Waar Hamlet het Shakespeare-personage is, uitgerust met de grootste cognitieve kracht, geldt voor Macbeth dat hij degene is met verreweg de grootste verbeeldingskracht. Je zou zelfs kunnen zeggen dat hij de gevangene is van zijn eigen imaginaties, van impulsen die hij niet anders kan dan beantwoorden met handelingen waartoe hij zich gedwongen voelt. Macbeth kan de beelden van de duistere nachtwereld die hij in zijn binnenste opborrelen niet meer bijbenen. Hij heeft zich een bepaalde handeling nog niet voorgesteld, of hij maakt al een sprong de toekomst in om die te realiseren, vervolgens met ontzetting terugblikkend op de impuls die hem oorspronkelijk stuurde. Hij wordt geplaagd door visioenen van wat er te gebeuren staat, hij is een onvrijwillige waarzegger. (De heksen, de Weird Sisters zoals ze bij Shakespeare heten, zien in hem onmiddellijk een verwante geest). Maar Macbeth helpt vervolgens ook om door zijn eigen handelen de voorspellingen te doen uitkomen. Hij handelt op zijn donkerste impulsen nog voordat hij deze geheel en al begrepen heeft, voordat ze volledig in zijn bewustzijn gekomen zijn. Hij leeft temidden van hallucinaties die hem in de loop van het stuk zijn functioneren in toenemende mate onmogelijk maken.
Het stuk Macbeth begint met donder en bliksem en de opkomst van de heksen
die spreken in antithetische raadselen:
“When the battle’s lost and won.” “Fair is foul and foul is fair.”
Dan is er een scène aan het hof van
King Duncan, waarbij de koning van Schotland bijgepraat wordt over de heldendaden
van Macbeth (die een neef van de koning is) in zijn strijd tegen de rebellen en
de Noorse troepen. Het eerste wat we horen over hem betreft zijn ongekende wreedheid
in de wijze waarop hij een één van de aanvoerders van de tegenstander naar de
andere wereld heeft geholpen (ik zal het niet letterlijk citeren, het is al te
gruwelijk). Men beschrijft hem als de bruidegom van Bellona, de oorlogsgodin.
In de volgende scène zijn Macbeth
en zijn strijdmakker Banquo op terugreis. Onder grimmige omstandigheden (‘So
fair and foul a day I have not seen’) ontmoeten zij nu de drie heksen, die
Banquo ontzet doen terugdeinsen:
“What are these, so withered and so wild in their attire, that look not like
the inhabitants of the earth and yet are on it?”
De heksen voorspellen dat Macbeth Thane of Cawdor (een adellijke titel) en
daarna zelfs koning zal zijn. Banquo: “Good sir, why do you start and seem to
fear things that do sound so fair?” (Macbeth oogt kennelijk hevig geschrokken
bij het aanhoren van de voorspelling). En hij vraagt zich af of de heksen echt
zijn, dan wel hallucinaties: “In name of the truth, are ye fantastical, or that
indeed which outwardly ye show?”
Banquo vraagt de heksen dan of ze
iets over zijn toekomst kunnen
zeggen? Banquo zal zelf geen koning zijn, maar zijn kinderen wel. (Macbeth werd opgevoerd voor King James
I, die, voordat hij Elizabeth I opvolgde, de Schotse King James VI was, een
veronderstelde afstammeling van Banquo. In de kroniek van Holinshed, waarop
Shakespeare zich baseerde, is Banquo medeplichtig aan de moord op Duncan, maar
met James I als toeschouwer was hij vrijwel verplicht om Banquo gunstiger af te
schilderen).
Het lange terzijde van Macbeth
tijdens deze scène geeft aan dat hij zich nog steeds niet herpakt heeft. Zijn
enorme verbeeldingskracht begint te werken en brengt beelden bij hem naar boven
die hem volledig uit zijn evenwicht brengen:
“This supernatural soliciting cannot be ill, cannot be good... If good, why do
I yield to that suggestion whose horrid image doth unfix my hair and make my
seated heart knock against my ribs?... My thought, whose murder [daar is de gedachte voor het eerst] is but fantastical
shakes so my single state of man that function [elke potentiële handeling] is
smothered...” Nog is het concrete uitvoeren van wat in zijn verbeelding
opborrelt, hem onmogelijk. En de daaropvolgende regel zou het motto van het
stuk kunnen zijn: “And nothing is, but what is not.” Wat werkelijkheid is, en
wat onwerkelijkheid is, verwisselen van plaats. Een veeg teken.
