dinsdag 7 januari 2025

Shakespeare's Macbeth, deel I

Waar Hamlet het Shakespeare-personage is, uitgerust met de grootste cognitieve kracht, geldt voor Macbeth dat hij degene is met verreweg de grootste verbeeldingskracht. Je zou zelfs kunnen zeggen dat hij de gevangene is van zijn eigen imaginaties, van impulsen die hij niet anders kan dan beantwoorden met handelingen waartoe hij zich gedwongen voelt. Macbeth kan de beelden van de duistere nachtwereld die hij in zijn binnenste opborrelen niet meer bijbenen. Hij heeft zich een bepaalde handeling nog niet voorgesteld, of hij maakt al een sprong de toekomst in om die te realiseren, vervolgens met ontzetting terugblikkend op de impuls die hem oorspronkelijk stuurde. Hij wordt geplaagd door visioenen van wat er te gebeuren staat, hij is een onvrijwillige waarzegger. (De heksen, de Weird Sisters zoals ze bij Shakespeare heten, zien in hem onmiddellijk een verwante geest). Maar Macbeth helpt vervolgens ook om door zijn eigen handelen de voorspellingen te doen uitkomen. Hij handelt op zijn donkerste impulsen nog voordat hij deze geheel en al begrepen heeft, voordat ze volledig in zijn bewustzijn gekomen zijn. Hij leeft temidden van hallucinaties die hem in de loop van het stuk zijn functioneren in toenemende mate onmogelijk maken.

Het stuk Macbeth begint met donder en bliksem en de opkomst van de heksen die spreken in antithetische raadselen:
“When the battle’s lost and won.” “Fair is foul and foul is fair.”

Dan is er een scène aan het hof van King Duncan, waarbij de koning van Schotland bijgepraat wordt over de heldendaden van Macbeth (die een neef van de koning is) in zijn strijd tegen de rebellen en de Noorse troepen. Het eerste wat we horen over hem betreft zijn ongekende wreedheid in de wijze waarop hij een één van de aanvoerders van de tegenstander naar de andere wereld heeft geholpen (ik zal het niet letterlijk citeren, het is al te gruwelijk). Men beschrijft hem als de bruidegom van Bellona, de oorlogsgodin.

In de volgende scène zijn Macbeth en zijn strijdmakker Banquo op terugreis. Onder grimmige omstandigheden (‘So fair and foul a day I have not seen’) ontmoeten zij nu de drie heksen, die Banquo ontzet doen terugdeinsen:
“What are these, so withered and so wild in their attire, that look not like the inhabitants of the earth and yet are on it?”
De heksen voorspellen dat Macbeth Thane of Cawdor (een adellijke titel) en daarna zelfs koning zal zijn. Banquo: “Good sir, why do you start and seem to fear things that do sound so fair?” (Macbeth oogt kennelijk hevig geschrokken bij het aanhoren van de voorspelling). En hij vraagt zich af of de heksen echt zijn, dan wel hallucinaties: “In name of the truth, are ye fantastical, or that indeed which outwardly ye show?”

Banquo vraagt de heksen dan of ze iets over zijn toekomst kunnen zeggen? Banquo zal zelf geen koning zijn, maar zijn kinderen wel. (Macbeth werd opgevoerd voor King James I, die, voordat hij Elizabeth I opvolgde, de Schotse King James VI was, een veronderstelde afstammeling van Banquo. In de kroniek van Holinshed, waarop Shakespeare zich baseerde, is Banquo medeplichtig aan de moord op Duncan, maar met James I als toeschouwer was hij vrijwel verplicht om Banquo gunstiger af te schilderen).

Het lange terzijde van Macbeth tijdens deze scène geeft aan dat hij zich nog steeds niet herpakt heeft. Zijn enorme verbeeldingskracht begint te werken en brengt beelden bij hem naar boven die hem volledig uit zijn evenwicht brengen:
“This supernatural soliciting cannot be ill, cannot be good... If good, why do I yield to that suggestion whose horrid image doth unfix my hair and make my seated heart knock against my ribs?... My thought, whose murder [daar is de gedachte voor het eerst] is but fantastical shakes so my single state of man that function [elke potentiële handeling] is smothered...” Nog is het concrete uitvoeren van wat in zijn verbeelding opborrelt, hem onmogelijk. En de daaropvolgende regel zou het motto van het stuk kunnen zijn: “And nothing is, but what is not.” Wat werkelijkheid is, en wat onwerkelijkheid is, verwisselen van plaats. Een veeg teken.

