vrijdag 10 januari 2025

Shakespeare's Macbeth, deel II

De scène van de moord op Lady Macduff en haar kinderen is vrijwel ondragelijk. Je kunt je afvragen waarom Macduff zijn gezin niet heeft meegenomen naar Engeland toen hij vluchtte, in plaats van hen onbeschermd achter te laten. Dit is wat Lady Macduff bedoelt als zij zegt: “He wants the natural touch”; ‘natural’ zou zijn : affectie voor zijn gezin hebben. Ze verwijt hem zijn handelen: “All is the fear and nothing is the love; as little is the wisdom, when the flight so runs against all reason.”

Er is een aangrijpend gesprek tussen de moeder en haar zoon, die wil weten waarom zijn vader gevlucht is. Het jongetje is verstandig en dapper, het maakt hun conversatie zo moeilijk om aan te horen in het licht van wat er te gebeuren staat.
De moeder vraagt haar zoon hoe hij verder denkt te kunnen leven nu zijn vader dood is (want voor haar is hij daadwerkelijk dood) - “As birds do mother
Lady Macduff: What, with worms and flies?
Son: With what I get, I mean; and so do they.”
Ongetwijfeld heeft Shakespeare hier gedacht aan Mattheus 6: 26: ‘Denk aan de vogels in het veld, zij maaien niet en zaaien niet, toch zorgt uw hemelse vader voor hen’. Maar ook dit krijgt een cynische bijklank door wat volgt.
Een boodschapper raadt Lady Macduff aan meteen te vluchten, maar zij is uiterst defaitistisch: “Whither should I fly? I have done no harm. But I remember now I am in this earthly world; where to do harm is often laudable, to do good sometime accounted dangerous folly...”

Waarop volgt (Enter Murderers) wat hier niet meer beschreven hoeft te worden.

De scène hierna geeft ons Macduff en Malcolm (beiden zijn gevlucht naar het hof van Edward the Confessor, de Engelse koning) in gesprek met elkaar. Dit gesprek heeft een dubbele betekenis. Uiteraard moet Macduff op de hoogte gesteld worden van de moord op zijn gezin, maar dat gebeurt pas na een paar honderd regels. Daarvoor is klinkt een soort van koorzang die, op de wijze van de oude Griekse tragedies, commentaar geeft op de situatie in Schotland, waar iedereen zucht onder het regime van Macbeth.
Macduff: “Each new morn new widows howl, new orphans cry, new sorrows strike heaven on the face...
Malcolm: “I think our country sinks beneath the yoke; it weeps, it bleeds; and each new day a gash is added to her wounds...”

Maar dan begint Malcolm een merkwaardige omtrekkende beweging, die echter ook goed verklaarbaar is: als zoon van de vermoorde Duncan moet Malcolm zeker weten dat hij Macduff volledig kan vertrouwen; zijn wantrouwen zal al gewekt zijn doordat Macduff zo gemakkelijk zijn vrouw en kinderen in de steek heeft gelaten:
Why in that rawness [zo onbeschermd] left you wife and child, those precious motives, those strong knots of love, without leave-taking?

Hij begint daarom met een uitgebreid exposé, dat bedoeld is om Macduff op de proef te stellen. Wanneer Macduff Macbeth als volgt omschrijft: “Not in the legions of horrid hell can come a devil more damn'd in evils to top Macbeth” (wat een goed voorbeeld is van wat ik zojuist omschreef als een becommentariërende koorzang), dan bevestigt Malcolm dat, om vervolgens te veinzen dat het Schotse volk onder hem nog veel slechter af is. Zijn begeerte naar vrouwen, beweert hij, kent geen grenzen en om zijn zucht naar rijkdom te bevredigen zal hij vele edelen onteigenen. En zo nog veel meer. Samenvattend: “Nay, had I power, I should pour the sweet milk of concord into hell, uproar the universal peace, confound all unity on earth.” Wat eigenlijk een spiegel is waarin we het bloedige regime van Macbeth gereflecteerd zien.

De goedgelovige Macduff volgt hem in alles en is opgelucht wanneer Malcolm hem vervolgens geruststelt dat hij het tegendeel is van alles wat hij hem heeft willen doen geloven.
Dan is er nieuws vanuit Schotland. Wij weten al wat de onheilsboodschap betreft, maar de boodschapper, Ross, stelt het allemaal zo lang mogelijk uit. In plaats daarvan geeft ook hij weer een verslag van wat de Schotten allemaal te lijden heb (
koorzang!); hij spreekt van ‘sighs and groans and shrieks that rent the air’ en ‘violent sorrow’.
Doden bij bosjes: “the dead man’s knell is there scarce ask'd for who; and good men’s lives expire before the flowers in their caps...”
Maar is zijn familie veilig?, vraagt
Macduff hem. “They were well at peace when I did leave 'em”. De vrede van het graf, hemelse vrede is wat hij bedoelt – het is duidelijk dat Ross de woorden niet uit zijn strot krijgt, tot uiteindelijk, na nog een aantal regels:
Your castle is surprised; your wife and babes savagely slaughter'd...”

Macduffs reactie gaat ons door merg en been:
All my pretty ones? Did you say all? O hell-kite! All? What, all my pretty chickens and their dam at one fell swoop?

Maar onder invloed van Malcolm wordt Macduff ertoe aangezet zijn verdriet te transformeren tot actie en te zien als de ultieme motivatie om Macbeth te onttronen (en te doden).
Malcolm: “Let grief convert to anger; blunt not the heart, enrage it...”
Macduff: “Gentle heavens, cut short all intermission. Front to front bring thou this fiend of Scotland and myself...”
Malcolm: “Macbeth is ripe for shaking, and the powers above put on their instruments.”

De toon voor het laatste bedrijf is gezet.
Lady Macbeth is dan krankzinnig geworden. Ze slaapwandelt en wordt gadegeslagen door een dokter, die erbij geroepen is door haar hofdame. Ze is bang van het donker, “she she has light by her continually”, zegt de hofdame; “Hell is murky [donker]” is één van eerste uitspraken van Lady Macbeth die we horen. Ze maakt bewegingen alsof ze continu haar handen aan het wassen is: “Out, damned spot”. Ze lijkt geobsedeerd door de moord op Duncan: “Who would have thought the old man to have had so much blood in him”, een regel die je niet licht vergeet.

Dan haken haar gedachten aan de moord op Lady Macduff en haar kinderen:
The thane of Fife had a wife: where is she now?-
What, will these hands ne'er be clean?... all the perfumes of Arabia will not sweeten this little hand. Oh, oh, oh!
En de moord op Banquo:
Banquo's buried; he cannot come out on's grave.” Ze probeert zichzelf gerust te stellen, maar het is weinig overtuigend. Tenslotte keert de
‘porter of Hell’s gate’ weer terug: “To bed, to bed! there's knocking at the gate... What's done cannot be undone.
Het zullen haar laatste woorden blijken te zijn...

We horen dat Malcolm en Macduff met de rest van de Schotse rebellen en een Engelse legermacht onderweg zijn. Macbeth hebben we al een tijdje niet op het toneel gezien, die heeft zich nu verschanst in Dunsinane castle. Hij is nog altijd vol zelfvertrouwen en beroept zich daarbij op de voorspellingen van de heksen:
Till Birnam wood remove to Dunsinane, I cannot taint with fear. What's the boy Malcolm? Was he not born of woman?... The mind I sway by and the heart I bear

shall never sag with doubt nor shake with fear.

Maar even later bekent hij toch, na de berichtgeveing over de naderende troepen, dat hij ‘sick at heart’ is. Het is hier dat zijn taal weer een verbazende kracht en een poëtische schoonheid krijgt:
I have lived long enough: my way of life is fall'n into the sear [is verschrompeld], the yellow leaf; and that which should accompany old age, as honour, love, obedience, troops of friends, I must not look to have; but, in their stead, curses, not loud but deep, mouth-honour, breath, which the poor heart would fain deny, and dare not.

Hij grijpt zich weer bij elkaar: “I'll fight till from my bones my flesh be hack'd.
Give me my armour.
Maar eerst nog wendt hij zich tot de dokter die zijn vrouw behandelt:
Canst thou not minister to a mind diseased, pluck from the memory a rooted sorrow, raze out the written troubles of the brain and with some sweet oblivious antidote cleanse the stuff'd bosom of that perilous stuff which weighs upon the heart?

Dit is zo prachtig verwoord dat we hier haast niet anders kunnen dan ons identificeren met Macbeth, en daarbij vergeten dat hij een moordzuchtige tiran is. Hij spreekt hier voor ons allemaal, want wie kan dit verdriet omtrent het lijden van een partner niet meevoelen? Het is verontrustend hoe dicht Shakespeare ons steeds weer bij de menselijkheid van de moordenaar brengt.

De volgende woorden zijn gesproken in wanhoop: “I will not be afraid of death and bane [destruction], till Birnam forest come to Dunsinane.
Zijn laatste strohalm...

De troepen van de Schotse rebellen, ondersteund door Engelse soldaten, zijn een belegering van Dunsinane Castle begonnen. Wanneer Malcolm roept: “Let every soldier hew him down a bough and bear't before him: thereby shall we shadow the numbers of our host and make discovery err in report of us”, wordt daarmee alvast één van de voorspellingen van de Weird Sisters ongedaan gemaakt: Birnam Wood marcheert wel degelijk op naar Dunsinane Castle, waar Macbeth nog steeds strijdbaar en moedig is:
Hang out our banners on the outward walls; the cry is still 'They come': our castle’s strength will laugh a siege to scorn: here let them lie till famine and the ague eat them up.”

Een schreeuw van vrouwen klinkt op in één van de vertrekken: het is het teken dat Lady Macbeth haar eigen leven heeft genomen. Macbeth weet nog niet wat de schreeuw beduidt, maar geeft wel aan dat zijn grote vijand, de Tijd, hem zover gebracht heeft dat zelfs de afschuwelijkste geluiden en gebeurtenissen hem niet meer doen opschrikken:
I have almost forgot the taste of fears; the time has been, my senses would have cool'd to hear a night-shriek... I have supp'd full with horrors; direness [verschrikkingen], familiar to my slaughterous thoughts cannot once start me.

Dan krijgt hij te horen dat zijn echtgenote dood is: “She should have died hereafter; there would have been a time for such a word.” Was ze maar op een geschikter moment gestorven, zodat hij wel de tijd en gelegenheid had om te rouwen en haar dood te betreuren. En dan volgt die machtige litanie die ik tot de meest indrukwekkende regels in Shakespeare reken:
Tomorrow, and tomorrow, and tomorrow [al die eindeloze tomorrows die niet meer zullen zijn], creeps in this petty pace from day to day to the last syllable of recorded time, and all our yesterdays have lighted fools the way to dusty death. Out, out, brief candle! [het leven zelf wordt gesmoord].

Life's but a walking shadow, a poor player [een wandelende illusie] that struts and frets his hour upon the stage and then is heard no more: it is a tale told by an idiot, full of sound and fury, signifying nothing.
Uitdrukking van het stadium van de ultieme hopeloosheid waarin Macbeth nu is terechtgekomen. Maar wat een schitterende poëzie!!

De grote Shakespeare-geleerde A.C. Bradley (auteur van het nog steeds zeer lezenswaardige Shakespearean Tragedy uit 1904) tracht in een essay te formuleren waarom we ons toch niet met afschuw afwenden van de figuur Macbeth, ondanks zijn gewelddadigheid en de nihilistische houding die hij tegen het einde van het stuk steeds meer is gaan aannemen. Er is ondanks dat alles, betoogt Bradley op een voor mij overtuigende manier, toch een bepaalde grootheid, zelfs goedheid in Macbeth, die we kunnen blijven bewonderen. Ik citeer Bradley (uit een essay over Shakespeare en Hegel):
“Is there not such good in Macbeth? It is not a question merely of moral goodness, but of good. It is not a question of the use made of good, but of its presence. And such bravery and skill in war as win the enthusiasm of everyone about him; such an imagination as few but poets possess; a conscience so vivid that his deed is to him beforehand a thing of terror, and, once done, condemns him to that torture of the mind on which he lies in restless ecstacy; a determination so tremendous and a courage so appalling that, for all its torment, he never dreams of turning back, but, even when he has found that life is a tale full of sound and fury, signifying nothing, will tell it out to the end though earth and heaven and hell are leagued against him; are not these things, in themselves, good, and gloriously good?”