Lady Macbeth ontmoeten we voor het
eerst wanneer zij de brief van haar man leest die haar inlicht over de
voorspellingen van de Weird Sisters. Zij
is duidelijk van mening dat haar echtgenoot niet tot zoiets excessiefs als
moord in staat is om zijn ambitie te verwezenlijken en zo de voorspelling een
handje te helpen:
“Yet do I fear thy nature, it is too full of the milk of human kindness [dit
is, zoals zoveel Shakespeare-citaten, een standaarduitdrukking in het Engels
geworden] to catch the nearest way. Thou would’st be great, art not without
ambition, but without the illness [in de betekenis van: wickedness] that should
attend it. What thou wouldst highly, that wouldst thou holily, wouldst not play
false.”
M.a.w.: Lady Macbeth ziet haar man, enigszins overdreven wellicht, als een
heilig boontje. Maar het is duidelijk dat ze óók van hem houdt en niets liever
ziet dan dat hij zijn ambitie waarmaakt.
Harold Bloom (die een mooie studie
over dit stuk schreef, waaraan ik veel heb ontleend: Macbeth, a dagger of the mind) noemt de Macbeths het gelukkigste
huwelijk in Shakespeare. Hun machtbelustheid en gewelddadigheid houdt gelijke
tred met de passie die ze hebben voor elkaar en hun verlangen naar elkaar.
Wanneer Lady Macbeth te horen
krijgt dat King Duncan en zijn gevolg onder haar dak komt logeren, beantwoordt
ze dat nieuws met een woeste exaltatie:
“Come you spirits that tend on mortal thoughts [in dit geval: moordlustige
gedachten], unsex me here and fill me from crown to the toe, top-full of direst
cruelty... Come, thick night... that my knife see not the wound it makes.”
Ze lijkt zich dus aanvankelijk voor te nemen zélf de moord te plegen. (Later
zegt ze: “Had he not resembled my father as he slept, I had done it.”)
Wanneer Macbeth bij zijn vrouw
thuis komt, blijkt onmiddellijk hoezeer zij hem domineert. Zij zweept hem op en
gebiedt hem uiterlijk vriendelijk te blijven naar de koning maar ondertussen
kwaadaardige intenties te koesteren:
“... look like the innocent flower, but be the serpent under it. He that’s
coming [de koning] must be provided for; and you shall put this night’s great
business into my dispatch.” Het is duidelijk dat zij aan het roer staat bij
deze operatie.
Wanneer King Duncan, met Banquo in
zijn gevolg, bij Macbeth’s kasteel aankomen, staan de ongerustheid en het
voorgevoel van wat komen gaat die bij ons zijn opgebouwd in schril contrast met
de onschuld van zowel de koning (‘the air nimbly and sweetly recommends itself
unto our gentle senses’) als Banquo (‘heaven’s breath smells wooingly here...
the air is delicate’). Het lijkt hen een vredige plek. Geen enkel vermoeden.
En ook bij de begroeting weet Lady
Macbeth haar voorgenomen wreedheid onder de vriendelijkheid van een gastvrouw te
verbergen.
De eerste soliloquy, of
alleenspraak, van Macbeth, die zich heeft teruggetrokken terwijl Duncan en zijn
gevolg aan tafel zijn:
“If it were done, when ‘tis done, then ‘twere well it were done quickly.” Maar
zo voortvarend is hij niet, opnieuw uit hij zijn bedenkingen:
“He’s here in double trust: first I am his kinsman and his subject, strong both
against the deed. Then, as his host, who should against his murderer shut the
door, not bear the knife myself. Besides, this Duncan hath borne his faculties
so meek, hath been so clear in his great office [en hier neemt Macbeths
verbeeldingskracht een enorme vlucht, het is schitterende poëzie], that his
virtues will plead like angels, trumpet-tongued, against the deep damnation of
his taking off; and pity, like a new-born babe, striding the blast, or heaven’s
cherubim, horsed upon the sightless couriers of the air, shall blow the deed in
every eye, that tears shall drown the wind.”
Hij heeft second thoughts, zou je
kunnen zeggen.
Maar opnieuw is het zijn vrouw die
hem weet te overtuigen:
“I am settled. Away, and mock the time with fairest show. False face must hide
what false heart doth know.”
