vrijdag 15 november 2024

Over Richard Wagner, deel II

Siegfried is de zoon van Siegmund en Sieglinde, de broer en zus die elkaar na een jarenlange scheiding weer terugvinden in het schitterende eerste bedrijf van Die Walküre. Hij is de superheld die erin is geslaagd de brokstukken van het zwaard van zijn vader, Nothung, weer aaneen te smeden, een taak waar vele andere helden niet tegen opgewassen waren. Siegfried wordt aangetrokken tot Brünnhilde, één van de Walkuren; op weg naar haar vindt hij Wotan op zijn weg, maar met één grote slag slaat hij diens speer aan stukken; er was voorspeld dat Wotan ooit zijn meerdere zou vinden in een werkelijk vrije mens die geen marionet van de goden was. Vanaf dat moment resigneert Wotan; hij weet zelf ook wel dat er vanaf nu alleen nog maar een rol in de marge voor hem weggelegd is.

Wotans ontzetting uit de macht begint met zijn bekentenis dat hij geen macht heeft zonder de kennis van Erda, die hij weer opzoekt. Maar Erda verwijst hem naar Brünnhilde: “Waarom wek je mij en vraag je mij om raad, en niet Erda’s en Wotans kind?” Nu moet Wotan erkennen dat hij hun gemeenschappelijke dochter gestraft heeft met het verlies van haar goddelijkheid. Dat zat zo: Fricka, Wotans jaloerse echtgenote die al heel wat buitenechtelijke escapades van haar man door de vingers heeft gezien (Wotan heeft hierin veel weg van Zeus), veroordeelt de incestueuze relatie van Siegmund en Sieglinde en ze eist van Wotan (zij is zelf beschermvrouwe van het huwelijk) dat hij in de op handen zijnde confrontatie niet zijn favoriet Siegmund, maar Sieglinde’s wettige echtgenoot Hunding zal steunen; een opdracht die op het slagveld door Brünnhilde uitgevoerd moet worden. Die ziet echter de oprechte liefde tussen Siegmund en Sieglinde en kiest partij voor Siegmund. Waarna Wotan in moet grijpen: hij verbrijzelt Siegmunds zwaard Nothung, die daarmee kansloos is en gedood wordt. Waarna er een schitterende scène volgt, één van de mooiste en ontroerendste van de hele Ring, vind ik zelf: Wotans afscheid van Brünnhilde (zie de afbeelding). Ze wordt in een ring van vuur achtergelaten op een rots en kan alleen bevrijd worden door een held die de moed vindt zijn weg door het vuur te banen. Siegfried dus. En Wotan kan nu niet meer op Brünnhilde rekenen. De enige optie die hem nog overblijft, is één van de andere Walkuren te vragen voor hem bij Brünnhilde te bemiddelen om de ring aan de Rijndochters terug te geven: alleen zo kan verhinderd worden dat Alberich de wereldheerschappij verovert. Maar Brünnhilde weigert: de ring is haar veel te kostbaar als blijk van Siegfrieds liefde. Vanaf nu zal Wotan moeten aanvaarden dat er gebeurt wat er gebeurt, hij kan er geen invloed meer op uitoefenen.

En Alberich is er tot het laatst op uit om de ring en de wereldheerschappij te veroveren. Dit plan loopt stuk vanwege Brünnhilde, helemaal aan het eind van de Götterdämmerung. Ze heeft de inmiddels gedode Siegfried (hij is in de rug gestoken, zijn enige zwakke plek, door Alberichs zoon Hagen) boven alles lief; voor haar is de ring die Siegfried haar geschonken heeft geen machtsinstrument, maar een symbool van hun liefde. De mens geworden godendochter werpt zich met ring, paard en al in de brandstapel waarop de dode Siegfried ligt opgebaard en bewerkt zodoende de teloorgang van de goden: de Godenschemering. Het vuur slaat namelijk niet alleen over op de hal der Gibichingen, waar het laatste deel van de handelingen zich afspeelt, maar ook op de godenburcht Walhalla, waarmee zowel de godenwereld, als de aan de natuur opgelegde orde der verdragen tot een einde komt.

