Pickwick papers is Dickens’ eerste roman, gepubliceerd in 1836 (hij was toen 24), in de vorm van een feuilleton in een krant, een vorm van publiceren die hij de rest van zijn leven voor zijn romans (enkele uitzonderingen daargelaten) is blijven gebruiken. Het is een vorm die improvisatie in de hand werkt: aanpassing van het oorspronkelijke concept als je iets beters te binnen schiet, inspelen op de wensen van het publiek... Later wordt de compositie van de romans hechter, hij weet steeds beter de handicap van het stukje bij beetje in afleveringen moeten publiceren te maskeren. Maar deze eerste roman is waarschijnlijk de meest geïmproviseerde van allemaal. En dat is wel een beetje een probleem: er is geen echte plot, het zijn allemaal losse opvolgende episoden, het verhaal gaat alle kanten op. Misschien is het niet eens een roman, eerder een kroniek van avonturen.
Wat ook niet in Dickens’ voordeel werkte, is dat hij zijn eerste onderwerp kreeg opgedrongen van de krant waarin hij publiceerde (en aannam omdat hij nu eenmaal geld nodig had): het moest een verhaal worden van vier Londense heren die een club oprichten (de Pickwick club, naar haar voorzitter Samuel Pickwick), rondreizen op het Engelse platteland en daar van alles beleven. Maar Dickens was een stadsmens, een Londener pur sang met een sterk sociaal engagement; een roman die zich op het platteland afspeelt en een viertal freewheelende middle class gentlemen als onderwerp heeft is daarom niet het meest geëigend om de sterke punten van de schrijver naar voren te brengen.
Dat gezegd
hebbende, is het toch een klein wonder dat deze Londenaar een zo compleet en
aansprekend, levend beeld van het Engelse platteland heeft weten te geven. De
schildering van Londen in zijn latere romans is weliswaar scherper (de Pickwick
papers blijven toch vooral een journalistiek verslag van een Cockney on holiday)
maar daar staat tegenover dat al die dingen die het leven in de grote stad zo
zwaar en problematisch kunnen maken, zeker voor een 19e eeuwer die
het niet breed heeft, op het platteland grotendeels afwezig zijn: het
aanstekelijke van het boek ligt in de vreugdevolle, zorgeloze afbeelding van de
rust die landelijk Engeland uitstraalt, zo tegengesteld aan de hectiek van de
grote stad. John Lucas, in zijn Dickens studie “The melancholy man”, spreekt
van de idylle die Dickens in stand wil houden, zonder het toelaten van de
grimmige aspecten van het leven die zijn latere romans (hoewel de humor nergens
helemaal afwezig is) zoveel donkerder zullen kleuren. Dat begint eigenlijk al
met de roman hierna: Oliver Twist. Pickwick papers is Dickens in zijn meest
onbekommerde stemming. En daarom neem je het wat chaotische karakter van het
boek voor lief. Hij heeft later veel en veel betere romans geschreven, maar
dit: dit is heerlijk om te lezen.
Dickens erkent het bestaan van de meer destructieve, bedreigende krachten wel,
maar hij schermt zijn wereld af, ze mogen er niet in doordringen. Met overigens
één uitzondering: de scènes in Fleet Prison, maar die wereld kende hij, door de
veroordeling van zijn vader, dan ook maar al te goed uit eigen ervaring.
In het universum van de Pickwick papers zijn
het (om het bijbels te zeggen) de zachtmoedigen die de aarde beërven. Alles
maakt deel uit van een mooie mythe en ook de personages die haar bevolken zijn
mythisch. (Reden waarom Chesterton de Pickwick Papers ‘a supernatural story’
noemt: het is bovenal géén realistische roman).
De vier heren om
wie de Pickwick Club draait zijn, naast de naamgever van de roman, zijn
metgezellen: de poëet Snodgrass, de verliefde oudere heer Tupman en Winkle, de
sportman die geen enkele sport blijkt te beheersen als hij op de proef wordt
gesteld.
Ze zijn het soort heren waarvan Dickens weinig kennis uit de eerste hand zal
hebben gehad en waar hij zeker geen sympathie voor had: ze zijn klaarblijkelijk
financieel onafhankelijk (waar Dickens altijd keihard werkte om zijn inkomen
bij elkaar te verdienen en altijd de angst hield terug te zullen vallen in de
armoede van zijn jeugd) en ze tonen weinig belangstelling voor de onderwerpen
die de latere romanschrijver Dickens zo na aan het hart zullen gaan liggen:
solidariteit met de armen en onderdrukten, een obsessie met criminaliteit en
het kwaad.