Met zijn tweede soliloquy slaat
Macbeth aan het hallucineren: hij ziet een dolk die er niet is:
“Is this a dagger that I see before me, the handle towards my hand? Come, let
me clutch thee. I have thee not [als hij de dolk wil pakken grijpt hij niets
dan lucht], and yet I see thee still. ... art thou but a dagger of the mind, a
false creation, proceeding from the heat-oppressed brain?”
Het spookbeeld van de dolk wijst Macbeth de weg (naar de slaapkamer van Duncan,
waar de moord zal plaatsvinden): “Thou marshall’st me the way that I was going,
and such an instrument I was to use... On thy blade and dudgeon [het handvat]
gouts [drops] of blood, which was not so before.”
Macbeth kan zijn eigen verbeelding
niet meer bijbenen. Hij weet dat het slechts visionaire bloedruppels zijn op
het lemmet: “There’s no such thing. It is the bloody business which informs
thus to mine eyes.”
Wat volgt is een nachtelijk
visioen. De natuur slaapt en Hecate, godin der hekserij, heerst daar nu. Het
gehuil van een wolf klinkt in de nacht. Dan het luiden van de bel: Macbeth is
nu vastbesloten:
“I go, and it is done; the bell invites me. Hear it not, Duncan, for it is a
knell that summons thee to heaven, or to hell.”
Dit is een voorbeeld van hoe een gedachte bij Macbeth opkomt en hij
onmiddellijk een sprong maakt, de toekomst in. Eigenlijk is de daad nu al
volbracht en Duncan zo goed als dood.
Dit is in wezen een hele intieme
scène, we worden deelgenoot van Macbeth gevoelens en angsten, we delen in zijn
overwegingen. Niemand in het hele stuk, op Lady Macbeth na, houdt van hem en
wij zien dit ook met afschuw aan – en toch is er óók iets van identificatie met
de hoofdpersoon, hoe afstotend zijn daden ook zijn. Het is omdat we hem zo
dicht op de huid zitten. Als aan het einde van het stuk Macduff het toneel
opkomt en Macbeths afgehakte hoofd omhoog houdt (we zien hem niet sterven op
toneel) voelen we opluchting (dit kón zo niet verder), maar geen vreugde. Is
het de pure energie van beide Macbeths die zo aanstekelijk werkt, hoe negatief
gericht die ook is? Hun onderlinge verbondenheid? In hun kwaadaardigheid lijken
ze het aardse te ontstijgen en een dergelijke transcendentie is hoe dan ook
imponerend.
Ook van de moord op Duncan zijn we
geen getuige; we zien hoe de Macbeths elkaar ontmoeten nadat de daad volbracht
is (“I have done the deed”). Maar hij is volkomen van streek: “I could not say
‘Amen’... wherefore could I not pronounce ‘Amen’? I had most need of blessing
and ‘Amen’ stuck in my throat.”
En: “Methought I heard a voice cry: ‘Sleep no more. Macbeth does murder
sleep’...
Still it cried: ‘Sleep no more’ to all the house... ‘Macbeth shall sleep no
more’.”
Een stem van ver, groter dan die
van Macbeth zelf, daalt op hem neer. Lady Macbeth hoort het niet, maar wij wel.
Wij worden hier één met Macbeth.
Dan wordt er op de deur geklopt.
Het beangstigt Macbeth:
“Whence is that knocking? How is it with me, when every noise appals me?”
En dan deze schitterende regels: “Will all great Neptune’s ocean wash this
blood clean from my hand? No, this my hand will rather the multitudinous sea
incarnadine, making the green one red.”
Het is weer Lady Macbeth die haar
echtgenoot tot kalmte moet manen: ze moeten zich nu terugtrekken op hun kamer
en doen alsof ze tot dan toe geslapen hebben. Maar Macbeth wordt door berouw
gekweld: “Wake Duncan with thy knocking. I would thou couldst!”
Op dit punt gekomen mag dat
merkwaardig lijken, maar Lady Macbeth zal uiteindelijk degene zijn die hier aan
onderdoor gaat. Haar echtgenoot zal zich oprichten en met ongelofelijke mentale
kracht de ene na de andere catastrofe overleven totdat tenslotte ook hij zijn
lot niet meer kan ontlopen.