Overigens werd in Wagners eerste opzet van de Götterdämmerung de totale godenschemering juist voorkomen door de dood van Siegfried en het daaropvolgende offer van Brünnhilde - voordat zij de brandstapel inrijdt luidt haar tekst: “Luister, u heerlijke goden, uw onrecht is uitgewist: bedank hem, de held, die uw schuld op zich nam. Hij liet het nu aan mij het werk te voltooien [namelijk door haar zelfoffer].”
Siegfrieds dood is zo tegelijkertijd een parallel met en een omkering van Jezus’ dood aan het kruis: beiden offeren zich op en nemen de schuld van anderen op zich – alleen neemt Jezus de schuld van alle mensen op zich en Siegfried die van de goden. In het laatste geval zou je zelfs nog van een wederopstanding kunnen spreken, want de regieaanwijzing aan het eind van deze eerste opzet van de opera luidt: “Boven een donkere wolkenrand verheft zich de luister waarin Brünnhilde, in wapenrusting te paard, als Walkure Siegfried aan de hand meeneemt.”

In de defintitieve versie van de Götterdämmerung is het einde anders. Dat Siegfried jegens haar de ‘trouwste der trouwen’ was en haar toch verried begrijpt ze als het gevolg van de verstrikkingen waarin de goden en alle mensen en andere wezens die betrokken zijn bij de zich steeds verder verspreidende strijd, gevangen zitten. Verlossing hieruit was alleen mogelijk als de door Wotan geschapen orde tenonder ging. Waar ze tot nu toe compleet in de war was door alle overweldigende gebeurtenissen die op haar af kwamen, ziet ze nu ineens haarscherp de ware toedracht: “Alles! Alles! Alles weet ik: alles openbaart zich aan mij! Ook uw raven [attributen van Wotan] hoor ik suizen: met bang verbeide boodschap stuur ik die nu beide naar huis. Rust! Rust, u God.” Wat ik een heel ontroerend moment vind.

Omdat deze god en de door hem geschapen orde niet te redden zijn, zorgt Brünnhilde ervoor dat de moord op Siegfried en haar zelfgekozen dood tot de ondergang van de godenwereld leiden:
“Vlieg huiswaarts, jullie raven! Fluister het jullie meester in het oor, wat jullie hier aan de Rijn hebt gehoord! Vlieg voorbij aan Brünnhildes rots: stuur Loge naar Walhalla! Want de ondergang van de goden begint nu te dagen. Dus steek ik de brand in Walhalla’s blakende burcht.”

Je zou de Ring des Nibelungen kunnen zien als het verslag van het falen van een onrechtvaardige religieuze orde, die teveel op heerszucht en machtshonger gebaseerd was en op valse verdragen met de natuur. De ondergang daarvan maakt echter de weg vrij voor een waarachtige religieuze orde, bewerkstelligd door iemand die zich van elke wil ontzegt (het doven van de Wil is volgens Schopenhauer, door wie Wagner diepgaand beïnvloed is, de meest zekere weg naar ware verlichting) en louter medelijden is. Dat is de weg naar Parsifal. Het grandioze eindpunt van Wagners ontwikkeling.

Dat de grote brand die Walhalla in as legt zo’n verwoestende kracht heeft, heeft Wotan in feite aan zichzelf te danken: hij heeft de verdorde wereldes laten vellen en het gekloofde hout daarvan om de godenburcht heen laten stapelen. Daardoor, door de verstoring van de natuurlijke orde die dat tot gevolg had, was Wotans heerschappij van het begin af tot ondergang gedoemd. Alleen als de wereldes was blijven staan, had het allemaal anders kunnen lopen. Het begin van dit alles, het afhouwen van een tak voor de speer, was Wotans zondeval.

