vrijdag 22 april 2022

Charles Dickens, deel 2

 Wat maakt Dickens nu tot zo’n goede schrijver? Op die vraag heb ik nog steeds geen antwoord gegeven.

Ik zou vier sterke punten willen onderscheiden:

1.      Zijn humor

2.      Zijn sociaal engagement

3.      Zijn taalgebruik, met name de buitengewoon beeldende manier van schrijven

4.      Zijn onuitputtelijke vermogen tot het creëren van personages

In de eerste plaats is daar dus zijn humor. Er is een criticus die Dickens karakteriseert als ‘the funniest writer in the world’.
Daar valt veel voor te zeggen en het is des te ongelofelijker als je bedenkt dat uit alle biografische beschrijvingen Dickens in het dagelijks leven overkomt als een humorloze, harde man; iemand die zich zeer zakelijk en onverzoenlijk op kon stellen, als tijdschriftredacteur een dictator was en zeker ook geen zorgende vader of liefhebbende echtgenoot (hij heeft zelfs zijn vrouw uit huis gezet toen hij aanpapte met een veel jongere actrice). In zijn laatste jaren werd hij gekweld door depressies. “My father was a wicked man” schreef één van zijn dochters over hem. Toch doe je hem denk ik onrecht door hem zo eenzijdig neer te zetten. Hij kon ook heel sociaal zijn, gaf geweldige Chrismas parties waar hij optrad als een warme, levenslustige gastheer die kosten nog moeite spaarde. Maar het is wel een beetje als Scrooge die kerstmis komt vieren bij neef Fred en daarna weer mokkend op zijn stoffige kamers zit: een manisch depressieve, achterdochtige man.
Het is waarschijnlijk niet teveel gezegd dat hij al zijn mededogen, inventiviteit en gevoel voor humor in zijn romans heeft gestopt.

Het uitlichten van humor als Dickens‘ eerste pluspunt wil echter niet zeggen dat de romans één groot lachfestijn zijn. Dickens had een vrij pessimistisch wereldbeeld, gevoed door zijn harde jeugd en de misstanden die hij om zich heen zag: uitwassen van beginnend kapitalisme en industrialisatie. Zijn sociaal engagement is zeker iets wat hem als mens toch weer voor ons inneemt, dat was zeer gemeend. Zie hieronder.
En de humor kan behalve uitermate grappig ook ofwel morbide zijn, of wreed. Talrijk zijn de grappen die draaien rondom de dood, begrafenisondernemers of doodskisten.
En sadistisch en agressief wordt die humor als hij zich richt op personages die niet beter verdienen (en daarvan wemelt het in zijn boeken, ze vormen een noodzakelijk tegenwicht voor de goede characters, die soms zo overduidelijk Dickens’ instemming en voorkeur hebben dat ze, misschien wel één van de grote tekortkomingen in zijn werk, als bijna heilig worden voorgesteld of een niet helemaal geloofwaardige bekering doormaken. In de Christmas Carol is dat geen bezwaar, want dat is een soort van sprookje; in de meer realistische romans echter wel).

Sociaal engagement is wellicht niet de eerst reden waarom je een schrijver gaat lezen, het is ook geen literaire kwaliteit an sich, maar het is bij Dickens wel een heel essentieel element in het weefsel dat zijn romans vormen. Vanaf het eerste begin (Pickwick papers) spelen gevangenissen een rol. Daarnaast had Dickens een grote fascinatie voor criminelen: na de frivole middle class heren van de Pickwick Club in de eerste roman komt Oliver Twist (twede roman) terecht in een milieu van boeven en zakkenrollers. Er wordt een moord gepleegd (en het is niet de laatste in zijn werk): de moord op Nancy door Bill Sykes was in zijn laatste levensjaren één van zijn favoriete passages in zijn voordrachten. Ook executies fascineerden hem: in Oliver Twist is er een scène van een ter dood veroordeelde in zijn cel. Zijn hele leven heeft Dickens geijverd voor het verbeteren van de omstandigheden in gevangenissen en het verbieden van publieke executies en hij heeft daarbij ook het één en ander weten te bereiken.

