Stel, ik mocht kiezen welke schrijver ik zou willen zijn. Ik zou dan toch James Joyce nemen. Maar alleen vanwege de genialiteit van zijn schrijven, niet omdat hij zo’n benijdenswaardig leven heeft gehad. Want dat laatste was zeker niet het geval. Allereerst de voortdurende armoede: al tijdens zijn jeugd (met een vader die zijn complete salaris verdronk) en ook later: met Ulysses was hij een wereldberoemde (of moet ik zeggen: beruchte) schrijver geworden, zijn beeltenis stond op de cover van Time Magazine, maar die bekendheid heeft zich niet vertaald in massale verkoopcijfers en dus een in een fatsoenlijk inkomen voor de auteur. Hij bleef een schrijver voor fijnproevers. Tot aan zijn dood is hij financieel ondersteund door zijn Engelse maecenas Harriet Weaver (die ook zijn begrafenis bekostigde).
Hij was een grootverbruiker van alcohol die in zijn Dublinse jaren geregeld door een barmhartige Samaritaan thuis gebracht moest worden om dat hij op straat in elkaar was gezakt. Daarnaast een enthousiast hoerenloper: bordelen waren volgens hem de interessantste plekken van een stad, daar leerde je de stad pas goed kennen.
Geen zaken waar ik zelf vrijwillig voor zou kiezen.
Gezond
was hij allerminst (hij is dan ook nog geen 60 geworden) en wat hem vooral parten
speelde was een oogkwaal die hem tegen het eind van zijn leven vrijwel blind
maakte: zijn laatste boek Finnegans Wake schreef hij met centimeters dikke
letters omdat hij anders achteraf niet meer kon terug lezen wat hij geschreven
had.
Zijn laatste jaren waren miserabel: hij kon niet meer schrijven en moet
daardoor geconfronteerd zijn met een wanhopig makende leegte. De taalvirtuoos
die van en met woorden geleefd had, maar nu niets meer met die woorden kon.
Wat
zou ik ervoor gegeven hebben een boek als Ulysses te kunnen schrijven! Maar wat
het hem gekost heeft! Zeven jaar ononderbroken gewerkt, tienduizenden uren
arbeid die een aanslag vormden op zijn hersenen en zijn lichaam (en dan moest
Finnegan’s Wake nog komen!), zenuwinzinkingen, af en toe flauw vallen als de
spanning hem te erg werd en dan al die verschillende oogkwalen waaraan gij
behandeld moest worden... (en waar eigenlijk geen geld voor was).
En
daarbij kwam nog het totale gebrek aan erkenning. Hoewel hij voor sommigen
(vaak collega schrijvers) een idool was dat op handen gedragen werd, was de
meeste kritiek uiterst negatief. Onbegrip voor de complexiteit van het werk was
wel het minste, kwalificaties als obsceen en aanstootgevend kwamen daar bovenop
en leverden zelfs rechtzaken op, reden waarom de meeste uitgevers hun handen
van hem af trokken.
Ik
ben ervan overtuigd dat hij bij tijd en wijle op de rand van geestesziek heeft
gebalanceerd, zijn gedrag en zijn reacties in bepaalde perioden van zijn leven
lijken daarop te wijzen. Het moet hem dan ook in het bijzonder pijn hebben
gedaan dat zijn dochter Lucia de grens naar krankzinnigheid wel overschreed en
geregeld in psychiatrische ziekenhuizen verbleef. Joyce hield van niemand zo
veel als van haar; hij wilde er ook niet aan dat ze zo ziek was als ze was, hij
was ervan overtuigd dat zo lang als hij maar in de buurt was en voor haar
zorgde, ze een normaal leven zou kunnen leiden, dat al die instellingen nergens
voor nodig waren.
Wat een aaneenschakeling van problemen en ellende.
Maar dan was er Nora Barnacle, de liefde van zijn leven. Hij ontmoette haar op
16 juni 1904, een dag die zo belangrijk voor hem bleef dat hij zijn roman
Ulysses, die één dag in Dublin beschrijft, op 16 juni 1904 liet spelen. En nu
wordt op die dag in Dublin Bloomsday gevierd, met tal van manifestaties,
lezingen, Joyce-wandelingen door Dublin etc.
Zij was eigenlijk een onwaarschijnlijke partner voor hem. Een ongeletterd
plattelandsmeisje uit Galway, dat in feite nooit een idee heeft gehad waar
Ulysses over ging; het weinige dat ze er uit las vond ze aanstootgevende
viezigheid.
Maar het huwelijk werkte wel en is Joyce’s redding geweest. Zij was het die
klaar stond als hij dronken thuis kwam, die ervoor zorgde dat hij (arm als ze
waren) zich behoorlijk kleedde. Ze kookte eten voor hem en raapte hem van de
grond op als hij, ten gevolge van té hard en te lang achter elkaar werken, weer
eens flauw gevallen was. En ze doorstond zijn norse buien als hij soms dagen lang nauwelijks iets zei.
Omdat hij te zeer in zijn werk opging of juist gebukt ging onder het gebrek aan
erkenning en inkomen. Of wegzonk in de duisternis van zijn blindheid.
We moeten dez vrouw in de dienstbaarheid aan haar man en zijn talent – én aan
de literatuur, als een soort van heilige beschouwen...
Lucia
en Nora. Hun beider reacties op zijn dood in januari 1941 zijn kenmerkend.
Lucia: “What is he doing under the ground, that idiot? When will he decide to
come out?”
Nora: “My poor Jim, he was such a great man”.
Een
groot schrijver. Het is opvallend hoe weinig titels zijn totale werk eigenlijk
kent.
Alleen: Ulysses en Finnegan’s Wake zijn zo veelomvattend dat ze elk een
compleet oeuvre vormen. Ulysses kent 18 lange hoofstukken die zo verschillend
zijn van stijl dat ze in feite 18 afzonderlijke romans binnen één band vormen.
En de drie hoofdpersonen die zich door die wereld begeven, de joodse
advertentieverkoper Leopold Bloom en zijn vrouw Molly en de jonge Stephen Dedalus
(losjes gebaseerd op Odysseus, zijn vrouw Penelope en zijn zoon Telemachus bij
Homerus) weet hij op zo’n prachtige en complexe manier weer te geven: m.n. door
ons in hun hoofden te laten en hun stroom van gedachten te laten horen (de
beroemde ‘stream of consciousness’ techniek). En dan zijn tekening van de stad
Dublin; alles vanuit zijn herinnering; Joyce was in 1906 uit Dublin vertrokken
en had zich, na een verblijf in Triëst en in Rome, in Parijs gevestigd, waar
hij deze honderden pagina’s geschreven heeft en er uiteindelijk ook een
uitgever vond. Joyce zelf heeft gezegd, dat als Dublin morgen vernietigd werd
(en dat was gezien het geweld dat gebruikt werd bij het neerslaan van de
Paasopstand van 1916 niet ondenkbeeldig) de stad vanuit zijn beschrijvingen
weer in detail heropgebouwd zou kunnen worden.
Finnegan’s Wake is een ondoordringbaar universum, Joyce’s ‘Book of the Dark’.
Niemand zal dit boek werkelijk kunnen doorgronden, want er is vrijwel niemand
die zoveel talen spreekt als Joyce in het boek verwerkt heet én alle mythische
en literaire verwijzingen weet te plaatsen. En dan ook nog gevoel heeft voor de
wijze waarop de auteur woorden vervormt en combineert, van associatie naar
associatie springt en ook nog voortdurend van alles weglaat, wat juist voor een
beter begrip zou kunnen zorgen. In feite is Finnegan’s Wake (waar Ulysses zich
afspeelt bij klaarlichte dag in heldere zonneschijn) één lange droom en is de
taal die gesproken wordt een droomtaal. Het is een werk van nacht en schaduwen.
Dublin en de rivier de Liffey spelen weer een hoofdrol, maar worden
tegelijkertijd mythische plaatsen, de rivier een oer-Rivier. Wellicht het
moeilijkste boek uit de wereldliteratuur. Ik moet er toch een keer aan
beginnen. Maar pas nadat ik Ulysses nog een keer heb doorgenomen en dan met de
beste gidsen die je voor dat boek kunt hebben: Anthony Burgess (Re-Joyce) en de
onvolprezen biograaf van Joyce, Richard Ellmann, die met Ulysses on the Liffey
ook een commentaar op Ulysses schreef.
Behalve
deze twee enorme boeken zijn er nog slechts een paar titels. De korte
autobiografische roman ‘Portrait of the artist as a young man’, over de school
– en studententijd van Joyce’s alter ego Stephen Dedalus (die we dus later ook
weer tegenkomen in Ulysses). ‘The Dubliners’, voor mij één van de mooiste
verhalenbundels van de 20e eeuw – maar ook weer slecht ontvangen,
dit keer omdat men vond dat Joyce, gevestigd in het buitenland, de Ieren
belachelijk maakte. Wat niet waar is: hij schrijft juist vol compassie over
zijn voormalige stadgenoten. En het slotverhaal ‘The dead’ (over een man die na
een feest ontdekt dat zijn vrouw al hun gehele huwelijk innerlijk samenleeft
met een overleden geliefde) is wellicht het mooiste verhaal ooit geschreven...
Maar dat mag ik natuurlijk niet zeggen. Ken je dan alle verhalen die er ooit
geschreven zijn, zegt u dan weer...
Verder zijn er dan nog een paar dichtbundels, waarvan Chamber Music en Pomes
Penyeach de belangrijkste zijn. En één toneelstuk, Exiles, dat (uiteraard zou
ik haast zeggen) óf werd afgewezen door de theaters (waaronder de Abbey Theatre
van William Butler Yeats in Dublin, een afwijzing die voor Joyce zeer pijnlijk
was) óf, als het opgevoerd werd, slechte kritieken kreeg.
Er
zijn veel getuigenissen van wat voor een onaangenaam mens James Joyce was.
Afstandelijk, haatdragend, egocentrisch, niet-invoelend... Moet een geniale
schrijver tegelijkertijd een monster zijn voor zijn omgeving, wil hij zich
helemaal aan zijn werk kunnen wijden, vraagt Edna O’Brien zich af in haar korte
biografie, verschenen in de serie Penguin Lives. En ze beantwoordt die vraag
met een volmondig Ja.
Hij was een tragisch mens, dat ongetwijfeld, maar tegelijkertijd de briljantste
schrijver die de twintigste eeuw gekend heeft. Dat ongelofelijke taalgevoel,
het vermogen tot het creëren van nieuwe woorden door oude te combineren en
variëren, dat ongekende oor voor taalritme, het maakt het lezen van Joyce tot
een ongekende ervaring.
En dan: ik denk dat er niemand is geweest die Joyce werkelijk gekend heeft. De
essentie van zijn persoonlijkheid was zijn innerlijk, dat hij in zijn boeken
heeft uitgestort. Zijn verbeeldingskracht was gigantisch, alles wat hij zag (en
later: alles wat hij zich herinnerde) werd omgezet in beelden, woorden,
clusters van woorden, kettingen van zinnen: kortom, in literatuur. Zijn geest
was altijd aan het werk, de kennis verwerkend die hij vergaard had, zijn
geweldige belezenheid ordenend en productief makend. De woorden ritselden in
zijn hoofd, de beelden stegen op uit het halfduister van zijn blindheid. Hij
was een schepper van werelden in taal, zoals dat sinds Shakespeare niet meer te
zien was geweest. En sinds Joyce ook niet meer.
Dit
bij wijze van inleiding. Ik wil nog veel meer over James Joyce schrijven. Samen
met Shakespeare en Dickens vormt hij de top van mijn literaire wereld. Ik wil
ook graag schrijven over Cervantes en Dante, maar dan meer vanwege hun
betekenis voor de wereldliteratuur en de volstrekte originaliteit van hun werk.
Maar met die twee heb ik niet dezelfde persoonlijke band.
Als ik mocht kiezen welke beroemde schrijver ik zou willen zijn, dan koos ik niet
Shakespeare. Ik zou voor James Joyce kiezen. En daarmee veel lijden voor lief
nemen. Maar wat moet het zijn om zo’n geest te hebben...