Het kloppen op de deur wordt
beantwoord door de geweldige Porter, dronken en uitbundig, die zichzelf de ‘porter
of Hell’s gate’ noemt en allerlei grappen maakt over hel en verdoemenis zonder
te weten hoe toepasselijk die wel niet zijn in het licht van de moord die net
is gepleegd. Dit is een staaltje ‘comic relief’: Macduff en Lennox zijn gekomen
om de koning wakker te maken, maar worden geconfronteerd met, zoals Harold
Bloom zegt, ‘a clown so memorable that he challenges Lear’s Fool’.
Macduff ontdekt de moord op Duncan
en slaat alarm: “Most sacrilegeous murder hath broke ope the Lord’s anointed
temple [het lichaam van de koning, die Gods gezalfde was] and stole thence the
life of the building.”
Macbeths al even eloquente reactie:
“Had I but died an hour before this chance, I had lived a blessed time; for
from this instant there’s nothing serious in mortality [hier in de betekenis
van: the human condition]; all is but toys; renown and grace is dead, the wine
of life is drawn.”
Deze ogenschijnlijk oprecht
aangedane reactie van de man die zelf de moord gepleegd heeft, is uiteraard
bedoeld om iedereen om de tuin te leiden. Maar het is ook dubbel: Macbeth drukt
hiermee óók uit wat hij diep in zijn binnenste voelt en komt hiermee dichter
bij de waarheid dan hij zelf wellicht vermoedt: zijn leven is inderdaad ‘from
this instant’ een grens over gegaan, hij zal nooit meer onbezorgd geluk kennen.
Banquo’s reactie daarentegen is een
bevestiging van zijn loyaliteit en onschuld; hij is vastbesloten ‘to question
this most bloody piece of work’:
“In the great hand of God I stand.”
De kracht die hij hier uitstraalt bezegelt zijn lot: Macbeth is bang van hem (“There
is nothing but he whose being I do fear”, zegt hij even later) en neemt zich
voor zowel Banquo als zijn zoon Fleance te doden (het eerste lukt, het tweede
niet, wat in overeenstemming is met de voorspelling van de heksen).
“And so do I”, is Macduffs
zelfverzekerde toevoeging. Macduff zal uiteindelijk Macbeths ondergang
betekenen.
Duncans zonen, de latere King Malcolm en zijn broer Donalbain vermoeden vuil
spel en besluiten te vluchten.
Duncans stoffelijk overschot wordt
naar Colmekill gebracht, het eiland Iona waar traditiegetrouw de Schotse
koningen begraven liggen, ‘the sacred store-house of his predecessors and
guardian of their bones’.
Macbeth wordt tot koning gekroond in Scone (de oude koningsstad: de Stone of
Scone was symbool van het Schotse koningsschap). `
Macbeth realiseert zich dat het
koningschap voor hem één grote schaduwzijde heeft – hij heeft geen
nakomelingen:
“Upon my head they placed a fruitless crown and put a barren sceptre in my
gripe, thence to be wrenched with an unlineal hand, no son of mine succeeding.”
Volgens de voorspelling van de
heksen zal het nageslacht van Banquo op de troon komen – Macbeth lijdt zwaar
onder zijn schuldgevoel, en dat alleen om de weg vrij te maken voor Banquo’s
nakomelingen, ‘to make them kings, the seeds of Banquo’s kings’?
Maar ook Banquo zelf (‘our fears in
Banquo stick deep’) boezemt hem angst in. Hij schakelt twee huurmoordenaars in,
schurken die zo diep gevallen zijn dat ze nergens meer om geven:
2nd. Murderer: “I am one, my liege, whom the vile blows and buffets of this
world hath so incensed, that I am reckless what I do to spite the world.”
1st. Murderer: “And I another.”
En Macbeth maakt hen duidelijk dat
ook Banquo’s zoon het niet mag overleven: “Fleance, his son... must embrace the
fate of that dark hour.”
Opmerkelijk: waar Macbeth bij de voorspellingen van de heksen betreffende zijn
eigen persoon (‘jij zult koning worden’) het lot een handje heeft geholpen door
Duncan te vermoorden, tracht hij in het geval van de voorspellingen die Banquo
gedaan zijn (‘jij wordt geen koning, maar je kinderen wel’) het lot de pas af
te snijden met zijn opdracht ook Fleance te doden. Maar wat in de sterren
geschreven staat, kun je niet zo maar doorkruisen...