Wat blijft is de vraag of het afbranden van Walhalla en de ondergang van de godenwereld uitloopt op de totale vernietiging, of het dus een alomvattende wereldbrand is, of dat die brand een reinigende functie heeft. En zo de mogelijkheid op iets nieuws doet ontstaan.

Voor Wagner is de religie onmisbaar voor de toekomst van de mensheid. “Aan het religieuze besef”, zo schrijft hij in één van die theoretische geschriften die zijn muzikaal-poëtische werk steeds zijn blijven begeleiden, “openbaart zich de waarheid dat er een andere wereld moet zijn dan deze, omdat in deze wereld de onblusbare drang tot gelukzaligheid niet te stillen is en deze drang dus vraagt om een andere wereld voor zijn verlossing.“
Dit is de fundamentele afwijzing van een wereld zonder religie, want zelfs in de best mogelijke van alle werelden houden de meeste mensen het niet uit tenzij ze zich een nog betere tegenwereld kunnen voorstellen. Hiermee is het hiernamaals verklaard als noodzakelijk complement van het aardse bestaan, alsook het geloof als onmisbare aanvulling op het weten.

Religie moet echter wel als vrije ruimte gevrijwaard zijn van de invloed van de staat. De zorg voor die vrije ruimte wil Wagner onderbrengen bij de kunst en de kunstenaars. Institutionele religie staat in Wagners ogen op haar laatste benen; daarom is het nu de taak van de kunst ‘de kern van de religie te redden doordat ze de mythische symbolen die de eerste [de kerk] als waar aangenomen wil weten, in hun zinnebeeldige waarde begrijpt om door de ideale weergave daarvan de in hen verborgen diepe waarheid zichtbaar te maken’.

Niet om het theologische dogma gaat het de kunstenaar, maar om de creatieve behandeling, vormgeving en verdere onwikkeling van religieuze mythen en symbolen. De kunstenaar moet echter alle vrijheid krijgen om deze mythen en symbolen in een nieuw verband te plaatsen en dus daarmee helemaal los te komen van de vroegere dogmatische richtlijnen.

Verlossing is een religieus begrip dat bij Wagner centraal staat. Meestal wordt verlossing in Wagners opera’s tot stand gebracht door de opofferende liefde van een vrouw: Senta in Der Fliegende Holländer, Elisabeth in Tannhaüser, Brünnhilde in Götterdämmerung. Dit zijn verlossingen die zich afspelen op het niveau van de persoonlijke relaties en niet zozeer een relevantie hebben voor de mensheid als geheel. Met andere woorden: de religieuze dimensie ontbreekt. Dat was echter wel waar het Wagner uiteindelijk om ging. Als praktiserend revolutionair in 1848-49 had hij lange tijd het heil van de mensheid gezien in de (politieke) revolutie, maar later, toen ook eenmaal gebleken was hoe weinig impact de politieke vernieuwingsbeweging in die jaren had kunnen hebben, is hij van dat idee afgestapt en een eventuele politieke oplossing gaan zien als iets tijdelijks en voorlopigs; religieuze verlossing zou daarentegen fundamenteel en definitief moeten zijn.

De ontwikkeling van affiniteit met het revolutionaire naar het hoogste heil verwachten van een religieuze verlossing valt binnen de vier opera’s van de Ring des Nibelungen waar te nemen. Wotan zoekt in eerste instantie nog naar een revolutionaire uitweg, en wel door het verwekken van een held als Siegfried die niet gebonden is aan Wotans complex van verdragen en aan wie zo de mogelijkheid gegeven is om zich (in alle  vrijheid) de ring met geweld toe te eigenen. Uiteindelijk ziet Wotan in dat een revolutionaire oplossing alleen maar op zijn eigen ondergang uit zal draaien. Dat gebeurt uiteindelijk ook, maar je zou de ondergang van de godenwereld, zoals gezegd, als iets positiefs kunnen duiden. De door Siegfried belichaamde revolutie wordt vervangen door het offer van Brünnhilde, wat de bestaande orde tot een einde brengt en de mogelijkheid van een nieuw begin in zich draagt.

