vrijdag 25 maart 2022

Shakespeare’s Falstaff, deel 2

 Shakespeare’s twee Henry IV stukken, met een glanzende hoofdrol voor Sir John Falstaff, zoals ik al zei één van mijn favoriete Shakespeare personages.  

Ik wil er drie momenten uitlichten. De verstoting van Falstaff door prins Hal, de toekomstige koning Henry V vindt zijn voorafschaduwing in de act 2, scene 4 van het eerste deel van Henry IV, als Falstaff nog het bruisende middelpunt is van de troep in de Boar’s Head en de vrolijkheid, de levenslust ervan af spat. Falstaff en Hal doen een rollenspel om de kroonprins voor te bereiden op een bezoek aan zijn vader, de volgende dag, die zich ongetwijfeld zeer kritisch over hem gaat uitlaten. In de eerste ronde speelt Falstaff de koning die zijn zoon verwijt zich onder zeer twijfelachtig gezelschap te begeven. Er is echter één uitzondering: zo’n corpulente man “of a cheerful look, and a pleasing eye and a noble carriage... Harry, I see virtue in his looks”... Falstaffs heerlijke lofzang op zichzelf. Dan wisselen de rollen en speelt Hal zijn eigen vader en Falstaff de zoon. Het is een stroom van woede en ingehouden gewelddadigheid die Falstaff in de rol van Hal (maar natuurlijk eigenlijk als zichzelf) over zich heen krijgt. Hal is in het gezelschap van een duivel in de vorm van een dikke oude man: de scheldwoorden rollen over elkaar heen. “Wherein is he good, but to taste sack and drink it? Wherein crafty, but in villainy? That abominable misleader of youth, Falstaff, that old white-bearded Satan?”

Het is buitengewoon lelijk en naar wat Hal hier doet. Falstaff moet volkomen ontdaan zijn; zijn antwoord ontroert mij telkens weer: “No good my lord, banish Peto, banish Bardolph, banish Poins [de namen van Falstaffs metgezellen], but for sweet Jack Falstaff, kind Jack Falstaff, true Jack Falstaff... old Jack Falstaff, banish him not thy Harry’s company: banish plump Jack [ik stel me zo voor dat hier de rollende, lachende woordenvloed van Falstaff tot een nauwelijks meer hoorbare fluister is geworden], and banish all the world”. Jack Falstaff verbannen is alles in de wereld verbannen dat niet machtspolitiek en geweld is. Hals antwoord (met samengeklemde kaken) is grimmig en resoluut: “I do, I will”...

Falstaff stijgt tot nieuwe hoogten (het tweede moment dat ik wil uitlichten) als Hal hem als officier meeneemt naar het slagveld waar de beslissende slag tegen Hals rivaal Hotspur zal plaatsvinden. Natuurlijk is Falstaff geen vechtersbaas. ‘Wat sta je daar’, schreeuwt Hal hem toe, ‘geef me je zwaard’! Falstaff bezweert hem dat hij maar wat op adem staat te komen na grootse heldendaden: “Turk Gregory never did such deeds in arms as I have done this day”. Hal kan zijn pistool wel krijgen en hij geeft hem zijn holster.  Er blijkt een bottle of sack in te zitten. Dat is Falstaffs statement, zijn afkeer van het bloedvergieten. Een buitengewoon grappige scène, maar ook een uiting van pacifisme. Dit is een scène die zijn geldigheid blijft houden in alle tijden, op alle slagvelden, ook nu weer, in deze tijd van oorlog en verovering.
Wat Falstaff verder vooral probeert te doen, is wat wij denk ik allemaal zouden doen wanneer we het slagveld opgeschopt werden: overleven. Ook op het slagveld triomfeert de vitalist: de man die in alle omstandigheden, ook met zo veel dood om zich heen, het leven zoekt en zeker niet een eervolle (hoezo eervol?) dood: “I like not such grinning honour as sir Walter hath (een edelman die hij net dood heeft aangetroffen): give me life”.
Het is het motto dat Bloom aan zijn boekje over Falstaff meegaf: “Give me life”.

Even later vindt hij, als hij vijanden ziet naderen die ongetwijfeld veel sterker zijn dan hij, geen andere mogelijheid dan zich dood te houden en zo zijn leven te redden. Ook Hal denkt dat hij dood is, zijn zogenaamde laatste woorden voor zijn oude metgezel zijn niet bepaald uitingen van verdriet (“Poor Jack, farewell” en verder laat hij het erbij). En zodra Hal verdwenen is springt de oude ridder met hernieuwd elan weer op: een seculiere wederopstanding. Zijn speech hier draait om het woord ‘counterfeit’ (‘nep’, verwijzend naar zijn nep-dood van zojuist).
“I am not a counterfeit. To die is to be a counterfeit; for he is but a counterfeit of a man who hath not the life of a man. But to counterfeit dying when a man thereby liveth is to be no counterfeit but the true and perfect image of life indeed”. Een prachtig voorbeeld hoe Shakespeare een speeech kan opbouwen door eindeloos om één en hetzelfde woord heen te blijven cirkelen. En dan het mooiste: “The better part of valour is discretion”, m.a.w.: dit was geen lafheid, ware dapperheid is weten wanneer je uit moet wijken als je zo je leven kunt redden.

