vrijdag 16 juni 2023

The earliest English poems - AngloSaxon. Deel II

Afbeelding: het Middeleeuwse manuscript van The Dream of the Rood

Mijn editie van Beowulf wordt gevolgd door een kort episch fragment, ook AngloSaxon, het Finnsburgh fragment. Zestig regels die vermoedelijk ouder zijn dan Beowulf; de taal is een stuk simpeler en directer, waar die van Beowulf soms iets pompeus kan hebben.

Het verhaal dat verteld wordt is die van een nachtelijke aanval: “Now shines the moon, welkin-wanderer. The woes at hand / shall bring to the full this folk’s hatred of us.
Awake! On your feet! Who fights for me?... be with me at the doors...“
Woorden gesproken door ene Hnaef; we hadden nooit geweten wie wie aanvalt in dit fragment als er niet ook een uitgebreide verwijzing had gestaan in Beowulf; het verhaal komt aan de orde in een ballade, gezongen door een minstreel aan het hof van Hrothgar.

De achtergrond van het verhaal is een conflict tussen de Denen en de Friezen dat opgelost wordt door een alliantie tussen de beide koningshuizen: de Deense prinses Hilderbuh, zuster van de koning Hnaef, trouwt de koning der Friezen. Wanneer haar broer haar aan het Friese hof komt opzoeken, begeleid door zestig krijgers, worden zij in eerste instantie gastvrij ontvangen. Maar ’s nachts vallen de Friezen aan. Het gevecht duurt verscheidene dagen, maar de Denen houden stand. Wel wordt Hnaef gedood, zijn plaats wordt ingenomen door Hengest.
En dat is één van de interessante aspecten van het verhaal. Hengest was een Jutlander en één van de stichters van de Saxische koninkrijken in Engeland. Het is heel goed mogelijk dat de Hengest uit het gedicht dezelfde is, dat hij met de Denen mee vocht voor zijn vertrek naar Engeland.

En: onder de Friese aanvallers is Garulf, de zoon van prinses Hilderbuh en de Friese koning. Hoewel hem wordt afgeraden, als koningszoon, met de aanval mee te doen, vraagt hij toch op luide toon naar de naam van zijn tegenstanders en krijgt als antwoord: “My name is Sigeferth [weer de Siegfried figuur], of the Secgan, chief, / known through the seas. I have seen a few fights / and can take on trouble. What you intend for me / your own flesh shall be the first to taste.”

En Garulf valt in de strijd. Het vervolg van het verhaal is dat de Denen naar huis terug keren, maar Hengest zet later een nieuwe expeditie op touw; in zijn opdracht worden de Friezen verslagen, wordt Finnsburgh vernietigd en keert Hilderbuh terug naar huis. Maar de kiem van een tragisch conflict is geboren: de zoon van prinses Hilderbuh is immers gedood door haar eigen mensen. Maar helaas is dus de rest van het gedicht verloren gegaan.

Dan is er de Battle of Maldon, een geweldig gedicht, de allerbeste battle poem in de Engelse taal.

De AngloSaxon Chronicle, geschreven door monniken in verschillende kloosters, maakt bij het jaar 991 melding van een inval door de Vikingenleider Anlaf, die met 93 schepen naar Folkstone voer en daar de omgeving terroriseerde. Via Ipswich ging hij naar Maldon, waar hij slag leverde met de Ealdorman (een term die aangeeft dat hij een bepaald gebied bestuurde) Brythnot, die daarbij de dood vond.

Brythnot was één van de vier of vijf machtigste mannen van Engeland. Hij wordt beschreven als vroom, onstuimig, een ervaren oorlogsleider, erudiet ook (hij kende Latijn), die ten tijde van deze schermutseling (een echte veldslag was het eigenlijk niet) 65 om misschien nog ouder was. Zijn haar was ‘swan-white’ en hij was kennelijk een buitengewoon grote man.

In die tijd waren dergelijke aanvallen vanuit Denemarken en Noorwegen op de Engelse kust een jaarlijks terugkerend verschijnsel. De veldslag wordt beschreven in de 325 regels die zijn overgebleven van het gedicht The Battle of Maldon. De lokatie van de veldslag is het Northey Island, een eiland dat de Vikingen als hun basis hadden uitgekozen, in de monding van de Blackwater rivier in Essex.

Dit is een gedicht over een nederlaag dus. En dat kan mooi materiaal zijn voor een episch gedicht (hoewel die vaker over heroïsche daden en overwinningen gaan). Zie bijvoorbeeld het Chanson de Roland, over een nederlaag die de achterhoede van het leger van Karel de Gorte, onder leiding van Roland, leed tegen de Saracenen.

