vrijdag 25 maart 2022

Shakespeare’s Falstaff, deel 2

 Shakespeare’s twee Henry IV stukken, met een glanzende hoofdrol voor Sir John Falstaff, zoals ik al zei één van mijn favoriete Shakespeare personages.  

Ik wil er drie momenten uitlichten. De verstoting van Falstaff door prins Hal, de toekomstige koning Henry V vindt zijn voorafschaduwing in de act 2, scene 4 van het eerste deel van Henry IV, als Falstaff nog het bruisende middelpunt is van de troep in de Boar’s Head en de vrolijkheid, de levenslust ervan af spat. Falstaff en Hal doen een rollenspel om de kroonprins voor te bereiden op een bezoek aan zijn vader, de volgende dag, die zich ongetwijfeld zeer kritisch over hem gaat uitlaten. In de eerste ronde speelt Falstaff de koning die zijn zoon verwijt zich onder zeer twijfelachtig gezelschap te begeven. Er is echter één uitzondering: zo’n corpulente man “of a cheerful look, and a pleasing eye and a noble carriage... Harry, I see virtue in his looks”... Falstaffs heerlijke lofzang op zichzelf. Dan wisselen de rollen en speelt Hal zijn eigen vader en Falstaff de zoon. Het is een stroom van woede en ingehouden gewelddadigheid die Falstaff in de rol van Hal (maar natuurlijk eigenlijk als zichzelf) over zich heen krijgt. Hal is in het gezelschap van een duivel in de vorm van een dikke oude man: de scheldwoorden rollen over elkaar heen. “Wherein is he good, but to taste sack and drink it? Wherein crafty, but in villainy? That abominable misleader of youth, Falstaff, that old white-bearded Satan?”

Het is buitengewoon lelijk en naar wat Hal hier doet. Falstaff moet volkomen ontdaan zijn; zijn antwoord ontroert mij telkens weer: “No good my lord, banish Peto, banish Bardolph, banish Poins [de namen van Falstaffs metgezellen], but for sweet Jack Falstaff, kind Jack Falstaff, true Jack Falstaff... old Jack Falstaff, banish him not thy Harry’s company: banish plump Jack [ik stel me zo voor dat hier de rollende, lachende woordenvloed van Falstaff tot een nauwelijks meer hoorbare fluister is geworden], and banish all the world”. Jack Falstaff verbannen is alles in de wereld verbannen dat niet machtspolitiek en geweld is. Hals antwoord (met samengeklemde kaken) is grimmig en resoluut: “I do, I will”...

Falstaff stijgt tot nieuwe hoogten (het tweede moment dat ik wil uitlichten) als Hal hem als officier meeneemt naar het slagveld waar de beslissende slag tegen Hals rivaal Hotspur zal plaatsvinden. Natuurlijk is Falstaff geen vechtersbaas. ‘Wat sta je daar’, schreeuwt Hal hem toe, ‘geef me je zwaard’! Falstaff bezweert hem dat hij maar wat op adem staat te komen na grootse heldendaden: “Turk Gregory never did such deeds in arms as I have done this day”. Hal kan zijn pistool wel krijgen en hij geeft hem zijn holster.  Er blijkt een bottle of sack in te zitten. Dat is Falstaffs statement, zijn afkeer van het bloedvergieten. Een buitengewoon grappige scène, maar ook een uiting van pacifisme. Dit is een scène die zijn geldigheid blijft houden in alle tijden, op alle slagvelden, ook nu weer, in deze tijd van oorlog en verovering.
Wat Falstaff verder vooral probeert te doen, is wat wij denk ik allemaal zouden doen wanneer we het slagveld opgeschopt werden: overleven. Ook op het slagveld triomfeert de vitalist: de man die in alle omstandigheden, ook met zo veel dood om zich heen, het leven zoekt en zeker niet een eervolle (hoezo eervol?) dood: “I like not such grinning honour as sir Walter hath (een edelman die hij net dood heeft aangetroffen): give me life”.
Het is het motto dat Bloom aan zijn boekje over Falstaff meegaf: “Give me life”.

Even later vindt hij, als hij vijanden ziet naderen die ongetwijfeld veel sterker zijn dan hij, geen andere mogelijheid dan zich dood te houden en zo zijn leven te redden. Ook Hal denkt dat hij dood is, zijn zogenaamde laatste woorden voor zijn oude metgezel zijn niet bepaald uitingen van verdriet (“Poor Jack, farewell” en verder laat hij het erbij). En zodra Hal verdwenen is springt de oude ridder met hernieuwd elan weer op: een seculiere wederopstanding. Zijn speech hier draait om het woord ‘counterfeit’ (‘nep’, verwijzend naar zijn nep-dood van zojuist).
“I am not a counterfeit. To die is to be a counterfeit; for he is but a counterfeit of a man who hath not the life of a man. But to counterfeit dying when a man thereby liveth is to be no counterfeit but the true and perfect image of life indeed”. Een prachtig voorbeeld hoe Shakespeare een speeech kan opbouwen door eindeloos om één en hetzelfde woord heen te blijven cirkelen. En dan het mooiste: “The better part of valour is discretion”, m.a.w.: dit was geen lafheid, ware dapperheid is weten wanneer je uit moet wijken als je zo je leven kunt redden.

