dinsdag 9 juli 2024

T.S. Eliot, deel I

Uiteindelijk werd Thomas Stearns Eliot, die publiceerde onder zijn initialen T.S., een dichter, Engelser dan de Engelsen. Hij is te beschouwen als één van de grootste moderne dichters in het Engels taalgebied. Maar hij was toch echt een Amerikaan, geboren in 1888 in Saint Louis, Missouri.

Ik wil beginnen met een korte biografische schets. Eliot genoot zijn opleiding aan Harvard, schreef in die tijd al wel poëzie, maar zijn voornaamste belangstelling gold toen de filosofie. Hij had een vooraanstaand filosoof kunnen worden, wanneer hij gekozen had voor een academische carrière. Zijn doctoraalthese was over F.H. Bradley, een Brits filosoof uit Oxford die sterk was beïnvloed door de Duitse idealistische filosofie van Fichte, Schelling en Hegel.

In 1914 kreeg hij een beurs om in Duitsland te gaan studeren; het zou achttien jaar duren voordat hij weer naar Amerika terugkeerde. Hij schreef zich daarna in in Oxford om daar filosofie te studeren, trouwde en settelde in Engeland. Zijn stem als dichter vond hij pas toen hij de Franse symbolistische dichters leerde kennen, m.n. Laforgue; ze leerden hem de taal van de poëzie toe te passen op het moderne leven.
“The kind of poetry I needed”, zegt hij er zelf over, “to teach me the use of my own voice, did not exist in English at all; it was only to be found in French.”

In Engeland ontmoet hij modernistische kopstukken als Ezra Pound, Wyndham Lewis en James Joyce. Vanaf 1917 begint hij zijn gedichten te publiceren; de eerste bundel is Prufrock and other observations (met o.a. dat fantastische vroege gedicht, The love song of J. Alfred Prufrock). In 1922 richt hij een eigen tijdschrift op, Criterion; in de eerste aflevering daarvan verschijnt wat zijn belangrijkste en bekendste gedicht zal worden, het lange The waste land. (De eerste Engelse publicatie in boekvorm is in 1923 bij de Hogarth Press van Leonard en Virginia Woolf). Oorspronkelijk was het gedicht nog veel langer; op aanraden van en in samenwerking met Ezra Pound is het aantal regels teruggebracht tot ongeveer de helft. In een in 1971 gepubliceerde fascimile-uitgave kan men de wijzigingen die Pound in het gedicht aanbracht op de voet volgen; de conclusie moet zijn dat deze zijn rode potlood veelal terecht hanteerde; het gedicht is er veel samenhangender door geworden. Het is dan ook opgedragen aan Pound, een formidabele persoonlijkheid en een groot dichter, die helaas door zijn banden met het fascisme op een verkeerd spoor is terechtgekomen. Eliot noemt hem in de opdracht Il miglior fabbro (de betere ambachtsman) – het is een Dante citaat.

Door The waste land werd Eliot woordvoerder van de desillusie die in Europa volgde op de Eerste Wereldoorlog; het zal zijn vele bewonderaars dan ook zeer zijn tegengevallen dat Eliot in 1927 toetrad tot de Anglicaanse kerk. (Hij was inmiddels Brits staatsburger geworden). Wat hem met name aansprak was de Anglo-katholieke stroming daarbinnen; hij is zichzelf steeds blijven aanduiden als een Engels katholiek. In zijn essays benadrukt hij voortdurend het belang van religie voor de mens en zijn cultuur en de bovennatuurlijke wereld die daarmee, via openbaring en sacramenten, voor de mens geopend wordt. Religie dus binnen het kader van de kerk, en de enige kerk was de moederkerk, de katholieke.

Hij omschreef zichzelf tevens als conservatief en royalist; opvattingen die, in combinatie met zijn traditioneel-religieuze oriëntatie, haaks leken te staan op het modernistische karakter van zijn revolutionaire poëzie. Hij is daardoor altijd een omstreden figuur gebleven.

In de jaren ’30 completeerde Eliot wat voor mij het hoogtepunt van zijn dichtwerk is: de fantastische cyclus Four Quartets. Het hoort tot de allermooiste poëzie die ik ken, in en in spiritueel. Het is zijn laatste non-dramatische poëzie; vanaf Murder in the Cathedral uit 1935, een tragedie over de moord op aartsbisschop Thomas Becket in Canterbury in 1170, raakt Eliot steeds meer geïnteresseerd in versdrama. Van zijn toneelstukken wordt The Cocktail Party uit 1949 commercieel gezien zijn grootste succes.
Naast de gedichten en toneelstukken is er ook een niet aflatende stroom essays verschenen, vaak bewerkingen van voordrachten die hij als gevestigd dichter op tal van plekken gevraagd werd te houden. Er zijn bij Faber & Faber, de uitgeverij waar hij zelf een tijd directeur was, mooie edities verschenen van de verzamelde gedichten en toneelstukken; de essentiële essays zijn te vinden in de Selected essays. Peter Ackroyd schreef een fraaie biografie van de auteur die in 1948 de Nobelprijs voor literatuur ontving en begin 1965 overleed.

Het is mijn bedoeling mij vooral te richten op de poëzie; de toneelstukken (hoewel ik Murder in the Cathedral een geweldig stuk vind) en essays zal ik (voornamelijk) links te laten liggen. In zijn gedichten ligt toch Eliot werkelijke betekenis. Hoewel hij ook essays schreef die van groot belang waren, wanneer je tenminste door bepaalde abjecte opvattingen heen kan kijken die af en toe wel erg naar Blut und Boden (zijn voorkeur voor kleine gemeenschappen die een eenheid vormen qua taal, cultuur en ras) ruiken en soms ronduit antisemitisch zijn. Voortdurend legt hij in die essays de nadruk op het belang van cultuur en traditie en de rol die een bepaalde elite, een bepaalde aristocratie (Eliot was afkomstig uit een vooraanstaand Amerikaans geslacht) speelt bij het interpreteren en doorgeven van die traditie, waarbij het belang van dichters en essayisten (hijzelf dus eigenlijk) cruciaal is.

Toch kom je ook in de essays prachtige passages tegen. Over het creatieve proces van het dichten bijvoorbeeld. Of over de aard van de kunst in zijn algemeenheid, als een soort van meditatie in de zin van: een techniek die ons leert tot de werkelijkheid door te dringen en die op optimale wijze te ervaren. Ik merk dat ik toch even iets uit één van de essays wil citeren:
“It is ultimately the function of art, in imposing a credible order upon reality, to bring us to a condition of serenity, stillness and reconciliation; and then leave us, as Virgil left Dante, to proceed toward a region where that guide can avail us no further.”
De kunst als een therapeut, die ons brengt tot aan het punt waar we onze eigen therapeut kunnen worden. Prachtig toch?
En het punt waartoe we uiteindelijk gebracht worden, is dat waar onze gewone, dagelijkse ervaring samenvalt met die van de mysticus. Ons bewustzijn op een hoger plan gebracht, in een permanent hier en nu. Wat de Oosterse filosofie, die Eliot uitgebreid bestudeerd heeft, aanduidt als het samenvallen van het zelf met de totale werkelijkheid (Atman): het Tat tvam asi (dat ben jij).

Harold Bloom, die een grote hekel heeft aan Eliot als essayist, verwijt hem geen oog te hebben voor het belang van de Romantic Poets die hij zelf zijn hele carrière lang gepropageerd heeft, maar die Eliot heeft gekarakteriseerd als onvolwassen en egocentrisch. Zelf vind ik Eliots analyse van Hamlet als artistieke mislukking hoogst merkwaardig, alsook zijn instemming met het oordeel van de 17e eeuwse criticus Rymer, die Othello ‘a bloody farce’ vond.

Ook van Milton, een andere held van Bloom, moet Eliot niets hebben. (Een uitgesproken protestants dichter, misschien daarom?). Milton ‘built a Chinese wall around poetry’ en was ‘imaginatively as well as physically blind’, wat een raar ding is om te zeggen van een dichter met zo’n enorme verbale rijkdom en verbeeldingskracht. Zijn opmerking dat Miltons grootste schepping, de Satan uit Paradise Lost, een ‘curly-haired, Byronic hero’ is pure polemiek, een flauwe poging om makkelijk te scoren, meer niet.

Eliot prefereert Dryden (die ik persoonlijk niet te pruimen vind) en Pope (een inventieve dichter, maar op geen enkele manier de evenknie van Wordsworth, Shelley of Keats) boven Milton en ook boven de Romantic Poets. Ook latere (door de Romantics beïnvloede, that’s why) auteurs als Thomas Hardy, D.H. Lawrence en de formidabele William Butler Yeats, wees hij categorisch af.

Wat wel dan weer voor hem pleit is dat hij Ezra Pound en James Joyce verdedigt, zij het om twijfelachtige redenen. Zij reflecteren in Eliots ogen de invloed van de Latijnse, Katholieke beschaving (die in zijn ogen vele malen superieur is aan de Noordeuropese beschaving, en dan met name de Duitse en de Engelse; van Goethe vond hij dat hij ‘dabbled in both poetry and philosophy, but made no great success about either’) en zijn cultureel conservatief.