Toch is de Ring des Nibelungen ondanks haar einde geen verlossingsdrama; eerder het relaas van hoe Wotan, een god die te strijden heeft met kwade tegenmachten, verstrikt raakt in de door hemzelf geschapen orde. De tragedie van politieke machts – en scheppingswil; het offer Brünnhilde valt te zien als een soort van Deus ex Machina, die als ‘oplossing’ de totale vernietiging brengt, de Wereldbrand.

Maar Wagner moest zijn ultieme getuigenis als componist en tekstdichter nog afgeven: hij wilde nog een pure opera van de verlossing schrijven. Daarvoor wendde hij zich tot de middeleeuwse roman in verzen van Wolfram von Eschenbach: Parzival (bij Wagner wordt dat Parsifal). Hij wilde daarmee een muziekdrama van de verlossing scheppen, een Bühneweihfestspiel, zoals hij het zelf noemde. Daartoe moesten verregaande veranderingen worden aangebracht in het bronnenmateriaal.

In Parsifal staan twee werelden tegenover elkaar: aan de ene kant de Graalburcht Monsalvat, waar een schare monniken-ridders, met hun koning Amfortas, verzameld zijn rond de Graal, die hen overal in de wereld voor de in het nauw gebrachte christenheid (net als in de Ring zijn de krachten van het Kwaad volop werkzaam) doet strijden.

En aan de andere kant het slot van de tovenaar Klingsor, die tracht de Graal te bemachtigen. Hij doet dat louter om daar zelf voordeel van te hebben, ter vergroting van zijn macht. Bovendien hoopt hij daarmee Monsalvat als centrum van de christenheid uit te schakelen.

De leiders van beide centra, Amfortas en Klingsor, zijn allebei verwond. Klingsor heeft zichzelf ontmand, wat hij als een vereiste beschouwde om Heer van de Graal te kunnen worden; de Graalburcht kan alleen geleid worden door iemand die zich oefent in sexuele onthouding, en kennelijk achtte Klingsor zichzelf daar alleen door zelfcastratie toe in staat. Hij kent de krachten der verleiding; hij gebruikt, in zijn strijd om de macht, mooie vrouwen om de Graalridders te verleiden. Ook Amfortas is aan zo’n verleiding (door Kundry) ten prooi gevallen; terwijl hij sex met haar had, heeft Klingsor hem de Heilige Speer ontvreemd en hem daarmee in zijn zijde (je zou ook kunnen denken: zijn genitalieën) verwond. Hij lijdt nu permanent pijn, maar kan niet sterven; iedereen die deelneemt aan de onthulling van de in Monsalvat bewaarde Graal, is gevrijwaard van de dood.
(De Heilige Speer is de speer waarmee de Romeinse hoofdman Longinus de gekruisigde Jezus in zijn zij heeft gestoken; de Graal is de kelk waarin Jezus bij het Laatste Avondmaal de wijn heeft rondgedeeld en waarin Jozef van Arimathea het bloed van Christus aan het kruis heeft opgevangen).

Met deze werelden komt Parsifal in aanraking. Hij heeft al voor zijn geboorte zijn vader Gamuret verloren (die werd in de strijd gedood) en is grootgebracht door zijn moeder Herzeleide (de naam zegt al hoeveel zij te lijden zal krijgen), die alles doet om hem bij wapens en ridders vandaan te houden. Uiteraard mislukt dat en Parsifal wil niets liever dan, nadat hij ridders gezien heeft, de wereld in trekken en avonturen beleven.
(Zijn moeder sterft daarna al snel daarna aan een gebroken hart).