Falstaff rebuked
Tenslotte is daar de afwijzing van Falstaff door de nieuwbenoemde King Henry V: Hal, die zijn overleden vader is opgevolgd.
Het is een briljante vondst van Shakespeare om dit vooraf te laten gaan door een scène in het landelijke Gloucestershire, waar Falstaff in de boomgaard van zijn oude vriend Justice Shallow zijn laatste onbekommerde momenten viert.
Dan is er een klop op de deur: het is Ancient Pistol die het goed nieuws brengt uit de hoofdstad: “Sweet knight” (zegt hij tegen Falstaff), “thou art now one of the greatest men in the realm... Sir John, thy tender lambkin now is king”. Falstaff is zeker, denkt hij, nu zijn vertrouweling koning is, van een bevoorrechte positie aan het hof: “Master Robert Shallow, choose whatever office thou wilt in the land, ‘tis thine. Pistol, I will double-charge thee with dignities”. Hij begint nu al met erebaantjes uitdelen. Het geluk lijkt hem toe te lachen: “I am fortune’s steward... I know the young king is sick for me... the laws of England are at my command”.
Maar als toeschouwer of lezer weet je eigenlijk al dat nooit zo zal kunnen zijn. En Falstaff zelf, ik ben ervan overtuigd, weet het ook. Hij is intelligent genoeg en hij kent Hals ambivalentie door en door. Dit is ontken– en ontwijk gedrag. En het is eigenlijk te droevig voor woorden. Het duister komt en Falstaff zal erin verdwijnen. Tot ontstentenis van een ieder die hem een warm hart toedraagt.

Act V, scene V van Henry IV, part II geeft ons de daadwerkelijke afwijzing. En inderdaad, als Falstaff staat te wachten op de stoet van de koning, kun je eigenlijk niet anders dan veronderstellen dat hij die afwijzing verwacht en er zelfs op aanstuurt. Dat is de ondertoon van wat hij zegt tegen Robert Shallow: “I will leer upon him (verlangend uitkijken naar) as he comes by, and do but mark the countenance that he will give me”.
- een wanhopige wens, tegen beter weten in, geaccepteerd te worden door de nieuwe koning.
Als de stoet arriveert springt Falstaff naar voren:
“God save thy grace, King Hal, my royal Hal... God save thee, my sweet boy”. Maar de koning richt zich niet rechtstreeks tot Falstaff, maar tot de Lord Chief Justice in zijn gevolg: “Speak to that vain man”. Deze wijst hem terecht. Het “My King, I speak to thee, my heart” van Falstaff klinkt als een laatste noodkreet. Hij weet dat het allemal voorbij is, wat de koning hem ook inderdaad te verstaan geeft:
“I know thee not, old man. Fall to thy prayers (Hal als koning is ineens een toonbeeld van vroomheid);
How ill white hairs become a fool and jester! - voor de koning is Falstaff een irreële droomfiguur geworden, een belachelijke clown: I have long dreamt of such a man,
so surfeit-swelled (verwijst naar zijn corpulentie), so old and so profane;
But, being awaked I do despise my dream...
De koning is niet meer Hal, Falstaffs kroegmaat:
Presume not that I am the thing I was
... I have turned away my former self
En hij geeft Falstaff de definitieve nekslag:
Know the grave doth gape for thee thrice wider than for other men”

Het vonnis dat wordt uitgesproken luidt in eerste instantie dat Falstaff zich niet meer binnen de tien mijl van de koning mag begeven (een contactverbod), maar even later wordt hij toch opgepakt en naar Fleet Street prison gebracht.

De angst verstoten te worden is een centraal thema geworden voor Shakespeare, kijk naar de grote tragedies die volgen: Hamlet die Ophelia verstoot en haar tot zelfmoord drijft; Othello die Iago passeert bij een benoeming en zo de ellende over zich afroept; de dubbele afwijzing in King Lear: die van Cordelia door Lear en van Edgar door Gloucester. De romances die Shakespeare aan het einde van zijn carrière schreef, gaan daarentegen weer over hereniging, met name van vaders en dochters.

Aan het begin van Shakespeare’s volgende stuk, Henry V, doet Mistress Quickly verslag van de dood van Falstaff: “I saw him fumble with the sheets and play with the flowers and smile upon his fingers’ ends... he babbled of green fields” (een verwijzing naar Psalm 23). Hij roept het uit: “God, God, God” - geen vredige dood, lijkt mij zo, maar Mistress Quickly staat hem bij: “to comfort him ... bid him there was no need to trouble himself with any such thoughts yet”. We proberen een stervende gerust te stellen met leugentjes: het is nog lang je tijd niet. Maar ze voelt zijn voeten, zijn knieën en hogerop en het is allemaal ijskoud. De overeenkomst met de dood van Socrates, beschreven in de Phaedo, is opvallend.

Ik stel me zo voor dat er iets gestorven moet zijn in Shakespeare zelf, toen hij zijn tot dan toe grootste creatie liet sterven. Hierna komt the Merchant of Venice, waarin de figuur Shylock al even out of place is in een komedie als Sir John Falstaff dat is in een historiestuk. En het is een zeer getroubleerde figuur; Shakespeare’s tekening van hem reflecteert het antisemitisme dat in zijn tijd gemeengoed was.

En dan komen die meesterwerken, de grote tragedies waarin Shakespeare zo overduidelijk aan het worstelen is met zichzelf en die zijn grootste creaties hebben opgeleverd: van Hamlet to Cleopatra. Falstaff heeft die weg mogelijk gemaakt.
Zoals William Blake zegt: “Exuberance is Beauty”.
En Falstaff zelf: “Give me life!” Het blijft, ondanks zijn tragische ondergang en dood, overeind staan. Geweldig!






dinsdag 22 maart 2022

Shakespeare's Falstaff, deel 1

 

Ik heb lange tijd een zwart randje gehad, maar inmiddels is dat vervaagd tot lichtgrijs. De zware depressies horen nu echt tot het verleden en komen ook niet meer terug, dat weet ik zeker. Wat overblijft is een melancholisch gemoed, maar dat is niet eens onprettig. Een kriebelend (maar niet meer pijnlijk) bitterzoet. Soms wilde ik dat ik een ander temperament had. Uitbundig, levenslustig (ik bedoel: ik hou van het leven, maar op een ingetogen manier), spraakzaam, gevat en altijd vrolijk. Zoiets als Shakespeare’s Falstaff. Maar het volgende moment realiseer ik me alweer dat dat echt niet bij me hoort en dat ik blij ben dat ik ik ben.