Toch ademen de vroege romans overwegend een andere sfeer. De sociale kritiek is zeker niet afwezig, maar nog niet zo bijtend als in de late romans. Zijn Engeland is een land dat in zijn tijd (van industrialisatie en spoorwegen) eigenlijk al aan het verdwijnen is, een Engeland van postkoetsen en herbergen waar altijd een stevige maaltijd en een glas warme cognac klaar staat; een Engeland van goedmoedigheid, gezellige avonden vol verhalen vertellen en liedjes zingen rond de tafel of bij het haardvuur. Dick Swiveller uit the Old Curiosity shop staat voor die manier van leven. De industriestad uit Hard Times of de permanente mist in Bleak House, de dustpile uit Our mutual friend, zijn hier nog ver weg. Natuurlijk kom je er naast de criminelen en aan lager wal geraakte armoezaaiers ook gewiekste zakenlieden tegen, maar ze zijn zoiets als de boze oom uit het pantomimespel die even de tijd krijgt om de sfeer te verpesten, maar uiteindelijk toch óf zijn verdiende loon krijgt, óf bekeerd wordt.
Ook Pecksniff, de postsierlijke architect uit Martin Chuzzlewit (een boek dat qua sfeer wel een overgang markeert), is nog een soort van clown, maar toch ook al een hypocriet die we niet zo maar goedmoedig af kunnen serveren. Maar dan krijg je Dombey, de zakenman. En zijn collega Murdstone. Zij vertegenwoordigen een nieuwe generatie in Engeland, staan voor vrekkigheid en exploitatie, een niets ontziende manier van zaken doen, die zich een plek weet te verwerven in het hart van de samenleving, deel gaat uitmaken van haar fundament (de mechanismen ervan zijn als geen ander door Karl Marx, die in dezelfde tijd in Londen woonde, geanalyseerd) en de oude waarden langzaam naar buiten drukt: de vrolijkheid, de openheid, de onafhankelijkheid, alles wat Dickens van waarde achtte. De deugden van de middenklasse die hier verloren gaan en plaats moeten maken voor een nietsontziende koopmansgeest.

In de prachtige roman Bleak House komt dit alles op zeer overtuigende wijze samen. Het is een sociaal drama verpakt als een detective. Je hebt de aristocraten, Sir Leicester en Lady Dedlock, die door de persoonlijke omstandigheden waarmee ze zeer plotseling geconfronteerd worden, wel gedwongen worden in contact te komen met de lagere klassen die ze nooit een blik waardig hebben gegund. Je komt er allerlei vormen van liefdadigheid tegen en vaak, hoewel niet altijd, om de verkeerde redenen. En de rode draad is een gigantische, zich jaren lang voortslepende rechtzaak die de levens van vele mensen verwoest.

Maar laten we niet te lang stil staan bij al die vormen van onrecht. Veel onheilsprofeten en sociale critici uit Dickens’ tijd worden niet meer gelezen.
De reden dat dat bij hem wel het geval is, ligt toch vooral in zijn stijl.
Wat je bij Dickens’ schrijfstijl als eerste opvalt is het beeldende taalgebruik. Zijn romans staan, naar goed 19e eeuws gebruik vol van beschrijvingen: van mensen, landschappen, steden of situaties. Dat die beschrijvingen ver uitstijgen boven de gemiddelde 19e eeuwse roman komt juist door dat beeldende karakter: zijn taal is altijd zo levend en gevat dat hij in enkele zinnen een totaalbeeld weet op te roepen. Je ziet het voor je ogen gebeuren, telkens weer. Omdat die beschrijvingen zo veelvuldig zijn dat ze in eerste instantie de voortgang van het verhaal lijken te belemmeren, had ik in het begin de neiging stukken over te slaan (die romans zijn al zo dik!). Maar dan mis je toch wel wat. En dat heeft vooral te maken met zijn gebruik van metaforen. Daarin is hij ongelofelijk inventief: één enkele alinea kan zo maar vier of vijf vondsten bevatten die een andere schrijver zijn hele leven lang niet bedenken kan. Zeker als niet-Engelstalig lezer zou je er zo maar overheen kunnen lezen, maar dat zou zonde zijn, het is zo’n rijkdom!
Hij kan levenloze voorwerpen presenteren alsof ze bezield en levend zijn (een soort moderne variant van animisme), wat zijn beschrijvingen nooit saai maakt, maar juist uitermate beweeglijk en expressief. In die beschrijvingen komt Londen tot leven, het bruist en beweegt, donkere plekken lichten op, we zien de straten en de huizen voor ons en dit alles is de vrucht van de vele zwerftochten die de wandelaar Dickens door de stad maakte; als kind al, als hij klaar was met zijn geestdodende werk in de schoensmeerfabriek: lang voordat hij schrijver zou worden was de stad en zijn vele straatbeelden al een deel van hem. En hij heeft de taal gevonden om die op zeer expressieve wijze gestalte te geven.