Zijn moed en vasthoudendheid zijn bewonderenswaardig en er is die innerlijke strijd, zowel voor als na de daad, die we van dichtbij kunnen volgen, waardoor we Macbeth tot in zijn diepste gevoelens en overwegingen leren kennen en kunnen navoelen hoe hij, zelfs als alles totaal hopeloos is geworden, hij toch bereid is alle consequenties van zijn handelen ten volle te aanvaarden.

Een boodschapper brengt nieuws van wat je de uiterlijke manifestatie van Macbeths innerlijke afgrond zou kunnen noemen:
As I did stand my watch upon the hill, I look'd toward Birnam, and anon, methought, the wood began to move.
Macbeth: “I begin to doubt the equivocation [dubbelzinnigheid] of the fiend that lies like truth: 'Fear not, till Birnam wood do come to Dunsinane:' and now a wood comes toward Dunsinane. Arm, arm, and out!
Het einde is nabij,
Macbeth is nu moe van alles:
I ‘gin to be aweary of the sun, and wish the estate o' the world were now undone.

Ring the alarum-bell! Blow, wind! come, wrack! At least we'll die with harness on our back.

Als hij in zijn kasteel was gebleven had hij de vijand wellicht kunnen weerstaan, door te wachten ‘till famine and the ague eat them’. Door naar buiten te gaan bezegelt hij zijn eigen noodlot. Hij wil vechtend ten onder gaan.

Als we hem in de volgende scène zien, is hij alleen op het slagveld:
They have tied me to a stake; I cannot fly, but, bear-like, I must fight the course [een verwijzing naar de afschuwelijke beergevechten die in Shakepeare’s tijd plaatsvonden, waarbij een aan een paal vastgebonden beer werd verscheurd door honden]. What’s he that was not born of woman? Such a one am I to fear, or none.
Macbeth acht zichzelf nog steeds onverslaanbaar.

Ondertussen is Macduff op zoek naar de man die zijn familie heeft uitgemoord: “Tyrant, show thy face! If thou be'st slain and with no stroke of mine, my wife and children's ghosts will haunt me still.
Hij, en niemand anders, moet het zijn die Macbeth de fatale slag toebrengt. Hij begroet Macbeth op het slagveld: “Turn hell-hound, turn!”
Dit is het enige moment in het hele stuk waarop Macbeth spijt betuigt: “Get thee back; my soul is too much charged with blood of thine already.”
 Maar nog altijd is hij overtuigd van zijn eigen onkwetsbaarheid:
I bear a charmed life, which must not yield, to one of woman born.
Totdat Macduff hem zijn dood aanzegt met de volgende woorden: “Despair thy charm;

and let the Angel [hier in de zin van: demon] whom thou still hast served tell thee, Macduff was from his mother’s womb untimely ripp'd.” (De keizersnede kwam in Elizabethaans Engeland geregeld voor). Voor de tweede keer realiseert Macbeth zich dat hij het slachtoffer is van ‘the equivocation of the fiend that lies like truth’.
And be these juggling fiends no more believed, that palter with us in a double sense; that keep the word of promise to our ear, and break it to our hope. I'll not fight with thee.

Het is de enige keer dat Macbeth werkelijk bang is. Het is maar voor even. Hij grijpt al zijn moed bijeen:
Though Birnam wood be come to Dunsinane, and thou opposed, being of no woman born, yet I will try the last. Before my body I throw my warlike shield. Lay on, Macduff, and damn'd be him that first cries, 'Hold, enough!'
Het is de moed der wanhoop; het zullen zijn laatste woorden blijken te zijn.

We zijn geen getuige van Macbeths dood en moeten even in onzekerheid blijven, tot de buitengewoon theatrale opkomst van Macduff met het hoofd van Macbeth:
Hail, king! for so thou art [Malcolm, uiteraard]: behold, where stands the usurper's cursed head [op een paal]: the time is free.”

‘The time is free’. Het is een opluchting en bevrijding. De tiran Macbeth heeft zelfs de tijd in gijzeling gehouden. En toch is er ook iets in ons dat sterft met de Macbeths, ‘this dead butcher and his fiend-like queen’, zoals Malcolm ze noemt in de laatste speech van het stuk.

James Joyce werd ooit gevraagd welke auteur hij mee zou nemen naar een onbewoond eiland. Zijn antwoord: “I should like to answer Dante, but I would have to take the Englishman because he is richer.”

Harold Bloom eindigt zijn boek over Macbeth als volgt:
“Shakespeare’bounty, like his Juliet’s, is as boundless as the sea. The more you take, the more he has, for his characters are infinite. Something in us dies with Macbeth... the iniquity [ongerechtigheid] of an imagination that does not know how to stop. And yet, for all its negativity, Macbeth’s vitality survives in our hearts. We cannot love him, but absorbing him heightens our sense of being.”



dinsdag 7 januari 2025

Shakespeare's Macbeth, deel I

Waar Hamlet het Shakespeare-personage is, uitgerust met de grootste cognitieve kracht, geldt voor Macbeth dat hij degene is met verreweg de grootste verbeeldingskracht. Je zou zelfs kunnen zeggen dat hij de gevangene is van zijn eigen imaginaties, van impulsen die hij niet anders kan dan beantwoorden met handelingen waartoe hij zich gedwongen voelt. Macbeth kan de beelden van de duistere nachtwereld die hij in zijn binnenste opborrelen niet meer bijbenen. Hij heeft zich een bepaalde handeling nog niet voorgesteld, of hij maakt al een sprong de toekomst in om die te realiseren, vervolgens met ontzetting terugblikkend op de impuls die hem oorspronkelijk stuurde. Hij wordt geplaagd door visioenen van wat er te gebeuren staat, hij is een onvrijwillige waarzegger. (De heksen, de Weird Sisters zoals ze bij Shakespeare heten, zien in hem onmiddellijk een verwante geest). Maar Macbeth helpt vervolgens ook om door zijn eigen handelen de voorspellingen te doen uitkomen. Hij handelt op zijn donkerste impulsen nog voordat hij deze geheel en al begrepen heeft, voordat ze volledig in zijn bewustzijn gekomen zijn. Hij leeft temidden van hallucinaties die hem in de loop van het stuk zijn functioneren in toenemende mate onmogelijk maken.

Het stuk Macbeth begint met donder en bliksem en de opkomst van de heksen die spreken in antithetische raadselen:
“When the battle’s lost and won.” “Fair is foul and foul is fair.”

Dan is er een scène aan het hof van King Duncan, waarbij de koning van Schotland bijgepraat wordt over de heldendaden van Macbeth (die een neef van de koning is) in zijn strijd tegen de rebellen en de Noorse troepen. Het eerste wat we horen over hem betreft zijn ongekende wreedheid in de wijze waarop hij een één van de aanvoerders van de tegenstander naar de andere wereld heeft geholpen (ik zal het niet letterlijk citeren, het is al te gruwelijk). Men beschrijft hem als de bruidegom van Bellona, de oorlogsgodin.

In de volgende scène zijn Macbeth en zijn strijdmakker Banquo op terugreis. Onder grimmige omstandigheden (‘So fair and foul a day I have not seen’) ontmoeten zij nu de drie heksen, die Banquo ontzet doen terugdeinsen:
“What are these, so withered and so wild in their attire, that look not like the inhabitants of the earth and yet are on it?”
De heksen voorspellen dat Macbeth Thane of Cawdor (een adellijke titel) en daarna zelfs koning zal zijn. Banquo: “Good sir, why do you start and seem to fear things that do sound so fair?” (Macbeth oogt kennelijk hevig geschrokken bij het aanhoren van de voorspelling). En hij vraagt zich af of de heksen echt zijn, dan wel hallucinaties: “In name of the truth, are ye fantastical, or that indeed which outwardly ye show?”

Banquo vraagt de heksen dan of ze iets over zijn toekomst kunnen zeggen? Banquo zal zelf geen koning zijn, maar zijn kinderen wel. (Macbeth werd opgevoerd voor King James I, die, voordat hij Elizabeth I opvolgde, de Schotse King James VI was, een veronderstelde afstammeling van Banquo. In de kroniek van Holinshed, waarop Shakespeare zich baseerde, is Banquo medeplichtig aan de moord op Duncan, maar met James I als toeschouwer was hij vrijwel verplicht om Banquo gunstiger af te schilderen).

Het lange terzijde van Macbeth tijdens deze scène geeft aan dat hij zich nog steeds niet herpakt heeft. Zijn enorme verbeeldingskracht begint te werken en brengt beelden bij hem naar boven die hem volledig uit zijn evenwicht brengen:
“This supernatural soliciting cannot be ill, cannot be good... If good, why do I yield to that suggestion whose horrid image doth unfix my hair and make my seated heart knock against my ribs?... My thought, whose murder [daar is de gedachte voor het eerst] is but fantastical shakes so my single state of man that function [elke potentiële handeling] is smothered...” Nog is het concrete uitvoeren van wat in zijn verbeelding opborrelt, hem onmogelijk. En de daaropvolgende regel zou het motto van het stuk kunnen zijn: “And nothing is, but what is not.” Wat werkelijkheid is, en wat onwerkelijkheid is, verwisselen van plaats. Een veeg teken.

Lady Macbeth ontmoeten we voor het eerst wanneer zij de brief van haar man leest die haar inlicht over de voorspellingen van de Weird Sisters. Zij is duidelijk van mening dat haar echtgenoot niet tot zoiets excessiefs als moord in staat is om zijn ambitie te verwezenlijken en zo de voorspelling een handje te helpen:
“Yet do I fear thy nature, it is too full of the milk of human kindness [dit is, zoals zoveel Shakespeare-citaten, een standaarduitdrukking in het Engels geworden] to catch the nearest way. Thou would’st be great, art not without ambition, but without the illness [in de betekenis van: wickedness] that should attend it. What thou wouldst highly, that wouldst thou holily, wouldst not play false.”
M.a.w.: Lady Macbeth ziet haar man, enigszins overdreven wellicht, als een heilig boontje. Maar het is duidelijk dat ze óók van hem houdt en niets liever ziet dan dat hij zijn ambitie waarmaakt.

Harold Bloom (die een mooie studie over dit stuk schreef, waaraan ik veel heb ontleend: Macbeth, a dagger of the mind) noemt de Macbeths het gelukkigste huwelijk in Shakespeare. Hun machtbelustheid en gewelddadigheid houdt gelijke tred met de passie die ze hebben voor elkaar en hun verlangen naar elkaar.

Wanneer Lady Macbeth te horen krijgt dat King Duncan en zijn gevolg onder haar dak komt logeren, beantwoordt ze dat nieuws met een woeste exaltatie:
“Come you spirits that tend on mortal thoughts [in dit geval: moordlustige gedachten], unsex me here and fill me from crown to the toe, top-full of direst cruelty... Come, thick night... that my knife see not the wound it makes.”
Ze lijkt zich dus aanvankelijk voor te nemen zélf de moord te plegen. (Later zegt ze: “Had he not resembled my father as he slept, I had done it.”)

Wanneer Macbeth bij zijn vrouw thuis komt, blijkt onmiddellijk hoezeer zij hem domineert. Zij zweept hem op en gebiedt hem uiterlijk vriendelijk te blijven naar de koning maar ondertussen kwaadaardige intenties te koesteren:
“... look like the innocent flower, but be the serpent under it. He that’s coming [de koning] must be provided for; and you shall put this night’s great business into my dispatch.” Het is duidelijk dat zij aan het roer staat bij deze operatie.

