Ik heb me afgevraagd of ik wel een nieuwe aflevering van
mijn blog zou moeten publiceren, nu. De oorlog in Oekraïne verontrust me en
deprimeert me iedere dag weer. Wat moet je dan met literatuur en filosofie?
Zijn niet andere dingen veel belangrijker, is dit niet in tijden van crisis een
overbodige luxe geworden?
En toch ben ik geneigd te antwoorden: juist niet. Juist in moeilijke tijden kan
literatuur hoop en troost brengen. En dan vooral de klassieke schrijvers, die
de tand des tijds al eeuwen, decennia in het geval van de modernen, hebben
doorstaan en al vele oorlogen en wereldbranden hebben overleefd. In ieder geval
brengt het mij tot rust in een onrustige tijd als deze. Brengt het mij bij
bepaalde kernwaarden die, zelfs als zo veel van wat ons lief is in de wereld
bedreigd en vernietigd wordt, voor altijd overeind blijven. Móeten blijven.
Kunst, innerlijkheid, mededogen, begrip, liefde.
Geen beter onderwerp dan Shakespeare.
Toen ik besloot een literatuurblog te gaan schrijven, was het meteen duidelijk dat het eerste stuk (na de algemene inleiding) over Shakespeare zou moeten gaan. En dat er daarna nog vele stukken over Shakespeare gaan volgen (ook de volgende twee weken gaat mijn blog over hem).
William Shakespeare is het centrum van Harold Blooms
Western canon. Het deed een andere literatuurcriticus zelfs verzuchten dat er
voor Bloom geen literatuur bestaat die níet over Shakespeare gaat. Dat klopt
ook wel een beetje en het is eigenlijk
overdreven, geen schrijver heeft zo’n alomvattende invloed. Anderzijds
is de waarde en de kwaliteit van het werk van Shakespeare nauwelijks te
overschatten en is zijn invloed, met name op Engelstalige schrijvers, immens
geweest.
Van Bloom heb ik, met name door zijn monumentale studie
Shakespeare – the Invention of the Human, heel veel geleerd. Ik kan me nog
herinneren dat ik het boek aanschafte. Ik was een paar dagen op vakantie in
Londen en had het boek in een boekhandel in handen gehad. Het was groot,
gebonden, zwaar en duur en ik wilde het eigenlijk niet meeslepen in mijn
bagage. Toen ik aan het eind van de straat was, ben ik weer omgekeerd: ik wist
dat ik dit boek gewoon moest hebben. En sindsdien is het al vele jaren lang een
leidraad bij alles wat ik van Shakespeare lees (en vooral herlees: ik kom
steeds weer bij dezelfde stukken terug en ontdek er altijd weer wat nieuws in).
Cruciaal is verder mijn verblijf in Engeland geweest. Ik
studeerde vier jaar aan de Speech School in East Grinstead en een jaar aan het
Chrysalis Theatre van Peter Bridgmond in Balham, Londen. Daar heb ik heel veel
teksten van Shakespeare gereciteerd en ook in scènes uit de stukken gespeeld
(helaas heb ik nooit in een complete Shakespeareproductie gespeeld). En dan ondervind
je aan den lijve hoe briljant die teksten zijn. Ik durf niet te zeggen dat ik
alles precies begrijp. Zelfs Engelsen hebben bij veel zinswendingen een
toelichting nodig, óf omdat het 16e – 17e eeuws Engels
is, óf heel specifiek Shakespeareaans idioom. Maar die zinnen, zeker in de
latere stukken, lopen zo soepel, hebben zo’n heerlijk ritme en de beelden zijn
zó krachtig, dat je de betekenis kan voelen, zelfs al kan je de afzonderlijke
woorden of zinsdelen niet helemaal duiden. Het is zo geschreven dat je, als je
daar een beetje gevoel voor hebt, onmiddellijk weet hoe het gesproken wil
worden. En dat is wat alleen de allergrootste dichters voor elkaar kunnen krijgen.
De enige dichter die enigszins bij hem in de buurt komt
is Dante. Die twee, Shakespeare en Dante, stijgen qua intelligentie,
taalvermogen en verbeeldingskracht boven iedereen uit. En wat daar nog bij komt
is de vreugde die hun werk uitstraalt, de uitbundigheid (van alles heel veel!)
en de pure schoonheid.
Hoe verschillend ze overigens ook zijn. Shakespeare is overduidelijk een
people’s poet. Zijn werk kent zoveel lagen dat het al eeuwen onderwerp is van
nooit uitputtende studie, maar hij schreef in de eerste plaats voor de
groundlings die voor een penny een staanplaats hadden weten te bemachtigen in
de Globe, het theater van Shakespeares gezelschap. En Dante is zo overduidelijk
níet voor het volk, zoals Milton dat ook niet was.
Dante is de volgende auteur die ik wil behandelen; dit gaat over Shakespeare.
