Mijn vorige stuk ging over Richard Wagner. Mijn invalshoek wat betreft Friedrich Nietzsche is nu in eerste instantie ook: zijn verhouding tot Wagner. In augustus 1876 werden de eerste Bayreuther Festspiele gehouden; de complete Ring des Nibelungen werd opgevoerd. Nietzsche, die zich in het verleden had laten kennen als Wagner-adept, was daar ook aanwezig, maar vluchtte al snel naar een landelijker omgeving in het Zwarte Woud. Hij werd gepijnigd door hoofdpijnen. “Bijna had ik er spijt van”, schrijft hij over het bezoek aan zijn zus Elisabeth, “want tot nu toe was het vreselijk.”
Wellicht had het te maken met de zomerse hitte waar hij net goed tegen kon,
wellicht ook met de drukte rond het Festspielhaus (Nietzsche had een
overgevoelige natuur die snel overprikkeld raakte), maar het wees er zeker ook
op dat hij steeds meer afstand voelde t.o.v. de voorheen bewonderde componist.
(In de herfst van 1876 zou het tot een complete breuk komen). Terwijl hij
daarvoor kind aan huis was geweest in de Zwitserse residentie van Wagner en
zijn vrouw Cosima, villa Tribschen in Luzern, en met zijn boek Richard Wagner in Bayreuth een
gloedvolle verdediging had geschreven van de componist en zijn project van het
totaalkunstwerk, dat pas nu, in diens eigen theater, ten volle gerealiseerd zou
kunnen worden. Nietzsche had de naderende Bayreuther Festspiele
gekarakteriseerd als een herleving van de oude Griekse cultuur en Wagner
vergeleken met de tragediedichter Aeschylus. Hij zag het als een hervorming van
het theater dat de moderne mensheid op een hoger plan zou brengen. Een
nauwelijks waar te maken eerbewijs. En een onorthodoxe visie waarmee hij zijn
eigen carrière (Nietzsche was professor in de klassieke filologie in Bazel) op
het spel zette.
Aan Wagners vrouw Cosima schrijft hij in die tijd: “Denk ik terug aan wat ik
heb durven schrijven, dan sluit ik de ogen en een grote schrik overvalt me. Het
is bijna alsof ik mezelf op het spel heb gezet.”
Na een dergelijke steun aan Wagners
project, met de volle inzet van zijn persoon, had hij verwacht dat hij in
Bayreuth als bijzondere gast en met alle egards ontvangen zou worden, maar dat
was niet het geval. Richard was te druk met de organisatorische kant van het
festival, wat nog begrijpelijk was, maar ook Cosima (op wie Nietzsche heimelijk
verliefd was) had nauwelijks aandacht voor hem; zoals een ooggetuige over haar
schreef: “... je ziet aan haar, dat ze haar eigenlijk talent liever in de
kringen van de haute volée aan de dag
legt dan in kunstenaarskringen.”
Dat zal Nietzsche zijn
tegengevallen, maar wat hem vooral tegen de borst stuitte, was het publiek dat
hij aantrof: mensen uit de hogere burgerlijke en aristocratische kringen (“het
lanterfantende uitschot van Europa”, noemde hij ze) die vooral geëntertaind
wilden worden en weinig ophadden met de hooggestemde (misschien té hooggestemde)
idealen die Nietzsche (maar Wagner zelf ook!) aan het Festspielproject
toeschreef.
In zijn pas na 1889 (toen Nietzsche
in Turijn compleet instortte en daarna tot aan zijn dood een bedlegerige, door
zijn zus verpleegde patiënt zou zijn) gepubliceerde boek Nietzsche contra Wagner bekent hij al in de zomer van 1876
innerlijk afscheid te hebben genomen van de man die hij ooit ‘het grootste
genie en de grootste mens van deze tijd’ had genoemd. Nadat Wagner van
Zwitserland naar Bayreuth was verhuisd en de familie daar de villa Wahnfried
had betrokken, zegt Nietzsche, “daalde hij stap voor stap af tot alles wat ik
veracht – zelfs tot het antisemitisme. Het was toen inderdaad de hoogste tijd
om afscheid te nemen”. Wat hem bovendien buitengewoon gestoord had, voegt hij
daar terugblikkend aan toe, was dat Wagner met zijn Parsifal ‘een knieval voor
het christelijke kruis’ had gemaakt. Daar had hij in 1876 nog geen kennis van
kunnen nemen, maar het vergrootte later alleen maar de afstand die hij tot zijn
vroegere meester en mentor voelde...
