dinsdag 17 mei 2022

James Joyce: Een inleiding

 Stel, ik mocht kiezen welke schrijver ik zou willen zijn.  Ik zou dan toch James Joyce nemen. Maar alleen vanwege de genialiteit van zijn schrijven, niet omdat hij zo’n benijdenswaardig leven heeft gehad. Want dat laatste was zeker niet het geval. Allereerst de voortdurende armoede: al tijdens zijn jeugd (met een vader die zijn complete salaris verdronk) en ook later: met Ulysses was hij een wereldberoemde (of moet ik zeggen: beruchte) schrijver geworden, zijn beeltenis stond op de cover van Time Magazine, maar die bekendheid heeft zich niet vertaald in massale verkoopcijfers en dus een in een fatsoenlijk inkomen voor de auteur. Hij bleef een schrijver voor fijnproevers. Tot aan zijn dood is hij financieel ondersteund door zijn Engelse maecenas Harriet Weaver (die ook zijn begrafenis bekostigde).


Hij was een grootverbruiker van alcohol die in zijn Dublinse jaren geregeld door een barmhartige Samaritaan thuis gebracht moest worden om dat hij op straat in elkaar was gezakt. Daarnaast een enthousiast hoerenloper: bordelen waren volgens hem de interessantste plekken van een stad, daar leerde je de stad pas goed kennen.
Geen zaken waar ik zelf vrijwillig voor zou kiezen.

Gezond was hij allerminst (hij is dan ook nog geen 60 geworden) en wat hem vooral parten speelde was een oogkwaal die hem tegen het eind van zijn leven vrijwel blind maakte: zijn laatste boek Finnegans Wake schreef hij met centimeters dikke letters omdat hij anders achteraf niet meer kon terug lezen wat hij geschreven had.
Zijn laatste jaren waren miserabel: hij kon niet meer schrijven en moet daardoor geconfronteerd zijn met een wanhopig makende leegte. De taalvirtuoos die van en met woorden geleefd had, maar nu niets meer met die woorden kon.

Wat zou ik ervoor gegeven hebben een boek als Ulysses te kunnen schrijven! Maar wat het hem gekost heeft! Zeven jaar ononderbroken gewerkt, tienduizenden uren arbeid die een aanslag vormden op zijn hersenen en zijn lichaam (en dan moest Finnegan’s Wake nog komen!), zenuwinzinkingen, af en toe flauw vallen als de spanning hem te erg werd en dan al die verschillende oogkwalen waaraan gij behandeld moest worden... (en waar eigenlijk geen geld voor was).

En daarbij kwam nog het totale gebrek aan erkenning. Hoewel hij voor sommigen (vaak collega schrijvers) een idool was dat op handen gedragen werd, was de meeste kritiek uiterst negatief. Onbegrip voor de complexiteit van het werk was wel het minste, kwalificaties als obsceen en aanstootgevend kwamen daar bovenop en leverden zelfs rechtzaken op, reden waarom de meeste uitgevers hun handen van hem af trokken.