Geleidelijk aan
lijkt Dickens zijn eigen plan te gaan trekken en raken de drie genoemde heren,
maar ook het overkoepelende concept van de Pickwick Club, steeds meer op de
achtergrond. Dickens gaat in de latere episoden ook beter schrijven en de enige
werkelijke hoofdpersoon van het boek, Pickwick zelf, wordt steeds belangrijker.
Dat bereikt Dickens vooral door hem af te zetten, niet tegen zijn drie
schimmige, weinig interessante metgezellen, maar tegen twee andere figuren:
zijn bediende Sam Weller en de notoire bedrieger, zeg maar schurk, Alfred
Jingle.
Beiden hebben
een geheel eigen idioom. Hier zie je het vermogen van Dickens ontstaan om zijn
figuren via hun taalgebruik te karakteriseren. Bij Sam Weller is dat het
cockney idioom en de combinatie van het komische en het macabere dat aan veel
van zijn uitspraken kleeft.
Deze bijvoorbeeld: “Business
first, pleasure arterwards, as King Richard the Third said ven he stabbed the
other king in the tower, afore he smothered the babbies”.
Al bij onze eerste kennismaking met Sam, voor hij bij Pickwick in dienst
treedt, als hij nog als schoenpoetser in een herberg werkt, geeft hij meteen
zijn visitekaartje af. Er is iemand die zijn laarzen voor zijn beurt gepoetst
wil hebben, maar Sam geeft hem lik op stuk: “No no - regular rotation, as Jack
Ketch (de beul) said, ven he tied the men up”.
Bij Jingle is het weer
anders. Hij heeft een hortende staccato stijl, met korte zinnetjes, soms een
opeenvolging zelfs van enkele woorden, die zonder grammaticale context
associërend gecombineerd worden, zodat de luisteraar of lezer de rest van de
zin zelf in mag vullen.
Vanaf het moment dat Jingle voor het eerst opduikt, al heel snel in het boek,
steelt hij de show. Hij is een arme rondreizende acteur, met zijn ‘wit’ (ik
weet nog altijd geen goede Nederlandse term te verzinnen voor deze zo typisch
Engelse term) als zijn enige kapitaal, dat hij voortdurend inzet om te
overleven – en dan vooral ten koste van anderen, want Jingle is zowel een
charmeur als een notoire bedrieger. Onmiddellijk weet hij de heren van de
Pickwick Club om zijn vinger te winden. Al ondervinden zij Jingle’s ware
karaker al vrij snel aan den lijve; vanaf dat moment wordt hij Pickwicks grote
tegenstrever.
Pickwick staat
tussen beiden in: Sam is de beschermer van zijn meester, die door Jingle met
tussenpozen lastig wordt gevallen.
Het is nadat Pickwick voor het eerst beschadigd is geraakt door Jingle dat Dickens
zich realiseert dat er iemand nodig is die het opneemt voor deze wereldvreemde
kamergeleerde en het is hier, bij de introductie van Sam, dat Dickens weer een
autobiografisch element toevoegt: de schoenpoets die Sam Weller gebruikt in de herberg waar hij werkt is niet, zo verzekert Dickens
ons, die van ‘the amiable (ironie) Mr. Warren’: omdat zijn vader in de
gevangenis zat wegens opgelopen schulden, was de jonge Dickens gedwongen
geweest te werken in Mr. Warrens schoensmeerfabriek.
Nog voordat hij
formeel bij Pickwick in dienst treedt, speelt Sam al een belangrijke rol bij
het dwarsbomen van Jingle, die Pickwick (na de ontdekking van het bedrog) heeft
weten te verleiden tot een onkarakteristieke woedeaanval:
“Mr. Pickwick was a philosopher, but philosophers are only men in armour.
Jingle’s shaft had reached him, penetrated through his philosophical harness,
to his very heart... But Mr. Jingle had disappeared and he (Pickwick) found
himself caught in the arms of Sam”.
Samuel Pickwick, de geharnaste ridder, wordt hier een 19e eeuwse Don
Quichot die op dit moment zijn Sancho Panza vindt. Sam Weller zal hem op al
zijn avonturen vergezellen en uit menige crisis redden, altijd klaar om met
zijn ruige common sense instelling ons (Pickwick én de lezers) over het
volgende ravijn heen te helpen.