Wanneer King Duncan, met Banquo in zijn gevolg, bij Macbeth’s kasteel aankomen, staan de ongerustheid en het voorgevoel van wat komen gaat die bij ons zijn opgebouwd in schril contrast met de onschuld van zowel de koning (‘the air nimbly and sweetly recommends itself unto our gentle senses’) als Banquo (‘heaven’s breath smells wooingly here... the air is delicate’). Het lijkt hen een vredige plek. Geen enkel vermoeden.

En ook bij de begroeting weet Lady Macbeth haar voorgenomen wreedheid onder de vriendelijkheid van een gastvrouw te verbergen.

De eerste soliloquy, of alleenspraak, van Macbeth, die zich heeft teruggetrokken terwijl Duncan en zijn gevolg aan tafel zijn:
“If it were done, when ‘tis done, then ‘twere well it were done quickly.” Maar zo voortvarend is hij niet, opnieuw uit hij zijn bedenkingen:
“He’s here in double trust: first I am his kinsman and his subject, strong both against the deed. Then, as his host, who should against his murderer shut the door, not bear the knife myself. Besides, this Duncan hath borne his faculties so meek, hath been so clear in his great office [en hier neemt Macbeths verbeeldingskracht een enorme vlucht, het is schitterende poëzie], that his virtues will plead like angels, trumpet-tongued, against the deep damnation of his taking off; and pity, like a new-born babe, striding the blast, or heaven’s cherubim, horsed upon the sightless couriers of the air, shall blow the deed in every eye, that tears shall drown the wind.”
Hij heeft second thoughts, zou je kunnen zeggen.

Maar opnieuw is het zijn vrouw die hem weet te overtuigen:
“I am settled. Away, and mock the time with fairest show. False face must hide what false heart doth know.”

Met zijn tweede soliloquy slaat Macbeth aan het hallucineren: hij ziet een dolk die er niet is:
“Is this a dagger that I see before me, the handle towards my hand? Come, let me clutch thee. I have thee not [als hij de dolk wil pakken grijpt hij niets dan lucht], and yet I see thee still. ... art thou but a dagger of the mind, a false creation, proceeding from the heat-oppressed brain?”
Het spookbeeld van de dolk wijst Macbeth de weg (naar de slaapkamer van Duncan, waar de moord zal plaatsvinden): “Thou marshall’st me the way that I was going, and such an instrument I was to use... On thy blade and dudgeon [het handvat] gouts [drops] of blood, which was not so before.”

Macbeth kan zijn eigen verbeelding niet meer bijbenen. Hij weet dat het slechts visionaire bloedruppels zijn op het lemmet: “There’s no such thing. It is the bloody business which informs thus to mine eyes.”

Wat volgt is een nachtelijk visioen. De natuur slaapt en Hecate, godin der hekserij, heerst daar nu. Het gehuil van een wolf klinkt in de nacht. Dan het luiden van de bel: Macbeth is nu vastbesloten:
“I go, and it is done; the bell invites me. Hear it not, Duncan, for it is a knell that summons thee to heaven, or to hell.”
Dit is een voorbeeld van hoe een gedachte bij Macbeth opkomt en hij onmiddellijk een sprong maakt, de toekomst in. Eigenlijk is de daad nu al volbracht en Duncan zo goed als dood.

Dit is in wezen een hele intieme scène, we worden deelgenoot van Macbeth gevoelens en angsten, we delen in zijn overwegingen. Niemand in het hele stuk, op Lady Macbeth na, houdt van hem en wij zien dit ook met afschuw aan – en toch is er óók iets van identificatie met de hoofdpersoon, hoe afstotend zijn daden ook zijn. Het is omdat we hem zo dicht op de huid zitten. Als aan het einde van het stuk Macduff het toneel opkomt en Macbeths afgehakte hoofd omhoog houdt (we zien hem niet sterven op toneel) voelen we opluchting (dit kón zo niet verder), maar geen vreugde. Is het de pure energie van beide Macbeths die zo aanstekelijk werkt, hoe negatief gericht die ook is? Hun onderlinge verbondenheid? In hun kwaadaardigheid lijken ze het aardse te ontstijgen en een dergelijke transcendentie is hoe dan ook imponerend.

Ook van de moord op Duncan zijn we geen getuige; we zien hoe de Macbeths elkaar ontmoeten nadat de daad volbracht is (“I have done the deed”). Maar hij is volkomen van streek: “I could not say ‘Amen’... wherefore could I not pronounce ‘Amen’? I had most need of blessing and ‘Amen’ stuck in my throat.”
En: “Methought I heard a voice cry: ‘Sleep no more. Macbeth does murder sleep’...
Still it cried: ‘Sleep no more’ to all the house... ‘Macbeth shall sleep no more’.”

Een stem van ver, groter dan die van Macbeth zelf, daalt op hem neer. Lady Macbeth hoort het niet, maar wij wel. Wij worden hier één met Macbeth.

Dan wordt er op de deur geklopt. Het beangstigt Macbeth:
“Whence is that knocking? How is it with me, when every noise appals me?”
En dan deze schitterende regels: “Will all great Neptune’s ocean wash this blood clean from my hand? No, this my hand will rather the multitudinous sea incarnadine, making the green one red.”

Het is weer Lady Macbeth die haar echtgenoot tot kalmte moet manen: ze moeten zich nu terugtrekken op hun kamer en doen alsof ze tot dan toe geslapen hebben. Maar Macbeth wordt door berouw gekweld: “Wake Duncan with thy knocking. I would thou couldst!”

Op dit punt gekomen mag dat merkwaardig lijken, maar Lady Macbeth zal uiteindelijk degene zijn die hier aan onderdoor gaat. Haar echtgenoot zal zich oprichten en met ongelofelijke mentale kracht de ene na de andere catastrofe overleven totdat tenslotte ook hij zijn lot niet meer kan ontlopen.

Het kloppen op de deur wordt beantwoord door de geweldige Porter, dronken en uitbundig, die zichzelf de ‘porter of Hell’s gate’ noemt en allerlei grappen maakt over hel en verdoemenis zonder te weten hoe toepasselijk die wel niet zijn in het licht van de moord die net is gepleegd. Dit is een staaltje ‘comic relief’: Macduff en Lennox zijn gekomen om de koning wakker te maken, maar worden geconfronteerd met, zoals Harold Bloom zegt, ‘a clown so memorable that he challenges Lear’s Fool’.

Macduff ontdekt de moord op Duncan en slaat alarm: “Most sacrilegeous murder hath broke ope the Lord’s anointed temple [het lichaam van de koning, die Gods gezalfde was] and stole thence the life of the building.”

Macbeths al even eloquente reactie:
“Had I but died an hour before this chance, I had lived a blessed time; for from this instant there’s nothing serious in mortality [hier in de betekenis van: the human condition]; all is but toys; renown and grace is dead, the wine of life is drawn.”

Deze ogenschijnlijk oprecht aangedane reactie van de man die zelf de moord gepleegd heeft, is uiteraard bedoeld om iedereen om de tuin te leiden. Maar het is ook dubbel: Macbeth drukt hiermee óók uit wat hij diep in zijn binnenste voelt en komt hiermee dichter bij de waarheid dan hij zelf wellicht vermoedt: zijn leven is inderdaad ‘from this instant’ een grens over gegaan, hij zal nooit meer onbezorgd geluk kennen.

Banquo’s reactie daarentegen is een bevestiging van zijn loyaliteit en onschuld; hij is vastbesloten ‘to question this most bloody piece of work’:
“In the great hand of God I stand.”
De kracht die hij hier uitstraalt bezegelt zijn lot: Macbeth is bang van hem (“There is nothing but he whose being I do fear”, zegt hij even later) en neemt zich voor zowel Banquo als zijn zoon Fleance te doden (het eerste lukt, het tweede niet, wat in overeenstemming is met de voorspelling van de heksen).

“And so do I”, is Macduffs zelfverzekerde toevoeging. Macduff zal uiteindelijk Macbeths ondergang betekenen.
Duncans zonen, de latere King Malcolm en zijn broer Donalbain vermoeden vuil spel en besluiten te vluchten.

Duncans stoffelijk overschot wordt naar Colmekill gebracht, het eiland Iona waar traditiegetrouw de Schotse koningen begraven liggen, ‘the sacred store-house of his predecessors and guardian of their bones’.
Macbeth wordt tot koning gekroond in Scone (de oude koningsstad: de Stone of Scone was symbool van het Schotse koningsschap). `

Macbeth realiseert zich dat het koningschap voor hem één grote schaduwzijde heeft – hij heeft geen nakomelingen:
“Upon my head they placed a fruitless crown and put a barren sceptre in my gripe, thence to be wrenched with an unlineal hand, no son of mine succeeding.”

Volgens de voorspelling van de heksen zal het nageslacht van Banquo op de troon komen – Macbeth lijdt zwaar onder zijn schuldgevoel, en dat alleen om de weg vrij te maken voor Banquo’s nakomelingen, ‘to make them kings, the seeds of Banquo’s kings’?

Maar ook Banquo zelf (‘our fears in Banquo stick deep’) boezemt hem angst in. Hij schakelt twee huurmoordenaars in, schurken die zo diep gevallen zijn dat ze nergens meer om geven:
2nd. Murderer: “I am one, my liege, whom the vile blows and buffets of this world hath so incensed, that I am reckless what I do to spite the world.”
1st. Murderer: “And I another.”

En Macbeth maakt hen duidelijk dat ook Banquo’s zoon het niet mag overleven: “Fleance, his son... must embrace the fate of that dark hour.”
Opmerkelijk: waar Macbeth bij de voorspellingen van de heksen betreffende zijn eigen persoon (‘jij zult koning worden’) het lot een handje heeft geholpen door Duncan te vermoorden, tracht hij in het geval van de voorspellingen die Banquo gedaan zijn (‘jij wordt geen koning, maar je kinderen wel’) het lot de pas af te snijden met zijn opdracht ook Fleance te doden. Maar wat in de sterren geschreven staat, kun je niet zo maar doorkruisen...

Er begint zich hier een nieuwe Macbeth af te tekenen. Waar hij eerst alleen maar aarzelde en gewetenswroeging had, voortdurend door zijn vrouw moest worden aangespoord, verandert hij nu in toenemende mate in de auteur van een uiterst bloedige tragedie, iemand die zijn moordzuchtige verbeeldingskracht vanaf nu steeds weer in concrete daden om moet zetten. Die ene moord lokt nieuwe moorden uit.

Uit het daaropvolgende gesprek met zijn vrouw blijkt zijn geestesgesteldheid: hij is een getroubleerd mens, wat zich uit in verontrustende reptiel-metaforen.
“We have scorched the snake, not killed it.” “Full of scorpions is my mind, dear wife.”
En hij wordt nu een dichter van de nacht die het ene duistere beeld na het andere oproept, gecentreerd rondom de voorgenomen moord op Banquo (waar zijn vrouw niets vanaf weet).
“Ere the bat hath flown his cloistered flight, ere to black Hecate’s summons the shard-borne [geboren uit mest] beetle with his drowsy hums, hath rung night’s yawning peal [een afgrond waaruit een spookverschijning tevoorschijn komt], there shall be done a deed of dreadful note.” (Hecate is ook godin van de maan en derhalve een nachtwezen).
Hij roept de nacht op ‘to scarf the tender eye of pitiful day’ [de zon te blinddoeken] en met haar ‘bloody and invisible hand’ haar werk te voltooien dat hem vrij zal maken (denkt hij). Het geheel wordt gecompleteerd door prachtige regels die het invallen van de duisternis beschrijven:
“Light thickens and the crow makes wing to the rooky wood. Good things of day begin to droop and drowse, whiles night’s black agents to their preys do rouse.”
Shakespeare’s Macbeth is bij uitstek een nacht-stuk.