Er begint zich hier een nieuwe Macbeth
af te tekenen. Waar hij eerst alleen maar aarzelde en gewetenswroeging had,
voortdurend door zijn vrouw moest worden aangespoord, verandert hij nu in
toenemende mate in de auteur van een uiterst bloedige tragedie, iemand die zijn
moordzuchtige verbeeldingskracht vanaf nu steeds weer in concrete daden om moet
zetten. Die ene moord lokt nieuwe moorden uit.
Uit het daaropvolgende gesprek met
zijn vrouw blijkt zijn geestesgesteldheid: hij is een getroubleerd mens, wat
zich uit in verontrustende reptiel-metaforen.
“We have scorched the snake, not killed it.” “Full of scorpions is my mind,
dear wife.”
En hij wordt nu een dichter van de nacht die het ene duistere beeld na het
andere oproept, gecentreerd rondom de voorgenomen moord op Banquo (waar zijn
vrouw niets vanaf weet).
“Ere the bat hath flown his cloistered flight, ere to black Hecate’s summons
the shard-borne [geboren uit mest] beetle with his drowsy hums, hath rung
night’s yawning peal [een afgrond waaruit een spookverschijning tevoorschijn
komt], there shall be done a deed of dreadful note.” (Hecate is ook godin van
de maan en derhalve een nachtwezen).
Hij roept de nacht op ‘to scarf the tender eye of pitiful day’ [de zon te
blinddoeken] en met haar ‘bloody and invisible hand’ haar werk te voltooien dat
hem vrij zal maken (denkt hij). Het geheel wordt gecompleteerd door prachtige
regels die het invallen van de duisternis beschrijven:
“Light thickens and the crow makes wing to the rooky wood. Good things of day begin
to droop and drowse, whiles night’s black agents to their preys do rouse.”
Shakespeare’s Macbeth is bij uitstek
een nacht-stuk.
Banquo wordt gedood, maar Fleance
weet te ontsnappen. Dit is een keerpunt in het stuk. Vanaf nu zal Macbeth
alleen maar gewelddadiger en wanhopiger worden. De eerste tekenen van zijn
geleidelijke ondergang zijn al te zien in de volgende scène, het banket in het
kasteel van Macbeth.
Als dit goed en wel begonnen is,
wordt Macbeth naar de deur geroepen: één van de moordenaars van Banquo is
gekomen om verslag uit te brengen. Macbeth raakt totaal van streek als hij
hoort dat Fleance is weggekomen; dat nieuws slaat hem alsof hij een toeval
krijgt: “Then comes my fit again; I had else [als ook Fleance gedood was] been
perfect.”
Dan neemt de geest van Banquo plaats aan tafel; zeer onkarakteristiek voor
geesten bij Shakespeare spreekt deze geen woord. Alleen Macbeth kan hem zien.
Het is, na eerder de dolk, zijn tweede hallucinatie. Lady Macbeth legt ook dat
verband:
“This is the very painting of your fear: this is the air-drawn dagger which you
said led you to Duncan... When all’s done you look but on a stool.”
Macbeth vat de geestverschijning op
als een affront:
“The time has been, that when the brains were out, the man would die, and there
an end. But now they rise again, and push us from our stools. This is more
strange then such a murder is.”
Macbeth is buitengewoon
verontwaardigd door de onvoorstelbaarheid van dit alles: vroeger was dood nog
gewoon dood. Geen van de door hem bedachte strategieën die hem de veiligheid moeten
geven waar hij zo naarstig naar op zoek is, blijken te werken. Het is om dol
van te worden.
Het gezelschap, dat met stijgende
verbazing een hallucinerende en tierende majesteit heeft aangezien, wordt naar
huis gestuurd. Macbeth besluit de heksen nog eens op te zoeken, ‘bent to know,
by the worst means [de heksen namelijk], the worst’. Hij bereidt zich voor op
het ergste.
Hij is zich er ook van bewust dat
er geen weg terug meer is:
“I am in blood stepped in so far, that should I wade no more, returning were as
tedious as go over.” (Harold Bloom heeft geteld dat het woord blood, of bloody, 41 keer in de tekst voorkomt).
Een volgende misdaad dient zich al
aan. Macbeth laat tegen zijn vrouw vallen dat Macduff, die voor het banket
uitgenodigd was, verstek heeft laten gaan. Een veeg teken. Het zal uiteindelijk
uitlopen op wat met afstand Macbeths gruwelijkste daad is: het uitmoorden van
het gezin Macduff, zijn eigen versie van de kindermoord van Bethlehem. (Macduff,
horen we even later, is gevlucht naar het Engelse hof van Edward the Confessor,
waar ook Duncans zoon Malcolm onderdak heeft gevonden. Zij gaan daar proberen
een strijdmacht op de been te brengen die tegen Macbeth op kan trekken).
Wat volgt is de buitengewone scène
van Macbeth die de heksen confronteert. Ze dansen, in de nacht en begeleid door
donderslagen, rondom een ketel waarin ze de smerigste ingrediënten gooien,
onder het zingen van een refrein:
“Double, double, toil and trouble;
Fire burn and cauldron bubble.”
Uiterst vermakelijk en onsmakelijk
tegelijkertijd. Het ‘something wicked this way comes’ is de aankondiging van de
komst van Macbeth. Die wil de heksen (of in dit geval de geesten die zij
oproepen) ontlokken wat zij weten: hij wil zekerheid omtrent zijn lot.
Er zijn drie verschijningen die hem
stuk voor stuk cryptische aanwijzingen geven.
De eerste: ‘an armed head’: “Beware Macduff. Beware the Thane of Fife.”
De tweede: ‘a bloody child’: “None of woman born shall harm Macbeth.”
De derde: ‘a child crowned, with a tree in his hand’: “Macbeth shall never be
vanquished, until Great Birnam Wood to high Dunsinane Hill [waarop het kasteel
staat waar Macbeth zich later zal verschansen] shall come against him.”
In mijn editie van Macbeth, naar mijn mening de best en
meest handzaam geannoteerde, de Arden-Shakepeare,
wordt een verklaring gegeven van de drie visioenen: het armed head’ is het hoofd van Macbeth dat aan het einde van het stuk
door Macduff naar Malcolm, de nieuwe koning, wordt gebracht.
Het bloody child verwijst naar de
dubbelzinnigheid van deze voorspelling: geen of woman born zal Macbeth kunnen doden, maar, zo horen we later,
Macduff was ‘untimely ripped form his mother’s womb’: met de keizersnede
geboren. Ik heb dat altijd wat twijfelachtig gevonden, het wil toch niet zeggen
dat hij niet uit een vrouw geboren is. Maar goed, het bloody child zou dan de pasgeboren Macduff zijn, nog onder het
bloed van de operatie.
Het derde visioen, het gekroonde kind, zou zowel Malcolm als Banquo’s
nakomeling Fleance kunnen zijn; het eerste is het waarschijnlijkst. Want in de
beslissende veldslag sommeert hij zijn mannen om, bedekt met boomtakken, op te
rukken naar het kasteel, zodat daar gebeurt wat Macbeth voor onmogelijk houdt:
een bos dat zich verplaatst.
De laatste twee voorspellingen zijn
dus zeer dubbelzinnig, maar uiteraard ziet Macbeth dit niet in; de zekerheid
die hij eraan ontleent is een schijn-zekerheid:
“Our high-placed Macbeth [merkwaardig genoeg spreekt hij hier over zichzelf in
de derde persoon] shall live the lease of nature, pay his breath to time and
mortal custom.”
Maar hij wil nog één ding weten: “Shall Banquo’s issue ever reign in his
kingdom?”, zoals hem al eerder door de heksen voorspeld was. Wat volgt had hij
dus kunnen weten, maar niettemin ontzet het hem vreselijk. Het volgende
visioen: ‘A show of eight kings, the last with a glass in his hand, and
Banquo’.
“What, will this line stretch out to the crack of doom?” En het is duidelijk
dat alle koningen op Banquo lijken, dat het zijn nageslacht is:
“The blood-boltered Banquo smiles upon me and points at them for his.”
Aan het einde van deze scène horen
we het hoefgetrappel van een voorbijrijdend paard: het is Macduff op weg naar
Engeland. En daarmee is hij buiten het bereik van Macbeth gekomen. Die neemt
zich voor nu nooit meer te aarzelen: “From this moment on the very firstlings
of my heart shall be the firstlings of my hand.” Voornemens worden onmiddellijk
tot daden gepromoveerd. Macbeth ten voeten uit.
En dus voegt hij de daad bij het woord, en die daad zal zijn grootste ongerechtigheid zijn: “The castle of Macduff I will surprise, seize upon Fife, give to the edge of the sword his wife, his babes, and all unfortunate souls that trace him in his line.”


Geen opmerkingen:
Een reactie posten