Sir John Falstaff is één van mijn favoriete Shakespeare personages.
Ook van Harold Bloom, die qua postuur en gestalte wel wat weg had van de Fat Knight with the Round Belly, wat hij trouwens zelf ook grinnikend toegaf.
Falstaff treedt op in de twee delen die genoemd zijn naar King Henry IV en daar is iets merkwaardigs mee aan de hand, iets dat tot dan toe nog nauwelijks vertoond was. Tragedie en Komedie waren altijd strikt gescheiden geweest, een toneelstuk was óf het één óf het ander.
(De dialoog van Plato, het Symposium, eindigt met Socrates die diep in de nacht nog in gesprek is met een tragediedichter en Arisophanes, die beroemd was door zijn komedies. Het gesprek ging over de vraag of iemand die tragedies schrijft ook komedies moet kunnen schrijven. Socrates vond van wel, maar was zijn tijd daarmee ver vooruit. Eigenlijk verwijst hij hier naar Shakespeare).

Natuurlijk staan de twee stukken Henry IV bol van de cynische machtspolitiek die in alle Historiestukken van Shakespeare is terug te vinden. Serious business. Maar er is een tegenhanger met de troep die zich rond Falstaff verzamelt in de Boar’s Head Tavern in Eastcheap, London. Wie daar ook vaak te vinden is, is Prince Hal, de kroonprins. Falstaff fungeert als de surrogaat vader die zijn aangenomen zoon inwijdt in kwade zaken, zoals het drinken van grote hoeveelheden sack (een soort van goedkope sherry), het bezigen van schunnigheden en het organiseren van overvallen voor de grap.
Eigenlijk is Falstaffs onvoorwaardelijke liefde voor de kroonprins (die in de loop van het stuk steeds verder zijn masker laat vallen) verbazingwekkend. Is het wellicht een combinatie van liefde voor de zoon die hij zelf nooit kreeg en de trots van een leraar voor zijn meest begaafde leerling?
(Want dat Hal van Falstaff geleerd heeft is zeker. Hij is zelfs bijna zijn evenknie in hun verbale schermutselingen).

Het is geen wonder dat King Henry totaal geen vertrouwen heeft in zijn zoon en in hem eerder een klaploper dan een toekomstig koning ziet. Totdat het werkelijk nodig is, Hal op het slagveld zijn mannetje blijkt te staan en zijn grote rivaal Hotspur verslaat. En als zijn vader overlijdt en zijn koningschap een feit is, is het gedaan met de vriendschap met Falstaff; als koning kan hij zich die niet meer permitteren.

De verstoting van Falstaff door de nieuwbakken koning vind ik één van de pijnlijkste scènes in Shakespeare. Hier slaat de Komedie die een integraal onderdeel was van een Historiestuk om in de Tragedie van Sir John Falstaff.
Is de angst om afgewezen te worden door wie we liefhebben niet één van onze grootste nachtmerries? Falstaff sterft aan een gebroken hart.
In het volgende stuk, Henry V, doet Mrs. Quickly (prachtig) verslag van zijn overlijden. Zelfs Falstaff blijkt sterfelijk te zijn, iets wat je haast niet voor mogelijk had gehouden.

Want Falstaff, dat is het leven zelf.

Dat Falstaff van Hal houdt is overduidelijk, net als zijn wanhopige behoefte geliefd te worden. Hamlet houdt van niemand en heeft ook geen liefde nodig. We weten weinig van Shakespeare’s innerlijk leven, maar wanneer je veel met de stukken bezig bent geweest, ontwikkel je een bepaald soort gevoeligheid. En iets zegt mij dat van alle characters  Falstaff en Hamlet het dichtste bij Shakespeare zelf staan.  Maar ze zijn antithesen. Eigenlijk lijkt Falstaff meer op King Lear. Lear houdt van Cordelia, maar schat haar volkomen verkeerd in; zijn ondergang en tragiek is een overmaat aan gevoel dat zijn oordeelsvermogen deels verduistert. Maar i.t.t Falstaff ontvangt Lear ook liefde, van iedereen in het stuk die een gezond oordeel heeft.

Als je me vraagt wat nu het aantrekkelijke is van Falstaff, dan zou ik zeggen: zijn enorme levenslust.
Hamlet en Falstaff zijn misschien wel de intelligentste characters van Shakespeare. Maar Hamlet is een gekweld mens, de ambassadeur van de dood die hij wel vrijwillig lijkt te zoeken. Terwijl Falstaff het leven viert, op zijn eigen, ongebreidelde manier. Daarnaast is zijn motto: niet moraliseren. Falstaff doet veel wat niet door de beugel kan en is daarvoor door moraliserende literatuurcritici vaak veroordeeld. Maar dat wil niet zeggen dat hij een slecht mens is. Het is zijn excessieve liefde voor het leven die hem er toe brengt tot de grens te gaan, geen limiet te kennen, alles te willen uitproberen. Geen enkele mogelijkheid te veroordelen. Daarbij hakt hij in zijn enthousiasme zo wild om zich heen dat er regelmatig spaanders vallen.

Zelfspot is één van zijn sterke punten.
Zijn leeftijd: “They hate us youth”, roept hij als hij met zijn companen een roofoverval op touw zet. En als de Lord Chief Justice (een soort van commissaris van politie) verbaasd uitroept: “And will you yet call yourself young?”, is Falstaffs briljante antwoord: “My Lord, I was born three of the clock in the afternoon , with a white head and something of a round belly... I am only old in judgement and understanding”.
Hij neemt zichzelf voortdurend op de hak.
Zijn corpulentie: “Do I not dwindle? Why, my skin hangs about me like an old lady’s loose gown, I am withered like an old apple-john”. (Natuurlijk is hij precies het tegenovergestelde).
Of als hij zijn zogenaamde deugdzaamheid prijst: slechts één keer op een dag gokken, niet meer dan één keer per kwartier een bordeel bezoeken en slechts heel af en toe geld terugbetalen dat hij geleend heeft. ’Virtuous enough’  vindt Sir John Falstaff zichzelf.
Hij is een smulpaap, een drinkebroer en een hoerenloper, maar hij is genereus en openhartig, hij geeft om zijn vrienden en er is geen wreedheid in hem (in tegenstelling tot de cynicus Hal, die vanaf het begin Falstaffs toenaderingen afweert met een nauwelijks verhulde agressiviteit).

Falstaff is niet productief, brengt niets tot stand en moet altijd geld van anderen lenen en op de pof leven; hij schrikt niet van een leugentje om bestwil; zijn leven is één groot briljant spel dat excelleert in wat de Engelsen (vrij onvertaalbaar) ‘wit’ noemen. Juist daarom is hij zo’n uitstekend gezelschap, al zal hij altijd en poging doen je portemonnee te rollen of je op te zadelen met de rekening.

Maar hij wordt steeds weer gered door zijn humor (en hoeveel moeilijker wordt het een opgewekt mens te zijn en te blijven naarmate je ouder wordt; Falstaff is zeker een eind in de 70) en de klaterende, zonbeschenen waterval van taal die uit hem stroomt. Het is puur goud. Beautiful, laughing, living speech noemde William Butler Yeats het.
In Falstaff vindt Shakespeare’s taalvermogen een voorlopig hoogtepunt en op een bepaalde manier heeft hij het nooit meer overtroffen. Dit is een man die op alles een antwoord heeft. Tenminste, tot de finale afwijzing die hem sprakeloos laat.

Falstaff is vitaal als het leven zelf, maar het is ook een ijzeren wet dat levenskracht af moet nemen met de jaren. In de loop van de twee stukken Henry IV (en dan met name in het tweede deel) zie je de blijde straling die Falstaff steeds omgeven heeft, geleidelijk afnemen. Zijn humor is er nog, maar nu met een droeve ondertoon. Alsof de ondergang onafwendbaar is.
Na een vrolijke uiteenzetting met de prostituee Doll Tearsheet en de jonge herrieschopper Pistol, is daar ineens een ontroerend moment waarin Falstaff zijn eigen sterfelijkheid beseft. “When wilt thou leave fighting a-days and foining (boete doen) a-nights, and begin to patch up thine old body for heaven?”, vraagt Doll hem. Waarop Falstaff verzucht: “Do not speak like a death’s head; do not bid me remember mine end... I am old, I am old...”

 

vrijdag 11 maart 2022

Shakespeare deel 2

 


We weten heel weinig van de persoon Shakespeare. Hij moet een niet heel opmerkelijke man zijn geweest, zo blijkt uit de schaarse getuigenissen van tijdgenoten die we hebben. Schrijvers als Dante, Milton of Tolstoj waren formidabele, imponerende persoonlijkheden. Dat zelfde geldt voor tijdgenoten als Ben Jonson of Christopher Marlowe, of de Spanjaard Cervantes, schrijver van Don Quixote, (geboren in hetzelfde jaar als Shakespeare, men zegt zelfs wel op dezelfde dag, 23 april) die een leven van spanning en avontuur leed.  Maar Shakespeare was een heel gewone man: open, vriendelijk en zacht, gevat en humoristisch, iemand met wie je zo naar de pub zou gaan om een biertje te drinken. Bovendien is het de vraag of hij zich van zijn exceptionele kwaliteiten bewust was. Dante en Milton waren dat wel: zij waren bezig met het schrijven van meesterwerken waarvan zij wisten (of in elk geval hoopten) dat ze eeuwen na hun dood nog gelezen zouden worden. Maar Shakespeare? Zijn teksten waren toneelmanuscripten, werkmateriaal voor de acteurs van zijn gezelschap, waar voortdurend in geschrapt werd of aan toegevoegd. Van King Lear hebben we twee verschillende versies die totaal niet op elkaar passen, iedere tekstredacteur moet weer zijn eigen combinatie maken. Het is toch haast ondenkbaar dat het grootste meesterwerk uit de wereldliteratuur nooit door zijn maker geredigeerd is, dat hij het kennelijk als wegwerpmateriaal beschouwde. De eerste versie van de verzamelde plays verscheen pas in 1623, 7 jaar na Shakespeares dood.
Van het beeld dat we hebben van Shakespeare als ‘one of the guys’, een simpele plattelandsjongen met weinig opleiding, komt ook de (nogal snobistische) opvatting dat William Shakespeare  nooit de auteur van al deze meesterwerken kan zijn geweest. Dat moet wel een edelman geweest zijn, zoals Francis Bacon of Edward de Vere, de Earl of Oxford (Sigmund Freud hing de laatste theorie aan).
Wat hem ook wel verweten wordt (door Tolstoj bijvoorbeeld, die een grote hekel aan Shakespeare had), is dat hij geen ideologie heeft. Ted Hughes, in zijn Shakespeare boek dat verderop ter sprake komt, ziet in hem een occulte neoplatonist, wat een fascinerende visie is, maar waar eigenlijk geen enkele basis voor is. Shakespeare had geen theologie, geen metafysica, geen ethiek, geen politiek. Uit zijn werk vallen geen morele lessen te trekken.
Dat enkele van zijn characters zo universeel en onuitputtelijk zijn, dat ze daardoor een metafysische dimensie krijgen, is wat anders. Dat is de uitwerking van Shakespeares verbeeldingskracht. Maar dat hij katholiek of protestant zou zijn (nogal een issue in zijn tijd), welke leer of doctrine hij aanhing, of hij er bepaalde principes op na hield: het blijkt nergens uit. Zijn werk omvat de totale werkelijkheid. Omdat hij zich letterlijk in alles en iedereen verplaatsen kon.

Er is eigenlijk niets wat te vergelijken valt met de vier grote Shakespeare tragedies (of eigenlijk zijn het er vijf: Hamlet, Othello, King Lear, Macbeth en ik reken ook Anthony and Cleopatra daarbij). T.S. Eliot zei: “Dante and Shakespeare divide the modern world between them; there is no third.” Maar James Joyce, de enige 20e -eeuwse schrijver die qua uitbundigheid, complexiteit en de gelaagdheid van zijn taal enigszins in de buurt komt, vond dat zelfs Dante niet de rijkdom van Shakespeare had. En ik denk dat hij gelijk heeft. De galerij Shakespeare characters warmee ik hierboven een begin heb gemaakt, gaat verder en verder, ze omvat Hamlet en Falstaff, Rosalind (uit As you like it) en Cleopatra, Iago (Othello’s tegenspeler) en Lear, Macbeth en Prospero en over ieder individueel zou je boeken kunnen vullen (wat overigens ook uitgebreid gedaan is).

Lear and Cordelia, Ford Madox Brown

Hierboven noemde ik King Lear het grootste meesterwerk uit de wereldliteratuur. Er is geen opvoering, geen lezing die rechtdoet aan de complexe, rijke gelaagdheid, aan de emotionele diepte van dit stuk. Er zijn scènes die ik nooit kan lezen zonder tranen in de ogen te krijgen: de hereniging van Lear en Cordelia, de ontmoeting van Gloucester en Lear op de hei, de desolate slotscène waarin Lear opkomt met het lichaam van zijn dode dochter in zijn armen... 


Ik wil het niet over Edmund hebben, hij is Shakespeare’s grootste nihilist, zijn koudste personage. En hij is schitterend getekend, echter niet iemand die je graag tegen zou komen. Hij vormt de antithese van Lear, de allergrootste representatie van alle koningen bij Shakespeare. Door een domme beoordelingsfout en gebrek aan mensenkennis bereidt hij, Lear, zijn eigen ondergang voor. Hij is soms onuitstaanbaar in zijn koppigheid, maar het is ook zo duidelijk dat álle ‘good characters’ van het stuk (en in geen stuk van Shakespeare zijn  de scheidslijnen tussen goed en kwaad zó duidelijk) van hem houden: Cordelia en the Fool, Gloucester en Kent, Edgar en Albany. Wat zo indrukwekkend is aan zijn personage is niet alleen zijn passionele intensiteit (geen enkele van de characters voelt zo veel en zo diep), maar ook zijn vermogen, op 80-jarige leeftijd, tot verandering. Als hij buitengesloten wordt en in een storm op de hei rondzwerft, brengt de zwaarte van zijn lijden hem niet alleen op de rand van krankzinnigheid, maar ook tot inzichten die hij als koning nooit gekend heeft. Hij ziet het lot der verschoppelingen en voelt mededogen. Ik vind die karakterverandering zó indrukwekkend! Ook daar krijg ik kippevel van.

Wie zich in King Lear verdiept, kan niet anders dan zich verbinden met zijn lijden, meevoelen met wat hij voelt. En tenslotte totaal aangedaan zijn door zijn dood.

Ik kom later nog terug op King Lear.
Als leidraad bij het schrijven over de stukken, houd ik “Shakespeare and the Goddess of Complete Being” van Ted Hughes aan, één van de merkwaardigste Shakespeare boeken die ik ken. Voordat ik daarmee begin, wil ik het eerst over de twee delen Henry IV hebben. Want die bevatten de onvergelijkelijke Falstaff.
Daarnaast heb ik ook veel gehad aan “the Meaning of Shakespeare” van Harold Goddard, die net als zijn naamgenoot Bloom de stukken één voor één behandelt. En “Shakespeare the Thinker” van A.D. Nuttall die het werk meer filosofisch benadert. Zelf probeer ik uit te drukken wat al deze stukken, deze characters, deze taal, voor mij betekenen. Genoemde schrijvers zijn voor mij gidsen geweest. En ik heb niet de illusie dat ik nog veel origineels toe kan voegen. Maar dat hoeft ook niet. Ik wil vooral Shakespeare recht doen.

 

 

 

dinsdag 8 maart 2022

Shakespeare deel 1

 

Ik heb me afgevraagd of ik wel een nieuwe aflevering van mijn blog zou moeten publiceren, nu. De oorlog in Oekraïne verontrust me en deprimeert me iedere dag weer. Wat moet je dan met literatuur en filosofie? Zijn niet andere dingen veel belangrijker, is dit niet in tijden van crisis een overbodige luxe geworden?
En toch ben ik geneigd te antwoorden: juist niet. Juist in moeilijke tijden kan literatuur hoop en troost brengen. En dan vooral de klassieke schrijvers, die de tand des tijds al eeuwen, decennia in het geval van de modernen, hebben doorstaan en al vele oorlogen en wereldbranden hebben overleefd. In ieder geval brengt het mij tot rust in een onrustige tijd als deze. Brengt het mij bij bepaalde kernwaarden die, zelfs als zo veel van wat ons lief is in de wereld bedreigd en vernietigd wordt, voor altijd overeind blijven. Móeten blijven. Kunst, innerlijkheid, mededogen, begrip, liefde.
Geen beter onderwerp dan Shakespeare.


Toen ik besloot een literatuurblog te gaan schrijven, was het meteen duidelijk dat het eerste stuk (na de algemene inleiding) over Shakespeare zou moeten gaan. En dat er daarna nog vele stukken over Shakespeare gaan volgen (ook de volgende twee weken gaat mijn blog over hem).

William Shakespeare is het centrum van Harold Blooms Western canon. Het deed een andere literatuurcriticus zelfs verzuchten dat er voor Bloom geen literatuur bestaat die níet over Shakespeare gaat. Dat klopt ook wel een beetje en het is eigenlijk  overdreven, geen schrijver heeft zo’n alomvattende invloed. Anderzijds is de waarde en de kwaliteit van het werk van Shakespeare nauwelijks te overschatten en is zijn invloed, met name op Engelstalige schrijvers, immens geweest.

Van Bloom heb ik, met name door zijn monumentale studie Shakespeare – the Invention of the Human, heel veel geleerd. Ik kan me nog herinneren dat ik het boek aanschafte. Ik was een paar dagen op vakantie in Londen en had het boek in een boekhandel in handen gehad. Het was groot, gebonden, zwaar en duur en ik wilde het eigenlijk niet meeslepen in mijn bagage. Toen ik aan het eind van de straat was, ben ik weer omgekeerd: ik wist dat ik dit boek gewoon moest hebben. En sindsdien is het al vele jaren lang een leidraad bij alles wat ik van Shakespeare lees (en vooral herlees: ik kom steeds weer bij dezelfde stukken terug en ontdek er altijd weer wat nieuws in).

Cruciaal is verder mijn verblijf in Engeland geweest. Ik studeerde vier jaar aan de Speech School in East Grinstead en een jaar aan het Chrysalis Theatre van Peter Bridgmond in Balham, Londen. Daar heb ik heel veel teksten van Shakespeare gereciteerd en ook in scènes uit de stukken gespeeld (helaas heb ik nooit in een complete Shakespeareproductie gespeeld). En dan ondervind je aan den lijve hoe briljant die teksten zijn. Ik durf niet te zeggen dat ik alles precies begrijp. Zelfs Engelsen hebben bij veel zinswendingen een toelichting nodig, óf omdat het 16e – 17e eeuws Engels is, óf heel specifiek Shakespeareaans idioom. Maar die zinnen, zeker in de latere stukken, lopen zo soepel, hebben zo’n heerlijk ritme en de beelden zijn zó krachtig, dat je de betekenis kan voelen, zelfs al kan je de afzonderlijke woorden of zinsdelen niet helemaal duiden. Het is zo geschreven dat je, als je daar een beetje gevoel voor hebt, onmiddellijk weet hoe het gesproken wil worden. En dat is wat alleen de allergrootste dichters  voor elkaar kunnen krijgen.

De enige dichter die enigszins bij hem in de buurt komt is Dante. Die twee, Shakespeare en Dante, stijgen qua intelligentie, taalvermogen en verbeeldingskracht boven iedereen uit. En wat daar nog bij komt is de vreugde die hun werk uitstraalt, de uitbundigheid (van alles heel veel!) en de pure schoonheid.
Hoe verschillend ze overigens ook zijn. Shakespeare is overduidelijk een people’s poet. Zijn werk kent zoveel lagen dat het al eeuwen onderwerp is van nooit uitputtende studie, maar hij schreef in de eerste plaats voor de groundlings die voor een penny een staanplaats hadden weten te bemachtigen in de Globe, het theater van Shakespeares gezelschap. En Dante is zo overduidelijk níet voor het volk, zoals Milton dat ook niet was.
Dante is de volgende auteur die ik wil behandelen; dit gaat over Shakespeare.

Hij was geen wonderkind zoals bijvoorbeeld Mozart. Zijn grote concurrent in de toneelwereld, Christopher Marlowe, in hetzelfde jaar geboren, was al een grote naam toen Shakespeare rond 1588 uit Straford upon Avon in Londen aankwam. En Marlowe had geen ontwikkeling nodig, hij was onmiddellijk de Marlowe zoals we die nu kennen: zijn eerste grote succes Tamburlaine was meteen een hoogtepunt. Toen Marlowe in 1593 omkwam bij een ruzie in een herberg (misschien een politiek geïnspireerde moord) had Shakespeare een paar stukken op zijn naam, maar was hij nog niet erg bekend: de drie delen Henry VI, het vervolg Richard III de Romeinse tragedie Titus Andronicus en een paar van zijn vroegste comedies: the Comedy of errors, the Taming of the Shrew en Two gentlemen of Verona. Als Shakespeare net als Marlowe op zijn 29e gestorven was, dan zou zijn werk bleek hebben afgestoken tegen dat van zijn rivaal die na Tamburlaine het ene succes na het ander had geproduceerd: the Jew of Malta, Edward II, dr. Faustus... Maar Marlowe zou zich niet veel verder ontwikkeld hebben. Na zijn sensationele debuut bleef zijn werk op ongeveer hetzelfde niveau.