(De vergelijking met Don Quichot en Sancho Panza, die je bij vrijwel iedere
criticus die over het boek schrijft, terug vindt, gaat overigens mank: Pickwick
is een veel te opgewekte figuur om de vergelijking met de Ridder met het Droeve
Gelaat te kunnen doorstaan; Don Quichot (hij keert terug in één van mijn
volgende blogs) bindt de strijd aan met de weerbarstige realiteit, die door
Pickwick echter helemaal geaccepteerd en met volle teugen genoten wordt, behalve
dan wanneer hij gevangen zit in Fleet Prison en veel verschikking om zich heen
ziet).
De trouw van Sam aan zijn meester gaat zelfs zo ver dat hij een schuld bij zijn
vader ensceneert om bij Pickwick te kunnen zijn als deze wegens schulden de
gevangenis in moet! En wanneer Pickwick hem zijn vrijheid wil geven om een
gezin te kunnen stichten met de vrouw van wie hij houdt, weigert hij pertinent:
(Sams antwoord nadat Pickwick verzucht heeft: ‘my rambles, Sam, are over’)
“Wery good, then that’s the wery best reason wy you should alvays have somebody
by you as understands you, to keep you up and make you comfortable. Sam Veller
sticks by you, come what come may; and let evr’thin’ and ev’rybody do their
wery fiercest, nothin’ shall ever perwent it”.
De relatie
tussen de twee Sams, Samuel en Sam jr., is één van de sieraden van het boek.
Pickwick neemt hem aan als zijn bediende, maar al snel is er geen meester –
knecht verhouding meer. Ze zijn gelijken, loyale vrienden, als een jongere en
oudere broer. Ik zou zelfs zeggen: het is een vader zoon – relatie, als de
scènes tussen Sam en zijn biologische vader Tony, ook een prachtfiguur, niet eveneens
zo memorabel waren.
Pickwick is een romanticus en een filosoof, te kwetsbaar om het in deze wereld te redden. Daar zijn er veel van. Ze zouden allemaal een Sam Weller moeten hebben om hen er doorheen te helpen!
En we zijn blij dat Pickwick keer op keer door Sam gered wordt, want in de loop van de roman zijn we van hem gaan houden. Hij is een aantrekkelijk personage: heeft altijd goede zin, ook bij tegenslag (ik kan wat dat betreft veel van hem leren); is hoffelijk en heeft aandacht voor anderen, alsook een scherp gevoel voor rechtvaardigheid. Ik denk dat het dat vooral is wat Pickwick zo’n mooi mens maakt, ondanks het belachelijke figuur dat hij vaak genoeg slaat: zijn weigering te buigen voor autoriteit (dat heeft hij met Falstaff gemeen). Hij is de belichaming van zijn principes die altijd uitgaan van eerlijkheid en medemenselijkheid.
Sam Weller drukt het het beste uit:
“I never heard, mind you, nor read of in story books, nor see in picters (dit is overigens Dickens’ weergave van Sams cockney accent, wat hij voortdurend heel leuk doet), any angel in tights and gaiters (beenkappen), nor even in spectacles (een beschrijving van Pickwicks wat potsierlijke uiterlijk) as I remember, but, mark my words, he’s a regular thoroughbred angel for all that”.
Harold Bloom drukt het prachtig uit: “Pickwick is Original Goodness itself, Adam early in the morning, beyond anxiety and in no need of an Eve” (Pickwick verliefd op een vrouw, of zelfs getrouwd, is inderdaad nauwlijks voor te stellen. Hij zal zijn hele leven maagd zijn gebleven).
Wie zou niet met zo’n engelachtige man willen kennismaken?
Toch was Pickwick nog niet deze man in Dickens’ oorspronkelijke concept; wat hij eerst in zijn hoofd had was een ijdele, pompeuze, ietwat dommige man, maar je ziet in de loop van de roman iets ontstaan: je ziet de schrijver steeds meer bij zijn hoofdpersoon betrokken raken en hij maakt hem, in al zijn onschuld en simpelheid, tot een vriendelijke, genereuze man met een warm hart en daardoor ook een favoriet van ons lezers.
(Deel 2 volgt)


Geen opmerkingen:
Een reactie posten