Banquo wordt gedood, maar Fleance weet te ontsnappen. Dit is een keerpunt in het stuk. Vanaf nu zal Macbeth alleen maar gewelddadiger en wanhopiger worden. De eerste tekenen van zijn geleidelijke ondergang zijn al te zien in de volgende scène, het banket in het kasteel van Macbeth.

Als dit goed en wel begonnen is, wordt Macbeth naar de deur geroepen: één van de moordenaars van Banquo is gekomen om verslag uit te brengen. Macbeth raakt totaal van streek als hij hoort dat Fleance is weggekomen; dat nieuws slaat hem alsof hij een toeval krijgt: “Then comes my fit again; I had else [als ook Fleance gedood was] been perfect.”
Dan neemt de geest van Banquo plaats aan tafel; zeer onkarakteristiek voor geesten bij Shakespeare spreekt deze geen woord. Alleen Macbeth kan hem zien. Het is, na eerder de dolk, zijn tweede hallucinatie. Lady Macbeth legt ook dat verband:
“This is the very painting of your fear: this is the air-drawn dagger which you said led you to Duncan... When all’s done you look but on a stool.”

Macbeth vat de geestverschijning op als een affront:
“The time has been, that when the brains were out, the man would die, and there an end. But now they rise again, and push us from our stools. This is more strange then such a murder is.”

Macbeth is buitengewoon verontwaardigd door de onvoorstelbaarheid van dit alles: vroeger was dood nog gewoon dood. Geen van de door hem bedachte strategieën die hem de veiligheid moeten geven waar hij zo naarstig naar op zoek is, blijken te werken. Het is om dol van te worden.

Het gezelschap, dat met stijgende verbazing een hallucinerende en tierende majesteit heeft aangezien, wordt naar huis gestuurd. Macbeth besluit de heksen nog eens op te zoeken, ‘bent to know, by the worst means [de heksen namelijk], the worst’. Hij bereidt zich voor op het ergste.

Hij is zich er ook van bewust dat er geen weg terug meer is:
“I am in blood stepped in so far, that should I wade no more, returning were as tedious as go over.” (Harold Bloom heeft geteld dat het woord blood, of bloody, 41 keer in de tekst voorkomt).

Een volgende misdaad dient zich al aan. Macbeth laat tegen zijn vrouw vallen dat Macduff, die voor het banket uitgenodigd was, verstek heeft laten gaan. Een veeg teken. Het zal uiteindelijk uitlopen op wat met afstand Macbeths gruwelijkste daad is: het uitmoorden van het gezin Macduff, zijn eigen versie van de kindermoord van Bethlehem. (Macduff, horen we even later, is gevlucht naar het Engelse hof van Edward the Confessor, waar ook Duncans zoon Malcolm onderdak heeft gevonden. Zij gaan daar proberen een strijdmacht op de been te brengen die tegen Macbeth op kan trekken).

Wat volgt is de buitengewone scène van Macbeth die de heksen confronteert. Ze dansen, in de nacht en begeleid door donderslagen, rondom een ketel waarin ze de smerigste ingrediënten gooien, onder het zingen van een refrein:
“Double, double, toil and trouble;
Fire burn and cauldron bubble.”

Uiterst vermakelijk en onsmakelijk tegelijkertijd. Het ‘something wicked this way comes’ is de aankondiging van de komst van Macbeth. Die wil de heksen (of in dit geval de geesten die zij oproepen) ontlokken wat zij weten: hij wil zekerheid omtrent zijn lot.

Er zijn drie verschijningen die hem stuk voor stuk cryptische aanwijzingen geven.
De eerste: ‘an armed head’: “Beware Macduff. Beware the Thane of Fife.”
De tweede: ‘a bloody child’: “None of woman born shall harm Macbeth.”
De derde: ‘a child crowned, with a tree in his hand’: “Macbeth shall never be vanquished, until Great Birnam Wood to high Dunsinane Hill [waarop het kasteel staat waar Macbeth zich later zal verschansen] shall come against him.”

In mijn editie van Macbeth, naar mijn mening de best en meest handzaam geannoteerde, de Arden-Shakepeare, wordt een verklaring gegeven van de drie visioenen: het armed head’ is het hoofd van Macbeth dat aan het einde van het stuk door Macduff naar Malcolm, de nieuwe koning, wordt gebracht.
Het bloody child verwijst naar de dubbelzinnigheid van deze voorspelling: geen of woman born zal Macbeth kunnen doden, maar, zo horen we later, Macduff was ‘untimely ripped form his mother’s womb’: met de keizersnede geboren. Ik heb dat altijd wat twijfelachtig gevonden, het wil toch niet zeggen dat hij niet uit een vrouw geboren is. Maar goed, het bloody child zou dan de pasgeboren Macduff zijn, nog onder het bloed van de operatie.
Het derde visioen, het gekroonde kind, zou zowel Malcolm als Banquo’s nakomeling Fleance kunnen zijn; het eerste is het waarschijnlijkst. Want in de beslissende veldslag sommeert hij zijn mannen om, bedekt met boomtakken, op te rukken naar het kasteel, zodat daar gebeurt wat Macbeth voor onmogelijk houdt: een bos dat zich verplaatst.

De laatste twee voorspellingen zijn dus zeer dubbelzinnig, maar uiteraard ziet Macbeth dit niet in; de zekerheid die hij eraan ontleent is een schijn-zekerheid:
“Our high-placed Macbeth [merkwaardig genoeg spreekt hij hier over zichzelf in de derde persoon] shall live the lease of nature, pay his breath to time and mortal custom.”
Maar hij wil nog één ding weten: “Shall Banquo’s issue ever reign in his kingdom?”, zoals hem al eerder door de heksen voorspeld was. Wat volgt had hij dus kunnen weten, maar niettemin ontzet het hem vreselijk. Het volgende visioen: ‘A show of eight kings, the last with a glass in his hand, and Banquo’.
“What, will this line stretch out to the crack of doom?” En het is duidelijk dat alle koningen op Banquo lijken, dat het zijn nageslacht is:
“The blood-boltered Banquo smiles upon me and points at them for his.”

Aan het einde van deze scène horen we het hoefgetrappel van een voorbijrijdend paard: het is Macduff op weg naar Engeland. En daarmee is hij buiten het bereik van Macbeth gekomen. Die neemt zich voor nu nooit meer te aarzelen: “From this moment on the very firstlings of my heart shall be the firstlings of my hand.” Voornemens worden onmiddellijk tot daden gepromoveerd. Macbeth ten voeten uit.

En dus voegt hij de daad bij het woord, en die daad zal zijn grootste ongerechtigheid zijn: “The castle of Macduff I will surprise, seize upon Fife, give to the edge of the sword his wife, his babes, and all unfortunate souls that trace him in his line.” 



vrijdag 6 december 2024

Friedrich Nietzsche: een inleiding, deel II

De canonieke tekst omtrent de ontzaglijk uitdaging die de Dood van God vormde, staat in De vrolijke wetenschap.

Hebt gij niet gehoord van de dolle mens, die op klaarlichte morgen een lantaarn opstak, op de markt ging lopen en onophoudelijk riep: ‘Ik zoek God! Ik zoek God!’ – Omdat er daar juist veel van die lieden bijeenstonden die niet aan God geloofden, verwekte hij een groot gelach. ‘Is hij soms verloren gegaan?’ vroeg de een. ‘Is hij verdwaald als een kind?’ vroeg de ander. ‘Of heeft hij zich verstopt? Is hij bang voor ons? Is hij scheep gegaan? Naar het buitenland vertrokken?’ – Zo riepen en lachten zij door elkaar.”

De ‘dolle mens’ stuit op degenen die klaarblijkelijk denken dat de geest van verlichting en wetenschap hen een vrijbrief geeft om onverschillig te staan tegenover religie. Ze menen verlost te zijn van een probleem, dat religie een oude jas is die je uit kunt trekken en achter je neergooien. Maar de dolle mens’, wiens ogenschijnlijke gestoordheid staat voor een scherp besef van wat de voortschrijdende secularisering tot gevolg heeft, laat zich niet met een kluitje in het riet sturen:
“‘Waar God heen is?’ riep hij uit. ‘Dat zal ik jullie zeggen! Wij hebben hem gedood – jullie en ik! Wij allen zijn zijn moordenaars! Maar hoe hebben wij dit gedaan? Hoe hebben wij de zee kunnen leegdrinken? Wie gaf ons de spons om de horizon uit te vegen? Wat hebben wij gedaan, toen wij deze aarde van haar zon loskoppelden? In welke richting beweegt zij zich nu? In welke richting bewegen wij ons?’”

De ‘dolle mens’ brengt niet alleen onze metafysische dakloosheid ter sprake, maar analyseert tegelijkertijd hoe problematisch de verschillende reacties daarop zijn:
“’Hoe zullen wij ons troosten, wij moordenaars? Het heiligste en machtigste dat de wereld tot dusver bezeten heeft, is onder onze messen verbloed ... Is niet de grootte van deze daad te groot voor ons? Moeten wij niet zelf goden worden om haar waardig te schijnen? Nooit was er een grotere daad – en wie er ook na ons geboren wordt, om wille van deze daad behoort hij tot een hogere geschiedenis dan alle geschiedenis tot dusver geweest is!’- Hier zweeg de dolle mens en keek opnieuw zijn toehoorders aan. Ook zij zwegen en keken bevreemd terug.”

Wat de dolle mens’ zijn toehoorders probeert duidelijk te maken, is dat de Dood van God voor hen geen verlichting is, maar een verzwaring, een opdracht. Hij is degene die begrijpt welke eisen worden gesteld aan de mens door het verdwijnen van het religieuze element uit zijn leven en het vertroostende geloof daarin.

Voor Nietzsche resulteert de Dood van God in een tweedeling van het menselijk geslacht, in de ‘veel te velen’ aan de ene kant en aan de andere kant de ‘oprechte en eerlijke mensen’ die de gevaarlijke weg naar het waarachtige leven riskeren – een poging te doen op het koord over de afgrond te stappen en dat met succes te doen – of omlaag te storten. Degenen die het zich gemakkelijk gemaakt hebben en gaan voor een toestand van simpel levensgenot en behaaglijkheid zonder zichzelf verder veel af te vragen, noemt Nietzsche, zoals we al eerder zagen, de ’laatste mensen’, de allerverachterlijkste, maar onuitroeibare soort. Ze streven naar klein geluk en verdoven zichzelf met pleziertjes en genotmiddelen om de grote vragen maar niet te hoeven stellen:
“Ze maken nog ruzie, maar verzoenen zich al snel – anders bederft het de maag. Ze hebben hun pleziertje voor overdag en hun pleziertje voor ’s nachts, maar ze nemen hun gezondheid in acht [terwijl, zoals we gezien hebben, uiteenzetting met je ziekte voor Nietzsche juist een centrale kwaliteit is]. ‘Wij hebben het geluk uitgevonden’, zeggen de laatste mensen.”

En toch: zonder middelmaat, vond Nietzsche, kon er niets zijn wat excelleerde.
Begin jaren 1870 had hij zijn Bazels publiek hevig gechoqueerd: “De ellende van de moeizaam levende mens moet nog vergroot worden om een klein aantal Olympische mensen in staat te stellen een wereld van de kunsten te produceren.”
Het was een uiterst cynische positie die Nietzsche innam. Hij liet er geen twijfel over bestaan dat hij anti-egalitair, anti- socialistisch en anti- liberaal was.
Later heeft hij dit nogal heftige idee van een maatschappij van heren en slaven, overwinnaars en overwonnenen uit de Bazelse periode vervangen door die van een relevant midden dat functioneert als basis van een daarop gevestigde cultuur en die niet door dwang van buitenaf functioneert maar op een grondslag van zelfrespect.
Nietzsche spreekt anders over de bewoners van dit culturele middengebied dan hij over de genoemde ‘laatste mensen’ spreekt; deze middenlaag vormt nu het cement van de maatschappij. Ook bij hen is sprake van een ‘klein geluk’, dat Nietzsche ook wel het ‘voorrecht van de middelmatigen’ noemt; het is daarin gelegen dat ze de hardheid en de kou van het leven op hoog niveau niet hoeven uit te houden. Zij mogen een behaaglijk leven leiden.