Toch heeft Nietzsche zich, zoals
gezegd, lange tijd opgesteld als de wegbereider van Wagners project. (Hij is
Wagner ook altijd, ondanks de grote bezwaren die hij had en waarvan hij in
allerhande publicaties op niet mis te verstane wijze getuigde, als een groot
kunstenaar blijven beschouwen). De componist wilde niets meer en niets minder
dan met zijn muziektheater de antieke Griekse tragedie nieuw leven inblazen,
iets dat door Nietzsche filosofische onderbouwing had gekregen in zijn boek De geboorte van de tragedie. De hoogst
originele hoofdgedachte van dat werk is de verbinding van het appollinische, de
intellectuele helderheid die wordt vertegenwoordigd door de god Apollo, en het
dionysische, het roesachtige enthousiasme dat wordt verbeeld door Dionysos. (Nietzsche
was overigens deze gedachte voor het eerst tegengekomen in een geschrift van Wagner).
Nietzsche brengt deze basiselementen van de Griekse cultuur in verband met
Wagners streven de verschillende kunstvormen bijeen te brengen in het
totaalkunstwerk; daarnaast brengt hij binnen die Griekse cultuur een scherpe
scheidslijn aan die te maken heeft met de figuur van Socrates. Door zijn
intellectualisme is hij verantwoordelijk voor het verlies van het tragische
bewustzijn dat vanaf dan vervangen wordt door een vrolijk, oppervlakkig
optimisme. Nietzsche maakt een onderscheid tussen de tragediedichters Aeschylos
en Sophocles enerzijds, die nog de oorspronkelijke tragedie vertegenwoordigen,
en Euripides anderzijds, die al sterk onder de invloed van Socrates stond
(Socrates ging alleen maar naar het theater als er iets van Euripides geprogrammeerd
stond).
Nietzsche benadrukt de
religieus-extatische oorsprong van de tragedie, alsook het centraal staan van
de dionysische hartstochten. In Athene was het destijds de taak van het koor en
van de (geheel verloren gegane) muziek geweest ‘het lijden van de god en de
held in zo sterk mogelijk medelijden bij de toehoorders om te zetten’. (Een
gedachte die we overigens ook al in de Poetica van Aristoteles terugvinden). Doordat, met ingang van het werk van Euripides
en onder invloed van het socratische denken, de ‘werkelijkheid van het leven
van alledag’ op het toneel was gekomen, was de tragedie in wezen
geseculariseerd en minder plechtig geworden. Socrates als voorbereider van het
wetenschappelijke denken had de triomf van de appollinische helderheid betekend
over de roes en de gedrevenheid van het dionysische. Kunst en wetenschap vormen
voor Nietzsche een elkaar uitsluitende tegenstelling en representeren een
andere, nog wezenlijker tegenstelling, namelijk die tussen pessimisme (kunst)
en optimisme (wetenschap, verlichtingsdenken). Het tragisch bewustzijn moest
plaatsmaken voor een naïef vertrouwen in het bestaan.
Deze visie op de oudheid was een
andere dan de in die tijd gebruikelijke die juist (de historicus Winckelmann is
voor die visie heel bepalend geweest, evenals de opvattingen van Goethe)
evenwicht, harmonie en schoonheid als kenmerkend zagen voor de antieke kunst.
Voor Nietzsche ging het echter juist om roes en overmaat, instinct en
zelfverlies; hoewel ook gezegd moet worden dat hij in de loop van de tijd het
appollinische element is gaan herwaarderen: dat was óók noodzakelijk, het ging
in de Griekse tragedie juist om de combinatie van zelfcontrole en exces, het
appollinische verstand was er om de grootste uitwassen in toom te houden.