Terwijl Shakespeare zich de jaren daarna geweldig ontwikkelde. Love’s Labour’s Lost uit 1594 is al fantastisch en nog niets vergeleken bij wat daarna kwam: Romeo and Juliet, the Merchant of Venice, a Midsummer night’s dream en dan eerst en vooral de twee delen Henry IV (met Falstaff!). Hij ontwikkelt zich tot een niveau dat Marlowe nooit bereikt zou hebben. De bronnen van zijn taal zijn onuitputtelijk, geen enkele schrijver heeft zo’n woordenschat en kan daar zo veel mee. Maar wat Shakespeare meer nog dan zijn taalvermogen tot een onvergelijkelijk fenomeen maakt, is zijn representatie van characters (ik gebruik de Engelse term, het Nederlandse ‘personages’ klinkt zoveel vlakker...). Deze characters zijn zó levensecht dat het is of ze buiten het toneel waar ze verschijnen, ergens in de geesteswereld, een zelfstandig bestaan leiden, los van hun schepper en de boeken waarin ze in letters gevangen zitten; zó complex dat ze bron zijn voor eindeloze meditatie. En: ze hebben allemaal, zelfs de kleinste bijrollen, een eigen geluid, een eigen stem.
Het is een eindeloze stoet die, als Shakespeare eenmaal zijn stijl gevonden heeft, ergens begint bij Bottom, de mechanical (handwerksman) uit de Dream, Shylock uit de Merchant (hoe problematisch de representatie van deze joodse geldschieter in onze ogen na de holocaust ook is), Mercutio (die in Romeo and Juliet zo’n sterke character is dat Shakespeare hem bij een degengevecht om het leven moet laten brengen, omdat hij anders het hele stuk had overgenomen) en tenslotte de onvergelijkelijke sir John Falstaff, tegenhanger en drinkmaatje van de Engelse kroonprins Hal, de zoon van Henry IV en de toekomstige koning Henry V.
Wat hem zo onvergetelijk maakt (en misschien wel de sterkste character door Shakespeare ooit geschapen, wellicht op Hamlet na) is, naast zijn overweldigende gevoel voor humor (“I’m not only witty in myself, but the cause of wit in other men”) en zijn weigering zich aan te passen aan elke conventionele vorm van moraliteit: zijn vitaliteit, zijn ongebreidelde levenslust. Dit is een man die, in welke omstandigheid, bij welke tegenslag dan ook, onvoorwaardelijk voor het leven kiest. 
Over Falstaff binnenkort meer.


Het bijzondere aan Shakespeares characters is verder hun vermogen tot verandering. Hierin verschilt hij wezenlijk van Dante. Waar deze zich concentreert op wat eeuwig en onveranderlijk is in ons (en in het hiernamaals verankerd), daar zie je de innerlijke verandering in de characters van Shakespeare zich op het toneel voltrekken. Door de techniek van de soliloquy (alleenspraak). Iemand staat alleen op het toneel en spreekt tot het publiek, maar eigenlijk tot zichzelf en wij zijn getuigen. Ondertussen luistert hij naar zichzelf, weegt de woorden en daaruit ontstaat de kiem van verandering, tot karakterontwikkeling (Bloom noemt het ‘self-overhearing’). Hét model van dit proces is Hamlet, de grootste self-overhearer van allemaal. Dit is een hele belangrijke literaire ontwikkeling.
Het is nu heel gebruikelijk om na te denken, te mijmeren, de geest die in dialoog met zichzelf gaat en van daaruit tot een bepaalde beslissing komt, wij doen niet anders. Maar deze vorm van innerlijkheid was voor de Renaissance helemaal geen vanzelfsprekendheid, je zou dus kunnen zeggen dat Shakespeare ons hierin heeft binnen geleid. De titel van Blooms Shakespeare boek, the Invention of the Human, lijkt te suggereren dat Shakespeare een belangrijke rol heeft gespeeld bij de vorming van onze moderne persoonlijkheid zoals die zich sinds de Renaissance ontwikkeld heeft. En dat is een prachtige gedachte waar ik graag in geloof.

 

woensdag 23 februari 2022

Inleiding 2 Leesmeesters

 

George Steiner (1929-2020)

Ik vind het jammer dat ik op het vlak van de literatuur en de filosofie geen echte leermeesters heb gehad; ik zie met Plato (zie de vorige aflevering van dit blog) wel degelijk in dat persoonlijke instructie en ontmoeting iets kunnen geven dat het in je eentje lezen van een boek niet geeft.
Ik héb ze wel gehad, die leermeesters: Harold Bloom, George Steiner en Kees Fens waren literatuurwetenschappers – en critici die in grote mate bepaald hebben welke literatuur ik las en hoe ik die waardeerde. Maar het was wel via hun boeken en niet in persoon. (Zou het trouwens toeval zijn dat ze alle drie van de generatie van mijn vader zijn, die in 1928 werd geboren?)

Harold Bloom (1930-2019)

Vooral Harold Bloom heeft mij gevormd tot de lezer die ik geworden ben. Ik weet nog goed dat ik zijn ‘Western Canon’ kocht. Ik zou een jaar aan het Chrysalis theatre in Londen gaan doen. De eerste maandag was er geen les (ik weet het nog precies, ik was zondagavond aangekomen), ik liep wat door de stad en vond in een boekwinkel dit boek van Bloom, een literatuurprofessor uit Yale die tot dan toe in kleine kring bekend was (the Western Canon betekende zijn grote doorbraak) van het boek “the Anxiety of Influence” (over de literaire invloed van vroegere schrijvers op hun  latere collega’s en het ongemak, de strijd die dat kan opleveren) en boeken over the Romantics, zoals het prachtige “the Visionary Company” (waardoor ik de Engelse romantische dichters pas goed ben gaan begrijpen) en studies over Blake, Shelley, Yeats en Wallace Stevens. Ik zag de inhoudsopgave en was meteen verkocht. Het is een overzicht van een 26-tal auteurs die volgens Bloom bij uitstek de Westerse traditie hebben gevormd. Hij laat daarbij overigens de Grieks – Romeinse canon, die zo bepalend is geweest voor wat zich later in het westen aan literatuur heeft gevormd, buiten beschouwing. Dus geen Homerus of de Griekse tragedieschrijvers, geen Vergilius, Ovidius of Lucretius.
Enkelen van hen zijn wel in zijn latere studie “Genius” terechtgekomen. Bloom begint in de late Middeleeuwen, bij Chaucer en Dante. En hij laat er geen twijfel over bestaan dat hij Shakespeare (aan wie hij later een monumentale studie zou wijden: “the Invention of the Human”) beschouwde als het absolute centrum van de canon. Het boek heeft mij geïnspireerd om al die schrijvers, sommigen voor het eerst, maar de meeste opnieuw, te gaan lezen. En ik wil het boek (en dus de selectie die Bloom gemaakt heeft) een leidraad laten zijn voor mijn blog.