De weinigen die leven op hoog niveau, dat zijn “de meest vergeestelijkte mensen, de sterksten... zij vinden hun geluk in dingen waarin anderen hun ondergang zouden vinden: in de hardheid jegens zichzelf en anderen, in het experiment; hun lust is de zelfbeheersing, de ascese wordt bij hen natuur, behoefte, instinct. Ze beschouwen een zware taak als een voorrecht.”

Als “de uitzonderlijke mens de middelmatigen zachtzinniger behandelt dan zichzelf en de zijnen, dan is dit niet slechts uit hoffelijkheid omdat hij zijn hart laat spreken – het is zijn plicht...”
Dat klinkt duidelijk anders dan in de passages over heren en slaven, waar het er vooral om draaide de slaven voor ogen te houden dat ze niet meer waren dan het bezit van degenen die hen overwonnen, onderworpen en in leven gelaten hebben. De middelmatigen hebben bestaansrecht en mógen op hun manier gelukkig zijn; het kan van hen niet verwacht worden dat zij de ontberingen van de uitzonderlijken delen.

Bedreigend voor deze toestand is het optreden van ideologen die deze maatschappij als onrechtvaardig betitelen (‘socialistisch gespuis’ noemt Nietzsche hen), die van gelijkheid en broederschap spreken en zo bij de middelmatigen die in wezen gelukkig zijn ontevredenheid op laten komen.

Maar Nietzsche’s houding is ambivalent. Telkens wanneer hij over middelmatigheid nadenkt, kan hij toch niet nalaten dit als een sluipende bedreiging te zien van alles wat excelleert. Zodra middelmatigheid ter sprake kwam, gaf hij zich over aan een stortvloed van afwijzing en verachting.

“Op de markt”, aldus Zarathustra, “gelooft niemand in de hogere mensen. En als jullie daar willen spreken, doe je best! Maar de meute knipoogt ‘wij zijn allemaal gelijk’, ‘er zijn geen hogere mensen, mens is mens, voor God, wij zijn allemaal gelijk’. Maar nu is die God gestorven.”

Terwijl Marx ervan overtuigd was dat de middenklasse zou verdwijnen en uiteindelijk alleen bourgeosie en proletariaat als twee grote groepen tegenover elkaar zouden komen te staan, vreesde Nietzsche dat zij die de middelmaat vertegenwoordigen zich steeds verder uit zouden breiden totdat de hele maatschappij van hen doordrongen zou zijn. Hij gebruikt daarvoor de metafoor van de kudde, die een gevaarlijke bedreiging vormt voor alles wat hoogstaand is:
“De hoogstaande, onafhankelijke mentaliteit, de wil om op zichzelf te staan, de soevereine redelijkheid worden [door die kudde] al als gevaar waargenomen; alles wat de enkeling boven de kudde verheft en de naaste vrees inboezemt, heet vanaf dat moment kwaad; de redelijke, bescheiden, zich aanpassende mentaliteit, de middelmaat van de verlangens krijgt in morele zin naam en aanzien.”

“Wat ze uit alle macht willen bereiken is het algemene groene-weide-geluk van de kudde, met veiligheid, ongevaarlijkheid, welbehagen, verlichting voor iedereen; de twee rijkelijkst opgedreunde leerstellingen luiden ‘gelijke rechten’ en ‘meegevoel met alles wat lijdt’ – en het lijden zelf wordt gezien als iets wat men moest afschaffen.”
Terwijl Nietzsche zelf, zoals ik eerder al memoreerde, het lijden zag als iets dat de mens op een hoger plan brengt.

Vanaf nu staan middelmaat en uitmuntendheid in scherpe tegenstelling tot elkaar:
“Een hoogstaande, harde voornaamheid en verantwoordelijkheid voor zichzelf beledigt bijna en wekt wantrouwen, ‘het lam’ wint aan achting.” Waarmee Nietzsche ook impliciet de christelijke leer van mededogen en zachtheid, van nederigheid en naastenliefde attaqueert.

Nietzsche’s religiekritiek richt zich niet tegen het verschijnsel religie in het algemeen, maar met name tegen de christelijke religie, die naar zijn idee het ressentiment in de wereld had gebracht en voor een omkering van alle waarden had gezorgd (zo’n omkering is in Nietzsche’s ogen nu meer dan ooit noodzakelijk, maar dan in omgekeerde richting).
Haar uitgangspunt was geweest: “De sterken breken, grote verwachtingen verzwakken, het geluk dat gelegen is in schoonheid verdacht maken, al het mannelijke, veroverende, heerszuchtige, alle instincten, die het hoogste en meest geslaagde type mens eigen zijn, om te keren in onzekerheid, gewetensnood, zelfvernietiging...”
Mededogen en zwakte worden door het Christendom centrale waarden, terwijl alles wat krachtig en mooi is aan de mens wordt afgewezen. Het Christendom heeft volgens Nietzsche ‘van de mens een subliem wanprodukt gemaakt’: mensen zonder kracht en zonder hardheid, zonder voornaamheid hadden sinds tweeduizend jaar de ontwikkeling van de Europese mens gestuurd – “... zulke mensen hebben tot dusverre beschikt over het lot van Europa, tot uiteindelijk een verkleinde, bijna lachwekkende soort, een kuddedier, iets ziekelijks en middelmatigs gecultiveerd is: de huidige Europeaan.”

Daarom is een fundamentele herijking nodig waarin alles moet worden teruggedraaid wat het Christendom aan waardenpatronen heeft doorgevoerd. Nietzsche presenteert zichzelf als de ‘filosoof met de hamer’, die de tot afgodsbeelden gestolde (en door de joods-christelijke cultuur ontwikkelde) leidende ideeën van de eeuw beklopt en daarbij vaststelt dat ze hol klinken.

In de 19e eeuw waarin Nietzsche leefde kwam een nieuwe beweging op die je als de alternatieve heilsleer voor de massa’s in plaats van het Christendom zou kunnen beschouwen (dat is in elk geval wat Nietzsche deed) en die een geest van socialisme en revolutie teweeg bracht. Dit was Nietzsche een gruwel; hij was beslist een anti-revolutionair en was helemaal van slag toen hij de berichten hoorde over de Parijse Commune (1871). Het gerucht ging dat het Louvre in brand was gestoken (wat uiteindelijk niet waar bleek te zijn).
Nietzsche: “Het nieuws van de laatste dagen was zo verschrikkelijk dat het voor mijn gevoel nauwelijks meer dragelijk was. Wat stellen we nog voor als geleerde, geplaatst tegenover zulke culturele aardbevingen.”
Nietzsche’s opvatting dat cultuur een zaak is van een geestelijke aristocratie, dat de massa’s daar geen deel aan hebben en zelfs uit zijn op vernietiging van cultuurschatten als ze daartoe de kans krijgen, wortelt in deze gebeurtenissen.

In later jaren, toen hij wat meer afstand had tot de gebeurtenissen, heeft hij zijn Zarathustra laten reflecteren over het fenomeen revolutie. De revolutie, zegt Zarathustra, weet misschien ‘grote gebeurtenissen’ te produceren, ‘met veel gebrul en rook eromheen’, maar levert niets op dat van blijvende betekenis is voor het menselijke geslacht.
“De grootste gebeurtenissen, dat zijn niet onze luidste, maar onze stilste uren. Niet om de uitvinders van nieuw kabaal, maar om de uitvinders van nieuwe waarden draait de wereld, onhoorbaar draait ze. Wat maakt het uit dat een stad in een mummie veranderde en een standbeeld in puin ligt...”
In plaats van om politieke en sociale revoluties ging het om de ‘herijking van alle waarden’. En dat was in de eerste plaats een innerlijk proces dat in stilte en afzondering diende te geschieden, niet op straat maar in de studeerkamer, waarbij niet de massa’s maar de verziende denkers de belangrijkste scheppers waren.

En: die ‘herijking’ betrof tevens de omkering van het christelijke gedachtengoed dat van zichzelf al een omkering was geweest, een zich afwenden van de aarde en het lichaam, van alles wat groots, edel en krachtig was, en daarvoor in de plaats een mededogen had gesteld met alles wat klein, nederig en zwak was.
Niet Jezus, maar Paulus is hierbij Nietzsche’s grote vijand. De uitvinding van het Christendom door wie hij de ‘eerste Christen’ noemt, is in Nietzsche’s ogen de ‘grootste, boosaardigste aanslag op de voorname menselijkheid’. Ook deze revolutie was niet met een hoop lawaai, op straat, tot stand gekomen, maar in stilte, vanachter zijn schrijftafel, met brieven aan gemeenschappen in Griekenland, Rome en Klein Azië waarmee deze Paulus een ommekeer van alle waarden tot stand had weten te brengen, en waarmee hij ‘de vreesachtigen aan zijn kant’ had weten te krijgen. Wat hier geschapen werd, was een maatschappij van middelmatigen, krachteloos, maar met velen en zich snel uitbreidend, die de uitmuntende enkelingen verplettert en in een verzameling ‘laatste mensen’ verandert.

Nietzsche stelde zich niets minder ten doel de paulinische revolutie terug te draaien en daarmee de mensheid weer gezond te maken, vrij te maken van een slecht geweten, van gevoelens van schuld en schaamte en de aandacht weer te richten op het lichaam en het aardse.

Dat blijkt echter een zeer zware opdracht: wanneer Zarathustra die hogere mensen een tijdje in zijn grot alleen laat, vieren ze een feest waarbij ze een ezel aanbidden en tot god uitroepen in een soort van persiflage van de eredienst. Het geeft aan hoe moeilijk het is zonder God te leven. De hogere mens is nog geen Übermensch; die is er nog niet, wordt slechts gepostuleerd als vereiste...
In laatste instantie gaat Nietzsche er niet langer vanuit dat de uitzonderlijke mensen die gered moeten worden al bestaan; hij is ervan overtuigd dat ze moeten worden voortgebracht, en dat is een politiek-pedagogisch programma.

Wat Nietzsche in zijn laatste fase welhaast uitsluitend bezielt, is de verdediging van de uitzonderlijke en voorname mens tegen zijn verdwijning in de massa (dan wel de opvoeding van een mens die zich staande houdt tegenover de massa). Hij predikt de mogelijkheid van nonconformisme in een toenemend nivellerende massamaatschappij. Hij doet dat in bewoordingen die in onze 21e eeuwse ogen weinig sympathiek aandoen en zeer cynisch zijn, maar wanneer ik daar doorheen kijk zie ik iets dat voor de mens van tegenwoordig wel degelijk een waardevol uitgangspunt kan zijn: de noodzaak om authentiek te zijn, en ook hoe verdomd moeilijk dat is tegenover de druk van het conformeren die veel mensen zullen voelen in een wereld die gedomineerd wordt door media en beeldvorming. Zoals Marx partij kiest voor het proletariaat, zo kiest Nietzsche de kant van de enkeling, gaat aan zijn zijde staan - en rekent zichzelf daarbij uiteraard tot de ‘uitmuntende enkelingen’. Uiteindelijk is hij daarin doorgeslagen en werden zijn op zich zeer steekhoudende ideeën tot waanzins- en grootheidsfantasieën, wat uiteindelijk mede geleid heeft (naast fysiologische oorzaken) tot zijn instorting in Turijn in 1889. Wat hier volgens mij vooral uit blijkt, is hoezeer de taak van een herijking van alle waarden, een revolutie van het waardensysteem, zijn krachten (of de krachten van welk individu dan ook) te boven ging.