“Deze verzoening”, schrijft hij in De
geboorte van de tragedie, “is het belangrijkste ogenblik in de geschiedenis
van de Griekse cultus. Het was de verzoening van twee tegenstanders, die
gepaard ging met scherpe afbakening van de van nu af aan tussen hen geldende
scheidslijnen en met periodieke uitwisseling van eerbewijzen.”
Doorgetrokken naar de tijd waarin
hij zelf leefde, betekende dit dat Nietzsche zich teweer stelde tegen de
erfenis van de Verlichting. De heerschappij van het verstand die de
belangrijkste component is van die erfenis, is alleen dragelijk wanneer zij
gecomplementeerd wordt door de emancipatie van de lichamelijkheid en wanneer we
ons los weten te maken van de ons opgelegde religieuze en morele restricties. Uiteraard
keert Nietzsche zich hiermee ook tegen het Christendom.
(In dit verband is voor Nietzsche
de figuur van Prometheus heel belangrijk; hij eiste ook dat een afbeelding van
de bevrijde Prometheus op de voorpagina van zijn Geboorte van de Tragedie zou komen. Prometheus was geen God, maar
een Titaan; de Goden hadden in een onderlinge confrontatie de Titanen verslagen,
maar hadden daarbij de hulp van de overgelopen Prometheus nodig gehad. De
Titanen werden opgesloten in de tartarus, maar er bleef een titaans element
achter dat voor onrust bleef zorgen: Prometheus. Bij Nietzsche staat hij voor
het dionysische element, voor ongeordende beweging en revolte in een verder
strak appolinisch geordende wereld. En alleen m.b.v. zo’n katalysator kan een
religie zich verder ontwikkelen, stolt ze niet in dogma’s. Vervolgens heeft
Prometheus ook de mens verder geholpen: hij stal het vuur voor hen van de Goden
en maakte de mensheid zo los van de heerschappij der goden).
De bloeitijd van de Griekse
tragedie vond plaats onder invloed van het dionysische element. Die bloeitijd is
echter kortstondig geweest: “Door de tragedie krijgt de mythe zijn diepste
inhoud, zijn expressiefste vorm; hij verheft zich nog één keer, als een gewonde
held, en in zijn oog dat voor het laatst schitterend glanst, brandt heel het
overschot van kracht en tegelijkertijd de wijze rust van de stervende.”
De basis voor het nu dominante
verlichtingsdenken wordt al in de oudheid gelegd. De dood van de tragedie liet
een ‘ontzaglijke, alom diepgevoelde leegte’ achter. Het ‘esthetische
socratisme’ triomfeerde en Euripides verdreef het dionysische element uit de
tragedie.
De ‘optimistische wetenschap, met haar stamvader Socrates voorop’ had
gezegevierd over de ‘tragische wereldbeschouwing’, over de mythische
levensvisie en de geest van de muziek, die bij uitstek dionysische vorm van
kunst.
Twee ontwikkelingen wezen er
volgens Nietzsche op dat een ommekeer zich begon in te zetten: de Duitse muziek, zoals die zich ontwikkeld
had via Bach en Beethoven en geculmineerd was in het Gesamtkunstwerk van Richard Wagner en de ‘uit dezelfde bronnen
stromende geest van de Duitse filosofie’, waarbij Nietzsche met name Kant en
Schopenhauer noemt.
De hoofdpijnen waardoor Nietzsche
geteisterd werd bij zijn bezoek aan de eerste Bayreuther Festspiele zullen deels
ook psychosomatisch geweest zijn: zoals we hebben gezien, was hij er zich van
bewust dat hij zich steeds verder van Wagner verwijderde en dat zal een
pijnlijk besef zijn geweest. Nietzsche, die geobsedeerd was door de vader die
hij op 5-jarige leeftijd had verloren (hij was altijd bang om, net als zijn
vader, op zijn 36e te zullen sterven), moet een tijdlang in Wagner,
die net als Nietzsche sr. geboren was in 1813, een vaderfiguur gezien hebben.