Maar zoals de Canadese literatuurcriticus Northrop Frye zegt in zijn boekje T.S. Eliot – an Introduction: “A thorough knowledge of Eliot is compulsory for anyone interested in contemporary literature. Whether he is liked or disliked is of no importance, but he must be read.”

In het nawoord bij een bundel Nederlandse vertalingen van Eliots gedichten (een tweetalige uitgave) onder redactie van W. Bronzwaer, schrijft Kees Fens dat de invloed van T.S Eliot op de Nederlandse poëzie vrijwel nihil is geweest. Hij was hier totaal onbekend. Nederlandse poëzie van de jaren ’30 en ’40 was traditioneel en bij uitstek naar binnen gericht (d.w.z. er was nauwelijks belangstelling voor de poëzie uit het buitenland, zelfs niet bij een vooraanstaand tijdschrift als Forum); iets waar na de oorlog de Vijftigers tegen ageerden. De enige modernistische dichter in het Nederlands taalgebied van internationaal niveau was Paul van Ostaijen, een dichter en essayist die ook belangstelling had voor wat er in het buitenland gebeurde (dat wil zeggen: met name het Duitse en Franse taalgebied; ook bij hem viel Eliot buiten zijn horizon). Maar van Ostaijen was in 1928 overleden en voor de Nederlandse poëzie van de jaren ’30 en ’40 van geen belang; zijn reputatie ging pas na de Tweede Wereldoorlog groeien dankzij critici als Paul Rodenko, de samensteller van de bloemlezing Nieuwe griffels schone leien, een alternatieve geschiedenis van de moderne Nederlandse poëzie waarin van Ostaijen een cruciale rol speelde.

T.S Eliot, schrijft Kees Fens, was alles wat zijn Nederlandse tijdgenoten niet waren. De Nederlandse poëzie is altijd in hoge mate lyrisch geweest en daarmee een reflectie van de persoonlijkheid, de ziel van de dichter; de poëzie van Eliot is bij uitstek non-lyrisch en onpersoonlijk. De Nederlandse literatuur in het algemeen vertoont een grote discontinuïteit t.o.v. het verleden; de poëzie uit de 17e eeuw bijvoorbeeld functioneert als autonoom geheel en heeft geen enkele betekenis voor de poëzie van later eeuwen. Nederlandse dichters hebben totaal niet de neiging vanuit de traditie te werken.
Eliots poëzie daarentegen is ingebed in het geheel van de Engelse én de Europese literatuur en maakt dus een beweging zowel naar de traditie uit het (Engelse) verleden als over de landsgrenzen heen. (Dat hij daarbij uiterst kieskeurig was en complete gebieden van die literaire traditie categorisch afwees en negeerde is hierboven al geconstateerd, maar doet daar niets aan af. Er bleef genoeg over wat hij wel kon en wilde gebruiken). Dante eerder dan Shakespeare is voor hem de belangrijkste dichter. Die internationalisering, zowel als het creatief gebruik maken van de literatuur uit het verleden deelt Eliot met auteurs als James Joyce en Ezra Pound.
Net als Pound maakt Eliot geregeld gebruik van citaten – lang niet alleen in het Engels – binnen zijn poëzie. Zo ontstaat een dialoog tussen verschillende tijdperken en culturen. Het al bestaande wordt geïntegreerd binnen het nieuwe; de nieuwe poëzie brengt de oude weer tot leven.
Het is mede om deze reden dat de poëzie en de essays van Eliot een eenheid vormen: hij heeft voortdurend de behoefte zijn eigen poëzie aan de poëtische erfenis te toetsen. Hij geeft zich, tegen de achtergrond van het verleden (óók door een deel ervan af te wijzen), voortdurend rekenschap van wat hij aan het doen is: “the conception of poetry as a living whole of all the poetry that has ever been written.”

Dat Eliot Dante prefereert boven Shakespeare wil niet zeggen dat hij de Engelsman een mindere dichter vindt; Shakespeare is in zijn ogen een even grote dichter als Dante, maar zijn ‘filosofie’ was inferieur aan die van zijn Florentijnse voorganger: “Dante made great poetry out of a great philosophy of life; Shakespeare made equally great poetry out of a muddled philosophy of life”. Een in mijn ogen onzinnige vergelijking. Dante een filosofie toedichten is volledig terecht: hij werkte vanuit een gesloten middeleeuws-christelijk wereldbeeld (over zijn schouder kijkt Thomas van Aquino mee), maar het sterke van Shakespeare is juist dat hij op geen enkele filosofie valt vast te pinnen; hij vertegenwoordigt het leven zelf in al zijn veelvuldige facetten – hij is alle mensen tegelijkertijd. Dat laatst noemt Eliot ‘muddled’; hij heeft heimwee naar een tijd waarin Europa ‘mentally more united that we can now conceive’, was.

Een ander element is dat Eliots poëzie vanaf Ash Wednesday heel sterk door de Christelijke traditie wordt bepaald. Het geeft zijn werk een ongekende diepte. En toch blijft het strikt modern. Naast wat Eliot schrijft, steekt wat er in Nederland aan religieuze poëzie geschreven wordt, bepaald armzalig af.

Je merkt misschien: ik sta ambivalent tegenover Eliot. Ik heb bezwaar tegen bepaalde aspecten van zijn persoonlijkheid en keur sommige van zijn ideeën af, maar ik vind veel van zijn gedichten zo goed, dat ik bereid ben dat voor lief te nemen.

Ik zou nu over willen gaan op een bespreking van enkele van zijn beste gedichten.
Ik had The Waste Land daartussen willen zetten, maar ontdekte gaandeweg, dat dat zo’n veelomvattend en complex geheel is, dat ik daar een apart stuk aan wil wijden. En hetzelfde geldt uiteraard voor de Four Quartets.

The lovesong of J. Alfred Prufrock is één van Eliots vroegste gedichten; tevens het titelgedicht van zijn eerste bundel. Het is meteen één van mijn favorieten. Toen ik, lang geleden, in de verzamelbundel Chief Modern Poets of Britain and America, Volume ii: Poets of America, deze openingsregels las, was ik meteen verkocht:
“Let us go, you and I / when the evening is spread out against the sky / like a patient etherised upon a table”.

En even later krijg je deze, verderop nog een keer herhaalde, regel:
“In the room the women come and go / talking of Michelangelo”.

Het is vooral het ritme van de regels dat me aansprak, het is zo muzikaal: soepele zinnen die als vanzelfsprekend op elkaar volgen en als water door een beek voortvloeien. De alledaagse conversatietoon toont de invloed van Laforgue. Het zijn ook regels die zich onmiddellijk in je vast zetten en die je ook gemakkelijk weer kan reproduceren. Goede poëzie is poëzie die zich als onvermijdelijk in je geheugen plant.

Het is moeilijk te omschrijven waar het gedicht precies over gaat. Het is een dramatische monoloog á la Tennyson of Robert Browning. Prufrock is een soort van alter ego van Eliot. Hij zwerft door de stad, en dan met name door de obscure gedeelten ervan, wat prachtige, treffende beelden oplevert: “I have gone at dusk through narrow streets / and watched the smoke that rises from the pipes / of lonely men in shirt sleeves, leaning out of windows.” Zo is het gedicht een voortdurend heen en weer gaan tussen die zelfkant van de stad en de salons waar de vrouwen over Michelangelo spreken en de ik zich zeer onzeker voelt.
Die tocht is tegelijkertijd een zoektocht door het leven (“I have measured out my life with coffee spoons”, nog zo’n mooi zinnetje). En hoewel Eliot dit gedicht schreef als jongeman (hij begon eraan in 1910, toen hij nog aan Harvard studeerde en 22 jaar oud was) spreekt er toch zekere zorg over het ouder worden uit (“with a bald spot in the middle of my hair – they will say: ‘how his hair is growning thin!’”; of gewoon heel rechtstreeks: “I grow old... I grow old...”); er is veel voor te zeggen dat de persoon Prufrock een stuk ouder is dan de Eliot die het gedicht schreef, maar ook dat zelfs de jonge Eliot al een man op leeftijd was; echte jeugdpoëzie (in de zin van: nog onvolwassen, onbezonnen) bestaat er eigenlijk niet van hem. Uiteindelijk is er zelfs een confrontatie met de dood: “I have seen the moments of my greatness flicker / I have seen the eternal Footman hold my coat and snicker / and in short, I was afraid.”

En na de dood is er de wederopstanding, maar zelfs in het dodenrijk heeft Prufrock geen bevredigende antwoorden gekregen op de ultieme vragen omtrent het Universum en het Bestaan:
“Would it have been worth while... to have squeezed the universe into a ball / to roll it towards some overwhelming question / to say: ‘I am Lazarus, come from the dead / come back to tell you all, I shall tell you all’ / if one should say: ‘That is not what I meant at all. That is not it, at all’.”

Het slot is een desillusie. Nadat hij geconstateerd heeft: “I am not Prince Hamlet, nor was meant to be” – hij is niet meer dan een ‘attendant lord’, wiens functie is ‘to advise the prince’: een bijrol – concludeert hij te zijn: “at times, indeed, almost ridiculous – almost, at times, the Fool.” (Waarmee we dan eerder in King Lear zijn terechtgekomen).

De vrouwen naar wie hij heeft lopen zoeken, en die hem altijd een zekere angst inboezemden en in het gedicht als vage contouren langs de zijlijn getekend werden (het lamplicht op een arm, de geur van parfum) zijn nu onbereikbare zeemeerminnen:
“I have heard the mermaids singing, each to each.
I do not think they will sing to me”
En zakt hij terug in een zee die een voorgeboortelijk element lijkt te vertegenwoordigen, een pre-bewust bestaan waar nog geen verantwoordelijkheid gedragen hoeft te worden:
“We have lingered in the chambers of the sea / by sea-girls wreathed with seaweed red and brown
Till human voices wake us, and we drown.”

Waarmee de zoektocht is verworden tot een terugdeinzen van iemand die geen beslissingen durft te nemen of verbintenissen aan te gaan - en uiteindelijk een helemaal verdwijnen. We drown.



dinsdag 11 juni 2024

William Blake: Jerusalem

William Blake’s laatste profetische gedicht, Jerusalem, The Emanation of the Giant Albion, is een enorm werk. Verbeeld in honderd gegraveerde platen, bevat het meer dan 4.000 regels en is het meer dan twee keer zo lang als zijn voorganger, Milton. Het is ook veel en veel moeilijker dan het vorige gedicht. Ik verbeeld me dan ook niet dat ik alle thema’s, ontwikkelingen en symbolen precies begrijp, en ook niet de veelheid aan mythische personages. Zoals gewoonlijk volg ik Harold Bloom (in zijn boek The Visionary Company) die ons door het gedicht heen gidst.

De datum op de titelplaat van het gedicht (dat als ondertitel heeft The Emanation of the Giant Albion) is 1804, maar dat was toen Blake met het schrijven begon. De tekst was klaar in 1809, maar de illustraties pas in 1818; in de tussentijd heeft Blake voortdurend aan de tekst gesleuteld. Een heel lang ontstaansproces dus.

Het gedicht is verdeeld in vier hoofdstukken, en drie daarvan beschrijven een strijd tussen tegenstellingen die bewegen in de richting van een oplossing.
In Chapter 1 zijn de reus Albion, in zichzelf verdeeld, en Los, het creatieve principe, in strijd met elkaar.
In Blake’s poëzie is vaak sprake van de zgn. Orc cycle. Dat betreft het personage Orc, een revolutionair principe, dat staat tegenover de versteende traditie, verbeeld in Urizen. Orc is een kracht van vernieuwing en ontwikkeling, zijn leven maakt zeven fasen door (de Orc cycle) die Blake relateert aan de ‘zeven ogen van God’, die de profeet Zakariah beschrijft. Het zou te ver voeren om al die zeven fasen hier op te voeren, maar in Chapter 2 van Jerusalem is het Los die zich tot de cyclus tracht te verhouden en daaruit een vorm te creëren die de mensheid bevrijden zal.
Chapter 3 toont het menselijke visioen (d.w.z.: zoals Blake hem voorstelt) van Jezus, in conflict met de natuurlijke visie van de realiteit (waar ook Blake zelf voortdurend mee in conflict was). Jezus is een belangrijke figuur in Jerusalem.
Chapter 4 geeft ons dan de eindconfrontatie, waarbij de tegenstellingen opgelost worden en de imaginatieve waarheid gesteld wordt tegenover de culminatie van de satanische dwaling.

Als het gedicht begint, zijn zowel Albion als William Blake in diepe slaap; Albion in de slaap-ten-dode in Ulro (een toestand van duisternis); Blake in de creatieve rust van Beulah (het aardse paradijs). Het is de stem van de Verlosser die Blake doet ontwaken, maar Albion verwerpt dat visioen als een ‘phantom of the over-heated brain’.

Sommige van Blake’s voornaamste concepties hebben zich verder ontwikkeld wanneer we ze opnieuw tegenkomen in Jerusalem. Vooral Los heeft een grote ontwikkeling doorgemaakt. Los was de eerste Nachten van de Four Zoas nog dwalende, maar aan het einde van Milton verbindt hij zich met Blake en John Milton, die zich dan beiden in de richting van de Waarheid bewegen. En in Jerusalem voelt hij zich sterk verbonden met Jezus; hij werkt aan de vuren van zijn creativiteit om onze redding te bewerkstelligen.

Dat is ook hard nodig, want in Albions nog altijd gevallen staat (waaruit hij zich ook niet bevrijden wil) geldt voor alle menselijke eigenschappen dat ‘(they) are small & withered & darkened’. Tegenover dit drastische inkrimpen van menselijke mogelijkheden biedt Blake zichzelf aan als profeet, in regels die ik heel aangrijpend vind:
“Trembling I sit day and night, my friends are astonished at me.
Yet they forgive my wanderings, I rest not from my great task!
To open the Eternal Worlds, to open the immortal Eyes / of Man inwards into the Worlds of Thought; into Eternity / ever expanding in the Bosom of God, the Human Imagination / O Saviour pour upon me thy Spirit of meekness & love:
Annihilate the Selfhood in me, be thou all my life!
Guide thou my hand which trembles exceedingly upon the rock of ages...”

Blake spreekt dan over ‘the building of Golgonooza’: eerder aangeduid als the New Jerusalem of the City of Eden, een stad van verlossing, vergelijkbaar met het Byzantium van William Butler Yeats of in Blake’s eigen terminologie: ‘Fourfold Spiritual London’, een getranscendeerde, verloste wereld.

Terwijl Albion slaapt, wordt de strijd die rondom gaande is, overgedragen op zijn zonen. Ze zijn twaalf in aantal, wat zowel naar de tekens van de dierenriem verwijst, als naar de twaalf zonen van Jacob in Genesis. De vier belangrijkste hebben allemaal hun wortels in de werkelijkheid: Hand, vermoedelijk gebaseerd op de broers Hunt die in hun tijdschrift the Examiner twee lelijke aanvallen gedaan hadden op Blake’s werk als kunstenaar; Hyle, een verbastering van Hayley, die Blake en zijn vrouw onderdak geboden had in Felpham, maar die Blake steeds meer als spirituele vijand ging zien; Coban, een anagram voor Bacon, die samen met Newton en Locke Blake’s symbool is voor de gevallen Rede en een empirische exaltatie van de Natuur; en tenslotte, onder zijn eigen naam, Scofield, een soldaat die Blake voor het gerecht had gedaagd omdat deze hem hardhandig uit zijn tuin had verwijderd (Blake werd uiteindelijk vrijgesproken, maar heeft erg geleden onder de aantijgingen en zijn zeer reële angst voor een veroordeling).

De andere antagonisten van Los en Jerusalem die vervolgens geïntroduceerd worden, zijn de sinistere Daughters of Albion. Met de introductie van die nieuwe personages worden intense conflicten geboren. Om Jerusalem te redden van de moordlustige zonen en dochters van Albion, zo weet hij, moet Los Albion doen herleven en dat kan alleen door natuur in kunst te transformeren. Maar de Spectre, zijn zelfzuchtige schaduwkant die we eerder tegenkwamen in The Four Zoas, tracht Los bij zijn vuren weg te lokken, de Spectre van Blake-Los (de dichter Blake valt hier vrijwel samen met zijn creatieve principe, Los) wijst hem erop dat hij een ongewenste, door niemand gehoorde profeet is. Maar Blake-Los weet zijn Spectre te onderdrukken en ontkennen:
“Thou art my Pride & Self-Righteousness: I have found thee out: / Thou art revealed before me in all thy magnitude & power... Thy holy wrath & deep deceit cannot avail against me... If I was dead upon the mountains thou mightest be pitied & loved: but now I am living; unless / thou abstain ravening I will create an eternal Hell for thee. / Take thou this Hammer & in patience heave the thundering Bellows / Take thou these Tongs: strike thou alternate with me: labour obedient.”

Los is vastbesloten: “I will not Reason & Compare: my business is to create”.

“Yet ceased he not from labouring at the roarings of his Forge / with iron & brass Building Golgonooza in great contendings / till his Sons & Daughters [zijn artistieke creaties] came forth from the Furnaces / at the sublime Labours for Los, compelled the invisible Spectre / to labours mighty, with vast strength, with his mighty chains, / in pulsations of time & extensions of space, like Urns of Beulah / with great labour upon his anvils & in his ladles the Ore / he lifted, pouring it into the clay ground prepared with art; striving with Systems to deliver Individuals from those Systems.”

Een prachtige beschrijving van het artistieke proces en haar bevrijdende werking.
Dit bevrijdt de Daughters of Beulah, Blake’s Muzen en vanuit de kracht van die bevrijding wordt Golgonooza gebouwd. Daarbuiten is de desolate wereld van Ulro:
“The land of darkness flamed no light & no repose:
The land of snows of trembling & iron hail incessant:
The land of earthquakes: and the land of woven labyrinths:
The land of snares & traps & wheels & pitfalls & fire mills:
The Voids, the Solids, the land of clouds & regions of waters...”

De gevallen reus Albion spreekt in zijn slaap en beschuldigt zichzelf, verwijzend naar de bijbelse Job: “Every boil upon my body is a seperate & deadly sin.” De Daughters of Beulah beklagen hem.

Chapter 2 begint met Albion’s acceptatie van Urizen als God, onder de koude schaduwen van de Tree of Mystery. Los besluit Albion te redden, maar deze wil zichzelf niet laten redden door werken van vergiffenis. Niet in staat de gedegenereerde Albion te redden, maakt Los, als verlosser, een rustbed voor hem klaar, opgetrokken uit de boeken van de Bijbel. Jerusalem wacht op zijn ontwaken in de zachte armen van de Daughters of Beulah.

Erin is de geest der mythen (wellicht dat zij daarom genoemd is naar Ierland). Zij eindigt het hoofdstuk met een complexe speech, gericht tot de Daughters of Beulah, in hun rol als bronnen van de dichterlijke inspiratie. Ze begint met een beschrijving van het ineengeschrompelde menselijke schouwen:
“The Visions of Eternity, by reason of narrowed perception / are become weak Visions of Time & Space, fixed into furrows of Death...”

Dit is ongetwijfeld Blake die zijn eigen leven kastijdt en de beperkingen van zijn eigen, menselijke bestaan beklaagt:
“The Eye of Man, a little narrow orb, closed up & dark / scarcely beholding the Great Light; conversing with the Void;
The Ear, a little shell, in volutions shutting out / true Harmonies & comprehending great, as very small;
The Nostrils, bent down to the earth & closed with senseless flesh / that odours cannot them expand, nor joy on them exult;
The Tongue, a little moisture fills, a little food it cloys / a little sound it utters & its cries are faintly heard...”

Blake formuleert hier een centrale conceptie van het gedicht: dat de wereld van de ervaring (experience) een parodie of omgekeerde vorm is van de imaginatieve wereld.
Maar Erin’s speech eindigt hoopvol, aangezien ‘the Lord Jehovah is before, behind, above, beneath, around.’ De werken van deze Jehovah zijn die van Blake’s Jezus, niet die van Satan-Urizen – hij toont vergiffenis door ‘building the Body of Moses in the valley of Peor: the Body of Divine Analogy’. We kwamen deze vallei, waar Mozes begraven ligt in het land Moab, eerder tegen in Milton, waar Milton en Urizen, naar analogie met het gevecht van Jacob en de Jehova-achtige engel uit Genesis, een strijd uitvochten die uiteindelijk Urizen ertoe bracht de menselijke vorm aan te nemen en de op stenen tabletten geschreven wetten van de starre moraliteit (die met Mozes in de vallei begraven liggen) achter te laten. Een hoopvol beeld. Zoals ook hier: het gevallen lichaam van de mens, waarover Blake zojuist zijn klaagzang zong, is ook ‘the Body of Divine Analogy’.

Het hoofdstuk eindigt met de Daughters of Beulah, die het Lam Gods aanroepen af te dalen, wat ook in het volgende hoofdstuk zal gebeuren.

Chapter 3 begint met het verdriet van het imaginatieve hart: Los ‘wept vehemently over Albion’. De Daughters of Albion zetten hun wreedheden voort, terwijl de Sons volharden in hun strijd tegen de hamer van Los, die onverdroten voortgaat met het ononderbroken werk aan het bouwen van zijn Stad. Wat vooral gebeurt in dit hoofdstuk is dat de tegenstellingen verscherpt worden: Vala, Albions mistress, versus Jerusalem en Satan versus Jezus. Met alle consequenties van dien:
“... the Sun is shrunk: the Heavens are shrunk / away into the far remote: and the Trees and Mountains withered / into indefinite cloudy shadows in darkness & seperation.”

Uiteindelijk is er een beslissend moment:
“But Jesus breaking through the Central Zones of Death & Hell / opens Eternity in Time & Space, triumphant in Mercy”: Genade zegeviert.

Maar aan het begin van Chapter 4 is Los nog altijd aan het strijden tegen the Spectres of Albion’s Twelve Sons. Los raakt vermoeid, hij is ‘the labourer of ages in the Valley of despair’.

De rest van het gedicht wordt nog steeds gekenmerkt door felle strijd, er is zelfs sprake van de Antichrist (‘a Human Dragon terrible and bright’), maar ook door een toenemend bewustzijn van een op handen zijnde Verlossing.

Want tegenover de intensiverende gruwelen, een strijd tussen Goed en Kwaad die tot het uiterste wordt doorgevoerd, bereikt Los het hoogtepunt van zijn profeteren. Dit drukt een wijsheid uit die door Blake zelf in een leven vol intense innerlijke strijd bevochten is:
“Go tell them that the Worship of God is honouring his gifts / in other men & loving the greatest men best, each according / to his Genius: Which is the Holy Ghost in Man; there is no other / God, than that God who is the intellectual fountain of Humanity:
He who envies or calumniates [belastert]: which is murder & cruelty, / Murders the Holy-one: Go tell them this & overthrow their cup, / their bread, their altar-table, their incense, their oath: / their marriage & their baptism, their burial & consecration...”
(Met deze woorden neemt Blake overduidelijk afstand van het insitutionele Christendom van zijn tijd).
“I have tried to make friends by corporeal gifts but have / only made enemies: I never made friends but by spiritual gifts; / by severe contentions of friendship & the burning fire of thought. He who would see the Divinity must see him in his Children,
One first, in friendship & love; then a Divine Family & in the midst / Jesus will appear; so he who wishes to see a Vision; a perfect Whole / must see it in its Minute Particulars.”

Geweldig vind ik dit: “I never made friends but by spiritual gifts ... & the burning fire of thought”. Of dat ‘a Vision; a perfect Whole ... in its Minute Particulars’
Ik kan alleen maar innerlijk juichen wanneer ik dit lees!!

Los ondertussen, met een enorme inspanning, weet zijn Spectre te onderdrukken:
“I care not whether a Man is Good or Evil; all that I care / is whether he is a Wise Man or a Fool. / Go! Put off Holiness / and put on Intellect: or my thunderous Hammer shall drive thee / to wrath which thou condemnest: till thou obey my voice.”

Dan, eindelijk, ontwaakt Albion:

“the Breath Divine went forth upon the morning hills, Albion moved
Upon the rock, he opened his eyelids in pain; in pain he moved / his stony members, he saw England. Ah! Shall the dead live again

the Breath Divine went forth over the morning hills, Albion rose / in anger: the wrath of God breaking bright flaming on all sides around / his awful limbs: into the Heavens he walked clothed in flames / loud thundering, with broad flashes of flaming lightning & pillars / of fire, speaking the Words of Eternity in Human Forms, in direful / Revolutions of Action & Passion, through the Four Elements on all sides / surrounding his awful Members. Thou seest the Sun in heavy clouds / struggling to rise above the Mountains, in his burning hand / he takes his Bow, then chooses out his arrows of flaming gold / murmuring the bowstring breathes with ardor! Clouds roll around the / horns of the wide Bow, loud sounding winds sport on the mountain brows...”

De Four Zoas gaan weer aan het werk:
“... compelling Urizen to his Furrow; & Tharmas to his Sheepfold; / and Luvah to his Loom; Urthona he beheld mighty labouring at / his Anvil, in the Great Spectre Los unwearied labouring & weeping / therefore the Sons of Eden praise Urthona’s Spectre in songs / because he kept the Divine Vision in the time of trouble.”

Dat laatste is zeer verrassend, van the Spectre of Urthona te zeggen dat ‘he kept the Divine Vision in the time of trouble’, wetende hoezeer Los heeft moeten strijden met de Spectre die zijn creativiteit verduisterde. Maar kennelijk is ook the Spectre of Urthona getransformeerd.

Jezus, in de gestalte van Los, verschijnt aan Albion als de Goede Herder voor ‘the lost Sheep that he hath found’. Ze converseren, ‘as Man with Man’.
Het is prachtig moment, een moment van bevestiging van alles wat menselijk is, wanneer de Jerusalem-versie van de Verlossing uitspreekt:
“This is Friendship & Brotherhood, without it Man is not.”
Weinig in Blake is mooier en ontroerender dan dit, in al zijn simpelheid.

“All was a Vision, all a Dream: the Furnaces became / Fountains of Living Water flowing from the Humanity Divine / and all the Cities of Albion rose from their Slumbers, and All / the Sons & Daughters of Albion on soft clouds Waking from Sleep
Soon all around remote the Heavens burnt with flaming fires / and Urizen & Luvah & Tharmas & Urthona arose into / Albion’s Bosom: Then Albion stood before Jesus in the Clouds / of Heaven Fourfold among the Visions of God in Eternity.”

Eerder al zei ik dat Albion (en dus de mensheid) alleen verlost kon worden door het creatieve proces van Los, door Natuur in Kunst te transformeren, en dat is wat hier gebeurd is, een cruciaal moment: “the Furnaces became / Fountains of Living Water flowing from the Humanity Divine.”

The Four Zoas nemen hun plaatsen in in Eden, dat een heerlijk beweeglijk geheel blijkt te zijn, verre van statisch, waar ieder zijn plaats krijgt toebedeeld:
“And they conversed together in Visionary forms dramatic which bright / redounded from their Tongues in thunderous majesty, in Visions / in new Expanses, creating exemplars of Memory and of Intellect / Creating Space, Creating Time according to the wonders Divine of Human Imagination, throughout all the Three Regions immense / of Childhood, manhood & Old Age...
regenerations terrific or complacent varying /according to the subject of discourse & every Word & every Character / was Human according to the Expansion or Contraction, the Translucence or /Opaqueness of Nervous fibres – such was the variation of Time & Space / which vary according to the Organs of Perception vary & they walked
to & fro in Eternity as One Man reflecting each in each & clearly seen /and seeing: according to fitness & order.”

De 99e, en één na laatste plaat laten Albion en Jerusalem zien in een innige omhelzing (zie hieronder). De laatste woorden van het gedicht lijken als gefluisterd:
“All Human Forms identified even Tree Metal Earth & Stone [de hele wereld één levende eenheid], all / Human Forms identified, living going forth & returning wearied
into the Planetary Lives of Years Months Days & Hours reposing
and then Awaking into his Bosom in the Life of Immortality

And I heard the name of their Emanations they are named Jerusalem.”

Het is de meest definitieve van Blake’s poëtische visioenen, en het omvat werkelijk alles. Hij is aan het eind gekomen van een immense spirituele reis.

Ik wil hierna nog één stuk over Blake schrijven.



 

dinsdag 4 juni 2024

William Blake: Milton


Afbeelding: titelblad van Blake’s gedicht Milton. Geciteerd wordt Miltons intentie ‘to justify the ways of God to men’

Mijn vorige stuk over Blake ben ik geëindigd met de constatering dat hij zijn gedicht The four Zoas, waaraan hij zo’n tien jaar had gewerkt, ten slotte heeft laten liggen. Het is zeker af, maar hij heeft er nooit platen voor geëtst, zoals bij de andere profetische gedichten. Als voornaamste reden heb ik genoemd, dat zijn conceptie van Het Laatste Oordeel niet meer die was van een extern fenomeen, iets dat zich in de buitenwereld afspeelt, maar veeleer een strijd binnenin de mens was geworden.

Het volgende, veel kortere, epische gedicht, Milton, laat ons een individuele dichter – profeet zien, John Milton, die Error verwerpt en Truth omarmt, zodoende een Laatste Oordeel over zichzelf afroepend. Oorspronkelijk had Blake een gedicht voor ogen, verdeeld over 12 boeken, net als Miltons meesterwerk, Paradise Lost, maar het zouden er uiteindelijk maar twee worden, zodat het geheel uiterst gecomprimeerd is geworden.
Milton daalt uit de hemel neer en hij verenigt zich met Blake, treedt letterlijk bij hem binnen, zodat dat Oordeel ook over Blake kan worden geveld.

John Milton

In de slotregels van Milton, kun je gerust zeggen, proclameert Blake zijn persoonlijke profetische visioen, waarin Jezus Christus, de Four Zoas en de herrezen Mens Albion bij elkaar komen in Blakes eigen Felpham Vale voor zijn hoogstpersoonlijke wederopstanding:

“And I beheld the Twenty-four Cities of Albion / arise upon their Thrones to Judge the Nations of the Earth / and the Immortal Four in whom the Twenty-four appear Four-fold / arose around Albions body: Jesus wept & walked forth / from Felpham Vale clothed in Clouds of blood, to enter into / Albions Bosom, the bosom of death & the Four surrounded him / in the Column of Fire in Felpham Vale; then to their mouths the Four / applied their Four Trumpets & then sounded to the Four winds.
Terror struck in the Vale – I stood at that immortal sound: / My bones trembled, I fell outstretched upon the path / a moment, & my Soul returned into its mortal state / to Resurrection & Judgement in the Vegetable Body [Blake volgde Milton in de opvatting dat lichaam en ziel samen sterven en ook weer samen opstaan]
and my sweet Shadow of Delight stood trembling by my side.

Immediately the Lark mounted with a loud trill from Felphams Vale / and the Wild Thyme [leeuwerik en tijm zijn symbolen van Los] from Wimbledon’s green & impurpled Hills and Los and Enitharmon rose over the Hills of Surrey... Los listens to the Cry of the poor Man: his Cloud / over London in volume terrific, low bended in anger...”

(Los heeft een totale transformatie ondergaan ten opzichte van het dwalende wezen uit de eerste Nachten van de Four Zoas: hij heeft nu oog voor het lijden van de mensheid en zijn woede geldt de eis van sociale rechtvaardigheid die hij dwingend stelt. Hij is de profeet Amos geworden).

“... Wine presses & Barns stand open; the Ovens are prepared / the Waggons ready: terrific Lions & Tygers sport & play / All animals upon the Earth are prepared in all their strength

to go forth to the Great Harvest & Vintage of the Nations”

Deze laatste regel valt op te vatten als een profetische strijdkreet, van een dichter-profeet die zwaar geleden heeft, maar als overwinnaar uit al die beproevingen gekomen is.

Terug naar het begin.
Het gedicht begint met de beroemde hymne die iedere Engelsman kent en die mij altijd weer ontroert wanneer ik die herlees:
“And did those feet in ancient time
walk upon Englands mountains green?
And was the holy Lamb of God
on Englands pleasant pastures seen?

And did the Countenance Divine
shine forth upon our clouded hills?
And was Jerusalem builded there
among these dark Satanic mills?

Bring me my Bow of burning gold
Bring me my arrows of desire:
Bring me my Spear. O clouds unfold!
Bring me my Chariot of Fire!

I will not cease from mental fight
nor shall my Sword sleep in my hand
till we have built Jerusalem
in Englands green & pleasant land”

Blake ziet zichzelf als erfgenaam van Miltons Chariot of Fire, het voertuig, de merkabah, dat voor het eerst verschijnt in het visioen van Ezekiel, waar een triomferende Yahweh erin heeft plaatsgenomen. In het prachtige Take arms against a sea of troubles, het laatste boek dat Harold Bloom schreef (2020 – het boek werd pas na zijn overlijden in oktober 2019 gepubliceerd), komen al zijn favoriete dichters, van Shakeaspeare en Milton t/m Wallace Stevens en Hart Crane, nog een keer langs. In zijn stuk over Blake (waarin hij m.n. ingaat op diens relatie tot Milton) gaat hij in op het thema van de Chariot.
“It is difficult to accept Ezekiels Yahweh, who cares only that his name and his power be recognized and seems to have forgotten his covenant with the people of Judah”, zegt hij daar.
Dante, in de Purgatorio van zijn Divina Commedia, voert de triomferende strijdwagen van de kerk op, maar vermijdt zoveel mogelijk de Yahweh van Ezekiel. Aan een uitgebreide beschrijving wil hij zijn verzen niet verspillen, schrijft hij over de strijdwagen, lees dat maar na bij Ezekiel.
Dan Milton, die the Son’s Chariot ten tonele voert. Vier vurige cherublijnen “spread out their starry wings with dreadful shade contiguous, and the orbs / of his fierce chariot rolled, as with sound / of torrent floods, or of a numerous host.“
De Yahweh van het Oude Testament trad geregeld op als een oorlogsgod, maar Jezus van Nazareth is een wel heel onwaarschijnlijke aanvoerder van de hemelse troepen in hun strijd tegen de gevallen engelen, wat hij bij Milton wel is.

Blake zal dit alles in gedachten hebben gehad, toen hij zijn eigen Chariot of Fire opvoerde.
Hij zal zichzelf ook gezien hebben als een eigentijdse Ezekiel; eerder dat dan een High Romantic Poet in de traditie van Wordsworth & Coleridge, Shelley & Keats. Hij wordt vaak in dat rijtje geplaatst, maar zijn werk verschild wel heel erg van dat van deze dichters, die onderling allemaal veel meer gemeen hebben dan met Blake.
Ezekiel is grimmig en bijna simpel in zijn concepties; in vergelijking met hem is Blake een lichtende figuur, in vrede met zichzelf.
Beide profeten stellen zich voor thuisgekomen te zijn aan het einde van hun werk, hoewel ze zich daar misschien in vergissen: poëtisch denken kan hoop en verwachting creëren, maar geen intocht in het Beloofde Land mogelijk maken...

Vergelijk het einde van het boek Ezekiel met dat van Jerusalem, Blakes laatste werk:
“De omtrek [van de heilige stad Jeruzalem] is 18.000 el en de naam van de stad zal voortaan zijn: de Heer is aldaar.” (Ezekiel 48:35)

“All Human Forms identified even Tree Metal Earth & Stone. All Human Forms identified, living going forth & returning wearied / into the Planetary lives of Years Months Days & Hours reposing / and the Awaking into his Bosom in the Life of Immortality.

And I heard the Name of their Emanations they are named Jerusalem
The End of the Song
of Jerusalem.

(Harold Bloom heeft willen aantonen dat Blakes laatste meesterwerk Jerusalem in opzet parallel loopt aan het boek Ezekiel)

Hoewel van oorsprong protestants, was Blake ziel eerder Joods dan Christelijk: hij leerde zichzelf Hebreeuws en was zich zeer bewust van de parallellen van zijn werk met de Kabbalah. Met name de profetische boeken uit de Tanach vormen een grote inspiratie. Zonder de beide Jesaja’s, Amos en Micha, Ezekiel en Jeremiah, was er nooit de Blake geweest zoals wij die uit zijn werk kennen. Wat hij van die inspiratie gemaakt heeft, is iets anders. Hij vertelde zijn eigen verhaal, niet dat van de profeten.

En om dat te doen, roept hij aan het begin van Milton zijn Muzen aan, in een passage die, zelfs al ben je allergisch voor Blakes profetische toon (en ik zou me dat goed kunnen voorstellen) op iedereen grote indruk zou moeten maken, niet in het minst omdat deze staat in een lange epische traditie, die van Homerus t/m Milton:
“Daughters of Beulah! Muses who inspire the Poet’s Song, record the journey of immortal Milton through your Realms / of terror & mild mooney lustre, in soft sexual delusions / of varied beauty, that delight the wanderer and repose / his burning thirst & freezing hunger! Come into my hand / by your mild power; descending down the Nerves of my right arm / from out the Portals of my Brain, where by your ministry / the Eternal Great Humanity Divine planted his Paradise.”

John Milton stierf in 1674. Honderd jaar later begon de jonge William Blake zijn eerste gedichten te schrijven, de Poetical sketches. Wat heeft Milton ertoe gebracht uit de hemel neer te dalen en opnieuw te incarneren in een Engelse dichter?

“Say first, what moved Milton, who walked about in Eternity / one hundred years, pondering the intricate mazes of Providence / Unhappy though in heaven, he obeyed he murmered not; he was silent / viewing his Sixfold Emanation scattered through the deep / in torment! To go into the deep her to redeem & himself perish?
What cause at length moved Milton to this unexampled deed?”

Die Sixfold Emanation is een afspiegeling van de zes vrouwen in zijn leven, zijn drie echtgenotes en drie dochters, die afgescheiden is van hem en voor wie hij terug moet om die te verlossen (de Emanation zal uiteindelijk op aarde aan hem verschijnen als de maagd Ololon) en daarbij wellicht zelf om te komen (tenzij hij door het Oordeel gered wordt en zijn eigen egoïsme – Blake spreekt van Selfhood – weet te overkomen).

Wanneer hij zich realiseert dat het verkeerd was zijn Emanation in de diepte achter te laten, spreekt Milton de volgende woorden; het is zijn definitieve besluit om af te dalen:

“I will go down to self annihilation and eternal death, / lest the Last Judgement come & find me unannihilate / and I be seized & given into the hands of my own Selfhood.
The Lamb of God is seen through mists & shadows, hovering / over the sepulchers in clouds of Jehovah & winds of Elohim / a disk of blood, distant; & heavens & earth’s roll dark between
What do I here before the Judgement? without my Emanation?
With the daughters of memory, & not with the daughters of inspiration?
I in my selfhood am that Satan: I am the Evil One!
He is my Spectre! in my obedience to loose him from my Hells / to claim the Hells, my Furnaces, I go to Eternal Death.”

Een briljante passage, waarin Milton zichzelf identificeert met zijn eigen Satan, die hij in Paradise Lost de Hel in had gegooid. Maar zijn afdaling in de Hells of Eternal Death gebeurt, opdat hij zichzelf zal kunnen transformeren en tot een evenbeeld maken van Eternal Life, en de Marriage of Heaven & Hell zal kunnen plaatsvinden.

Milton verlaat de Eeuwigheid en neemt de gestalte van zijn eigen sterfelijke schaduw weer aan. Hij komt in een spiraalvormige beweging naar beneden terecht, ziet in het voorbijgaan Albion en valt nog dieper, in de ‘Sea of Time & Space’. Dan ziet hij Satan:

“The Spectre of Satan stood upon the roaring sea & beheld / Milton... trembling & shuddering he stood upon the waves... loud roll his thunders against Milton
Loud Satan thundered, loud & dark upon mild Felpham shore / not daring to touch one fibre he howled round upon the sea...”

Blake ziet hem naderen als een vallende ster, hij komt dichter en dichterbij en tenslotte komt hij bij Blake naar binnen via zijn linkervoet (wat een nogal absurd beeld is):

“Then first I saw him in the Zenith as a falling star, / descending perpendicular, swift as the swallow / and on my left foot falling on the tarsus, entered there...”

De cruciale strijd die de nu geïncarneerde Milton heeft uit te vechten is die met Urizen; een confrontatie die veel weg heeft van Jacobs worsteling met de Engel.

“Silent they met, and silent strove among the streams of Arnon... when with cold hand Urizen stooped down and took up water from the river Jordan: pouring on / to Miltons brain the icy fluid from his broad cold palm.
But Milton took the red clay of Succoth, moulding it with care / between his palms; and filling up the furrows of many years / beginning at the feet of Urizen, and on the bones / creating new flesh on the Demon cold, and building him, / as with new clay a Human form in the Valley of Beth Peor.”

Dit is bij uitstek Oud-testamentisch. Urizen is als de Jehova-achtige figuur die Jacob confronteert bij Pniel, maar Milton wil meer dan Jacob, die alleen gezegend wil worden. De Valley of Beth Peor is de plek waar Mozes begraven ligt in het land Moab; een nieuwe menselijke vorm daar te scheppen is de morele wet van Urizen die daar begraven ligt, vervangen door een nieuwe Adam, door nog een keer de rode klei van Genesis 2 met lucht in te blazen. En wat Milton tegelijkertijd doet is Urizen vernieuwen en verjongen, ‘creating new flesh’.

 Los herinnert zich een oude profetie:
“That Milton of the land of Albion should up ascend forwards from Ulro from the Vale of Felpham”. Ulro is de toestand van duisternis die ontstaat wanneer het goddelijke visioen verloren gaat, iets wat kennelijk bij Milton het geval was. Maar hij staat op het punt weer tevoorschijn te komen uit die duisternis.

En Blake zelf valt de volgende Verlichting ten deel (waarin de merkwaardige relatie tussen de mens William Blake en de in hem geïncarneerde Milton verhelderd wordt):
“But Milton entering my Foot [ik blijf het een koddig beeld vinden]; I saw in the nether / Regions of the Imagination; also all men on Earth, / and all in Heaven... in Ulro beneath Beulah [de tegenhanger van Ulro, een soort van voorportaal van het Paradijs; zie hieronder], the vast breach of Miltons descent, / but I knew not that it was Milton, for man cannot know / what passes in his members till periods of Space & Time / reveal the secrets of Eternity: for more extensive / than any other earthly things, are Man’s earthly lineaments.

And all this Vegetable World appeared on my left Foot, / as a bright sandal formed immortal of precious stones & gold: / I stooped down & bound it on to walk forward through Eternity”

Het lijkt dus een wederzijdse beïnvloeding te zijn: een John Milton (die zichzelf gezuiverd heeft) gebruikt Blakes lichaam om op aarde rond te kunnen wandelen en tegelijkertijd brengt dit Blake in een volgend stadium: hij nadert de Eeuwigheid. Blake gebruikt zijn poëtische voorganger om de dichter die hij uiteindelijk zou worden te bekrachtigen en evenzeer tot een innerlijke zuivering te komen (het raadsel van dit gedicht is ook, dat hoewel Milton in Blake incarneert en zo zijn eigen strijd kan strijden, Blake toch ook als zelfstandig individu kan blijven bestaan).

Bovenstaande passage kan het best gelezen worden samen met een volgend visioen, waarin Los zich voegt bij Blake en Milton:
“While Los heard indistinct in fear, what time I bound my sandals on / to walk through Eternity, Los descended to me: / and Los behind me stood; a terrible flaming Sun / just close behind my back; I turned around in terror and behold: / Los stood in that fierce glowing fire & he also stooped down / and bound my sandals on... he kissed me and wished me health / and I became One Man with him, arising in my strength: / ‘tWas too late now to recede. Los had entered into my soul...”

Ik vind dit een schitterende passage.
Milton die in Blake vaart en Los op soortgelijke wijze: ze betekenen Verlossing voor Blake: de dwalingen van Experience en Selfhood verlaten hem; hij is nu vrij om het land Beulah binnen te gaan, wat een voorafschaduwing is van het binnen gaan van Eden in het gedicht Jerusalem. Beide landen, Eden en Beulah, zijn sterk verwant. Beulah is een aards paradijs, geen Hemelse tuin en het heeft ook niet de ongevallen staat van Eden, waar het een soort voorportaal van is.

Hiermee is het gedicht halverwege; aan het begin van Boek II staat de meest volledige beschrijving die we vinden bij Blake van het land Beulah, prachtige regels die zeker een nieuw lyrisch hoogtepunt vormen in het gedicht Milton:
“First ever the morning breaks - joy opens in the flowery bosoms / joy even to tears, which the Sun rising dries; first the Wild Thyme / and Meadow-sweet downy & soft, waving among the reeds / light springing on the air, lead the sweet Dance: they wake / the Honeysuckle sleeping on the Oak: the flaunting beauty / revels along upon the wind; the White-thorn lovely May / opens her many lovely eyes: listening the Rose still sleeps / None dare to wake her: soon she bursts her crimson curtained bed / amd comes forth in the majesty of beauty; every Flower: / the Pink, the Jessamine, the Wall-flower, the Carnation / the Jonquil / the mild Lily opens her heavens! every Tree, / and Flower & Herb soon fill the air with an innumerable Dance / yet all in order sweet & lovely, Men are sick with Love!
Such is the vision of the lamentation of Beulah over Ololon.”

Ondanks het feit dat Blake geregeld Nature afwijst ten faveure van Imagination, heeft hij wel degelijk, zoals blijkt uit bovenstaande passage, oog voor de schoonheid van de natuur.

Ololon is degene die Milton Beulah binnen zal leiden, zij is de Emanation die het doel is van zijn reis. Zij is al in Eden, maar ook zij daalt af, om de dichter te zoeken die naar haar op zoek is. Het is een subliem moment als Ololon verschijnt:
“Ololon appeared, a Virgin of twelve years nor time nor space / was to the perception of the Virgin Ololon, / but as the flash of lightning but more quick the Virgin in my Garden / before my Cottage stood.”

Milton spreekt haar aan over zijn Selfhood, de Satan binnenin hem. Maar hij spreekt vervolgens ook de in een vorig stuk door mij al geciteerde al genoemde regels over zijn bevrijding.

Hier zijn ze nogmaals, omdat ze zo prachtig zijn:
“To cleanse the Face of my Spirit by Self-examination
To Bathe in the Waters of Life; to wash off the Not Human / I come in Self-annihilation & the grandeur of Inspiration
To cast off Rational Demonstration by Faith in the Saviour
To cast off the rotten rags of Memory by Inspiration
To cast off Bacon, Locke & Newton from Albions covering
To take off his filthy garments & clothe him with Imagination  
To cast aside from poetry, all that is not Inspiration.”

“To cast off the idiot Questioner who is always questioning, / but never capable of answering; who sits with a sly grin / silent plotting when to question, like a thief in a cave; / who publishes doubt and calls it knowledge; whose Science is Despair / whose pretence to knowledge is Envy; / that rages round him like a Wolf day & night without rest...
These are the destroyers of Jerusalem, these are the murderers / of Jesus, who deny the Faith & mock at Eternal Life: / who pretend to poetry that they may destroy Imagination”

In het begin kan de Virgin Milton nog niet begrijpen (“Are we contraries O Milton, thou and I... Thou goest to Eternal Death & all must go with thee”), maar het is haar Schaduw die spreekt en die haar even later met een schrille kreet verlaat, zodat zij hem nu in zijn ware, bevrijde gedaante kan zien en als zijn bruid naast hem kan staan. Op de hier aan het eind afgebeelde plaat 41 van het gedicht, één van Blakes fraaiste creaties, zien we hoe de verloste Milton de berouwvolle Ololon troost. (zie hieronder)

Zoals Milton nu Ololon aan zijn zijde heeft, heeft Blake zijn bruid in Catherine, zijn echtgenote van vele jaren.

(Blake, overigens, had zich geen betere vrouw kunnen wensen dan zijn Catherine, en zij geen betere man dan haar William. Hij leerde haar lezen en schrijven, zij assisteerde hem bij zijn kunst, kleurde zijn etsen in. Op zijn sterfbed maakte hij een schets van haar en noemde haar zijn engel.)

Nu, staande naast Milton en Ololon, wordt hij herinnerd aan de realiteit van zijn visioen door de boodschappers van Los, de geur van wilde tijm en de zang van de leeuwerik:

“Immediately the Lark mounted with a loud trill from Felphams Vale / and the Wild Thyme from Wimbledon’s green & impurpled Hills and Los and Enitharmon rose over the Hills of Surrey.”

En het gedicht eindigt met de al eerder aangehaalde regels over de Grote Oogst: “to go forth to the Great Harvest & Vintage of the Nations”.

Milton is Blakes laatste Song of Innocence.

 


dinsdag 28 mei 2024

William Blake, the Four Zoas

The Four Zoas, manuscript, page 3
The four Zoas (of, zoals de oorspronkelijke titel luidde: Vala) is volgens Harold Bloom ‘the most energetic and inventive of Blakes poems’. De Zoas, the Four Mighty Ones, zijn Urthona, Urizen, Luvah en Tharmas. (Deze vier refereren aan de vier wezens rond Gods troon in het bijbelboek van de profeet Ezekiel, die hierna nog ter sprake zal komen. In het vierde hoofdstuk van het boek Openbaringen worden deze wezens vertaald in het Grieks als zoa - dieren; Blake gebruikt deze meervoudsvorm in het Engels als enkelvoud). Met zijn vieren constitueren zij Albion, de Mens van voor de zondeval (die, als zijn emanaties vallen, zelf ook mee-valt). De Mens die in zijn ongevallen vorm het totaal aan realiteit en menselijk potentieel vertegenwoordigt. (Hij is verwant aan de Adam Kadmon van de Kabbalah).

Urthona is de goddelijke smid die staat voor kunstzinnige scheppingskracht en inspiratie; zijn gevallen vorm is Los. Urizen staat voor het conventionele verstand en rigide wetgeving, de tegenhanger van de creatieve Los. Luvah representeert de liefde, voor Blake de ultieme emotie. Tharmas is de echtgenoot van Enion; met dit paar begint het gedicht.

Deze vier vormden ooit de Universal Brotherhood of Eden. Hoe zij gevallen zijn, de strijd die ze daarop moesten voeren en de mogelijkheid van hun vernieuwing, hun regeneratie, dat is waar het gedicht over gaat. Blake heeft er lang aan gewerkt, begon in 1795 (een eerste versie van het gedicht die Vala als titel had) en liet het project tenslotte, onafgemaakt, los in 1804. Kort voor zijn dood gaf hij het manuscript echter aan zijn discipel, de schilder John Linnell, zodat we kunnen aannemen dat hij er wel nog steeds de waarde van inzag. Maar er is dus geen gecompleteerde geïllustreerde versie van, zoals wel van de twe gedichten die volgen, Milton en Jerusalem.

Het gedicht begint als de gevallen staat van de Zoas net een feit is geworden en ontwikkelt zich in de richting van een steeds diepere verinnerlijking, totdat, aan het eind, ‘all deities reside in the human breast’. Alle Zoas zijn in feite ook innerlijke staten van de mens.

Het is ondoenlijk om de hele ontwikkeling van dit enorme gedicht te beschrijven of alle figuren die erin voorkomen te duiden, ik wil me beperken tot wat passages die voor mij een grote poëtische zeggingskracht hebben.

Het gedicht begint, zoals gezegd, met Tharmas: ‘parent power, darkening in the West’. De Tharmas van voor de Val representeerde Eenheid, de harmonie in de mens van Love, Intellect en Imagination, de oorspronkelijke Mens die door Blake Albion genoemd werd, en ook staat voor Britain. Toen die Mens ophield goddelijk te zijn en onze (materiële, zintuiglijke) wereld tot stand kwam, was Tharmas de eerste die viel. Zijn vrouwelijke tegenhanger Enion zegt over hem: “I have looked into the secret soul of him I loved / and in the Dark recesses found Sin & cannot return.” Een Zondeval dus eigenlijk, een wegvallen uit de oorspronkelijke, vergeestelijkte, eeuwige staat van Zijn.
Waarop Tharmas, ‘trembling and pale’, ‘weeping in the clouds’: “Why wilt thou Examine the very little fibre of my soul? ... Deadly nought shalt thy find in it / but Death Despair and Everlasting brooding Melancholy / Thou wilt go mad with horror if thou doest Examine thus / every movement of my secret hours. Yea I know / that I have sinned & that my Emanations have become harlots / I am already distracted at their deeds & if I look / upon them more Despair will bring self murder on my soul /
O Enion, thou art thyself a root growing in hell / though thus heavenly beautiful to draw me to destruction.”

Het is de pijn van een gevallen wezen, de pijn van de incarnatie in de beperkingen van het fysieke lichaam, de val van de Oneindigheid in een materiële wereld.