Lady Macbeth ontmoeten we voor het eerst wanneer zij de brief van haar man leest die haar inlicht over de voorspellingen van de Weird Sisters. Zij is duidelijk van mening dat haar echtgenoot niet tot zoiets excessiefs als moord in staat is om zijn ambitie te verwezenlijken en zo de voorspelling een handje te helpen:
“Yet do I fear thy nature, it is too full of the milk of human kindness [dit is, zoals zoveel Shakespeare-citaten, een standaarduitdrukking in het Engels geworden] to catch the nearest way. Thou would’st be great, art not without ambition, but without the illness [in de betekenis van: wickedness] that should attend it. What thou wouldst highly, that wouldst thou holily, wouldst not play false.”
M.a.w.: Lady Macbeth ziet haar man, enigszins overdreven wellicht, als een heilig boontje. Maar het is duidelijk dat ze óók van hem houdt en niets liever ziet dan dat hij zijn ambitie waarmaakt.

Harold Bloom (die een mooie studie over dit stuk schreef, waaraan ik veel heb ontleend: Macbeth, a dagger of the mind) noemt de Macbeths het gelukkigste huwelijk in Shakespeare. Hun machtbelustheid en gewelddadigheid houdt gelijke tred met de passie die ze hebben voor elkaar en hun verlangen naar elkaar.

Wanneer Lady Macbeth te horen krijgt dat King Duncan en zijn gevolg onder haar dak komt logeren, beantwoordt ze dat nieuws met een woeste exaltatie:
“Come you spirits that tend on mortal thoughts [in dit geval: moordlustige gedachten], unsex me here and fill me from crown to the toe, top-full of direst cruelty... Come, thick night... that my knife see not the wound it makes.”
Ze lijkt zich dus aanvankelijk voor te nemen zélf de moord te plegen. (Later zegt ze: “Had he not resembled my father as he slept, I had done it.”)

Wanneer Macbeth bij zijn vrouw thuis komt, blijkt onmiddellijk hoezeer zij hem domineert. Zij zweept hem op en gebiedt hem uiterlijk vriendelijk te blijven naar de koning maar ondertussen kwaadaardige intenties te koesteren:
“... look like the innocent flower, but be the serpent under it. He that’s coming [de koning] must be provided for; and you shall put this night’s great business into my dispatch.” Het is duidelijk dat zij aan het roer staat bij deze operatie.

Wanneer King Duncan, met Banquo in zijn gevolg, bij Macbeth’s kasteel aankomen, staan de ongerustheid en het voorgevoel van wat komen gaat die bij ons zijn opgebouwd in schril contrast met de onschuld van zowel de koning (‘the air nimbly and sweetly recommends itself unto our gentle senses’) als Banquo (‘heaven’s breath smells wooingly here... the air is delicate’). Het lijkt hen een vredige plek. Geen enkel vermoeden.

En ook bij de begroeting weet Lady Macbeth haar voorgenomen wreedheid onder de vriendelijkheid van een gastvrouw te verbergen.

De eerste soliloquy, of alleenspraak, van Macbeth, die zich heeft teruggetrokken terwijl Duncan en zijn gevolg aan tafel zijn:
“If it were done, when ‘tis done, then ‘twere well it were done quickly.” Maar zo voortvarend is hij niet, opnieuw uit hij zijn bedenkingen:
“He’s here in double trust: first I am his kinsman and his subject, strong both against the deed. Then, as his host, who should against his murderer shut the door, not bear the knife myself. Besides, this Duncan hath borne his faculties so meek, hath been so clear in his great office [en hier neemt Macbeths verbeeldingskracht een enorme vlucht, het is schitterende poëzie], that his virtues will plead like angels, trumpet-tongued, against the deep damnation of his taking off; and pity, like a new-born babe, striding the blast, or heaven’s cherubim, horsed upon the sightless couriers of the air, shall blow the deed in every eye, that tears shall drown the wind.”
Hij heeft second thoughts, zou je kunnen zeggen.

Maar opnieuw is het zijn vrouw die hem weet te overtuigen:
“I am settled. Away, and mock the time with fairest show. False face must hide what false heart doth know.”

