Ik heb
lange tijd een zwart randje gehad, maar inmiddels is dat vervaagd tot
lichtgrijs. De zware depressies horen nu echt tot het verleden en komen ook
niet meer terug, dat weet ik zeker. Wat overblijft is een melancholisch gemoed,
maar dat is niet eens onprettig. Een kriebelend (maar niet meer pijnlijk)
bitterzoet. Soms wilde ik dat ik een ander temperament had. Uitbundig,
levenslustig (ik bedoel: ik hou van het leven, maar op een ingetogen manier),
spraakzaam, gevat en altijd vrolijk. Zoiets als Shakespeare’s Falstaff. Maar
het volgende moment realiseer ik me alweer dat dat echt niet bij me hoort en
dat ik blij ben dat ik ik ben.
Sir John Falstaff is één van mijn favoriete Shakespeare personages.
Ook van Harold Bloom, die qua postuur en gestalte wel wat weg had van de Fat Knight with the Round Belly, wat hij trouwens zelf ook grinnikend toegaf.
Falstaff treedt op in de twee delen die genoemd zijn naar King Henry IV en daar is iets merkwaardigs mee aan de hand, iets dat tot dan toe nog nauwelijks vertoond was. Tragedie en Komedie waren altijd strikt gescheiden geweest, een toneelstuk was óf het één óf het ander.
(De dialoog van Plato, het Symposium, eindigt met Socrates die diep in de nacht nog in gesprek is met een tragediedichter en Arisophanes, die beroemd was door zijn komedies. Het gesprek ging over de vraag of iemand die tragedies schrijft ook komedies moet kunnen schrijven. Socrates vond van wel, maar was zijn tijd daarmee ver vooruit. Eigenlijk verwijst hij hier naar Shakespeare).
Natuurlijk
staan de twee stukken Henry IV bol van de cynische machtspolitiek die in alle
Historiestukken van Shakespeare is terug te vinden. Serious business. Maar er
is een tegenhanger met de troep die zich rond Falstaff verzamelt in de Boar’s
Head Tavern in Eastcheap, London. Wie daar ook vaak te vinden is, is Prince
Hal, de kroonprins. Falstaff fungeert als de surrogaat vader die zijn
aangenomen zoon inwijdt in kwade zaken, zoals het drinken van grote
hoeveelheden sack (een soort van goedkope sherry), het bezigen van schunnigheden
en het organiseren van overvallen voor de grap.
Eigenlijk is Falstaffs onvoorwaardelijke liefde voor de kroonprins (die in de
loop van het stuk steeds verder zijn masker laat vallen) verbazingwekkend. Is
het wellicht een combinatie van liefde voor de zoon die hij zelf nooit kreeg en
de trots van een leraar voor zijn meest begaafde leerling?
(Want dat Hal van Falstaff geleerd heeft is zeker. Hij is zelfs bijna zijn
evenknie in hun verbale schermutselingen).
Het is geen
wonder dat King Henry totaal geen vertrouwen heeft in zijn zoon en in hem eerder
een klaploper dan een toekomstig koning ziet. Totdat het werkelijk nodig is,
Hal op het slagveld zijn mannetje blijkt te staan en zijn grote rivaal Hotspur
verslaat. En als zijn vader overlijdt en zijn koningschap een feit is, is het
gedaan met de vriendschap met Falstaff; als koning kan hij zich die niet meer
permitteren.
De
verstoting van Falstaff door de nieuwbakken koning vind ik één van de
pijnlijkste scènes in Shakespeare. Hier slaat de Komedie die een integraal
onderdeel was van een Historiestuk om in de Tragedie van Sir John Falstaff.
Is de angst om afgewezen te worden door wie we liefhebben niet één van onze
grootste nachtmerries? Falstaff sterft aan een gebroken hart.
In het volgende stuk, Henry V, doet Mrs. Quickly (prachtig) verslag van zijn
overlijden. Zelfs Falstaff blijkt sterfelijk te zijn, iets wat je haast niet
voor mogelijk had gehouden.
Want
Falstaff, dat is het leven zelf.
Dat
Falstaff van Hal houdt is overduidelijk, net als zijn wanhopige behoefte
geliefd te worden. Hamlet houdt van niemand en heeft ook geen liefde nodig. We
weten weinig van Shakespeare’s innerlijk leven, maar wanneer je veel met de
stukken bezig bent geweest, ontwikkel je een bepaald soort gevoeligheid. En
iets zegt mij dat van alle characters
Falstaff en Hamlet het dichtste bij Shakespeare zelf staan. Maar ze zijn antithesen. Eigenlijk lijkt
Falstaff meer op King Lear. Lear houdt van Cordelia, maar schat haar volkomen
verkeerd in; zijn ondergang en tragiek is een overmaat aan gevoel dat zijn
oordeelsvermogen deels verduistert. Maar i.t.t Falstaff ontvangt Lear ook
liefde, van iedereen in het stuk die een gezond oordeel heeft.
Als je me
vraagt wat nu het aantrekkelijke is van Falstaff, dan zou ik zeggen: zijn
enorme levenslust.
Hamlet en Falstaff zijn misschien wel de intelligentste characters van
Shakespeare. Maar Hamlet is een gekweld mens, de ambassadeur van de dood die
hij wel vrijwillig lijkt te zoeken. Terwijl Falstaff het leven viert, op zijn
eigen, ongebreidelde manier. Daarnaast is zijn motto: niet moraliseren. Falstaff
doet veel wat niet door de beugel kan en is daarvoor door moraliserende
literatuurcritici vaak veroordeeld. Maar dat wil niet zeggen dat hij een slecht
mens is. Het is zijn excessieve liefde voor het leven die hem er toe brengt tot
de grens te gaan, geen limiet te kennen, alles te willen uitproberen. Geen
enkele mogelijkheid te veroordelen. Daarbij hakt hij in zijn enthousiasme zo wild
om zich heen dat er regelmatig spaanders vallen.
Zelfspot is
één van zijn sterke punten.
Zijn leeftijd: “They hate us youth”, roept hij als hij met zijn companen een
roofoverval op touw zet. En als de Lord Chief Justice (een soort van
commissaris van politie) verbaasd uitroept: “And will you yet call yourself
young?”, is Falstaffs briljante antwoord: “My Lord, I was born three of the
clock in the afternoon , with a white head and something of a round belly... I
am only old in judgement and understanding”.
Hij neemt zichzelf voortdurend op de hak.
Zijn corpulentie: “Do I not dwindle? Why, my skin hangs about me like an old
lady’s loose gown, I am withered like an old apple-john”. (Natuurlijk is hij
precies het tegenovergestelde).
Of als hij zijn zogenaamde deugdzaamheid prijst: slechts één keer op een dag
gokken, niet meer dan één keer per kwartier een bordeel bezoeken en slechts
heel af en toe geld terugbetalen dat hij geleend heeft. ’Virtuous enough’ vindt Sir John Falstaff zichzelf.
Hij is een smulpaap, een drinkebroer en een hoerenloper, maar hij is genereus
en openhartig, hij geeft om zijn vrienden en er is geen wreedheid in hem (in
tegenstelling tot de cynicus Hal, die vanaf het begin Falstaffs toenaderingen
afweert met een nauwelijks verhulde agressiviteit).
Falstaff is
niet productief, brengt niets tot stand en moet altijd geld van anderen lenen
en op de pof leven; hij schrikt niet van een leugentje om bestwil; zijn leven
is één groot briljant spel dat excelleert in wat de Engelsen (vrij onvertaalbaar)
‘wit’ noemen. Juist daarom is hij zo’n uitstekend gezelschap, al zal hij altijd
en poging doen je portemonnee te rollen of je op te zadelen met de rekening.
Maar hij
wordt steeds weer gered door zijn humor (en hoeveel moeilijker wordt het een
opgewekt mens te zijn en te blijven naarmate je ouder wordt; Falstaff is zeker
een eind in de 70) en de klaterende, zonbeschenen waterval van taal die uit hem
stroomt. Het is puur goud. Beautiful, laughing, living speech noemde William
Butler Yeats het.
In Falstaff vindt Shakespeare’s taalvermogen een voorlopig hoogtepunt en op een
bepaalde manier heeft hij het nooit meer overtroffen. Dit is een man die op
alles een antwoord heeft. Tenminste, tot de finale afwijzing die hem sprakeloos
laat.
Falstaff is
vitaal als het leven zelf, maar het is ook een ijzeren wet dat levenskracht af
moet nemen met de jaren. In de loop van de twee stukken Henry IV (en dan met
name in het tweede deel) zie je de blijde straling die Falstaff steeds omgeven
heeft, geleidelijk afnemen. Zijn humor is er nog, maar nu met een droeve
ondertoon. Alsof de ondergang onafwendbaar is.
Na een vrolijke uiteenzetting met de prostituee Doll Tearsheet en de jonge
herrieschopper Pistol, is daar ineens een ontroerend moment waarin Falstaff
zijn eigen sterfelijkheid beseft. “When wilt thou leave fighting a-days and
foining (boete doen) a-nights, and begin to patch up thine old body for
heaven?”, vraagt Doll hem. Waarop Falstaff verzucht: “Do not speak like a death’s
head; do not bid me remember mine end... I am old, I am old...”

Geen opmerkingen:
Een reactie posten