Enions sexuele omgang met the Spectre ofTharmas (die door de woede omtrent zijn gevallen staat een schaduw van zichzelf is geworden) brengt de huilende kinderen van de Songs of Experience voort: Los en Enitharmon, ruimte en tijd, afgezwakte verbeeldingskracht (hoewel Los als aardse tegenhanger van Urthona zo optimaal mogelijk gebruik maakt van die verbeelding) en inperkende vorm. Deze kinderen zullen spoedig hun moeder verwerpen en door de pijnlijke wereld van de Ervaring (Experience) gaan zwerven.

De weeklacht van Enion, een soort van Bijbelse klaagzang, lijkt mij één van de hoogtepunten in het werk van William Blake, het zijn grandioze regels, die ik hier uitgebreid wil aanhalen. Het is overduidelijk de stem van Blake zelf die we hier horen over de prijs die we door de val in de wereld van ervaring hebben moeten betalen en wat het kost om tot werkelijke wijsheid te komen:

“What is the price of Experience - do men buy it for a song / Or wisdom for a dance in the street? No! It is bought with the price / of all that a man hath - his house his wife his children / Wisdom is sold in the desolate market where none come to buy / and in the withered field where the farmer plows for bread in vain”

De centrale gedachte is dat de mens zijn onschuld heeft verloren en alleen plezier kan hebben wanneer hij het lijden van anderen negeert (het lijden van de mensheid die Blake zo na aan het hart gaat).

“It is an easy thing to triumph in the summer’s song / and in the vintage & to sing on the waggon loaded with corn
It is an easy thing to talk of patience to the afflicted
to speak the laws of prudence to the houseless wanderer
to listen to the hungry raven’s cry in wintry season / when the red blood is filled with wine & with the marrow of lambs

It is an easy thing to laugh at wrathful elements / to hear the dog howl at the wintry door, the ox in the slaughterhouse moan
to see a god in every wind & a blessing on every blast
to hear sounds of love in the thunderstorm that destroys our enemies’ house
to rejoice in the blight that covers his field & the sickness that cuts off his children,
while our olive & vine sing & laugh round our door & our children bring fruits & flowers

Then the groan & the dolor are quite forgotten & the slave grinding at the mill / and the captive in chains & the poor in the prison & the soldier in the field / when the shattered bone had laid him groaning among the happier dead

It is an easy thing to rejoice in the tents of prosperity...”

Maar, zegt Blake dan, na deze hartverscheurende klaagzang: “Thus could I sing & thus rejoice, but it is not so with me!”

Ondertussen heeft Albion, nog één keer opgerezen ‘upon his Couch of Death’ Urizen opgeroepen de scepter op te pakken en orde in de chaos te brengen. Urizen is nu de ‘great work master’, een demiurg die de hedendaagse realiteit verder vorm zal geven en haar (beperkende) wetten zal vastleggen. Hij is gezeten op een troon waarvan de treden met ijspegels bekleed zijn. Hij vertegenwoordigt de koude ratio: “... thou art compelled [wordt er tegen hem gezegd] to forge the curbs of iron & brass to build the iron mangers / to feed them with intoxication from the wine presses of Luvah / till the Divine Vision & Fruition is quite obliterated...“
... en maakt eens temeer duidelijk wat er allemaal verloren is gegaan: “Golden & Beautiful [de wereld van Urizen kent wel degelijk een zekere schoonheid] but O how unlike those sweet fields of bliss / where liberty was justice & eternal science was mercy”

Een Zondvloed als die van Noach komt over de wereld en daarmee Tharmas, nu als het principe van de chaos, waar hij eerst de geest van eenheid en harmonie was. Zelden zal de chaos zo eloquent verwoord zijn: “Fury in my limbs, destruction in my bones & marrow / my skull riven into filaments, my eyes into sea jellies / floating upon the tide wander bubbling and bubbling / uttering my lamentations & begetting little monsters / who sit mocking upon the little pebbles of the tide in all my rivers... O fool fool to lose my sweetest bliss...”

Aan Los nu de taak om een orde in de chaos te hameren en hij doet dat furieus, in grote woede ontstoken nu hij niets dan gevallen vormen om zich heen ziet:
“Infected Mad he danced upon his mountains high & dark as heaven. / Now fixed into one steadfast bulk his features stonify / from his mouth curses & from his eyes sparks of blighting / beside the anvil cold he danced with the hammer of Urthona terrific pale“
Zelden heb ik zulke krachtige, energieke poëzie gelezen.

Los heeft een machtige strijd te strijden, maar hervat uiteindelijk, samen met zijn zuster Enitharmon, het scheppende werk, de waarde waarvan hij uitdrukt in de volgende woorden:
“Stern desire I feel to fabricate embodied semblances in which the dead / may live before us in our palaces & in our gardens of labour / which now opened within the centre we behold spread abroad / to form a world of Sacrifice of brothers & sons & daughters...
Look my fires alume afresh before my face ascending with delight as in ancient times”

De paleizen zijn die van een City of Art, een Nieuw Jeruzalem, door Blake Golganooza genoemd, een soort samentrekking van New Golgotha, om zo de plaats van de Kruisiging te vervangen. Want deze nieuwe schepping voorziet in lichamen voor de op handen zijnde Opstanding.

De Openbaring van Night the ninth heb ik al eerder geciteerd; het is een ware apocalyps die een nieuwe werkelijkheid ontvouwt. Hier nog een keer, want het is een waar hoogtepunt:
“And Los & Enitharmon builded Jerusalem weeping / over the Sepulcher & over the Crucified body / which to their Phantom Eyes appeared still in the Sepulcher.
But Jesus stood beside them in the Spirit Separating / their Spirit from their body. Terrified at Non Existence / For such they deemed the death of the body. Los outstretched his right hand branching out in fibrous Strength / seized the Sun. His left hand like dark roots covered the Moon / and tore them down cracking the heavens across from immense to immense / Then fell the fires of Eternity with loud & shrill
Sound of Loud trumpet thundering along from heaven to heaven
A mighty sound articulate: “Awake ye dead & come
to Judgement from the four winds Awake & Come away”
folding like scrolls of the Enormous volume of Heaven & Earth
with thunderous noise & dreadful shakings rocking to & fro
the heavens are shaken & the Earth removed from its place
The foundations of the Eternal hills discovered
the thrones of the kings are shaken they have lost their robes and crowns
The poor smite their oppressors, they wake up to the harvest / the naked warriors rush together to the sea shore / trembling before the multitudes of slaves now set at liberty.”

Maar ook moet alles wat onwerkelijk is vernietigd worden – en ook die regels zijn buitengewoon indrukwekkend (maar ook wreed en afschrikwekkend):

“The tree of Mystery went up in folding flames / blood issued out in mighty volumes in whirlpools fierce... Kings in their palaces lie drowned... Castles drowned in the black deluge Shoal on Shoal... till all Mystery’s tyrants are cut off & not one left on Earth”

Het doet Albion uitschreeuwen tegen ‘the war within my members’ en met een laatste beroep op Urizen weet hij hem te bewegen zijn positie op te geven.
Uiteindelijk werken alle Four Zoas, de hernieuwde Urizen; Tharmas weer aan de zijde van Enion; Luvah met haar wijnpers en Urthona als hemelse smid die, net als de klassieke Hephaistos, mank loopt – alle vier werken ze aan iets dat in de volgende regels op een wijze die uniek is in de literatuur en buitengewoon levendig wordt voorgesteld als iets dat heel dicht in de buurt van een soort van Paradijs komt:

“Return O Love in peace ... They must renew their brightness & their disorganized functions / again reorganize till they resume the image of the human / co-operating in the bliss of Man obeying his Will / servants to the infinite & Eternal of the Human form”

Tharmas en Luvah laden ‘the waggons of heaven’ en brengen de ‘wine of ages with solemn songs of joy’. Er branden vuren die geen mouw in brand zouden kunnen steken:
“How is it that we have walked through fires & yet are not consumed
How is it that all things are changed even as in ancient times”

Het is allemaal beeldschoon en oneindig inventief, maar Blake moest het loslaten. Het Laatste Oordeel, begon hij meer en meer te vermoeden, was niet zo dramatisch als dit en eigenlijk nauwelijks een extern fenomeen. Na 1804 zou voor Blake de strijd zich vooral binnenin de mens afspelen, niet in de uiterlijke kosmos. “Whenever any Individual Rejects Error & Embraces Truth, a Last Judgement passes upon that Individual.”

Het volgende, veel kortere, epische gedicht, Milton, laat ons een individuele dichter – profeet zien, John Milton, die Error verwerpt en Truth omarmt, zodoende een Laatste Oordeel over zichzelf afroepend.


Illustratie: verhouding tussen the four Zoas zoals verbeeld in Blake’s volgende gedicht: Milton

 

 

Shakespeare's Macbeth, deel II

De scène van de moord op Lady Macduff en haar kinderen is vrijwel ondragelijk. Je kunt je afvragen waarom Macduff zijn gezin niet heeft meeg...