Ik ben ervan overtuigd dat hij bij tijd en wijle op de rand van geestesziek heeft gebalanceerd, zijn gedrag en zijn reacties in bepaalde perioden van zijn leven lijken daarop te wijzen. Het moet hem dan ook in het bijzonder pijn hebben gedaan dat zijn dochter Lucia de grens naar krankzinnigheid wel overschreed en geregeld in psychiatrische ziekenhuizen verbleef. Joyce hield van niemand zo veel als van haar; hij wilde er ook niet aan dat ze zo ziek was als ze was, hij was ervan overtuigd dat zo lang als hij maar in de buurt was en voor haar zorgde, ze een normaal leven zou kunnen leiden, dat al die instellingen nergens voor nodig waren.
Wat een aaneenschakeling van problemen en ellende.
Maar dan was er Nora Barnacle, de liefde van zijn leven. Hij ontmoette haar op 16 juni 1904, een dag die zo belangrijk voor hem bleef dat hij zijn roman Ulysses, die één dag in Dublin beschrijft, op 16 juni 1904 liet spelen. En nu wordt op die dag in Dublin Bloomsday gevierd, met tal van manifestaties, lezingen, Joyce-wandelingen door Dublin etc.
Zij was eigenlijk een onwaarschijnlijke partner voor hem. Een ongeletterd plattelandsmeisje uit Galway, dat in feite nooit een idee heeft gehad waar Ulysses over ging; het weinige dat ze er uit las vond ze aanstootgevende viezigheid.
Maar het huwelijk werkte wel en is Joyce’s redding geweest. Zij was het die klaar stond als hij dronken thuis kwam, die ervoor zorgde dat hij (arm als ze waren) zich behoorlijk kleedde. Ze kookte eten voor hem en raapte hem van de grond op als hij, ten gevolge van té hard en te lang achter elkaar werken, weer eens flauw gevallen was. En ze doorstond zijn norse buien  als hij soms dagen lang nauwelijks iets zei. Omdat hij te zeer in zijn werk opging of juist gebukt ging onder het gebrek aan erkenning en inkomen. Of wegzonk in de duisternis van zijn blindheid.
We moeten dez vrouw in de dienstbaarheid aan haar man en zijn talent – én aan de literatuur, als een soort van heilige beschouwen...

Lucia en Nora. Hun beider reacties op zijn dood in januari 1941 zijn kenmerkend.
Lucia: “What is he doing under the ground, that idiot? When will he decide to come out?”
Nora: “My poor Jim, he was such a great man”.

Een groot schrijver. Het is opvallend hoe weinig titels zijn totale werk eigenlijk kent.
Alleen: Ulysses en Finnegan’s Wake zijn zo veelomvattend dat ze elk een compleet oeuvre vormen. Ulysses kent 18 lange hoofstukken die zo verschillend zijn van stijl dat ze in feite 18 afzonderlijke romans binnen één band vormen. En de drie hoofdpersonen die zich door die wereld begeven, de joodse advertentieverkoper Leopold Bloom en zijn vrouw Molly en de jonge Stephen Dedalus (losjes gebaseerd op Odysseus, zijn vrouw Penelope en zijn zoon Telemachus bij Homerus) weet hij op zo’n prachtige en complexe manier weer te geven: m.n. door ons in hun hoofden te laten en hun stroom van gedachten te laten horen (de beroemde ‘stream of consciousness’ techniek). En dan zijn tekening van de stad Dublin; alles vanuit zijn herinnering; Joyce was in 1906 uit Dublin vertrokken en had zich, na een verblijf in Triëst en in Rome, in Parijs gevestigd, waar hij deze honderden pagina’s geschreven heeft en er uiteindelijk ook een uitgever vond. Joyce zelf heeft gezegd, dat als Dublin morgen vernietigd werd (en dat was gezien het geweld dat gebruikt werd bij het neerslaan van de Paasopstand van 1916 niet ondenkbeeldig) de stad vanuit zijn beschrijvingen weer in detail heropgebouwd zou kunnen worden.
Finnegan’s Wake is een ondoordringbaar universum, Joyce’s ‘Book of the Dark’. Niemand zal dit boek werkelijk kunnen doorgronden, want er is vrijwel niemand die zoveel talen spreekt als Joyce in het boek verwerkt heet én alle mythische en literaire verwijzingen weet te plaatsen. En dan ook nog gevoel heeft voor de wijze waarop de auteur woorden vervormt en combineert, van associatie naar associatie springt en ook nog voortdurend van alles weglaat, wat juist voor een beter begrip zou kunnen zorgen. In feite is Finnegan’s Wake (waar Ulysses zich afspeelt bij klaarlichte dag in heldere zonneschijn) één lange droom en is de taal die gesproken wordt een droomtaal. Het is een werk van nacht en schaduwen. Dublin en de rivier de Liffey spelen weer een hoofdrol, maar worden tegelijkertijd mythische plaatsen, de rivier een oer-Rivier. Wellicht het moeilijkste boek uit de wereldliteratuur. Ik moet er toch een keer aan beginnen. Maar pas nadat ik Ulysses nog een keer heb doorgenomen en dan met de beste gidsen die je voor dat boek kunt hebben: Anthony Burgess (Re-Joyce) en de onvolprezen biograaf van Joyce, Richard Ellmann, die met Ulysses on the Liffey ook een commentaar op Ulysses schreef.