In veel opzichten lijkt Parsifal op Siegfried: beiden zijn vreemden in de wereld waarin zij zich bewegen; ze zijn ‘dwazen’, niet vertrouwd met de conventies en gewoonten van de bestaande orde. Maar er is ook een groot verschil tussen beiden: Siegfried is de revolutionair die in zijn ontembare enthousiasme heen en weer geslingerd wordt tussen de polen goed en kwaad, omdat hij daartussen niet werkelijk de weg weet. Hij laat zich voortdurend leiden door zijn eigen ideeën, passies en belangen, maar is daardoor ook gemakkelijk om de tuin te leiden en te bedriegen, wat hem uiteindelijk ook zijn leven kost.

Parsifal echter is de verlosser, die in dienst van het goede staat, dienaar van hogere machten. Hoewel hij zich slechts zeer langzaam, door schade en schande lerend, van zijn missie bewust wordt. Wanneer hij tijdens zijn omzwervingen bij de burcht Monsalvat aankomt, doodt hij een zwaan met zijn pijl en boog; hij heeft die wapens voor zichzelf gemaakt en is gewend te jagen, te schieten op alles wat beweegt. Van de oude Graalridder Gurnemanz krijgt hij onderricht: hij leert van hem alles wat in de natuur leeft, te respecteren (Wagner was overtuigd vegetarieër). Parsifal raakt hevig bewogen door wat Gurnemanz hem zegt, volgens de regieaanwijzing luistert hij ‘met toenemende getroffenheid naar hem; nu breekt hij zijn boog in tweeën en gooit zijn pijlen weg’.

Parsifal zal uiteindelijk degene worden die was aangekondigd als verlosser van het lijden van Amfortas en redder van de Graalridderschap: “Door medelijden wetend, de reine dwaas, wacht op hem, die ik uitverkoren heb”.

Gurnemanz laat Parsifal deelhebben aan het centrale gebeuren van de Graalgemeenschap: de vergadering van ridders voor de liturgische presentatie en onthulling van de Heilige Graal, die dient tot sterking van lichaam en ziel. In feite is deze ceremonie een omgekeerde, reële Transsubstantiatie: brood en wijn veranderen hier niet in lichaam en bloed van Jezus, maar de schaal biedt de ridders reële voeding, het is het enige dat zij nodig hebben om in leven te blijven.

“Bloed en lichaam van de heilige gave verandert nu opdat ze jullie laven.
De liefdesgeest, die zalige troost, in de wijn die nu voor u ingeschonken staat, in het brood waarvan u eten gaat.
Neemt het brood, verander het moedig in lichaamskracht en sterkte; om trouw tot in de dood, volhardend in elke inspanning, aan de werken van de Heiland te werken.
Neem de wijn, verander hem opnieuw in vurig levensbloed, om blij vereend, in broederlijke trouw, te strijden met gezegende moed.”

Hoogdravende taal misschien, maar op het toneel werkt het. Dit is de indrukwekkendste scène die ik bij Wagner, en in opera überhaupt, op het toneel gerealiseerd heb gezien. Het is een transcendentaal gebeuren, een mis op muziek gezet en prachtig, zo prachtig geënsceneerd!

Wagner heeft zich in een eerdere opera ook al met het Graalsthema beziggehouden, dat was in Lohengrin. (Overigens vind ik dit werk van alle Wagner-opera’s de minst interessante; het is in mij ogen een nogal stijf en statisch drama).
Lohengrin is de zwanenridder die wordt uitgezonden om de in Brabant woedende machtsstrijd tussen de heidense en de christelijke partij, de tovenares Ortrud en de op God vertrouwende Elsa, in het voordeel van de laatste te beslissen. Maar de Graal is hier nog een macht die vanuit het verborgene werkt, reden waarom Lohengrin Elsa op het hart moet drukken hem niet naar zijn naam en afkomst te vragen.
Elsa kan dat echter niet laten en dus moet de zwanenridder haar verlaten, maar niet voordat hij haar de geschiedenis van de Graal verteld heeft:
“In een ver land, ontoegankelijk voor uw schreden, ligt een burcht, Monsalvat geheten; een stralende tempel staat daar in het midden, zo kostbaar als op aarde niets bekend:
daarin een schaal van wonderlijke zegen.
Om dit hoogste heiligdom houdt men de wacht, opdat de reinste mensen het in ere houden, werd het door een engelenschaar gebracht...
Wie om de Graal te dienen is uitverkoren, die rust hij uit met bovenaardse macht.”

Wat Lohengrin doet, interveniëren om christelijke waarden te beschermen, dat is ook de missie van de Graalridders in Parsifal. Maar juist dat is nu onmogelijk geworden. Amfortas’ verwonding heeft verstrekkende gevolgen: ze heeft ertoe geleid dat de gemeenschap van ridders volkomen met zichzelf bezig is en niet meer aan interventies, aan bescherming van de christenheid, toekomt.
De reine dwaas Parsifal zou kunnen helpen, maar die is voorlopig zo ver nog niet: bij zijn eerste bezoek aan de burcht en het bijwonen van de Graalsceremonie kijkt hij slechts zwijgend toe en stelt niet de vraag die de lijdende Amfortas verlossing zou kunnen brengen.

Parsifal trekt naar het toverslot van Klingsor. De strijders die de burcht verdedigen zijn allemaal voormalige Graalridders die de geliefden van Klingsors meisjes zijn geworden. Het lukt Parsifal hen zonder problemen te verslaan. Dan komen de bloemenmeisjes om hem, zoals gebeurt was met de Graalridders die hem voorgingen, te verleiden. Hij is niet geïnteresseerd in hun liefkozingen. De derde verdedigingslinie van Klingsor is Kundry, de vrouw die eerder Amfortas verleidde.

Kundry is grotendeels een nieuwe creatie van Wagner; ze is een combinatie van de slang die in het Paradijs Adam en Eva tot de zonde bracht; de Wandelende Jood die, op zoek naar verlossing, gedoemd is om eeuwig over de wereld te zwerven en een nieuwe versie van Venus uit Tannhaüser, met op het laatst ook nog iets van Maria Magdalena. Zij belooft hem kennis, waardoor hij God gelijk zou worden als hij haar een uur liefde zou geven. Kundry is echter niet alleen een grote verleidster, ze strijdt ook voor haar eigen verlossing. Ze heeft namelijk ooit de lijdende Christus uitgelachen en is er sindsdien toe veroordeeld door de wereld te dwalen en eeuwig verder te leven. De enige verlossing die Kundry zich kan voorstellen, is de sexuele gemeenschap met een man die haar zo, met zijn liefde, zou verlossen.

Maar Parsifal weerstaat zowel haar erotische aantrekkingskracht als het beroep dat zij doet op zijn medelijden. Ze heeft geen macht over hem.

Klingsor moet nu erkennen dat Kundry Parsifal niet kan bedwingen en zet zijn laatste wapen in: hij werpt de Heilige Speer naar Parsifal. Maar de speer weigert dienst tegen iemand die zo rein is gebleven en blijft boven zijn hoofd hangen. Parsifal grijpt de speer en maakt daarmee een kruisteken. Regieaanwijzing: “Als door een aardbeving zinkt het slot weg; de tuin verdort tot een woestenij; de meisjes liggen als verstrooide bloemen op de grond. Klingsors tovermacht is gebroken en met zijn slot gaat ook hijzelf tenonder.”

Maar de verlossing van Amfortas is hiermee nog niet bewerkstelligd, en ook niet de vernieuwing van de wegkwijnende gemeenschap der Graalriddders. Het verslaan van het kwaad, waar Parsifal wel in is geslaagd, moet gecompleteerd worden door het herstel van het goede. Maar Parsifal vindt na de ondergang van Klingsors rijk de weg naar Monsalvat niet en verdwaalt in de wereld.