Wat Nietzsche vooral stoorde aan het Christendom, is de verlossingsgedachte, diezelfde verlossing die, zoals ik in mijn vorige stuk heb geschreven, het centrale thema is in Richard Wagner’s laatste opera Parsifal, die opera waar Nietzsche zo’n enorme hekel aan had.
Daartegenover stelt Nietzsche de leer van de Übermensch en de Eeuwige Wederkeer: het aanvaarden van wat is en hoe het is, nu, op dit moment – waarmee Nietzsche principieel bestrijdt dat de mens zoiets als verlossing nodig heeft.
“Ik bezweer u, mijn broeders, blijf de aarde trouw en geloof degenen niet die jullie bovenaardse verwachtingen ingeven.”

Het omarmen van het hier en nu en het aardse lot, het grote ja tegen de aarde – dát is het waar het Nietzsche om gaat. Amor fati.
Wat de christelijke verlossingsidee met zich meebrengt, is dat de mens overtuigd raakt van de verdorvenheid van de menselijke natuur, die immers verlost moet worden; zondebesef en kwaad geweten ontwaken en tevens een behoefte aan wraak voor alles wat niet is zoals hij het had voorgesteld, een streven naar compensatie voor het hem ontzegde en aangedane; in één woord: het ressentiment.

De mensheid bevrijden van dat ressentiment (zou je het niet een soort van aardse verlossing kunnen noemen?) is wat Zarathoestra zich bovenal als opdracht heeft gesteld. De door het Christendom en haar verlossingsgedachte gecreëerde mens die zich goed voelt bij het lijden en haar tegenhanger, het medelijden; die zich van de aarde en het goede, krachtige in de mens afkeert en zich wentelt in ressentiment: daartegenover stelt Zarathoestra de idee van de Übermensch, uiterste consequentie van de gedachte dat de mens niet iets is dat verlost, maar dat voorbijgestreefd moet worden.

Het Christendom, in Nietzsche’s optiek, want dat is steeds waar ik hier van uitga en probeer weer te geven, ‘verarmt, maakt bleker en haalt de waarde van de dingen omlaag’, het ‘ontkent de wereld’. Is het daarom, vraagt Nietzsche zich af, dat in het Christendom de instincten van de onderworpenen en onderdrukten op de voorgrond treden?: de laagste standen die daar hun heil zoeken. Hierdoor wordt het Christendom de opstand van alles wat laag-bij-de-gronds is tegen alles wat klasse heeft: het evangelie van de nederigen, waarbij nederigheid als grootheid wordt voorgesteld.
Je kunt het onredelijke kritiek noemen en een karikaturale voorstelling van zaken, maar er zijn wel degelijk ook punten die het Christendom zich kan aantrekken. Veel in de leer zoals de christelijke orthodoxie die geformuleerd heeft, valt inderdaad te karakteriseren als anti-lichamelijk en levensvijandig, een geringschatting van het aardse leven omdat de blik al te zeer gericht was op het hiernamaals; en het is juist zijn engagement met de concrete werkelijkheid in het hier en nu dat Nietzsche steeds wil benadrukken.

Nietzsche’s religiekritiek heeft een negatief uitgangspunt: hij wijst het Christendom en alles waartoe het geleid heeft, het type mens dat door haar gekweekt is, fel af. Maar staat daar ook iets positiefs tegenover? Heeft Nietzsche ook geformuleerd hoe het in zijn ogen dan wel moet? Een richting die de mensheid in zou moeten slaan?

Voordat ik daarop in ga, nu eerst iets over Nietzsche’s schrijfstijl.
Nietzsche was van mening, net als Schopenhauer voor hem, dat het vrije en zelfstandige denken buiten de muren van de universiteit diende plaats te vinden. Daarbinnen werd in termen van systemen gedacht en academische debatten draaiden om de specifieke problemen van dit of dat denksysteem die uitvoerig uiteen werden gezet en verdedigd tegen de tegenwerpingen vanuit andere denksystemen. Zo werd het een zeer specialistische discussie, die nog maar door weinigen kon worden gevolgd.
Nietzsche, die al snel zijn betrekking als professor in Bazel had opgegeven, had er een bloedhekel aan: “Ik wantrouw alle systematici en ga hen uit de weg”, “Pas op voor systematici!”

In plaats daarvan presenteerde Nietzsche, die graag wilde dat zijn filosofie een zo breed mogelijk publiek zou bereiken (wat eigenlijk pas gebeurde toen hij al krankzinnig was), zijn argumenten in aforistische en apodictische bondigheid. Nietzsche gebruikte de aforistische stijl om een gedachte of observatie, ten eerste zo geconcentreerd mogelijk te presenteren en als zodanig op zichzelf te laten staan, haar niet onderdeel te maken van een uitgebreidere redenering of rechtvaardiging; ten tweede haar doelgericht eenzijdig te maken en steeds verder toe te spitsen om zo de lezer te provoceren. Daarbij konden best tegenspraken ontstaan; Nietzsche’s filosofie vormde geen systeem waarbij alle onderdelen elkaar in evenwicht moesten houden; het echte leven bestond tenslotte ook vaak genoeg uit tegenstrijdigheden.

Toch heeft Nietzsche niet compleet afstand willen doen van de mogelijkheid om al die disparate invallen d.m.v. een vertelling samen te binden. Zijn boek Also sprach Zarathustra, dat door velen als zijn centrale werk wordt beschouwd (al zal de verregaande geëxalteerdheid velen afstoten; zelf vind ik met name Jenseits von Gut und Böse en Zur Genealogie der Moral een stuk evenwichtiger en toegankelijker; ik ben geneigd die beide boeken als Nietzsche’s hoofdwerken te zien), is een terugkeer tot het Verhaal, zelfs tot de Mythe, wat dient als een procedé om van een aantal losse observaties één geheel te maken.

Over de persoon Zarathoestra, die in dit boek centraal staat, horen we dat hij op zijn 30e zijn geboorteland heeft verlaten om in de bergen te gaan wonen, die hij na een teruggetrokken verblijf van 10 jaar weer verlaat om zich onder de mensen te begeven.
De voetreizen van Zarathoestra vormen het kader voor zijn observaties, adviezen en spreuken.

Zarathoestra is een mythische figuur, genoemd naar de Perzische godsdienststichter, maar heeft tegelijkertijd ook veel overeenkomsten met Jezus. Analoog aan de vier evangelieën heeft ook Also sprach Zarathustra vier boeken; net als Jezus trekt hij rond om te onderwijzen en toespraken te houden en verzameld hij een kleine groep om zich heen om hen tot volgelingen te maken, wat uiteraard doet denken aan de discipelen van Jezus. Het verschil is echter dat dat niet lukt en hij uiteindelijk alleen blijft.

Het is Zarathoestra zelf die weigert deze mensen te leiden, het zijn allemaal uitgeputte en vermoeide wezens, de ‘veel te velen’, ‘die aan tering van de ziel lijden’. Deze mensen moeten zich maar wenden tot de ‘doodspredikers’ die hun de afkeer van het leven aanraden: “Laten ze hen maar met het ‘eeuwige leven’ van dit leven weglokken.”

Hoewel het helemaal de vraag blijft wie nu eigenlijk de ontvangers van zijn leerstellingen en adviezen moeten zijn, is het wel duidelijk dat Nietzsche van mening is, dat deze Zarathoestra een uitzonderlijk hoog niveau qua mens-zijn heeft bereikt.
In het latere Ecce homo zegt hij, terugblikkend op Also sprach Zarathustra:
“Hier is op elk ogenblik de mens te boven gekomen, het begrip Übermensch wordt hier de hoogste realiteit.” In Zarathoestra is het ‘hoogste type van al het zijnde’ belichaamd: de uiterste vastbeslotenheid om JA te zeggen tegen het leven en zelfs geen bezwaar te hebben tegen de eeuwige terugkeer daarvan.

Het was niet mogelijk geweest om dit alles al redenerend, met de middelen van de Logos voor ogen te stellen, dat kon alleen met de Mythos. In Also sprach Zarathustra heeft Nietzsche een nieuwe mythe verzonnen: die van de Übermensch en de Eeuwige Wederkeer. Met één duidelijk doel: de mensen op te voeden zichzelf te willen. Op een onvervreembaar individuele en authentieke wijze.

En dat vind ik werkelijk een hele mooie gedachte.




dinsdag 3 december 2024

Friedrich Nietzsche: een inleiding, deel I

Mijn vorige stuk ging over Richard Wagner. Mijn invalshoek wat betreft Friedrich Nietzsche is nu in eerste instantie ook: zijn verhouding tot Wagner. In augustus 1876 werden de eerste Bayreuther Festspiele gehouden; de complete Ring des Nibelungen werd opgevoerd. Nietzsche, die zich in het verleden had laten kennen als Wagner-adept, was daar ook aanwezig, maar vluchtte al snel naar een landelijker omgeving in het Zwarte Woud. Hij werd gepijnigd door hoofdpijnen. “Bijna had ik er spijt van”, schrijft hij over het bezoek aan zijn zus Elisabeth, “want tot nu toe was het vreselijk.”

Wellicht had het te maken met de zomerse hitte waar hij net goed tegen kon, wellicht ook met de drukte rond het Festspielhaus (Nietzsche had een overgevoelige natuur die snel overprikkeld raakte), maar het wees er zeker ook op dat hij steeds meer afstand voelde t.o.v. de voorheen bewonderde componist. (In de herfst van 1876 zou het tot een complete breuk komen). Terwijl hij daarvoor kind aan huis was geweest in de Zwitserse residentie van Wagner en zijn vrouw Cosima, villa Tribschen in Luzern, en met zijn boek Richard Wagner in Bayreuth een gloedvolle verdediging had geschreven van de componist en zijn project van het totaalkunstwerk, dat pas nu, in diens eigen theater, ten volle gerealiseerd zou kunnen worden. Nietzsche had de naderende Bayreuther Festspiele gekarakteriseerd als een herleving van de oude Griekse cultuur en Wagner vergeleken met de tragediedichter Aeschylus. Hij zag het als een hervorming van het theater dat de moderne mensheid op een hoger plan zou brengen. Een nauwelijks waar te maken eerbewijs. En een onorthodoxe visie waarmee hij zijn eigen carrière (Nietzsche was professor in de klassieke filologie in Bazel) op het spel zette.
Aan Wagners vrouw Cosima schrijft hij in die tijd: “Denk ik terug aan wat ik heb durven schrijven, dan sluit ik de ogen en een grote schrik overvalt me. Het is bijna alsof ik mezelf op het spel heb gezet.”

Na een dergelijke steun aan Wagners project, met de volle inzet van zijn persoon, had hij verwacht dat hij in Bayreuth als bijzondere gast en met alle egards ontvangen zou worden, maar dat was niet het geval. Richard was te druk met de organisatorische kant van het festival, wat nog begrijpelijk was, maar ook Cosima (op wie Nietzsche heimelijk verliefd was) had nauwelijks aandacht voor hem; zoals een ooggetuige over haar schreef: “... je ziet aan haar, dat ze haar eigenlijk talent liever in de kringen van de haute volée aan de dag legt dan in kunstenaarskringen.”

Dat zal Nietzsche zijn tegengevallen, maar wat hem vooral tegen de borst stuitte, was het publiek dat hij aantrof: mensen uit de hogere burgerlijke en aristocratische kringen (“het lanterfantende uitschot van Europa”, noemde hij ze) die vooral geëntertaind wilden worden en weinig ophadden met de hooggestemde (misschien té hooggestemde) idealen die Nietzsche (maar Wagner zelf ook!) aan het Festspielproject toeschreef.