Met zijn tweede soliloquy slaat Macbeth aan het hallucineren: hij ziet een dolk die er niet is:
“Is this a dagger that I see before me, the handle towards my hand? Come, let me clutch thee. I have thee not [als hij de dolk wil pakken grijpt hij niets dan lucht], and yet I see thee still. ... art thou but a dagger of the mind, a false creation, proceeding from the heat-oppressed brain?”
Het spookbeeld van de dolk wijst Macbeth de weg (naar de slaapkamer van Duncan, waar de moord zal plaatsvinden): “Thou marshall’st me the way that I was going, and such an instrument I was to use... On thy blade and dudgeon [het handvat] gouts [drops] of blood, which was not so before.”

Macbeth kan zijn eigen verbeelding niet meer bijbenen. Hij weet dat het slechts visionaire bloedruppels zijn op het lemmet: “There’s no such thing. It is the bloody business which informs thus to mine eyes.”

Wat volgt is een nachtelijk visioen. De natuur slaapt en Hecate, godin der hekserij, heerst daar nu. Het gehuil van een wolf klinkt in de nacht. Dan het luiden van de bel: Macbeth is nu vastbesloten:
“I go, and it is done; the bell invites me. Hear it not, Duncan, for it is a knell that summons thee to heaven, or to hell.”
Dit is een voorbeeld van hoe een gedachte bij Macbeth opkomt en hij onmiddellijk een sprong maakt, de toekomst in. Eigenlijk is de daad nu al volbracht en Duncan zo goed als dood.

Dit is in wezen een hele intieme scène, we worden deelgenoot van Macbeth gevoelens en angsten, we delen in zijn overwegingen. Niemand in het hele stuk, op Lady Macbeth na, houdt van hem en wij zien dit ook met afschuw aan – en toch is er óók iets van identificatie met de hoofdpersoon, hoe afstotend zijn daden ook zijn. Het is omdat we hem zo dicht op de huid zitten. Als aan het einde van het stuk Macduff het toneel opkomt en Macbeths afgehakte hoofd omhoog houdt (we zien hem niet sterven op toneel) voelen we opluchting (dit kón zo niet verder), maar geen vreugde. Is het de pure energie van beide Macbeths die zo aanstekelijk werkt, hoe negatief gericht die ook is? Hun onderlinge verbondenheid? In hun kwaadaardigheid lijken ze het aardse te ontstijgen en een dergelijke transcendentie is hoe dan ook imponerend.

Ook van de moord op Duncan zijn we geen getuige; we zien hoe de Macbeths elkaar ontmoeten nadat de daad volbracht is (“I have done the deed”). Maar hij is volkomen van streek: “I could not say ‘Amen’... wherefore could I not pronounce ‘Amen’? I had most need of blessing and ‘Amen’ stuck in my throat.”
En: “Methought I heard a voice cry: ‘Sleep no more. Macbeth does murder sleep’...
Still it cried: ‘Sleep no more’ to all the house... ‘Macbeth shall sleep no more’.”

Een stem van ver, groter dan die van Macbeth zelf, daalt op hem neer. Lady Macbeth hoort het niet, maar wij wel. Wij worden hier één met Macbeth.

Dan wordt er op de deur geklopt. Het beangstigt Macbeth:
“Whence is that knocking? How is it with me, when every noise appals me?”
En dan deze schitterende regels: “Will all great Neptune’s ocean wash this blood clean from my hand? No, this my hand will rather the multitudinous sea incarnadine, making the green one red.”

Het is weer Lady Macbeth die haar echtgenoot tot kalmte moet manen: ze moeten zich nu terugtrekken op hun kamer en doen alsof ze tot dan toe geslapen hebben. Maar Macbeth wordt door berouw gekweld: “Wake Duncan with thy knocking. I would thou couldst!”

Op dit punt gekomen mag dat merkwaardig lijken, maar Lady Macbeth zal uiteindelijk degene zijn die hier aan onderdoor gaat. Haar echtgenoot zal zich oprichten en met ongelofelijke mentale kracht de ene na de andere catastrofe overleven totdat tenslotte ook hij zijn lot niet meer kan ontlopen.

Het kloppen op de deur wordt beantwoord door de geweldige Porter, dronken en uitbundig, die zichzelf de ‘porter of Hell’s gate’ noemt en allerlei grappen maakt over hel en verdoemenis zonder te weten hoe toepasselijk die wel niet zijn in het licht van de moord die net is gepleegd. Dit is een staaltje ‘comic relief’: Macduff en Lennox zijn gekomen om de koning wakker te maken, maar worden geconfronteerd met, zoals Harold Bloom zegt, ‘a clown so memorable that he challenges Lear’s Fool’.

Macduff ontdekt de moord op Duncan en slaat alarm: “Most sacrilegeous murder hath broke ope the Lord’s anointed temple [het lichaam van de koning, die Gods gezalfde was] and stole thence the life of the building.”

Macbeths al even eloquente reactie:
“Had I but died an hour before this chance, I had lived a blessed time; for from this instant there’s nothing serious in mortality [hier in de betekenis van: the human condition]; all is but toys; renown and grace is dead, the wine of life is drawn.”

Deze ogenschijnlijk oprecht aangedane reactie van de man die zelf de moord gepleegd heeft, is uiteraard bedoeld om iedereen om de tuin te leiden. Maar het is ook dubbel: Macbeth drukt hiermee óók uit wat hij diep in zijn binnenste voelt en komt hiermee dichter bij de waarheid dan hij zelf wellicht vermoedt: zijn leven is inderdaad ‘from this instant’ een grens over gegaan, hij zal nooit meer onbezorgd geluk kennen.

Banquo’s reactie daarentegen is een bevestiging van zijn loyaliteit en onschuld; hij is vastbesloten ‘to question this most bloody piece of work’:
“In the great hand of God I stand.”
De kracht die hij hier uitstraalt bezegelt zijn lot: Macbeth is bang van hem (“There is nothing but he whose being I do fear”, zegt hij even later) en neemt zich voor zowel Banquo als zijn zoon Fleance te doden (het eerste lukt, het tweede niet, wat in overeenstemming is met de voorspelling van de heksen).

“And so do I”, is Macduffs zelfverzekerde toevoeging. Macduff zal uiteindelijk Macbeths ondergang betekenen.
Duncans zonen, de latere King Malcolm en zijn broer Donalbain vermoeden vuil spel en besluiten te vluchten.

Duncans stoffelijk overschot wordt naar Colmekill gebracht, het eiland Iona waar traditiegetrouw de Schotse koningen begraven liggen, ‘the sacred store-house of his predecessors and guardian of their bones’.
Macbeth wordt tot koning gekroond in Scone (de oude koningsstad: de Stone of Scone was symbool van het Schotse koningsschap). `

Macbeth realiseert zich dat het koningschap voor hem één grote schaduwzijde heeft – hij heeft geen nakomelingen:
“Upon my head they placed a fruitless crown and put a barren sceptre in my gripe, thence to be wrenched with an unlineal hand, no son of mine succeeding.”

Volgens de voorspelling van de heksen zal het nageslacht van Banquo op de troon komen – Macbeth lijdt zwaar onder zijn schuldgevoel, en dat alleen om de weg vrij te maken voor Banquo’s nakomelingen, ‘to make them kings, the seeds of Banquo’s kings’?

Maar ook Banquo zelf (‘our fears in Banquo stick deep’) boezemt hem angst in. Hij schakelt twee huurmoordenaars in, schurken die zo diep gevallen zijn dat ze nergens meer om geven:
2nd. Murderer: “I am one, my liege, whom the vile blows and buffets of this world hath so incensed, that I am reckless what I do to spite the world.”
1st. Murderer: “And I another.”

En Macbeth maakt hen duidelijk dat ook Banquo’s zoon het niet mag overleven: “Fleance, his son... must embrace the fate of that dark hour.”
Opmerkelijk: waar Macbeth bij de voorspellingen van de heksen betreffende zijn eigen persoon (‘jij zult koning worden’) het lot een handje heeft geholpen door Duncan te vermoorden, tracht hij in het geval van de voorspellingen die Banquo gedaan zijn (‘jij wordt geen koning, maar je kinderen wel’) het lot de pas af te snijden met zijn opdracht ook Fleance te doden. Maar wat in de sterren geschreven staat, kun je niet zo maar doorkruisen...

Er begint zich hier een nieuwe Macbeth af te tekenen. Waar hij eerst alleen maar aarzelde en gewetenswroeging had, voortdurend door zijn vrouw moest worden aangespoord, verandert hij nu in toenemende mate in de auteur van een uiterst bloedige tragedie, iemand die zijn moordzuchtige verbeeldingskracht vanaf nu steeds weer in concrete daden om moet zetten. Die ene moord lokt nieuwe moorden uit.

Uit het daaropvolgende gesprek met zijn vrouw blijkt zijn geestesgesteldheid: hij is een getroubleerd mens, wat zich uit in verontrustende reptiel-metaforen.
“We have scorched the snake, not killed it.” “Full of scorpions is my mind, dear wife.”
En hij wordt nu een dichter van de nacht die het ene duistere beeld na het andere oproept, gecentreerd rondom de voorgenomen moord op Banquo (waar zijn vrouw niets vanaf weet).
“Ere the bat hath flown his cloistered flight, ere to black Hecate’s summons the shard-borne [geboren uit mest] beetle with his drowsy hums, hath rung night’s yawning peal [een afgrond waaruit een spookverschijning tevoorschijn komt], there shall be done a deed of dreadful note.” (Hecate is ook godin van de maan en derhalve een nachtwezen).
Hij roept de nacht op ‘to scarf the tender eye of pitiful day’ [de zon te blinddoeken] en met haar ‘bloody and invisible hand’ haar werk te voltooien dat hem vrij zal maken (denkt hij). Het geheel wordt gecompleteerd door prachtige regels die het invallen van de duisternis beschrijven:
“Light thickens and the crow makes wing to the rooky wood. Good things of day begin to droop and drowse, whiles night’s black agents to their preys do rouse.”
Shakespeare’s Macbeth is bij uitstek een nacht-stuk.

Banquo wordt gedood, maar Fleance weet te ontsnappen. Dit is een keerpunt in het stuk. Vanaf nu zal Macbeth alleen maar gewelddadiger en wanhopiger worden. De eerste tekenen van zijn geleidelijke ondergang zijn al te zien in de volgende scène, het banket in het kasteel van Macbeth.

Als dit goed en wel begonnen is, wordt Macbeth naar de deur geroepen: één van de moordenaars van Banquo is gekomen om verslag uit te brengen. Macbeth raakt totaal van streek als hij hoort dat Fleance is weggekomen; dat nieuws slaat hem alsof hij een toeval krijgt: “Then comes my fit again; I had else [als ook Fleance gedood was] been perfect.”
Dan neemt de geest van Banquo plaats aan tafel; zeer onkarakteristiek voor geesten bij Shakespeare spreekt deze geen woord. Alleen Macbeth kan hem zien. Het is, na eerder de dolk, zijn tweede hallucinatie. Lady Macbeth legt ook dat verband:
“This is the very painting of your fear: this is the air-drawn dagger which you said led you to Duncan... When all’s done you look but on a stool.”

Macbeth vat de geestverschijning op als een affront:
“The time has been, that when the brains were out, the man would die, and there an end. But now they rise again, and push us from our stools. This is more strange then such a murder is.”

Macbeth is buitengewoon verontwaardigd door de onvoorstelbaarheid van dit alles: vroeger was dood nog gewoon dood. Geen van de door hem bedachte strategieën die hem de veiligheid moeten geven waar hij zo naarstig naar op zoek is, blijken te werken. Het is om dol van te worden.

Het gezelschap, dat met stijgende verbazing een hallucinerende en tierende majesteit heeft aangezien, wordt naar huis gestuurd. Macbeth besluit de heksen nog eens op te zoeken, ‘bent to know, by the worst means [de heksen namelijk], the worst’. Hij bereidt zich voor op het ergste.

Hij is zich er ook van bewust dat er geen weg terug meer is:
“I am in blood stepped in so far, that should I wade no more, returning were as tedious as go over.” (Harold Bloom heeft geteld dat het woord blood, of bloody, 41 keer in de tekst voorkomt).

Een volgende misdaad dient zich al aan. Macbeth laat tegen zijn vrouw vallen dat Macduff, die voor het banket uitgenodigd was, verstek heeft laten gaan. Een veeg teken. Het zal uiteindelijk uitlopen op wat met afstand Macbeths gruwelijkste daad is: het uitmoorden van het gezin Macduff, zijn eigen versie van de kindermoord van Bethlehem. (Macduff, horen we even later, is gevlucht naar het Engelse hof van Edward the Confessor, waar ook Duncans zoon Malcolm onderdak heeft gevonden. Zij gaan daar proberen een strijdmacht op de been te brengen die tegen Macbeth op kan trekken).