Door hoofdpijnen werd hij al zijn
leven lang geplaagd; het is niet overdreven om te zeggen dat Nietzsche een
ziekelijk mens was: hij leed aan een extreme mate van bijziendheid, wat hem
tegen het einde van zijn (actieve) leven het werken steeds verder bemoeilijkte
en kreeg daar in zijn studententijd in Bonn een syfilitische infectie bij, na
een bezoek aan een prostituee, met reumatische pijnen en chronische infecties
als gevolg. Ook had hij last van zijn ingewanden. De middelen die hij kreeg
toegediend om zijn pijnen te bestrijden moeten hem langzaamaan vergiftigd
hebben. Na zijn instorting in Turijn in 1889 ontwikkelde zich een snel
voortschrijdende dementie. Hij kreeg drie beroertes, waarvan de laatste, op 25
augustus 1900, dodelijk was. Hij had zijn vader met 20 jaar overleefd, waarvan
hij echter maar negen jaar tot werken in staat was... (En het is alsof hij dat
voorvoeld heeft, want zijn laatste volle werkjaar, 1888, was het productiefste
van allemaal).
In feite is het zo dat Nietzsche
het lijden omarmde; zijn ziektes en het leed dat daarmee gepaard ging uitriep
tot voorwaarden van zijn filosofie en het uithouden van de pijn tot
levensopgave. Hij identificeerde zich met de Dionysos, de god die door Titanen
aan stukken werd gereten, maar daarna weer herrees.
In zijn Vrolijke Wetenschap spreekt
hij over de ‘grote gezondheid’, die hij definieert als ‘een nieuwe gezondheid,
een sterkere zekerdere taaiere gedurfdere opgewektere dan alle soorten
gezondheid in het verleden’. Deze gezondheid bereikt alleen wie bereid is zich
steeds weer met ziektes in te laten en zich daaraan te ontwikkelen.
Nietzsche zag het leven zo dat,
wilde het niet oppervlakkig geleefd worden, het opgevat en geaccepteerd moest
worden als een onvermijdelijk lijden. Pijn ervaren is een manier om een
intensief en diepgaand leven te leiden. En hij verbond zijn eigen ziekte met de
filosofie van Schopenhauer, de tweede grote invloed in Nietzsches jonge jaren,
van wie hij zich, net als dat bij Wagner het geval was, later heeft afgekeerd.
In een brief staan deze vaak geciteerde regels: “Mij bevalt aan Wagner, wat me
ook bevalt aan Schopenhauer, de ethische lucht, de faustische geur; kruis, dood
en groeve.”
Ook lang nadat hij zich van Wagner en Schopenhauer had afgekeerd bleef wat hij
zijn ‘tragische bewustzijn’ noemde, centraal staan, vaak ook in relatie tot de
dionysische mens in een mengeling van lust en leed, extase en doodsbesef. Die
dionysische mens is het volstrekt tegengestelde van het kleine geluk, zoals dat
ervaren wordt door de ‘laatste mens’, die opduikt in Nietzsches Also sprach Zarathustra. Hij noemt hem
daar ‘de verachtelijkste mens’ – “’Wij hebben het geluk uitgevonden’, zeggen de
laatste mensen met een knipoog. Zij hebben de streken verlaten waar het leven
hard was, want mensen hebben warmte nodig. Ze hebben zelfs hun buren lief en
kruipen tegen hen aan, want mensen hebben warmte nodig. Ziek worden en
wantrouwen koesteren vinden ze maar zondig: ze lopen behoedzaam voort...”
Naast deze nadruk op lijden en
ziekte is een ander kenmerk van Nietzsche’s zielegesteldheid een voortdurend
heen en weer zwenken tussen een extreme bevreesdheid voor alles waarmee hij in
het leven geconfronteerd werd, faalangst ook – en een aan grootsheidswaanzin
grenzende zelfingenomenheid, die Nietzsche’s werk voor mij vaak zo moeilijk te
verteren maakt.
Nietzsche’s eerste publicatie was
het genoemde De geboorte van de tragedie.
Het boek dat hem, vanwege zijn onorthodoxe opvattingen, onmogelijk heeft
gemaakt in de vakkringen van de klassieke filologie. Opvallend is hoe kritisch
Nietzsche zestien jaar na publicatie is over dit werk, wanneer hij voor een
herdruk een Proeve van zelfkritiek
schrijft. Hij noemt het boek daar ‘slecht geschreven, omslachtig [inderdaad in
een stroperige, langdradige stijl die nog niets heeft van de messcherpe
helderheid van zijn latere werk], pijnlijk, met een manische en warrige
beeldtaal, overdreven gevoelig... zeer zelfverzekerd en zich daarom boven het
bewijzen verheven voelend - een hoogmoedig en dweperig boek’.
Natuurlijk is deze zelfkritiek
geschreven vanuit het perspectief van de latere Nietzsche, die zich had
gedistantieerd van Wagner (hij had zich ‘onder de slechte manieren van de
wagneriaan verstopt’, schrijft hij nu) en het Duitse nationalisme en zichzelf
nu zag als wetenschapper. Zelfkritiek was voor hem de weg geweest waarlangs hij
van filoloog in filosoof was veranderd. De zelfkritiek heeft voor Nietzsche
dezelfde functie als de ziekte: ze brengt hem verder en dwingt hem zijn
gedachten precies te formuleren. En tegelijkertijd is ze uiterst pijnlijk, maar
dat was iets waar Nietzsche absoluut niet voor terugschrok.
Zijn intellectuele autobiografie Ecce homo is één lange zelfkritiek, maar
daarin tegelijkertijd een zelferkenning, zelfs zelfvergroting, zoals geen
enkele andere intellectueel ooit voor zichzelf geschreven heeft. Het laatste
hoofdstuk begint met de zin: “Met het oog op het feit dat ik de mensheid
binnenkort moet confronteren met de zwaarste eis die ooit aan haar is gesteld,
lijkt het me onontbeerlijk te zeggen wie
ik ben.” Waarop een opsomming begint die zijn eigen grootheid moet
karakteriseren. Vroeger schreef hij over Wagner en Schopenhauer, maar dat was
eigenlijk een vergissing geweest; de grootste tekortkoming van zijn werk uit
die tijd (hij bedoelt met name zijn Oneigentijdse
beschouwingen) was dat hij daar de naam verzweeg van degene om wie het
uiteindelijk draaide: Friedrich Nietzsche.
Ik heb zojuist geschreven dat
Nietzsche zich, behalve van Wagner, ook steeds verder distantieerde van de
Duitsers en het Duitse nationalisme. In 1870-71 was dat nog niet zo; Nietzsche
nam toen deel aan de Frans-Duitse oorlog, die de beslissende stap was naar de
stichting van het Duitse Rijk en tevens het einde betekende van het bewind van
Napoleon III in Frankrijk. Omdat hij, ondanks zijn ziekelijke inborst, per se
deel uit wilde maken van de historische gebeurtenissen die op stapel stonden,
meldde hij zich vrijwillig aan als verpleger bij het leger (Als Bazels
hoogleraar viel hij onder het Zwitserse neutraliteitsgebod; hij mocht geen
wapens dragen en kon dus alleen als verpleger dienst doen).
Hij bezocht het slagveld van Wörth, waar op 6 augustus 1870 bij grensgevechten
het Duitse leger een overwinning op het Franse had geboekt, die achteraf gezien
kan worden als een (psychologisch) keerpunt: vanaf dat moment kon de opvatting
postvatten dat het Franse leger niet langer onoverwinnelijk was en dat de
gevechten op Franse, niet op Duitse bodem zouden plaatsvinden. Toen Nietzsche
op het slagveld aankwam, was de veldslag overigens al voorbij. Wel heeft hij
een begrafenis van dode soldaten meegemaakt.