Zijn grootste kwaliteit als schrijver is echter misschien wel zijn vermogen tot het scheppen van personen van vlees en bloed. Ik heb het bij Shakespeare ook aangeduid als één van zijn grote kwaliteiten en gewezen op de eindeloze rij van characters, van Bottom en Shylock, via Falstaff en Hamlet tot Prospero, die van hun maker zo’n grote mate van zelfstandigheid geschonken hebben gekregen dat ze ook buiten de stukken lijken voort te leven.
Bij Dickens zou je wellicht een nog langere rij van geslaagde personages op kunnen noemen. Als je ervan uit gaat dat een gemiddelde Dickens roman zo’n zestig uitgewerkte personages heeft en er 15 romans zijn, reken dan maar uit van hoeveel fictieve kinderen Charles de verwekker is. “I am a very affectionate father”, zei hij zelf, “to every child of my fancy”. Die indruk krijg je inderdaad als je hem leest: dat hij voor al zijn personages, zelfs de slechteriken, zorg draagt; ze met liefde tekent en vol medeleven naar hun einde draagt, zo dat aan de orde is. Ook hier zou je weer kunnen zeggen: hij geeft hen wat hij zijn fysieke kinderen nooit heeft kunnen geven.
Een ander aspect is dat je bij Dickens zelden een saai personage aantreft. Natuurlijk kom je figuren tegen die saaiheid als karaktertrek hebben, maar zelfs zulke personen stralen geven licht af en wekken onze interesse.
Ook van de minor characters, die in slechts enkele scènes optreden, weet hij afgeronde personages te maken; trouwens ook weer een overeenkomst met Shakespeare.

Onvergetelijk zijn ze, al die Dickens characters, juist omdat hun schepper ze in zo veel facetten tot uiting brengt:
David Copperfield, titelkarakter van Dickens’ meest autobiografische roman en Mr. Micawber (gebaseerd op Dickens’ vader John), die altijd in schulden is; of de schurkachtige Uriah Heep (een onderkruipsel waar je kippevel van krijgt) uit hetzelfde boek (en vergeet Davids tante, Betsey Trotwood, niet ‘a piece of female timber’ noemt één criticus haar).
Pip uit Great expectations (en wat te denken van Mrs. Havisham?).
Arthur Clennam, de hoofdrolspeler uit Little Dorrit.
Uit Martin Chuzzlewit: Sairy Gamp, de verpleegster die wel van een slokje houdt (Maarten ’t Hart noemt haar Dickens’ grootste creatie) altijd in gezelschap van haar imaginaire creatie Mrs. Harris; Mark Tapley en Pecksniff, de architect die nooit iets gebouwd heeft.
Natuurlijk Sam Weller en Mr. Pickwick (maar vooral Sam, hij redt zowel zijn meester als de roman uit de middelmatigheid; zijn vader Tony is trouwens ook een prachtige figuur en de conversaties tussen vader en zoon zijn hoogtepunten van het boek). Joe Bagstock en Captain Cuttle uit Dombey and Son (en niet te vergeten Paul Dombey uit dat boek, één van Dickens’ meest geslaagde portretten van een kind; de roman wordt ook armer nadat Paul gestorven is).
Dick Swiveller uit the Old Curiosity shop wordt ergens ‘simply one of the most splendid creations in the world’ (wat die roman ook min of meer redt, want Swiveller vormt een mooi tegenwicht voor de al te sentimentele geschiedenis van Little Nell).
Of Inspecteur Bucket uit Bleak House, één van de eerste detectives in de Engelse literatuur, prachtig getekend. En dat is nog maar een kleine greep!