Hij was geen wonderkind zoals bijvoorbeeld Mozart. Zijn
grote concurrent in de toneelwereld, Christopher Marlowe, in hetzelfde jaar
geboren, was al een grote naam toen Shakespeare rond 1588 uit Straford upon
Avon in Londen aankwam. En Marlowe had geen ontwikkeling nodig, hij was
onmiddellijk de Marlowe zoals we die nu kennen: zijn eerste grote succes
Tamburlaine was meteen een hoogtepunt. Toen Marlowe in 1593 omkwam bij een
ruzie in een herberg (misschien een politiek geïnspireerde moord) had
Shakespeare een paar stukken op zijn naam, maar was hij nog niet erg bekend: de
drie delen Henry VI, het vervolg Richard III
de Romeinse tragedie Titus Andronicus en een paar van zijn vroegste comedies:
the Comedy of errors, the Taming of the Shrew en Two gentlemen of Verona. Als
Shakespeare net als Marlowe op zijn 29e gestorven was, dan zou zijn
werk bleek hebben afgestoken tegen dat van zijn rivaal die na Tamburlaine het
ene succes na het ander had geproduceerd: the Jew of Malta, Edward II, dr.
Faustus... Maar Marlowe zou zich niet veel
verder ontwikkeld hebben. Na zijn sensationele debuut bleef zijn werk op
ongeveer hetzelfde niveau.
Terwijl Shakespeare zich de jaren daarna geweldig ontwikkelde.
Love’s Labour’s Lost uit 1594 is al fantastisch en nog niets vergeleken bij wat
daarna kwam: Romeo and Juliet, the Merchant of Venice, a Midsummer night’s
dream en dan eerst en vooral de twee delen Henry IV (met Falstaff!). Hij
ontwikkelt zich tot een niveau dat Marlowe nooit bereikt zou hebben. De bronnen
van zijn taal zijn onuitputtelijk, geen enkele schrijver heeft zo’n
woordenschat en kan daar zo veel mee. Maar wat Shakespeare meer nog dan zijn
taalvermogen tot een onvergelijkelijk fenomeen maakt, is zijn representatie van
characters (ik gebruik de Engelse term, het Nederlandse ‘personages’ klinkt
zoveel vlakker...). Deze characters zijn zó levensecht dat het is of ze buiten
het toneel waar ze verschijnen, ergens in de geesteswereld, een zelfstandig
bestaan leiden, los van hun schepper en de boeken waarin ze in letters gevangen
zitten; zó complex dat ze bron zijn voor eindeloze meditatie. En: ze hebben
allemaal, zelfs de kleinste bijrollen, een eigen geluid, een eigen stem.
Het is een eindeloze stoet die, als Shakespeare eenmaal zijn stijl gevonden
heeft, ergens begint bij Bottom, de mechanical (handwerksman) uit de Dream,
Shylock uit de Merchant (hoe problematisch de representatie van deze joodse
geldschieter in onze ogen na de holocaust ook is), Mercutio (die in Romeo and
Juliet zo’n sterke character is dat Shakespeare hem bij een degengevecht om het
leven moet laten brengen, omdat hij anders het hele stuk had overgenomen) en
tenslotte de onvergelijkelijke sir John Falstaff, tegenhanger en drinkmaatje
van de Engelse kroonprins Hal, de zoon van Henry IV en de toekomstige koning
Henry V.
Wat hem zo onvergetelijk maakt (en misschien wel de sterkste character door
Shakespeare ooit geschapen, wellicht op Hamlet na) is, naast zijn
overweldigende gevoel voor humor (“I’m not only witty in myself, but the cause
of wit in other men”) en zijn weigering zich aan te passen aan elke
conventionele vorm van moraliteit: zijn vitaliteit, zijn ongebreidelde
levenslust. Dit is een man die, in welke omstandigheid, bij welke tegenslag dan
ook, onvoorwaardelijk voor het leven kiest.
Over Falstaff binnenkort meer.
Het bijzondere aan Shakespeares characters is verder hun vermogen tot verandering. Hierin verschilt hij wezenlijk van Dante. Waar deze zich concentreert op wat eeuwig en onveranderlijk is in ons (en in het hiernamaals verankerd), daar zie je de innerlijke verandering in de characters van Shakespeare zich op het toneel voltrekken. Door de techniek van de soliloquy (alleenspraak). Iemand staat alleen op het toneel en spreekt tot het publiek, maar eigenlijk tot zichzelf en wij zijn getuigen. Ondertussen luistert hij naar zichzelf, weegt de woorden en daaruit ontstaat de kiem van verandering, tot karakterontwikkeling (Bloom noemt het ‘self-overhearing’). Hét model van dit proces is Hamlet, de grootste self-overhearer van allemaal. Dit is een hele belangrijke literaire ontwikkeling.
Het is nu heel gebruikelijk om na te denken, te mijmeren, de geest die in dialoog met zichzelf gaat en van daaruit tot een bepaalde beslissing komt, wij doen niet anders. Maar deze vorm van innerlijkheid was voor de Renaissance helemaal geen vanzelfsprekendheid, je zou dus kunnen zeggen dat Shakespeare ons hierin heeft binnen geleid. De titel van Blooms Shakespeare boek, the Invention of the Human, lijkt te suggereren dat Shakespeare een belangrijke rol heeft gespeeld bij de vorming van onze moderne persoonlijkheid zoals die zich sinds de Renaissance ontwikkeld heeft. En dat is een prachtige gedachte waar ik graag in geloof.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten