De canonieke tekst omtrent de ontzaglijk uitdaging die de Dood van God vormde, staat in De vrolijke wetenschap.
“Hebt gij niet
gehoord van de dolle mens, die op klaarlichte morgen een lantaarn opstak, op de
markt ging lopen en onophoudelijk riep: ‘Ik zoek God! Ik zoek God!’ – Omdat er
daar juist veel van die lieden bijeenstonden die niet aan God geloofden,
verwekte hij een groot gelach. ‘Is hij soms verloren gegaan?’ vroeg de een. ‘Is
hij verdwaald als een kind?’ vroeg de ander. ‘Of heeft hij zich verstopt? Is
hij bang voor ons? Is hij scheep gegaan? Naar het buitenland vertrokken?’ – Zo
riepen en lachten zij door elkaar.”
De ‘dolle mens’ stuit op degenen die klaarblijkelijk
denken dat de geest van verlichting en wetenschap hen een vrijbrief geeft om
onverschillig te staan tegenover religie. Ze menen verlost te zijn van een
probleem, dat religie een oude jas is die je uit kunt trekken en achter je
neergooien. Maar de ‘dolle
mens’, wiens ogenschijnlijke gestoordheid staat voor een scherp besef van wat
de voortschrijdende secularisering tot gevolg heeft, laat zich niet met een
kluitje in het riet sturen:
“‘Waar God heen is?’ riep hij uit. ‘Dat zal ik jullie zeggen! Wij
hebben hem gedood – jullie en ik! Wij allen zijn zijn
moordenaars! Maar hoe hebben wij dit gedaan? Hoe hebben wij de zee kunnen
leegdrinken? Wie gaf ons de spons om de horizon uit te vegen? Wat hebben wij
gedaan, toen wij deze aarde van haar zon loskoppelden? In welke richting
beweegt zij zich nu? In welke richting bewegen wij ons?’”
De ‘dolle mens’ brengt niet alleen onze
metafysische dakloosheid ter sprake, maar analyseert tegelijkertijd hoe
problematisch de verschillende reacties daarop zijn:
“’Hoe zullen wij ons troosten, wij moordenaars? Het heiligste en machtigste dat
de wereld tot dusver bezeten heeft, is onder onze messen verbloed ... Is niet
de grootte van deze daad te groot voor ons? Moeten wij niet zelf goden worden
om haar waardig te schijnen? Nooit was er een grotere daad – en wie er ook na
ons geboren wordt, om wille van deze daad behoort hij tot een hogere
geschiedenis dan alle geschiedenis tot dusver geweest is!’- Hier zweeg de dolle
mens en keek opnieuw zijn toehoorders aan. Ook zij zwegen en keken bevreemd terug.”
Wat de ‘dolle mens’ zijn toehoorders probeert
duidelijk te maken, is dat de Dood van God voor hen geen
verlichting is, maar een verzwaring, een opdracht. Hij is degene die begrijpt
welke eisen worden gesteld aan de mens door het verdwijnen van het religieuze
element uit zijn leven en het vertroostende geloof daarin.
Voor Nietzsche
resulteert de Dood van God in een tweedeling van het menselijk geslacht, in de
‘veel te velen’ aan de ene kant en aan de andere kant de ‘oprechte en eerlijke
mensen’ die de gevaarlijke weg naar het waarachtige leven riskeren – een poging
te doen op het koord over de afgrond te stappen en dat met succes te doen – of
omlaag te storten. Degenen die het zich gemakkelijk gemaakt hebben en gaan voor
een toestand van simpel levensgenot en behaaglijkheid zonder zichzelf verder
veel af te vragen, noemt Nietzsche, zoals we al eerder zagen, de ’laatste
mensen’, de allerverachterlijkste, maar onuitroeibare soort. Ze streven naar
klein geluk en verdoven zichzelf met pleziertjes en genotmiddelen om de grote
vragen maar niet te hoeven stellen:
“Ze maken nog ruzie, maar verzoenen zich al snel – anders bederft het de maag.
Ze hebben hun pleziertje voor overdag en hun pleziertje voor ’s nachts, maar ze
nemen hun gezondheid in acht [terwijl, zoals we gezien hebben, uiteenzetting
met je ziekte voor Nietzsche juist een centrale kwaliteit is]. ‘Wij hebben het
geluk uitgevonden’, zeggen de laatste mensen.”
En toch: zonder middelmaat, vond
Nietzsche, kon er niets zijn wat excelleerde.
Begin jaren 1870 had hij zijn Bazels publiek hevig gechoqueerd: “De ellende van
de moeizaam levende mens moet nog vergroot worden om een klein aantal
Olympische mensen in staat te stellen een wereld van de kunsten te produceren.”
Het was een uiterst cynische positie die Nietzsche innam. Hij liet er geen
twijfel over bestaan dat hij anti-egalitair, anti- socialistisch en anti-
liberaal was.
Later heeft hij dit nogal heftige idee van een maatschappij van heren en
slaven, overwinnaars en overwonnenen uit de Bazelse periode vervangen door die
van een relevant midden dat functioneert als basis van een daarop gevestigde
cultuur en die niet door dwang van buitenaf functioneert maar op een grondslag
van zelfrespect.
Nietzsche spreekt anders over de bewoners van dit culturele middengebied dan
hij over de genoemde ‘laatste mensen’ spreekt; deze middenlaag vormt nu het
cement van de maatschappij. Ook bij hen is sprake van een ‘klein geluk’, dat
Nietzsche ook wel het ‘voorrecht van de middelmatigen’ noemt; het is daarin
gelegen dat ze de hardheid en de kou van het leven op hoog niveau niet hoeven
uit te houden. Zij mogen een behaaglijk leven leiden.
De weinigen die leven op hoog
niveau, dat zijn “de meest vergeestelijkte mensen, de sterksten... zij vinden
hun geluk in dingen waarin anderen hun ondergang zouden vinden: in de hardheid
jegens zichzelf en anderen, in het experiment; hun lust is de zelfbeheersing,
de ascese wordt bij hen natuur, behoefte, instinct. Ze beschouwen een zware
taak als een voorrecht.”
Als “de uitzonderlijke mens de
middelmatigen zachtzinniger behandelt dan zichzelf en de zijnen, dan is dit
niet slechts uit hoffelijkheid omdat hij zijn hart laat spreken – het is zijn plicht...”
Dat klinkt duidelijk anders dan in de passages over heren en slaven, waar het
er vooral om draaide de slaven voor ogen te houden dat ze niet meer waren dan
het bezit van degenen die hen overwonnen, onderworpen en in leven gelaten hebben.
De middelmatigen hebben bestaansrecht en mógen op hun manier gelukkig zijn; het
kan van hen niet verwacht worden dat zij de ontberingen van de uitzonderlijken
delen.
Bedreigend voor deze toestand is
het optreden van ideologen die deze maatschappij als onrechtvaardig betitelen
(‘socialistisch gespuis’ noemt Nietzsche hen), die van gelijkheid en
broederschap spreken en zo bij de middelmatigen die in wezen gelukkig zijn
ontevredenheid op laten komen.
Maar Nietzsche’s houding is
ambivalent. Telkens wanneer hij over middelmatigheid nadenkt, kan hij toch niet
nalaten dit als een sluipende bedreiging te zien van alles wat excelleert.
Zodra middelmatigheid ter sprake kwam, gaf hij zich over aan een stortvloed van
afwijzing en verachting.
“Op de markt”, aldus Zarathustra,
“gelooft niemand in de hogere mensen. En als jullie daar willen spreken, doe je
best! Maar de meute knipoogt ‘wij zijn allemaal gelijk’, ‘er zijn geen hogere
mensen, mens is mens, voor God, wij zijn allemaal gelijk’. Maar nu is die God
gestorven.”
Terwijl Marx ervan overtuigd was
dat de middenklasse zou verdwijnen en uiteindelijk alleen bourgeosie en
proletariaat als twee grote groepen tegenover elkaar zouden komen te staan,
vreesde Nietzsche dat zij die de middelmaat vertegenwoordigen zich steeds
verder uit zouden breiden totdat de hele maatschappij van hen doordrongen zou
zijn. Hij gebruikt daarvoor de metafoor van de kudde, die een gevaarlijke
bedreiging vormt voor alles wat hoogstaand is:
“De hoogstaande, onafhankelijke mentaliteit, de wil om op zichzelf te staan, de
soevereine redelijkheid worden [door die kudde] al als gevaar waargenomen;
alles wat de enkeling boven de kudde verheft en de naaste vrees inboezemt, heet
vanaf dat moment kwaad; de redelijke,
bescheiden, zich aanpassende mentaliteit, de middelmaat van de verlangens krijgt in morele zin naam en aanzien.”
“Wat ze uit alle macht willen
bereiken is het algemene groene-weide-geluk van de kudde, met veiligheid,
ongevaarlijkheid, welbehagen, verlichting voor iedereen; de twee rijkelijkst
opgedreunde leerstellingen luiden ‘gelijke rechten’ en ‘meegevoel met alles wat
lijdt’ – en het lijden zelf wordt gezien als iets wat men moest afschaffen.”
Terwijl Nietzsche zelf, zoals ik eerder al memoreerde, het lijden zag als iets
dat de mens op een hoger plan brengt.
Vanaf nu staan middelmaat en
uitmuntendheid in scherpe tegenstelling tot elkaar:
“Een hoogstaande, harde voornaamheid en verantwoordelijkheid voor zichzelf
beledigt bijna en wekt wantrouwen, ‘het lam’ wint aan achting.” Waarmee
Nietzsche ook impliciet de christelijke leer van mededogen en zachtheid, van
nederigheid en naastenliefde attaqueert.
Nietzsche’s religiekritiek richt
zich niet tegen het verschijnsel religie in het algemeen, maar met name tegen
de christelijke religie, die naar zijn idee het ressentiment in de wereld had
gebracht en voor een omkering van alle waarden had gezorgd (zo’n omkering is in
Nietzsche’s ogen nu meer dan ooit noodzakelijk, maar dan in omgekeerde
richting).
Haar uitgangspunt was geweest: “De sterken breken, grote verwachtingen
verzwakken, het geluk dat gelegen is in schoonheid verdacht maken, al het
mannelijke, veroverende, heerszuchtige, alle instincten, die het hoogste en
meest geslaagde type mens eigen zijn, om te keren in onzekerheid, gewetensnood,
zelfvernietiging...”
Mededogen en zwakte worden door het Christendom centrale waarden, terwijl alles
wat krachtig en mooi is aan de mens wordt afgewezen. Het Christendom heeft
volgens Nietzsche ‘van de mens een subliem wanprodukt gemaakt’: mensen zonder
kracht en zonder hardheid, zonder voornaamheid hadden sinds tweeduizend jaar de
ontwikkeling van de Europese mens gestuurd – “... zulke mensen hebben tot
dusverre beschikt over het lot van Europa, tot uiteindelijk een verkleinde,
bijna lachwekkende soort, een kuddedier, iets ziekelijks en middelmatigs
gecultiveerd is: de huidige Europeaan.”
Daarom is een fundamentele
herijking nodig waarin alles moet worden teruggedraaid wat het Christendom aan
waardenpatronen heeft doorgevoerd. Nietzsche presenteert zichzelf als de
‘filosoof met de hamer’, die de tot afgodsbeelden gestolde (en door de joods-christelijke
cultuur ontwikkelde) leidende ideeën van de eeuw beklopt en daarbij vaststelt
dat ze hol klinken.
In de 19e eeuw waarin
Nietzsche leefde kwam een nieuwe beweging op die je als de alternatieve
heilsleer voor de massa’s in plaats van het Christendom zou kunnen beschouwen
(dat is in elk geval wat Nietzsche deed) en die een geest van socialisme en
revolutie teweeg bracht. Dit was Nietzsche een gruwel; hij was beslist een
anti-revolutionair en was helemaal van slag toen hij de berichten hoorde over
de Parijse Commune (1871). Het gerucht ging dat het Louvre in brand was
gestoken (wat uiteindelijk niet waar bleek te zijn).
Nietzsche: “Het nieuws van de laatste dagen was zo verschrikkelijk dat het voor
mijn gevoel nauwelijks meer dragelijk was. Wat stellen we nog voor als
geleerde, geplaatst tegenover zulke culturele aardbevingen.”
Nietzsche’s opvatting dat cultuur een zaak is van een geestelijke aristocratie,
dat de massa’s daar geen deel aan hebben en zelfs uit zijn op vernietiging van
cultuurschatten als ze daartoe de kans krijgen, wortelt in deze gebeurtenissen.
In later jaren, toen hij wat meer
afstand had tot de gebeurtenissen, heeft hij zijn Zarathustra laten reflecteren
over het fenomeen revolutie. De revolutie, zegt Zarathustra, weet misschien
‘grote gebeurtenissen’ te produceren, ‘met veel gebrul en rook eromheen’, maar
levert niets op dat van blijvende betekenis is voor het menselijke geslacht.
“De grootste gebeurtenissen, dat zijn niet onze luidste, maar onze stilste
uren. Niet om de uitvinders van nieuw kabaal, maar om de uitvinders van nieuwe
waarden draait de wereld, onhoorbaar
draait ze. Wat maakt het uit dat een stad in een mummie veranderde en een
standbeeld in puin ligt...”
In plaats van om politieke en sociale revoluties ging het om de ‘herijking van
alle waarden’. En dat was in de eerste plaats een innerlijk proces dat in
stilte en afzondering diende te geschieden, niet op straat maar in de
studeerkamer, waarbij niet de massa’s maar de verziende denkers de
belangrijkste scheppers waren.
En: die ‘herijking’ betrof tevens
de omkering van het christelijke gedachtengoed dat van zichzelf al een omkering
was geweest, een zich afwenden van de aarde en het lichaam, van alles wat
groots, edel en krachtig was, en daarvoor in de plaats een mededogen had
gesteld met alles wat klein, nederig en zwak was.
Niet Jezus, maar Paulus is hierbij Nietzsche’s grote vijand. De uitvinding van
het Christendom door wie hij de ‘eerste Christen’ noemt, is in Nietzsche’s ogen
de ‘grootste, boosaardigste aanslag op de voorname menselijkheid’. Ook deze
revolutie was niet met een hoop lawaai, op straat, tot stand gekomen, maar in
stilte, vanachter zijn schrijftafel, met brieven aan gemeenschappen in
Griekenland, Rome en Klein Azië waarmee deze Paulus een ommekeer van alle
waarden tot stand had weten te brengen, en waarmee hij ‘de vreesachtigen aan
zijn kant’ had weten te krijgen. Wat hier geschapen werd, was een maatschappij
van middelmatigen, krachteloos, maar met velen en zich snel uitbreidend, die de
uitmuntende enkelingen verplettert en in een verzameling ‘laatste mensen’
verandert.
Nietzsche stelde zich niets minder
ten doel de paulinische revolutie terug te draaien en daarmee de mensheid weer
gezond te maken, vrij te maken van een slecht geweten, van gevoelens van schuld
en schaamte en de aandacht weer te richten op het lichaam en het aardse.
Dat blijkt echter een zeer zware
opdracht: wanneer Zarathustra die hogere mensen een tijdje in zijn grot alleen
laat, vieren ze een feest waarbij ze een ezel aanbidden en tot god uitroepen in
een soort van persiflage van de eredienst. Het geeft aan hoe moeilijk het is
zonder God te leven. De hogere mens is nog geen Übermensch; die is er nog niet,
wordt slechts gepostuleerd als vereiste...
In laatste instantie gaat Nietzsche er niet langer vanuit dat de uitzonderlijke
mensen die gered moeten worden al bestaan; hij is ervan overtuigd dat ze moeten
worden voortgebracht, en dat is een politiek-pedagogisch programma.
Wat Nietzsche in zijn laatste fase
welhaast uitsluitend bezielt, is de verdediging van de uitzonderlijke en
voorname mens tegen zijn verdwijning in de massa (dan wel de opvoeding van een
mens die zich staande houdt tegenover de massa). Hij predikt de mogelijkheid
van nonconformisme in een toenemend nivellerende massamaatschappij. Hij doet
dat in bewoordingen die in onze 21e eeuwse ogen weinig sympathiek aandoen
en zeer cynisch zijn, maar wanneer ik daar doorheen kijk zie ik iets dat voor
de mens van tegenwoordig wel degelijk een waardevol uitgangspunt kan zijn: de
noodzaak om authentiek te zijn, en ook hoe verdomd moeilijk dat is tegenover de
druk van het conformeren die veel mensen zullen voelen in een wereld die
gedomineerd wordt door media en beeldvorming. Zoals Marx partij kiest voor het
proletariaat, zo kiest Nietzsche de kant van de enkeling, gaat aan zijn zijde
staan - en rekent zichzelf daarbij uiteraard tot de ‘uitmuntende enkelingen’. Uiteindelijk
is hij daarin doorgeslagen en werden zijn op zich zeer steekhoudende ideeën tot
waanzins- en grootheidsfantasieën, wat uiteindelijk mede geleid heeft (naast
fysiologische oorzaken) tot zijn instorting in Turijn in 1889. Wat hier volgens
mij vooral uit blijkt, is hoezeer de taak van een herijking van alle waarden,
een revolutie van het waardensysteem, zijn krachten (of de krachten van welk
individu dan ook) te boven ging.
Wat Nietzsche vooral stoorde aan
het Christendom, is de verlossingsgedachte, diezelfde verlossing die, zoals ik
in mijn vorige stuk heb geschreven, het centrale thema is in Richard Wagner’s
laatste opera Parsifal, die opera
waar Nietzsche zo’n enorme hekel aan had.
Daartegenover stelt Nietzsche de leer van de Übermensch en de Eeuwige
Wederkeer: het aanvaarden van wat is en hoe het is, nu, op dit moment – waarmee
Nietzsche principieel bestrijdt dat de mens zoiets als verlossing nodig heeft.
“Ik bezweer u, mijn broeders, blijf de aarde trouw en geloof degenen niet die
jullie bovenaardse verwachtingen ingeven.”
Het omarmen van het hier en nu en
het aardse lot, het grote ja tegen de aarde – dát is het waar het Nietzsche om
gaat. Amor fati.
Wat de christelijke verlossingsidee met zich meebrengt, is dat de mens
overtuigd raakt van de verdorvenheid van de menselijke natuur, die immers
verlost moet worden; zondebesef en kwaad geweten ontwaken en tevens een
behoefte aan wraak voor alles wat niet is zoals hij het had voorgesteld, een
streven naar compensatie voor het hem ontzegde en aangedane; in één woord: het
ressentiment.
De mensheid bevrijden van dat
ressentiment (zou je het niet een soort van aardse verlossing kunnen noemen?)
is wat Zarathoestra zich bovenal als opdracht heeft gesteld. De door het
Christendom en haar verlossingsgedachte gecreëerde mens die zich goed voelt bij
het lijden en haar tegenhanger, het medelijden; die zich van de aarde en het
goede, krachtige in de mens afkeert en zich wentelt in ressentiment:
daartegenover stelt Zarathoestra de idee van de Übermensch, uiterste
consequentie van de gedachte dat de mens niet iets is dat verlost, maar dat
voorbijgestreefd moet worden.
Het Christendom, in Nietzsche’s
optiek, want dat is steeds waar ik hier van uitga en probeer weer te geven,
‘verarmt, maakt bleker en haalt de waarde van de dingen omlaag’, het ‘ontkent
de wereld’. Is het daarom, vraagt Nietzsche zich af, dat in het Christendom de
instincten van de onderworpenen en onderdrukten op de voorgrond treden?: de
laagste standen die daar hun heil zoeken. Hierdoor wordt het Christendom de
opstand van alles wat laag-bij-de-gronds is tegen alles wat klasse heeft: het evangelie van de
nederigen, waarbij nederigheid als grootheid wordt voorgesteld.
Je kunt het onredelijke kritiek noemen en een karikaturale voorstelling van
zaken, maar er zijn wel degelijk ook punten die het Christendom zich kan
aantrekken. Veel in de leer zoals de christelijke orthodoxie die geformuleerd
heeft, valt inderdaad te karakteriseren als anti-lichamelijk en levensvijandig,
een geringschatting van het aardse leven omdat de blik al te zeer gericht was
op het hiernamaals; en het is juist zijn engagement met de concrete
werkelijkheid in het hier en nu dat Nietzsche steeds wil benadrukken.
Nietzsche’s religiekritiek heeft
een negatief uitgangspunt: hij wijst het Christendom en alles waartoe het
geleid heeft, het type mens dat door haar gekweekt is, fel af. Maar staat daar
ook iets positiefs tegenover? Heeft Nietzsche ook geformuleerd hoe het in zijn
ogen dan wel moet? Een richting die de mensheid in zou moeten slaan?
Voordat ik daarop in ga, nu eerst
iets over Nietzsche’s schrijfstijl.
Nietzsche was van mening, net als Schopenhauer voor hem, dat het vrije en
zelfstandige denken buiten de muren van de universiteit diende plaats te vinden.
Daarbinnen werd in termen van systemen gedacht en academische debatten draaiden
om de specifieke problemen van dit of dat denksysteem die uitvoerig uiteen
werden gezet en verdedigd tegen de tegenwerpingen vanuit andere denksystemen.
