en onuitputtelijk zijn, dat ze daardoor een metafysische dimensie krijgen, is wat anders. Dat is de uitwerking van Shakespeares verbeeldingskracht. Maar dat hij katholiek of protestant zou zijn (nogal een issue in zijn tijd), welke leer of doctrine hij aanhing, of hij er bepaalde principes op na hield: het blijkt nergens uit. Zijn werk omvat de totale werkelijkheid. Omdat hij zich letterlijk in alles en iedereen verplaatsen kon.
Er is eigenlijk niets wat te vergelijken valt met de vier grote Shakespeare tragedies (of eigenlijk zijn het er
vijf: Hamlet, Othello, King Lear, Macbeth en ik reken ook Anthony and Cleopatra
daarbij). T.S. Eliot zei: “Dante and Shakespeare divide the modern world
between them; there is no third.” Maar James Joyce, de enige 20e -eeuwse schrijver
die qua uitbundigheid, complexiteit en de gelaagdheid van zijn taal enigszins
in de buurt komt, vond dat zelfs Dante niet de rijkdom van Shakespeare had. En
ik denk dat hij gelijk heeft. De galerij Shakespeare characters warmee ik
hierboven een begin heb gemaakt, gaat verder en verder, ze omvat Hamlet en
Falstaff, Rosalind (uit As you like it) en Cleopatra, Iago (Othello’s
tegenspeler) en Lear, Macbeth en Prospero en over ieder individueel zou je
boeken kunnen vullen (wat overigens ook uitgebreid gedaan is).
| Lear and Cordelia, Ford Madox Brown |
Hierboven noemde ik King Lear het grootste meesterwerk uit de wereldliteratuur. Er is geen opvoering, geen lezing die rechtdoet aan de complexe, rijke gelaagdheid, aan de emotionele diepte van dit stuk. Er zijn scènes die ik nooit kan lezen zonder tranen in de ogen te krijgen: de hereniging van Lear en Cordelia, de ontmoeting van Gloucester en Lear op de hei, de desolate slotscène waarin Lear opkomt met het lichaam van zijn dode dochter in zijn armen...
Ik wil het niet over Edmund
hebben, hij is Shakespeare’s grootste nihilist, zijn koudste personage. En hij
is schitterend getekend, echter niet iemand die je graag tegen zou komen. Hij
vormt de antithese van Lear, de allergrootste representatie van alle koningen
bij Shakespeare. Door een domme beoordelingsfout en gebrek aan mensenkennis
bereidt hij, Lear, zijn eigen ondergang voor. Hij is soms onuitstaanbaar in
zijn koppigheid, maar het is ook zo duidelijk dat álle ‘good characters’ van
het stuk (en in geen stuk van Shakespeare zijn
de scheidslijnen tussen goed en kwaad zó duidelijk) van hem houden:
Cordelia en the Fool, Gloucester en Kent, Edgar en Albany. Wat zo indrukwekkend
is aan zijn personage is niet alleen zijn passionele intensiteit (geen enkele van
de characters voelt zo veel en zo diep), maar ook zijn vermogen, op 80-jarige
leeftijd, tot verandering. Als hij buitengesloten wordt en in een storm op de
hei rondzwerft, brengt de zwaarte van zijn lijden hem niet alleen op de rand
van krankzinnigheid, maar ook tot inzichten die hij als koning nooit gekend
heeft. Hij ziet het lot der verschoppelingen en voelt mededogen. Ik vind die
karakterverandering zó indrukwekkend! Ook daar krijg ik kippevel van.
Wie zich in King Lear
verdiept, kan niet anders dan zich verbinden met zijn lijden, meevoelen met wat
hij voelt. En tenslotte totaal aangedaan zijn door zijn dood.
Ik kom later nog terug op
King Lear.
Als leidraad bij het schrijven over de stukken, houd ik “Shakespeare and the
Goddess of Complete Being” van Ted Hughes aan, één van de merkwaardigste
Shakespeare boeken die ik ken. Voordat ik daarmee begin, wil ik het eerst over
de twee delen Henry IV hebben. Want die bevatten de onvergelijkelijke Falstaff.
Daarnaast heb ik ook veel gehad aan “the Meaning of Shakespeare” van Harold
Goddard, die net als zijn naamgenoot Bloom de stukken één voor één behandelt. En
“Shakespeare the Thinker” van A.D. Nuttall die het werk meer filosofisch
benadert. Zelf probeer ik uit te drukken wat al deze stukken, deze characters,
deze taal, voor mij betekenen. Genoemde schrijvers zijn voor mij gidsen geweest.
En ik heb niet de illusie dat ik nog veel origineels toe kan voegen. Maar dat
hoeft ook niet. Ik wil vooral Shakespeare recht doen.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten