dinsdag 8 maart 2022

Shakespeare deel 1

 

Ik heb me afgevraagd of ik wel een nieuwe aflevering van mijn blog zou moeten publiceren, nu. De oorlog in Oekraïne verontrust me en deprimeert me iedere dag weer. Wat moet je dan met literatuur en filosofie? Zijn niet andere dingen veel belangrijker, is dit niet in tijden van crisis een overbodige luxe geworden?
En toch ben ik geneigd te antwoorden: juist niet. Juist in moeilijke tijden kan literatuur hoop en troost brengen. En dan vooral de klassieke schrijvers, die de tand des tijds al eeuwen, decennia in het geval van de modernen, hebben doorstaan en al vele oorlogen en wereldbranden hebben overleefd. In ieder geval brengt het mij tot rust in een onrustige tijd als deze. Brengt het mij bij bepaalde kernwaarden die, zelfs als zo veel van wat ons lief is in de wereld bedreigd en vernietigd wordt, voor altijd overeind blijven. Móeten blijven. Kunst, innerlijkheid, mededogen, begrip, liefde.
Geen beter onderwerp dan Shakespeare.


Toen ik besloot een literatuurblog te gaan schrijven, was het meteen duidelijk dat het eerste stuk (na de algemene inleiding) over Shakespeare zou moeten gaan. En dat er daarna nog vele stukken over Shakespeare gaan volgen (ook de volgende twee weken gaat mijn blog over hem).

William Shakespeare is het centrum van Harold Blooms Western canon. Het deed een andere literatuurcriticus zelfs verzuchten dat er voor Bloom geen literatuur bestaat die níet over Shakespeare gaat. Dat klopt ook wel een beetje en het is eigenlijk  overdreven, geen schrijver heeft zo’n alomvattende invloed. Anderzijds is de waarde en de kwaliteit van het werk van Shakespeare nauwelijks te overschatten en is zijn invloed, met name op Engelstalige schrijvers, immens geweest.

Van Bloom heb ik, met name door zijn monumentale studie Shakespeare – the Invention of the Human, heel veel geleerd. Ik kan me nog herinneren dat ik het boek aanschafte. Ik was een paar dagen op vakantie in Londen en had het boek in een boekhandel in handen gehad. Het was groot, gebonden, zwaar en duur en ik wilde het eigenlijk niet meeslepen in mijn bagage. Toen ik aan het eind van de straat was, ben ik weer omgekeerd: ik wist dat ik dit boek gewoon moest hebben. En sindsdien is het al vele jaren lang een leidraad bij alles wat ik van Shakespeare lees (en vooral herlees: ik kom steeds weer bij dezelfde stukken terug en ontdek er altijd weer wat nieuws in).

Cruciaal is verder mijn verblijf in Engeland geweest. Ik studeerde vier jaar aan de Speech School in East Grinstead en een jaar aan het Chrysalis Theatre van Peter Bridgmond in Balham, Londen. Daar heb ik heel veel teksten van Shakespeare gereciteerd en ook in scènes uit de stukken gespeeld (helaas heb ik nooit in een complete Shakespeareproductie gespeeld). En dan ondervind je aan den lijve hoe briljant die teksten zijn. Ik durf niet te zeggen dat ik alles precies begrijp. Zelfs Engelsen hebben bij veel zinswendingen een toelichting nodig, óf omdat het 16e – 17e eeuws Engels is, óf heel specifiek Shakespeareaans idioom. Maar die zinnen, zeker in de latere stukken, lopen zo soepel, hebben zo’n heerlijk ritme en de beelden zijn zó krachtig, dat je de betekenis kan voelen, zelfs al kan je de afzonderlijke woorden of zinsdelen niet helemaal duiden. Het is zo geschreven dat je, als je daar een beetje gevoel voor hebt, onmiddellijk weet hoe het gesproken wil worden. En dat is wat alleen de allergrootste dichters  voor elkaar kunnen krijgen.

De enige dichter die enigszins bij hem in de buurt komt is Dante. Die twee, Shakespeare en Dante, stijgen qua intelligentie, taalvermogen en verbeeldingskracht boven iedereen uit. En wat daar nog bij komt is de vreugde die hun werk uitstraalt, de uitbundigheid (van alles heel veel!) en de pure schoonheid.
Hoe verschillend ze overigens ook zijn. Shakespeare is overduidelijk een people’s poet. Zijn werk kent zoveel lagen dat het al eeuwen onderwerp is van nooit uitputtende studie, maar hij schreef in de eerste plaats voor de groundlings die voor een penny een staanplaats hadden weten te bemachtigen in de Globe, het theater van Shakespeares gezelschap. En Dante is zo overduidelijk níet voor het volk, zoals Milton dat ook niet was.
Dante is de volgende auteur die ik wil behandelen; dit gaat over Shakespeare.

Hij was geen wonderkind zoals bijvoorbeeld Mozart. Zijn grote concurrent in de toneelwereld, Christopher Marlowe, in hetzelfde jaar geboren, was al een grote naam toen Shakespeare rond 1588 uit Straford upon Avon in Londen aankwam. En Marlowe had geen ontwikkeling nodig, hij was onmiddellijk de Marlowe zoals we die nu kennen: zijn eerste grote succes Tamburlaine was meteen een hoogtepunt. Toen Marlowe in 1593 omkwam bij een ruzie in een herberg (misschien een politiek geïnspireerde moord) had Shakespeare een paar stukken op zijn naam, maar was hij nog niet erg bekend: de drie delen Henry VI, het vervolg Richard III de Romeinse tragedie Titus Andronicus en een paar van zijn vroegste comedies: the Comedy of errors, the Taming of the Shrew en Two gentlemen of Verona. Als Shakespeare net als Marlowe op zijn 29e gestorven was, dan zou zijn werk bleek hebben afgestoken tegen dat van zijn rivaal die na Tamburlaine het ene succes na het ander had geproduceerd: the Jew of Malta, Edward II, dr. Faustus... Maar Marlowe zou zich niet veel verder ontwikkeld hebben. Na zijn sensationele debuut bleef zijn werk op ongeveer hetzelfde niveau.

Terwijl Shakespeare zich de jaren daarna geweldig ontwikkelde. Love’s Labour’s Lost uit 1594 is al fantastisch en nog niets vergeleken bij wat daarna kwam: Romeo and Juliet, the Merchant of Venice, a Midsummer night’s dream en dan eerst en vooral de twee delen Henry IV (met Falstaff!). Hij ontwikkelt zich tot een niveau dat Marlowe nooit bereikt zou hebben. De bronnen van zijn taal zijn onuitputtelijk, geen enkele schrijver heeft zo’n woordenschat en kan daar zo veel mee. Maar wat Shakespeare meer nog dan zijn taalvermogen tot een onvergelijkelijk fenomeen maakt, is zijn representatie van characters (ik gebruik de Engelse term, het Nederlandse ‘personages’ klinkt zoveel vlakker...). Deze characters zijn zó levensecht dat het is of ze buiten het toneel waar ze verschijnen, ergens in de geesteswereld, een zelfstandig bestaan leiden, los van hun schepper en de boeken waarin ze in letters gevangen zitten; zó complex dat ze bron zijn voor eindeloze meditatie. En: ze hebben allemaal, zelfs de kleinste bijrollen, een eigen geluid, een eigen stem.
Het is een eindeloze stoet die, als Shakespeare eenmaal zijn stijl gevonden heeft, ergens begint bij Bottom, de mechanical (handwerksman) uit de Dream, Shylock uit de Merchant (hoe problematisch de representatie van deze joodse geldschieter in onze ogen na de holocaust ook is), Mercutio (die in Romeo and Juliet zo’n sterke character is dat Shakespeare hem bij een degengevecht om het leven moet laten brengen, omdat hij anders het hele stuk had overgenomen) en tenslotte de onvergelijkelijke sir John Falstaff, tegenhanger en drinkmaatje van de Engelse kroonprins Hal, de zoon van Henry IV en de toekomstige koning Henry V.
Wat hem zo onvergetelijk maakt (en misschien wel de sterkste character door Shakespeare ooit geschapen, wellicht op Hamlet na) is, naast zijn overweldigende gevoel voor humor (“I’m not only witty in myself, but the cause of wit in other men”) en zijn weigering zich aan te passen aan elke conventionele vorm van moraliteit: zijn vitaliteit, zijn ongebreidelde levenslust. Dit is een man die, in welke omstandigheid, bij welke tegenslag dan ook, onvoorwaardelijk voor het leven kiest. 
Over Falstaff binnenkort meer.


Het bijzondere aan Shakespeares characters is verder hun vermogen tot verandering. Hierin verschilt hij wezenlijk van Dante. Waar deze zich concentreert op wat eeuwig en onveranderlijk is in ons (en in het hiernamaals verankerd), daar zie je de innerlijke verandering in de characters van Shakespeare zich op het toneel voltrekken. Door de techniek van de soliloquy (alleenspraak). Iemand staat alleen op het toneel en spreekt tot het publiek, maar eigenlijk tot zichzelf en wij zijn getuigen. Ondertussen luistert hij naar zichzelf, weegt de woorden en daaruit ontstaat de kiem van verandering, tot karakterontwikkeling (Bloom noemt het ‘self-overhearing’). Hét model van dit proces is Hamlet, de grootste self-overhearer van allemaal. Dit is een hele belangrijke literaire ontwikkeling.
Het is nu heel gebruikelijk om na te denken, te mijmeren, de geest die in dialoog met zichzelf gaat en van daaruit tot een bepaalde beslissing komt, wij doen niet anders. Maar deze vorm van innerlijkheid was voor de Renaissance helemaal geen vanzelfsprekendheid, je zou dus kunnen zeggen dat Shakespeare ons hierin heeft binnen geleid. De titel van Blooms Shakespeare boek, the Invention of the Human, lijkt te suggereren dat Shakespeare een belangrijke rol heeft gespeeld bij de vorming van onze moderne persoonlijkheid zoals die zich sinds de Renaissance ontwikkeld heeft. En dat is een prachtige gedachte waar ik graag in geloof.

 

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Shakespeare's Macbeth, deel II

De scène van de moord op Lady Macduff en haar kinderen is vrijwel ondragelijk. Je kunt je afvragen waarom Macduff zijn gezin niet heeft meeg...