Zo werd het een zeer specialistische discussie, die nog maar door weinigen kon
worden gevolgd.
Nietzsche, die al snel zijn betrekking als professor in Bazel had opgegeven,
had er een bloedhekel aan: “Ik wantrouw alle systematici en ga hen uit de weg”,
“Pas op voor systematici!”
In plaats daarvan presenteerde
Nietzsche, die graag wilde dat zijn filosofie een zo breed mogelijk publiek zou
bereiken (wat eigenlijk pas gebeurde toen hij al krankzinnig was), zijn
argumenten in aforistische en apodictische bondigheid. Nietzsche gebruikte de
aforistische stijl om een gedachte of observatie, ten eerste zo geconcentreerd
mogelijk te presenteren en als zodanig op zichzelf te laten staan, haar niet
onderdeel te maken van een uitgebreidere redenering of rechtvaardiging; ten
tweede haar doelgericht eenzijdig te maken en steeds verder toe te spitsen om
zo de lezer te provoceren. Daarbij konden best tegenspraken ontstaan;
Nietzsche’s filosofie vormde geen systeem waarbij alle onderdelen elkaar in
evenwicht moesten houden; het echte leven bestond tenslotte ook vaak genoeg uit
tegenstrijdigheden.
Toch heeft Nietzsche niet compleet
afstand willen doen van de mogelijkheid om al die disparate invallen d.m.v. een
vertelling samen te binden. Zijn boek Also
sprach Zarathustra, dat door velen als zijn centrale werk wordt beschouwd
(al zal de verregaande geëxalteerdheid velen afstoten; zelf vind ik met name Jenseits von Gut und Böse en Zur Genealogie der Moral een stuk
evenwichtiger en toegankelijker; ik ben geneigd die beide boeken als
Nietzsche’s hoofdwerken te zien), is een terugkeer tot het Verhaal, zelfs tot
de Mythe, wat dient als een procedé om van een aantal losse observaties één
geheel te maken.
Over de persoon Zarathoestra, die
in dit boek centraal staat, horen we dat hij op zijn 30e zijn
geboorteland heeft verlaten om in de bergen te gaan wonen, die hij na een
teruggetrokken verblijf van 10 jaar weer verlaat om zich onder de mensen te
begeven.
De voetreizen van Zarathoestra vormen het kader voor zijn observaties, adviezen
en spreuken.
Zarathoestra is een mythische
figuur, genoemd naar de Perzische godsdienststichter, maar heeft tegelijkertijd
ook veel overeenkomsten met Jezus. Analoog aan de vier evangelieën heeft ook Also sprach Zarathustra vier boeken; net
als Jezus trekt hij rond om te onderwijzen en toespraken te houden en verzameld
hij een kleine groep om zich heen om hen tot volgelingen te maken, wat
uiteraard doet denken aan de discipelen van Jezus. Het verschil is echter dat
dat niet lukt en hij uiteindelijk alleen blijft.
Het is Zarathoestra zelf die
weigert deze mensen te leiden, het zijn allemaal uitgeputte en vermoeide
wezens, de ‘veel te velen’, ‘die aan tering van de ziel lijden’. Deze mensen
moeten zich maar wenden tot de ‘doodspredikers’ die hun de afkeer van het leven
aanraden: “Laten ze hen maar met het ‘eeuwige leven’ van dit leven weglokken.”
Hoewel het helemaal de vraag blijft
wie nu eigenlijk de ontvangers van zijn leerstellingen en adviezen moeten zijn,
is het wel duidelijk dat Nietzsche van mening is, dat deze Zarathoestra een
uitzonderlijk hoog niveau qua mens-zijn heeft bereikt.
In het latere Ecce homo zegt hij,
terugblikkend op Also sprach Zarathustra:
“Hier is op elk ogenblik de mens te boven gekomen, het begrip Übermensch wordt
hier de hoogste realiteit.” In Zarathoestra is het ‘hoogste type van al het
zijnde’ belichaamd: de uiterste vastbeslotenheid om JA te zeggen tegen het
leven en zelfs geen bezwaar te hebben tegen de eeuwige terugkeer daarvan.
En dat vind ik werkelijk een hele mooie gedachte.


Geen opmerkingen:
Een reactie posten