In zijn pas na 1889 (toen Nietzsche in Turijn compleet instortte en daarna tot aan zijn dood een bedlegerige, door zijn zus verpleegde patiënt zou zijn) gepubliceerde boek Nietzsche contra Wagner bekent hij al in de zomer van 1876 innerlijk afscheid te hebben genomen van de man die hij ooit ‘het grootste genie en de grootste mens van deze tijd’ had genoemd. Nadat Wagner van Zwitserland naar Bayreuth was verhuisd en de familie daar de villa Wahnfried had betrokken, zegt Nietzsche, “daalde hij stap voor stap af tot alles wat ik veracht – zelfs tot het antisemitisme. Het was toen inderdaad de hoogste tijd om afscheid te nemen”. Wat hem bovendien buitengewoon gestoord had, voegt hij daar terugblikkend aan toe, was dat Wagner met zijn Parsifal ‘een knieval voor het christelijke kruis’ had gemaakt. Daar had hij in 1876 nog geen kennis van kunnen nemen, maar het vergrootte later alleen maar de afstand die hij tot zijn vroegere meester en mentor voelde...

Toch heeft Nietzsche zich, zoals gezegd, lange tijd opgesteld als de wegbereider van Wagners project. (Hij is Wagner ook altijd, ondanks de grote bezwaren die hij had en waarvan hij in allerhande publicaties op niet mis te verstane wijze getuigde, als een groot kunstenaar blijven beschouwen). De componist wilde niets meer en niets minder dan met zijn muziektheater de antieke Griekse tragedie nieuw leven inblazen, iets dat door Nietzsche filosofische onderbouwing had gekregen in zijn boek De geboorte van de tragedie. De hoogst originele hoofdgedachte van dat werk is de verbinding van het appollinische, de intellectuele helderheid die wordt vertegenwoordigd door de god Apollo, en het dionysische, het roesachtige enthousiasme dat wordt verbeeld door Dionysos. (Nietzsche was overigens deze gedachte voor het eerst tegengekomen in een geschrift van Wagner). Nietzsche brengt deze basiselementen van de Griekse cultuur in verband met Wagners streven de verschillende kunstvormen bijeen te brengen in het totaalkunstwerk; daarnaast brengt hij binnen die Griekse cultuur een scherpe scheidslijn aan die te maken heeft met de figuur van Socrates. Door zijn intellectualisme is hij verantwoordelijk voor het verlies van het tragische bewustzijn dat vanaf dan vervangen wordt door een vrolijk, oppervlakkig optimisme. Nietzsche maakt een onderscheid tussen de tragediedichters Aeschylos en Sophocles enerzijds, die nog de oorspronkelijke tragedie vertegenwoordigen, en Euripides anderzijds, die al sterk onder de invloed van Socrates stond (Socrates ging alleen maar naar het theater als er iets van Euripides geprogrammeerd stond).

Nietzsche benadrukt de religieus-extatische oorsprong van de tragedie, alsook het centraal staan van de dionysische hartstochten. In Athene was het destijds de taak van het koor en van de (geheel verloren gegane) muziek geweest ‘het lijden van de god en de held in zo sterk mogelijk medelijden bij de toehoorders om te zetten’. (Een gedachte die we overigens ook al in de Poetica van Aristoteles terugvinden).  Doordat, met ingang van het werk van Euripides en onder invloed van het socratische denken, de ‘werkelijkheid van het leven van alledag’ op het toneel was gekomen, was de tragedie in wezen geseculariseerd en minder plechtig geworden. Socrates als voorbereider van het wetenschappelijke denken had de triomf van de appollinische helderheid betekend over de roes en de gedrevenheid van het dionysische. Kunst en wetenschap vormen voor Nietzsche een elkaar uitsluitende tegenstelling en representeren een andere, nog wezenlijker tegenstelling, namelijk die tussen pessimisme (kunst) en optimisme (wetenschap, verlichtingsdenken). Het tragisch bewustzijn moest plaatsmaken voor een naïef vertrouwen in het bestaan.

Deze visie op de oudheid was een andere dan de in die tijd gebruikelijke die juist (de historicus Winckelmann is voor die visie heel bepalend geweest, evenals de opvattingen van Goethe) evenwicht, harmonie en schoonheid als kenmerkend zagen voor de antieke kunst. Voor Nietzsche ging het echter juist om roes en overmaat, instinct en zelfverlies; hoewel ook gezegd moet worden dat hij in de loop van de tijd het appollinische element is gaan herwaarderen: dat was óók noodzakelijk, het ging in de Griekse tragedie juist om de combinatie van zelfcontrole en exces, het appollinische verstand was er om de grootste uitwassen in toom te houden.
“Deze verzoening”, schrijft hij in De geboorte van de tragedie, “is het belangrijkste ogenblik in de geschiedenis van de Griekse cultus. Het was de verzoening van twee tegenstanders, die gepaard ging met scherpe afbakening van de van nu af aan tussen hen geldende scheidslijnen en met periodieke uitwisseling van eerbewijzen.”

Doorgetrokken naar de tijd waarin hij zelf leefde, betekende dit dat Nietzsche zich teweer stelde tegen de erfenis van de Verlichting. De heerschappij van het verstand die de belangrijkste component is van die erfenis, is alleen dragelijk wanneer zij gecomplementeerd wordt door de emancipatie van de lichamelijkheid en wanneer we ons los weten te maken van de ons opgelegde religieuze en morele restricties. Uiteraard keert Nietzsche zich hiermee ook tegen het Christendom.

(In dit verband is voor Nietzsche de figuur van Prometheus heel belangrijk; hij eiste ook dat een afbeelding van de bevrijde Prometheus op de voorpagina van zijn Geboorte van de Tragedie zou komen. Prometheus was geen God, maar een Titaan; de Goden hadden in een onderlinge confrontatie de Titanen verslagen, maar hadden daarbij de hulp van de overgelopen Prometheus nodig gehad. De Titanen werden opgesloten in de tartarus, maar er bleef een titaans element achter dat voor onrust bleef zorgen: Prometheus. Bij Nietzsche staat hij voor het dionysische element, voor ongeordende beweging en revolte in een verder strak appolinisch geordende wereld. En alleen m.b.v. zo’n katalysator kan een religie zich verder ontwikkelen, stolt ze niet in dogma’s. Vervolgens heeft Prometheus ook de mens verder geholpen: hij stal het vuur voor hen van de Goden en maakte de mensheid zo los van de heerschappij der goden).

De bloeitijd van de Griekse tragedie vond plaats onder invloed van het dionysische element. Die bloeitijd is echter kortstondig geweest: “Door de tragedie krijgt de mythe zijn diepste inhoud, zijn expressiefste vorm; hij verheft zich nog één keer, als een gewonde held, en in zijn oog dat voor het laatst schitterend glanst, brandt heel het overschot van kracht en tegelijkertijd de wijze rust van de stervende.”

De basis voor het nu dominante verlichtingsdenken wordt al in de oudheid gelegd. De dood van de tragedie liet een ‘ontzaglijke, alom diepgevoelde leegte’ achter. Het ‘esthetische socratisme’ triomfeerde en Euripides verdreef het dionysische element uit de tragedie.
De ‘optimistische wetenschap, met haar stamvader Socrates voorop’ had gezegevierd over de ‘tragische wereldbeschouwing’, over de mythische levensvisie en de geest van de muziek, die bij uitstek dionysische vorm van kunst.

Twee ontwikkelingen wezen er volgens Nietzsche op dat een ommekeer zich begon in te zetten: de Duitse muziek, zoals die zich ontwikkeld had via Bach en Beethoven en geculmineerd was in het Gesamtkunstwerk van Richard Wagner en de ‘uit dezelfde bronnen stromende geest van de Duitse filosofie’, waarbij Nietzsche met name Kant en Schopenhauer noemt.

De hoofdpijnen waardoor Nietzsche geteisterd werd bij zijn bezoek aan de eerste Bayreuther Festspiele zullen deels ook psychosomatisch geweest zijn: zoals we hebben gezien, was hij er zich van bewust dat hij zich steeds verder van Wagner verwijderde en dat zal een pijnlijk besef zijn geweest. Nietzsche, die geobsedeerd was door de vader die hij op 5-jarige leeftijd had verloren (hij was altijd bang om, net als zijn vader, op zijn 36e te zullen sterven), moet een tijdlang in Wagner, die net als Nietzsche sr. geboren was in 1813, een vaderfiguur gezien hebben.

Door hoofdpijnen werd hij al zijn leven lang geplaagd; het is niet overdreven om te zeggen dat Nietzsche een ziekelijk mens was: hij leed aan een extreme mate van bijziendheid, wat hem tegen het einde van zijn (actieve) leven het werken steeds verder bemoeilijkte en kreeg daar in zijn studententijd in Bonn een syfilitische infectie bij, na een bezoek aan een prostituee, met reumatische pijnen en chronische infecties als gevolg. Ook had hij last van zijn ingewanden. De middelen die hij kreeg toegediend om zijn pijnen te bestrijden moeten hem langzaamaan vergiftigd hebben. Na zijn instorting in Turijn in 1889 ontwikkelde zich een snel voortschrijdende dementie. Hij kreeg drie beroertes, waarvan de laatste, op 25 augustus 1900, dodelijk was. Hij had zijn vader met 20 jaar overleefd, waarvan hij echter maar negen jaar tot werken in staat was... (En het is alsof hij dat voorvoeld heeft, want zijn laatste volle werkjaar, 1888, was het productiefste van allemaal).

In feite is het zo dat Nietzsche het lijden omarmde; zijn ziektes en het leed dat daarmee gepaard ging uitriep tot voorwaarden van zijn filosofie en het uithouden van de pijn tot levensopgave. Hij identificeerde zich met de Dionysos, de god die door Titanen aan stukken werd gereten, maar daarna weer herrees.
In zijn Vrolijke Wetenschap spreekt hij over de ‘grote gezondheid’, die hij definieert als ‘een nieuwe gezondheid, een sterkere zekerdere taaiere gedurfdere opgewektere dan alle soorten gezondheid in het verleden’. Deze gezondheid bereikt alleen wie bereid is zich steeds weer met ziektes in te laten en zich daaraan te ontwikkelen.

Nietzsche zag het leven zo dat, wilde het niet oppervlakkig geleefd worden, het opgevat en geaccepteerd moest worden als een onvermijdelijk lijden. Pijn ervaren is een manier om een intensief en diepgaand leven te leiden. En hij verbond zijn eigen ziekte met de filosofie van Schopenhauer, de tweede grote invloed in Nietzsches jonge jaren, van wie hij zich, net als dat bij Wagner het geval was, later heeft afgekeerd.
In een brief staan deze vaak geciteerde regels: “Mij bevalt aan Wagner, wat me ook bevalt aan Schopenhauer, de ethische lucht, de faustische geur; kruis, dood en groeve.”
Ook lang nadat hij zich van Wagner en Schopenhauer had afgekeerd bleef wat hij zijn ‘tragische bewustzijn’ noemde, centraal staan, vaak ook in relatie tot de dionysische mens in een mengeling van lust en leed, extase en doodsbesef. Die dionysische mens is het volstrekt tegengestelde van het kleine geluk, zoals dat ervaren wordt door de ‘laatste mens’, die opduikt in Nietzsches Also sprach Zarathustra. Hij noemt hem daar ‘de verachtelijkste mens’ – “’Wij hebben het geluk uitgevonden’, zeggen de laatste mensen met een knipoog. Zij hebben de streken verlaten waar het leven hard was, want mensen hebben warmte nodig. Ze hebben zelfs hun buren lief en kruipen tegen hen aan, want mensen hebben warmte nodig. Ziek worden en wantrouwen koesteren vinden ze maar zondig: ze lopen behoedzaam voort...”