Wat volgt is de buitengewone scène van Macbeth die de heksen confronteert. Ze dansen, in de nacht en begeleid door donderslagen, rondom een ketel waarin ze de smerigste ingrediënten gooien, onder het zingen van een refrein:
“Double, double, toil and trouble;
Fire burn and cauldron bubble.”

Uiterst vermakelijk en onsmakelijk tegelijkertijd. Het ‘something wicked this way comes’ is de aankondiging van de komst van Macbeth. Die wil de heksen (of in dit geval de geesten die zij oproepen) ontlokken wat zij weten: hij wil zekerheid omtrent zijn lot.

Er zijn drie verschijningen die hem stuk voor stuk cryptische aanwijzingen geven.
De eerste: ‘an armed head’: “Beware Macduff. Beware the Thane of Fife.”
De tweede: ‘a bloody child’: “None of woman born shall harm Macbeth.”
De derde: ‘a child crowned, with a tree in his hand’: “Macbeth shall never be vanquished, until Great Birnam Wood to high Dunsinane Hill [waarop het kasteel staat waar Macbeth zich later zal verschansen] shall come against him.”

In mijn editie van Macbeth, naar mijn mening de best en meest handzaam geannoteerde, de Arden-Shakepeare, wordt een verklaring gegeven van de drie visioenen: het armed head’ is het hoofd van Macbeth dat aan het einde van het stuk door Macduff naar Malcolm, de nieuwe koning, wordt gebracht.
Het bloody child verwijst naar de dubbelzinnigheid van deze voorspelling: geen of woman born zal Macbeth kunnen doden, maar, zo horen we later, Macduff was ‘untimely ripped form his mother’s womb’: met de keizersnede geboren. Ik heb dat altijd wat twijfelachtig gevonden, het wil toch niet zeggen dat hij niet uit een vrouw geboren is. Maar goed, het bloody child zou dan de pasgeboren Macduff zijn, nog onder het bloed van de operatie.
Het derde visioen, het gekroonde kind, zou zowel Malcolm als Banquo’s nakomeling Fleance kunnen zijn; het eerste is het waarschijnlijkst. Want in de beslissende veldslag sommeert hij zijn mannen om, bedekt met boomtakken, op te rukken naar het kasteel, zodat daar gebeurt wat Macbeth voor onmogelijk houdt: een bos dat zich verplaatst.

De laatste twee voorspellingen zijn dus zeer dubbelzinnig, maar uiteraard ziet Macbeth dit niet in; de zekerheid die hij eraan ontleent is een schijn-zekerheid:
“Our high-placed Macbeth [merkwaardig genoeg spreekt hij hier over zichzelf in de derde persoon] shall live the lease of nature, pay his breath to time and mortal custom.”
Maar hij wil nog één ding weten: “Shall Banquo’s issue ever reign in his kingdom?”, zoals hem al eerder door de heksen voorspeld was. Wat volgt had hij dus kunnen weten, maar niettemin ontzet het hem vreselijk. Het volgende visioen: ‘A show of eight kings, the last with a glass in his hand, and Banquo’.
“What, will this line stretch out to the crack of doom?” En het is duidelijk dat alle koningen op Banquo lijken, dat het zijn nageslacht is:
“The blood-boltered Banquo smiles upon me and points at them for his.”

Aan het einde van deze scène horen we het hoefgetrappel van een voorbijrijdend paard: het is Macduff op weg naar Engeland. En daarmee is hij buiten het bereik van Macbeth gekomen. Die neemt zich voor nu nooit meer te aarzelen: “From this moment on the very firstlings of my heart shall be the firstlings of my hand.” Voornemens worden onmiddellijk tot daden gepromoveerd. Macbeth ten voeten uit.

En dus voegt hij de daad bij het woord, en die daad zal zijn grootste ongerechtigheid zijn: “The castle of Macduff I will surprise, seize upon Fife, give to the edge of the sword his wife, his babes, and all unfortunate souls that trace him in his line.” 



Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Shakespeare's Macbeth, deel II

De scène van de moord op Lady Macduff en haar kinderen is vrijwel ondragelijk. Je kunt je afvragen waarom Macduff zijn gezin niet heeft meeg...