Jaren zijn inmiddels verstreken wanneer Parsifal weer opduikt in het bos bij Monsalvat, waar hij Gurnemanz ontmoet. Naar wie of wat hij al die jaren gezocht heeft? vraagt Gurnemanz hem. “Naar hem om wiens intense klagen ik ooit in dwaze verbijstering vernam, wie nu genezing te brengen ik mij uitverkoren wanen mag.” Naar Amfortas dus.

Gurnemanz bericht nu over de teloorgang van de Graalgemeenschap sinds de verdwijning van Parsifal: Amfortas heeft de Graal sindsdien niet meer onthuld, om zodoende:
“... zijn einde te bespoedigen en met het leven zijn lijden te beëindigen.
De heilige spijziging blijft ons nu onthouden, gewone leeftocht moet ons voeden; daardoor kwijnde de kracht van onze helden: nooit bereikt ons nog een boodschap, noch oproep tot heilige strijd van ver.”

Als er geen redder van buiten komt, is de ondergang van de Graalgemeenschap onafwendbaar.

Parisfal is een ander geworden. Zijn grootste verdienste is, dat hij de Heilige Speer die hij aan zijn zijde meevoerde, niet ontheiligd heeft door haar te gebruiken om er onderweg zijn belagers mee te doden. Vergelijk dat met zijn eerste aankomst bij Monsalvat toen hij onnadenkend een zwaan doodde. Kundry verschijnt nu; ook zij is veranderd. Wanneer Parisfal door Gurnemanz naar het meer gebracht wordt om daar gereinigd te worden van het stof dat zich op zijn lange omzwervingen heeft opgehoopt, wast Kundry hem de voeten, droogt ze met haar haren en zalft ze met kostbare specerijen: ze wordt Maria Magdalena. Gurnemanz begrijpt nu ook dat Parisfal de aangekondigde is en giet Kundry’s zalfolie over zijn hoofd:
“Zo werd het ons aangezegd, zo zegen ik uw hoofd, om u als koning te begroeten.
U – reine – in medelijden geduldige, in helende handelingen wetende!”
Hiermee is Parisfal als de nieuwe Graalkoning geïnaugureerd.
Diens eerste ambtshandeling bestaat daarin dat hij het hoofd van de knielende Kundry met water begiet en haar doopt. Zo valt haar de eeuwenlang nagestreefde verlossing eindelijk ten deel.

Ondertussen ontvouwt de natuur zich in heel haar schoonheid; Gurnemanz noemt het de ‘Goede Vrijdag-betovering’, die de verzoening tussen mens en natuur inhoudt, een toestand van vrede en volkomen harmonie. Iets dergelijks is al te vinden bij de profeet Jesaja, die schrijft over een toestand waarin niet alleen alom vrede heerst omdat zwaarden zijn omgesmeed tot ploegscharen, maar ook de wolf bij de lammeren ligt. Zowel in het Gouden Tijdperk van de Griekse mythologie, als het Paradijs in de Joodse overlevering, komen we steeds dat idee tegen van een vredig samenleven van mensen en dieren zonder geweld of onderdrukking. Bij Wagner is dit een diep religieus gebeuren dat zich eerst buiten de Graalsburcht, in de open natuur afspeelt en daarna met de genezing van Amfortas, door de aanraking van zijn wond met de Heilige Speer alsook de nieuwe onthulling van de Graal nog een keer wordt geïntensiveerd: Christelijke heilsboodschap en herrijzenis van de natuur gaan hier samen.

Door zijn medelijden met Amfortas en met al het geschapene dat lijdt in het algemeen, wordt Parsifal de redder en verlosser van de Graalgemeenschap. Het was de ultieme bekroning van het wagneriaanse muziektheater en het einde van Wagners oeuvre.

De Graalsburcht



Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Shakespeare's Macbeth, deel II

De scène van de moord op Lady Macduff en haar kinderen is vrijwel ondragelijk. Je kunt je afvragen waarom Macduff zijn gezin niet heeft meeg...