Bloom deelt de literatuurgeschiedenis sinds de Middeleeuwen in drie perioden in: the Aristocratic Age (Dante t/m Goethe), the Democratic Age (the Romantics t/m Tolstoj en Ibsen) en the Chaotic Age (20e eeuw). Na Shakespeare, die ook voor mij het begin vormt, wil ik vervolgens aandacht besteden aan één auteur uit elk tijdperk die voor mij van bijzonder belang is geweest: Dante (Aristocratic Age), Dickens (Democratic Age) en James Joyce (Chaotic Age).
Er staan in Blooms lijst ook auteurs waar ik minder affiniteit mee heb en waar ik dus niet over zal schrijven; Molière of Ibsen bijvoorbeeld. Freud ook niet, daar meen ik de expertise niet voor te hebben, hoewel ik in kan zien dat Bloom waarschijnlijk gelijk heeft als hij stelt dat Freud voor de literatuur nog belangrijker is dan voor de psychologie / psychiatrie.
Daarnaast zal ik ook uitstapjes maken naar een boek van Bloom dat postuum is gepubliceerd (hij stierf in oktober 2019), “the Bright book of life”. De ondertitel is ‘novels to read and reread’, het is inderdaad een boek dat in zijn geheel is gewijd aan de romankunst (Bloom had in het verleden toch eerder een voorkeur voor poëzie, waartoe ik ook het dramatisch werk van Shakespeare reken) en waarin hij 48 hoogtepunten uit het genre behandelt. Sommige van die romans zal ik niet herlezen omdat ik het idee heb dat ik er wel uit heb gehaald wat erin zat: de romans van Jane Austen en Stendhal of Don Quixote (hoewel dat absoluut een meesterwerk is); van Flaubert zou ik nu eerder een ander werk lezen dan Madame Bovary, dat ik al drie keer gelezen heb. En sommige van zijn keuzes begrijp ik gewoon niet. Ursula le Guin bijvoorbeeld. Hij eindigt zijn (chronologische) lijst met een boek en een schrijver waarvan ik nog nooit gehoord heb: “the Book of Numbers” (de titel is een verwijzing naar het bijbelse Numeri) van Joshua Cohen. Ik heb het boek gekocht en ik vond het onleesbaar.
Maar er blijft genoeg over om me door te laten inspireren.
Het wil niet zeggen dat ik qua lezen en schrijven helemaal aan de hand van Bloom zal blijven lopen, maar het is een mooie leidraad.

Ik heb ooit persoonlijk contact gezocht met Harold Bloom, hem gemaild via zijn uitgever. Om hem te zeggen hoezeer hij mij geïnspireerd had. Ik kreeg een vrij uitgebreid antwoord terug. 'Your letter moved me' schreef hij onder andere. Toen ik, pas een paar maanden na zijn dood, erachter kwam dat hij overleden was (hij moet tot aan zijn dood, in het ziekenhuis nog, aan zijn laatste boek hebben gewerkt, dat trouwens, hoe toepasselijk, voor een belangrijk deel sterfelijkheid, dood en literatuur als onderwerp heeft) had ik het gevoel dat er een goede kennis overleden was.

Kees Fens (1929-2008)

Maar Bloom is ook niet mijn enige leraar en leidsman. Zoals gezegd heb ik ook veel geleerd van George Steiner en Kees Fens, die ieder weer een andere soort expertise hebben dan Bloom. Heeft Bloom naast literatuur ook een sterke belangstelling voor religie (zie zijn studie over de ‘J’-auteur van het Oude Testament, of zijn publicaties over Gnostiek en Kabbalah), Steiner is daarentegen sterk op filosofie georiënteerd en op de 20e eeuwse geschiedenis van Europa.  
Fens, wiens specialiteit in eerste instantie de Nederlandse literatuur was, is in de loop van zijn carrière steeds meer gaan schrijven over kunst en cultuurgeschiedenis (met name die van katholiek Europa).

Nederland heeft trouwens nog meer essayisten die mij inspireren: Jacq. F. Vogelaar, Jaap Goedegebuure, Piet Meeuse, Joost Zwagerman, Cees Nooteboom en Michael Zeeman bijvoorbeeld. En heb ik grote bewondering voor het essayistische werk van J.M. Coetzee en Milan Kundera.
Genoeg voorbeelden dus...

Tenslotte nog dit: ik praat zelden met iemand over wat ik lees, terwijl het zo’n belangrijke plaats inneemt in mijn bestaan. Ik heb daar veel over nagedacht, waarom dat is, en ik geloof dat er twee redenen zijn. Ten eerste is het zo iets kostbaars en persoonlijks, iets dat van binnen zit – en ik ben bang dat ik, als ik daarover ga praten, de woorden niet zal kunnen vinden. Bovendien zou het kunnen dat die ander daar commentaar op zal hebben of het niet begrijpt of iets niet mooi vind, wat ik wel mooi vind, en dat zou ik ongemakkelijk vinden, pijnlijk zelfs.  

En daarom is het ook zo’n grote stap. Ten eerste om dit blog te gaan schrijven en mijn eigen gedachten over literatuur, die normaal tot een plezierig soort gemijmer beperkt blijven, zo concreet mogelijk trachten te verwoorden. En ten tweede het nog aan de openbaarheid prijs te geven ook...

 

 

 

 

 

Shakespeare's Macbeth, deel II

De scène van de moord op Lady Macduff en haar kinderen is vrijwel ondragelijk. Je kunt je afvragen waarom Macduff zijn gezin niet heeft meeg...