Behalve deze twee enorme boeken zijn er nog slechts een paar titels. De korte autobiografische roman ‘Portrait of the artist as a young man’, over de school – en studententijd van Joyce’s alter ego Stephen Dedalus (die we dus later ook weer tegenkomen in Ulysses). ‘The Dubliners’, voor mij één van de mooiste verhalenbundels van de 20e eeuw – maar ook weer slecht ontvangen, dit keer omdat men vond dat Joyce, gevestigd in het buitenland, de Ieren belachelijk maakte. Wat niet waar is: hij schrijft juist vol compassie over zijn voormalige stadgenoten. En het slotverhaal ‘The dead’ (over een man die na een feest ontdekt dat zijn vrouw al hun gehele huwelijk innerlijk samenleeft met een overleden geliefde) is wellicht het mooiste verhaal ooit geschreven... Maar dat mag ik natuurlijk niet zeggen. Ken je dan alle verhalen die er ooit geschreven zijn, zegt u dan weer...
Verder zijn er dan nog een paar dichtbundels, waarvan Chamber Music en Pomes Penyeach de belangrijkste zijn. En één toneelstuk, Exiles, dat (uiteraard zou ik haast zeggen) óf werd afgewezen door de theaters (waaronder de Abbey Theatre van William Butler Yeats in Dublin, een afwijzing die voor Joyce zeer pijnlijk was) óf, als het opgevoerd werd, slechte kritieken kreeg.

Er zijn veel getuigenissen van wat voor een onaangenaam mens James Joyce was. Afstandelijk, haatdragend, egocentrisch, niet-invoelend... Moet een geniale schrijver tegelijkertijd een monster zijn voor zijn omgeving, wil hij zich helemaal aan zijn werk kunnen wijden, vraagt Edna O’Brien zich af in haar korte biografie, verschenen in de serie Penguin Lives. En ze beantwoordt die vraag met een volmondig Ja.
Hij was een tragisch mens, dat ongetwijfeld, maar tegelijkertijd de briljantste schrijver die de twintigste eeuw gekend heeft. Dat ongelofelijke taalgevoel, het vermogen tot het creëren van nieuwe woorden door oude te combineren en variëren, dat ongekende oor voor taalritme, het maakt het lezen van Joyce tot een ongekende ervaring.
En dan: ik denk dat er niemand is geweest die Joyce werkelijk gekend heeft. De essentie van zijn persoonlijkheid was zijn innerlijk, dat hij in zijn boeken heeft uitgestort. Zijn verbeeldingskracht was gigantisch, alles wat hij zag (en later: alles wat hij zich herinnerde) werd omgezet in beelden, woorden, clusters van woorden, kettingen van zinnen: kortom, in literatuur. Zijn geest was altijd aan het werk, de kennis verwerkend die hij vergaard had, zijn geweldige belezenheid ordenend en productief makend. De woorden ritselden in zijn hoofd, de beelden stegen op uit het halfduister van zijn blindheid. Hij was een schepper van werelden in taal, zoals dat sinds Shakespeare niet meer te zien was geweest. En sinds Joyce ook niet meer.

Dit bij wijze van inleiding. Ik wil nog veel meer over James Joyce schrijven. Samen met Shakespeare en Dickens vormt hij de top van mijn literaire wereld. Ik wil ook graag schrijven over Cervantes en Dante, maar dan meer vanwege hun betekenis voor de wereldliteratuur en de volstrekte originaliteit van hun werk. Maar met die twee heb ik niet dezelfde persoonlijke band.
Als ik mocht kiezen welke beroemde schrijver ik zou willen zijn, dan koos ik niet Shakespeare. Ik zou voor James Joyce kiezen. En daarmee veel lijden voor lief nemen. Maar wat moet het zijn om zo’n geest te hebben...

 

 

 

              

 

 

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Shakespeare's Macbeth, deel II

De scène van de moord op Lady Macduff en haar kinderen is vrijwel ondragelijk. Je kunt je afvragen waarom Macduff zijn gezin niet heeft meeg...