Falstaff rebuked
Tenslotte is daar de afwijzing van Falstaff door de nieuwbenoemde King Henry V: Hal, die zijn overleden vader is opgevolgd.
Het is een briljante vondst van Shakespeare om dit vooraf te laten gaan door een scène in het landelijke Gloucestershire, waar Falstaff in de boomgaard van zijn oude vriend Justice Shallow zijn laatste onbekommerde momenten viert.
Dan is er een klop op de deur: het is Ancient Pistol die het goed nieuws brengt uit de hoofdstad: “Sweet knight” (zegt hij tegen Falstaff), “thou art now one of the greatest men in the realm... Sir John, thy tender lambkin now is king”. Falstaff is zeker, denkt hij, nu zijn vertrouweling koning is, van een bevoorrechte positie aan het hof: “Master Robert Shallow, choose whatever office thou wilt in the land, ‘tis thine. Pistol, I will double-charge thee with dignities”. Hij begint nu al met erebaantjes uitdelen. Het geluk lijkt hem toe te lachen: “I am fortune’s steward... I know the young king is sick for me... the laws of England are at my command”.
Maar als toeschouwer of lezer weet je eigenlijk al dat nooit zo zal kunnen zijn. En Falstaff zelf, ik ben ervan overtuigd, weet het ook. Hij is intelligent genoeg en hij kent Hals ambivalentie door en door. Dit is ontken– en ontwijk gedrag. En het is eigenlijk te droevig voor woorden. Het duister komt en Falstaff zal erin verdwijnen. Tot ontstentenis van een ieder die hem een warm hart toedraagt.

Act V, scene V van Henry IV, part II geeft ons de daadwerkelijke afwijzing. En inderdaad, als Falstaff staat te wachten op de stoet van de koning, kun je eigenlijk niet anders dan veronderstellen dat hij die afwijzing verwacht en er zelfs op aanstuurt. Dat is de ondertoon van wat hij zegt tegen Robert Shallow: “I will leer upon him (verlangend uitkijken naar) as he comes by, and do but mark the countenance that he will give me”.
- een wanhopige wens, tegen beter weten in, geaccepteerd te worden door de nieuwe koning.
Als de stoet arriveert springt Falstaff naar voren:
“God save thy grace, King Hal, my royal Hal... God save thee, my sweet boy”. Maar de koning richt zich niet rechtstreeks tot Falstaff, maar tot de Lord Chief Justice in zijn gevolg: “Speak to that vain man”. Deze wijst hem terecht. Het “My King, I speak to thee, my heart” van Falstaff klinkt als een laatste noodkreet. Hij weet dat het allemal voorbij is, wat de koning hem ook inderdaad te verstaan geeft:
“I know thee not, old man. Fall to thy prayers (Hal als koning is ineens een toonbeeld van vroomheid);
How ill white hairs become a fool and jester! - voor de koning is Falstaff een irreële droomfiguur geworden, een belachelijke clown: I have long dreamt of such a man,
so surfeit-swelled (verwijst naar zijn corpulentie), so old and so profane;
But, being awaked I do despise my dream...
De koning is niet meer Hal, Falstaffs kroegmaat:
Presume not that I am the thing I was
... I have turned away my former self
En hij geeft Falstaff de definitieve nekslag:
Know the grave doth gape for thee thrice wider than for other men”

Het vonnis dat wordt uitgesproken luidt in eerste instantie dat Falstaff zich niet meer binnen de tien mijl van de koning mag begeven (een contactverbod), maar even later wordt hij toch opgepakt en naar Fleet Street prison gebracht.

De angst verstoten te worden is een centraal thema geworden voor Shakespeare, kijk naar de grote tragedies die volgen: Hamlet die Ophelia verstoot en haar tot zelfmoord drijft; Othello die Iago passeert bij een benoeming en zo de ellende over zich afroept; de dubbele afwijzing in King Lear: die van Cordelia door Lear en van Edgar door Gloucester. De romances die Shakespeare aan het einde van zijn carrière schreef, gaan daarentegen weer over hereniging, met name van vaders en dochters.

Aan het begin van Shakespeare’s volgende stuk, Henry V, doet Mistress Quickly verslag van de dood van Falstaff: “I saw him fumble with the sheets and play with the flowers and smile upon his fingers’ ends... he babbled of green fields” (een verwijzing naar Psalm 23). Hij roept het uit: “God, God, God” - geen vredige dood, lijkt mij zo, maar Mistress Quickly staat hem bij: “to comfort him ... bid him there was no need to trouble himself with any such thoughts yet”. We proberen een stervende gerust te stellen met leugentjes: het is nog lang je tijd niet. Maar ze voelt zijn voeten, zijn knieën en hogerop en het is allemaal ijskoud. De overeenkomst met de dood van Socrates, beschreven in de Phaedo, is opvallend.

Ik stel me zo voor dat er iets gestorven moet zijn in Shakespeare zelf, toen hij zijn tot dan toe grootste creatie liet sterven. Hierna komt the Merchant of Venice, waarin de figuur Shylock al even out of place is in een komedie als Sir John Falstaff dat is in een historiestuk. En het is een zeer getroubleerde figuur; Shakespeare’s tekening van hem reflecteert het antisemitisme dat in zijn tijd gemeengoed was.

En dan komen die meesterwerken, de grote tragedies waarin Shakespeare zo overduidelijk aan het worstelen is met zichzelf en die zijn grootste creaties hebben opgeleverd: van Hamlet to Cleopatra. Falstaff heeft die weg mogelijk gemaakt.
Zoals William Blake zegt: “Exuberance is Beauty”.
En Falstaff zelf: “Give me life!” Het blijft, ondanks zijn tragische ondergang en dood, overeind staan. Geweldig!






Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Shakespeare's Macbeth, deel II

De scène van de moord op Lady Macduff en haar kinderen is vrijwel ondragelijk. Je kunt je afvragen waarom Macduff zijn gezin niet heeft meeg...