Naast deze nadruk op lijden en ziekte is een ander kenmerk van Nietzsche’s zielegesteldheid een voortdurend heen en weer zwenken tussen een extreme bevreesdheid voor alles waarmee hij in het leven geconfronteerd werd, faalangst ook – en een aan grootsheidswaanzin grenzende zelfingenomenheid, die Nietzsche’s werk voor mij vaak zo moeilijk te verteren maakt.

Nietzsche’s eerste publicatie was het genoemde De geboorte van de tragedie. Het boek dat hem, vanwege zijn onorthodoxe opvattingen, onmogelijk heeft gemaakt in de vakkringen van de klassieke filologie. Opvallend is hoe kritisch Nietzsche zestien jaar na publicatie is over dit werk, wanneer hij voor een herdruk een Proeve van zelfkritiek schrijft. Hij noemt het boek daar ‘slecht geschreven, omslachtig [inderdaad in een stroperige, langdradige stijl die nog niets heeft van de messcherpe helderheid van zijn latere werk], pijnlijk, met een manische en warrige beeldtaal, overdreven gevoelig... zeer zelfverzekerd en zich daarom boven het bewijzen verheven voelend - een hoogmoedig en dweperig boek’.

Natuurlijk is deze zelfkritiek geschreven vanuit het perspectief van de latere Nietzsche, die zich had gedistantieerd van Wagner (hij had zich ‘onder de slechte manieren van de wagneriaan verstopt’, schrijft hij nu) en het Duitse nationalisme en zichzelf nu zag als wetenschapper. Zelfkritiek was voor hem de weg geweest waarlangs hij van filoloog in filosoof was veranderd. De zelfkritiek heeft voor Nietzsche dezelfde functie als de ziekte: ze brengt hem verder en dwingt hem zijn gedachten precies te formuleren. En tegelijkertijd is ze uiterst pijnlijk, maar dat was iets waar Nietzsche absoluut niet voor terugschrok.

Zijn intellectuele autobiografie Ecce homo is één lange zelfkritiek, maar daarin tegelijkertijd een zelferkenning, zelfs zelfvergroting, zoals geen enkele andere intellectueel ooit voor zichzelf geschreven heeft. Het laatste hoofdstuk begint met de zin: “Met het oog op het feit dat ik de mensheid binnenkort moet confronteren met de zwaarste eis die ooit aan haar is gesteld, lijkt het me onontbeerlijk te zeggen wie ik ben.” Waarop een opsomming begint die zijn eigen grootheid moet karakteriseren. Vroeger schreef hij over Wagner en Schopenhauer, maar dat was eigenlijk een vergissing geweest; de grootste tekortkoming van zijn werk uit die tijd (hij bedoelt met name zijn Oneigentijdse beschouwingen) was dat hij daar de naam verzweeg van degene om wie het uiteindelijk draaide: Friedrich Nietzsche.

Ik heb zojuist geschreven dat Nietzsche zich, behalve van Wagner, ook steeds verder distantieerde van de Duitsers en het Duitse nationalisme. In 1870-71 was dat nog niet zo; Nietzsche nam toen deel aan de Frans-Duitse oorlog, die de beslissende stap was naar de stichting van het Duitse Rijk en tevens het einde betekende van het bewind van Napoleon III in Frankrijk. Omdat hij, ondanks zijn ziekelijke inborst, per se deel uit wilde maken van de historische gebeurtenissen die op stapel stonden, meldde hij zich vrijwillig aan als verpleger bij het leger (Als Bazels hoogleraar viel hij onder het Zwitserse neutraliteitsgebod; hij mocht geen wapens dragen en kon dus alleen als verpleger dienst doen).
Hij bezocht het slagveld van Wörth, waar op 6 augustus 1870 bij grensgevechten het Duitse leger een overwinning op het Franse had geboekt, die achteraf gezien kan worden als een (psychologisch) keerpunt: vanaf dat moment kon de opvatting postvatten dat het Franse leger niet langer onoverwinnelijk was en dat de gevechten op Franse, niet op Duitse bodem zouden plaatsvinden. Toen Nietzsche op het slagveld aankwam, was de veldslag overigens al voorbij. Wel heeft hij een begrafenis van dode soldaten meegemaakt.
Bij een transport van gewonden terug naar Duitsland liep hij een infectie op en leed vervolgens wekenlang aan dysenterie. Dat was voor hem het einde van zijn deelname aan de oorlog; hij had geen deel kunnen uitmaken van beslissende historische gebeurtenissen zoals hij dat gehoopt had; zijn bijdrage was beperkt gebleven tot het verzamelen van Franse geweerkogels en de begeleiding van een gewondentransport – alsook de nog lang aanhoudende herinnering aan de geur van het slagveld van Wörth.

Toen al rezen bij hem de eerste twijfels. Waren alle opofferingen wel de moeite waard geweest? De nationale eer, de eenwording van Duitsland of de annexatie van Elzas Lotharingen interesseerden hem niet zoveel. Wat voor hem vooral van belang was, was de vraag of de oorlog al dan niet de Duitse cultuur bevorderd had. En die vraag is hij in de loop van de tijd in toenemende mate negatief gaan beantwoorden.
Hij beschouwde, schreef hij al in november 1870, ‘het huidige Pruisen als een voor de cultuur uiterst gevaarlijke macht’. En een maand later: “Voor de Duitse veroveringsoorlog nemen mijn sympathieën langzaam af. De toekomst van onze Duitse cultuur lijkt me steeds meer in gevaar te zijn.”

Eerder, in zijn Geboorte van de tragedie, had Nietzsche het nog gehad over de ‘Duitse wedergeboorte van de Griekse wereld’. Zo’n culturele missie lijkt nu onmogelijk te zijn geworden; in Nietzsche’s ogen wedijverden politiek en cultuur met elkaar en zou de stichting van het Duitse rijk, die hij zag als de definitieve overwinning van het middelmatige Duitse burgerdom, betekenen dat de Duitse cultuur in de verdrukking kwam.

Na de overwinning op de Fransen was Wilhelm in de spiegelzaal van Versailles tot keizer van Duitsland gekroond. Nietzsche had zo zijn twijfels over de vermenging van protestantisme en keizerrijk, van religie en staatsmacht die de inhuldigingsceremonie zo overduidelijk te zien had gegeven. En waar hij zich vooral zorgen over maakte, zo blijkt uit het deel van de Oneigentijdse beschouwingen met de titel Over nut en nadeel van de geschiedenis voor het leven, was dat veel Duitse intellectuelen de Duitse overwinning op de Fransen en de stichting van het keizerrijk zagen als de bekroning van een onomkeerbaar historisch proces:
“Zo’n zienswijze heeft de Duitsers eraan gewend om van het ‘wereldproces’ te spreken en hun eigen tijd als het noodzakelijk resultaat van dit wereldproces te rechtvaardigen.”

Met zijn verwijzing naar de opvatting over de geschiedenis als ‘dialektiek van de geest der volkeren’ en een ‘wereldgericht’ verwoordt Nietzsche zeker zijn kritiek op de dialektiek van Hegel (die van grote invloed is geweest op het intellectuele debat in Duitsland) en het historisch materialisme van Marx, die de stichting van een toekomstige arbeidersstaat als het onontkoombare resultaat zag van de historische ontwikkelingen; maar ook op de visie van Wagner, die de overwinning op de Fransen zag als een noodzakelijke omkering van wat de Fransen onder Lodewijk XIV in Duitsland hadden aangericht, met grote verwoestingen en het verlies van Elzas Lotharingen als resultaat en die een terugkeer van het Middeleeuwse Duitse keizerrijk voorzag.

Veel later, in 1888, het laatste jaar waarin Nietzsche nog productief was, schrijft hij in Afgodenschemering:
“’Zijn er Duitse filosofen? Zijn er Duitse dichters? Zijn er goede Duitse boeken?’, wordt mij in het buitenland gevraagd. Ik bloos, maar met de moed die mij ook in wanhopige situaties niet in de steek laat, antwoord ik: ‘Ja, Bismarck!’ Waar eens filosofie en kunst het denken en handelen van de Duitsers hadden bepaald, heerst nu Bismarck – en hij alleen.”

Maar al snel gingen Nietzsche’s culturele analyses een veel breder terrein bestrijken dan alleen een kritiek betreffende de teloorgang van de Duitse cultuur; het werd een religiekritiek waarin één van Nietzsche’s beroemdste (of moet ik zeggen beruchtste) karakteriseringen centraal is komen te staan: de Dood van God. We moeten dit zien tegen de achtergrond van de opkomst van Darwins evolutietheorie, door Nietzsche (die zich, zoals we hebben gezien, nu eerder als wetenschapper dan als kunstenaar ging afficheren) aangehangen. Hierdoor was het onmogelijk nog te spreken van de goddelijke afkomst van de mens: “Dit is nu een verboden weg geworden”, aldus Nietzsche, “want voor zijn toegangsdeur staat de aap, en ander gruwelijk gedierte, dat zijn tanden laat zien als om te zeggen: ‘niet verder in deze richting’”.
“In een of andere afgelegen hoek van het in talloze zonnestelsels flonkerend uitgegoten heelal was er eens een hemellichaam waarop slimme dieren het kennen uitvonden. Het was de hoogmoedigste en leugenachtigste minuut van de ‘wereldgeschiedenis’: maar toch maar een minuut. Na enkele ademhalingen van de natuur verstarde het hemellichaam en de slimme dieren moesten sterven.”

Ik vind dit verschrikkelijk om te lezen, maar waar ik toch bewondering heb is Nietzsche’s moed en eerlijkheid, zijn vermogen om na zo’n deprimerende analyse niet bij de pakken neer te zitten, maar een motivatie te vinden om door te gaan. Hoe het toch mogelijk is om het in zo’n troosteloze wereld uit te houden: dat werd de bepalende vraag in Nietzsche’s denken. Hoe vast te houden aan eerlijkheid tegenover jezelf, jezelf totaal geen illusies meer te maken, maar zonder in afgrondelijke twijfel weg te zinken en (ten tweede) hoe een moraal eruit moest zien zonder een religieuze basis die niet vrijblijvend was. Van Morgenrood en De vrolijke wetenschap tot aan De genealogie van de moraal en De antichrist bestookte Nietzsche zichzelf met deze vragen en zocht hij steeds weer, onvermoeibaar, naar nieuwe antwoorden. Is het teveel om te stellen van dit niets ontziende, nooit eindigende vragen uiteindelijk tot Nietzsche’s krankzinnigheid heeft geleid?

De vooruitgang der wetenschappen en de daarmee steeds verder oprukkende atheïstisch-materialistsiche wereldbeschouwing van veel intellectuelen en wetenschappers had in Nietzsche’s tijd geleid tot wat Georg Lukács later ‘transcendentale dakloosheid’ zou noemen. Er waren, aldus Nietzsche, maar twee mogelijkheden: zonder God was de mens zinloos – of hij verschaft zichzelf een zin.
“De mens is iets wat we te boven moeten komen.” Uiteindelijk ziet Nietzsche zichzelf echter gedwongen te erkennen dat bevrijding van de mens uit de religie slechts voor enkelen mogelijk is, die zichzelf daartoe verheffen tot Über-Menschen, dat door de nazi’s zo schaamteloos misbruikte begrip. Het is een misverstand te denken dat Nietzsche zich vrolijk maakte over de Dood van God, hij zag wel degelijk in hoe rampzalig dit was voor het gedeelte van de mensheid dat zich geen goed alternatief kon verschaffen en zich zelfs ook niet realiseerde hoe serieus de situatie was waarin zij nu terecht waren gekomen.
De uitspraak dat God dood is, moet niet als een overwinningskreet beschouwd worden, maar als een uiting van verdriet. 



Shakespeare's Macbeth, deel II

De scène van de moord op Lady Macduff en haar kinderen is vrijwel ondragelijk. Je kunt je afvragen waarom Macduff zijn gezin niet heeft meeg...