Bij een transport van gewonden terug naar Duitsland liep hij een infectie op en
leed vervolgens wekenlang aan dysenterie. Dat was voor hem het einde van zijn
deelname aan de oorlog; hij had geen deel kunnen uitmaken van beslissende
historische gebeurtenissen zoals hij dat gehoopt had; zijn bijdrage was beperkt
gebleven tot het verzamelen van Franse geweerkogels en de begeleiding van een
gewondentransport – alsook de nog lang aanhoudende herinnering aan de geur van
het slagveld van Wörth.
Toen al rezen bij hem de eerste
twijfels. Waren alle opofferingen wel de moeite waard geweest? De nationale
eer, de eenwording van Duitsland of de annexatie van Elzas Lotharingen
interesseerden hem niet zoveel. Wat voor hem vooral van belang was, was de
vraag of de oorlog al dan niet de Duitse cultuur bevorderd had. En die vraag is
hij in de loop van de tijd in toenemende mate negatief gaan beantwoorden.
Hij beschouwde, schreef hij al in november 1870, ‘het huidige Pruisen als een
voor de cultuur uiterst gevaarlijke macht’. En een maand later: “Voor de Duitse
veroveringsoorlog nemen mijn sympathieën langzaam af. De toekomst van onze
Duitse cultuur lijkt me steeds meer in gevaar te zijn.”
Eerder, in zijn Geboorte van de tragedie, had Nietzsche
het nog gehad over de ‘Duitse wedergeboorte van de Griekse wereld’. Zo’n
culturele missie lijkt nu onmogelijk te zijn geworden; in Nietzsche’s ogen
wedijverden politiek en cultuur met elkaar en zou de stichting van het Duitse
rijk, die hij zag als de definitieve overwinning van het middelmatige Duitse
burgerdom, betekenen dat de Duitse cultuur in de verdrukking kwam.
Na de overwinning op de Fransen was
Wilhelm in de spiegelzaal van Versailles tot keizer van Duitsland gekroond.
Nietzsche had zo zijn twijfels over de vermenging van protestantisme en
keizerrijk, van religie en staatsmacht die de inhuldigingsceremonie zo
overduidelijk te zien had gegeven. En waar hij zich vooral zorgen over maakte,
zo blijkt uit het deel van de Oneigentijdse
beschouwingen met de titel Over nut
en nadeel van de geschiedenis voor het leven, was dat veel Duitse
intellectuelen de Duitse overwinning op de Fransen en de stichting van het
keizerrijk zagen als de bekroning van een onomkeerbaar historisch proces:
“Zo’n zienswijze heeft de Duitsers eraan gewend om van het ‘wereldproces’ te
spreken en hun eigen tijd als het noodzakelijk resultaat van dit wereldproces
te rechtvaardigen.”
Met zijn verwijzing naar de
opvatting over de geschiedenis als ‘dialektiek van de geest der volkeren’ en
een ‘wereldgericht’ verwoordt Nietzsche zeker zijn kritiek op de dialektiek van
Hegel (die van grote invloed is geweest op het intellectuele debat in
Duitsland) en het historisch materialisme van Marx, die de stichting van een
toekomstige arbeidersstaat als het onontkoombare resultaat zag van de
historische ontwikkelingen; maar ook op de visie van Wagner, die de overwinning
op de Fransen zag als een noodzakelijke omkering van wat de Fransen onder
Lodewijk XIV in Duitsland hadden aangericht, met grote verwoestingen en het
verlies van Elzas Lotharingen als resultaat en die een terugkeer van het
Middeleeuwse Duitse keizerrijk voorzag.
Veel later, in 1888, het laatste
jaar waarin Nietzsche nog productief was, schrijft hij in Afgodenschemering:
“’Zijn er Duitse filosofen? Zijn er Duitse dichters? Zijn er goede Duitse
boeken?’, wordt mij in het buitenland gevraagd. Ik bloos, maar met de moed die
mij ook in wanhopige situaties niet in de steek laat, antwoord ik: ‘Ja,
Bismarck!’ Waar eens filosofie en kunst het denken en handelen van de Duitsers
hadden bepaald, heerst nu Bismarck – en hij alleen.”
Maar al snel gingen Nietzsche’s
culturele analyses een veel breder terrein bestrijken dan alleen een kritiek
betreffende de teloorgang van de Duitse cultuur; het werd een religiekritiek
waarin één van Nietzsche’s beroemdste (of moet ik zeggen beruchtste)
karakteriseringen centraal is komen te staan: de Dood van God. We moeten dit
zien tegen de achtergrond van de opkomst van Darwins evolutietheorie, door
Nietzsche (die zich, zoals we hebben gezien, nu eerder als wetenschapper dan
als kunstenaar ging afficheren) aangehangen. Hierdoor was het onmogelijk nog te
spreken van de goddelijke afkomst van de mens: “Dit is nu een verboden weg
geworden”, aldus Nietzsche, “want voor zijn toegangsdeur staat de aap, en ander
gruwelijk gedierte, dat zijn tanden laat zien als om te zeggen: ‘niet verder in
deze richting’”.
“In een of andere afgelegen hoek van het in talloze zonnestelsels flonkerend
uitgegoten heelal was er eens een hemellichaam waarop slimme dieren het kennen
uitvonden. Het was de hoogmoedigste en leugenachtigste minuut van de
‘wereldgeschiedenis’: maar toch maar een minuut. Na enkele ademhalingen van de
natuur verstarde het hemellichaam en de slimme dieren moesten sterven.”
Ik vind dit verschrikkelijk om te
lezen, maar waar ik toch bewondering heb is Nietzsche’s moed en eerlijkheid,
zijn vermogen om na zo’n deprimerende analyse niet bij de pakken neer te zitten,
maar een motivatie te vinden om door te gaan. Hoe het toch mogelijk is om het
in zo’n troosteloze wereld uit te houden: dat werd de bepalende vraag in
Nietzsche’s denken. Hoe vast te houden aan eerlijkheid tegenover jezelf, jezelf
totaal geen illusies meer te maken, maar zonder in afgrondelijke twijfel weg te
zinken en (ten tweede) hoe een moraal eruit moest zien zonder een religieuze
basis die niet vrijblijvend was. Van Morgenrood
en De vrolijke wetenschap tot aan De genealogie van de moraal en De antichrist bestookte Nietzsche
zichzelf met deze vragen en zocht hij steeds weer, onvermoeibaar, naar nieuwe
antwoorden. Is het teveel om te stellen van dit niets ontziende, nooit
eindigende vragen uiteindelijk tot Nietzsche’s krankzinnigheid heeft geleid?
De vooruitgang der wetenschappen en
de daarmee steeds verder oprukkende atheïstisch-materialistsiche
wereldbeschouwing van veel intellectuelen en wetenschappers had in Nietzsche’s
tijd geleid tot wat Georg Lukács later ‘transcendentale dakloosheid’ zou noemen.
Er waren, aldus Nietzsche, maar twee mogelijkheden: zonder God was de mens
zinloos – of hij verschaft zichzelf
een zin.
“De mens is iets wat we te boven moeten komen.” Uiteindelijk ziet Nietzsche
zichzelf echter gedwongen te erkennen dat bevrijding van de mens uit de religie
slechts voor enkelen mogelijk is, die zichzelf daartoe verheffen tot Über-Menschen, dat door de nazi’s zo
schaamteloos misbruikte begrip. Het is een misverstand te denken dat Nietzsche
zich vrolijk maakte over de Dood van God, hij zag wel degelijk in hoe rampzalig
dit was voor het gedeelte van de mensheid dat zich geen goed alternatief kon
verschaffen en zich zelfs ook niet realiseerde hoe serieus de situatie was
waarin zij nu terecht waren gekomen. De uitspraak dat God dood is, moet
niet als een overwinningskreet beschouwd worden, maar als een uiting van verdriet.


Geen opmerkingen:
Een reactie posten