Wel valt op dat vrouwelijke personages in deze lijst veruit in de minderheid zijn. Het was niet Dickens’ sterkste punt. Little Nell, Agnes Wickfield uit David Copperfield (beiden zijn halve heiligen) of Little Dorrit kun je nauwelijks geslaagd noemen; je vraagt je dan zelfs af of Dickens wel van vrouwen hield, of ze misschien in het geheel niet begreep. Hoewel, de hoofdpersoon van Bleak House, Esther Summerson, irriteert eigenlijk nooit en in David Copperfield staat tegenover de mislukte creatie Agnes Wickfield de juist zeer geslaagde Dora Spenlow. Maar het is, inderdaad, een minderheid.

Er is iets wat vrijwel al die personages bij Dickens gemeen hebben. Ze worden geïntroduceerd in een vaak vrij uitgebreide alinea, waarin hun uiterlijk en hun kleding worden beschreven, de algemene indruk die de persoon maakt, zijn uitstraling; waarna heel veel van die personen kort gekarakteriseerd worden door een bepaalde zinswending, een uitdrukking, een grapje dat gemaakt wordt. Of / en een bepaalde tic, iets wat iemand zich heeft aangewend en waarvan hij zich niet meer bewust lijkt te zijn. Die spreekgewoonten en aanwensels blijven dan in allerlei variaties terug komen, de hele roman door. Dat lijkt een schrijverstrucje, maar het is heel knap gedaan: het zorgt ervoor dat je, zou je er een studie van maken, ieder willekeurig personage uit ieder willekeurig boek met één alinea directe rede, onmiddellijk zou herkennen, want ze verschillen allemaal van elkaar.
Criticus na criticus heeft Dickens hierover bekritiseerd: het zou een grove simplificatie zijn. Maar geeft hij er niet juist zo blijk van een groot observator van menselijk gedrag, met een goed afgestemd oor voor menselijk taalgebruik te zijn? Mensen spreken niet in de volzinnen die Jane Austen haar personages in de mond legt. Ze hebben juist allemaal ingegroeide gewoonten, uitdrukkingen en stopwoordjes die steeds terugkomen, dezelfde grappen en anecdotes die worden verteld, een herkenbare lichaamstaal of mimiek waardoor iemand onmiddellijk herkenbaar wordt voor zijn vrienden en bekenden.
Goed, die gewoonten en zegswijzen worden door Dickens wel uitvergroot, hij heeft niet alleen veel geleerd van de Shakespeareaanse toneeltraditie, maar ook van het melodrama van zijn tijd. Goede en slechte mensen staan tegenover elkaar als zwart tegen wit, er is weinig overlap. En toch worden ze nergens karikaturaal, het is vrijwel altijd menselijk en herkenbaar, juist ook door die uitvergroting. Overdrijving, ja dat zeker, maar die overdrijving, die je niet alleen in de personages maar ook in de beschrijvingen vindt, zou je haast de definitie van Dickens’ kunst kunnen noemen. Alsof hij een vergrootglas over de werkelijkheid heen legt.

Ga Dickens lezen, zou ik zeggen. En dan natuurlijk het liefst in het Engels. Om de hierboven genoemde redenen. Zijn gevoel voor humor eerder nog dan zijn sociaal engagement, wat nooit een reden op zich kan zijn om een schrijver te bewonderen. De wijze waarop hij de stad Londen, de decors waartegen zijn verhalen zich afspelen, zo levend en beweeglijk weet te maken. Maar bovenal de characters. Je zou zelfs kunnen volhouden dat die de ware bestaansreden van de romans zijn, de onuitputtelijke cast van mensen van vlees en bloed die de romans bevolken. De plot is vaak secundair, wordt voortgedreven door onwaarschijnlijheden of kan soms onmogelijk sentimenteel worden. Het is niet meer dan het decor waartegen de personages tot ontwikkeling kunnen komen. Ze zijn larger than life, maar het is de plank misslaan wanneer je dat veroordeelt als een gebrek aan realisme. Ze zijn de inwoners van een mythologisch universum, waarin zijn figuren, op wie de tijd geen vat heeft, hun vaste plek innemen, als planeten in een constellatie. Ze zijn, als de helden, de goden en de bovennatuurlijke wezens uit mythen en volksverhalen, onsterfelijk en onvergetelijk.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Shakespeare's Macbeth, deel II

De scène van de moord op Lady Macduff en haar kinderen is vrijwel ondragelijk. Je kunt je afvragen waarom Macduff zijn gezin niet heeft meeg...