Als The Battle of Maldon iets aantoont, dan is het dat het sterkste motief in een Germaanse samenleving van die dagen, absolute loyaliteit aan de Lord was.
En het is een meesterwerk, volgens zuiver literaire maatstaven beschouwd een beter gedicht dan het veel beroemdere Beowulf.

Het begint gelijk al goed:
“... then he [aangezien dit een overgebleven fragment is dat ergens middenin begint, wordt uit de tekst niet duidelijk wie de ‘he’ is. Uit de context blijkt echter dat het Brythnot is] bid each man let go his bridles / drive far the horses [gevechten vonden te voet plaats. Het wegzenden van de paarden betekent dat men klaar is voor de strijd] and fare forward / fit thought to hand-work and heart to fighting...”

Brythnot is een leider die tussen zijn mensen staat:
“Then when his folk was fairly ranked / Brythnot slighted where he loved best to be / and was held most at heart – among hearth-companions.”

Een Vikingboodschapper vraagt om losgeld: in dat geval zullen zij zich terugtrekken.
Als antwoord krijgt hij:
“English silver is not so softly won / first iron & edge shall make abitrement, / harsh war trial, ere we yield tribute.”

De Vikingen moeten om strijd te leveren van hun eiland aan wal komen, wat pas kan als het getij een doortocht heeft mogelijk gemaakt. De ‘brug’ die zo ontstaat, wordt verdedigd door de Saxen en er zou misschien niet eens een Battle of Maldon hebben plaatsgevonden als Brythnot niet, met onbegrijpelijke grootmoedigheid, besloot hen vrije doortocht te geven, zodat de strijd op het land zou kunnen plaatsvinden. Fair Play!
Maar: “The Earl was overswayed by his heart’s arrogance”, zegt de dichter daarover, “to allow overmuch land to that loath nation.”

Nu is het uur van de strijd aangebroken:
“The time grew on when there the fated men must fall / the war-cry was raised up. Ravens wound higher, / the eagle, carrion-eager; on earth – the cry!”

De strijd golft op en neer. Dan is er het fatale moment dat de aanvoerder, Brythnot, dodelijk gewond raakt. Het laatste wat hij doet is: “heartening his men: he bade them go forward... Fast on his feet he might not further stand, he looked to heaven.”

Zijn laatste woorden zijn tot God gericht (dit is immers een Christelijke leider, die de strijd aanbindt met heidenen die in Thor en Odin geloven):
“’I give thee thanks, Lord God of hosts, / for I have known in this world a wealth of gladness / but now, mild Maker, I have most need / that Thou grant my ghost grace for this journey / so that my soul may unscathed cross / into Thy keeping, king of angels, pass through in peace: my prayer is this, / that the hates of Hell may not harm her.’
            Then they hewed him down, the heathen churls.”

Er zijn er een aantal die vluchten na de dood van hun leider, maar er is ook trouw aan die leider, zelfs als hij niet meer op het slagveld aanwezig is om hen voort te jagen. Loyaliteit aan de Lord is, zoals gezegd, één van de centrale thema’s van het gedicht.
Zoals bij deze twee strijders:
Leofsunu: “I swear that from this spot not one foot’s space / of ground shall I give up. I shall go onwards, / in the fight avenge my friend and lord.”

Dunnere: “A man cannot linger when his Lord lies / unavenged among Vikings.”

In de strijd moeten de Saxen tenslotte de overwinning aan de Vikingen laten, na vele zware gevechten:
“It was a stark encounter, but they stood their ground - / the warriors in that fight, fought till wounds / dragged them down. The dead fell.”

Ronduit ontroerend zijn de woorden die ene Brythwold (niet te verwarren met Brythnot, de gesneuvelde leider) spreekt als vrijwel alles verloren is:
“Courage shall go keener, clearer the will, the heart fiercer, as our force faileth. Here our Lord lies levelled in the dust... Though I am marred with winters I will not away, for I think to lodge me beside my dear one, lay me down by my Lord’s right hand.”

Het zijn bijna de laatste overgeleverde woorden van het gedicht; hierna is er alleen nog sprake van een vechtende Godric. “That was not the Godric who gallopped away”, zegt de dichter dan fijntjes: een naamgenoot van deze strijder hoorde bij de lafaards die de benen namen.

We hebben tot nu steeds gekeken naar de epische traditie, die van Beowulf en de Finnsburgh fragment, tot en met The Battle of Maldon. Dan, in de negende eeuw, vind er een revolutie plaats. We weten niet wie de dichters waren en of ze zelfs wel bewust waren van het werkelijk nieuwe dat ze aan het doen waren. Ook weten we niet of de gedichten die bewaard zijn gebleven, de eerste in het genre waren. Wat er gebeurt: er onstaat een nieuwe stem in de poëzie, een nieuw gebruik van de taal.
En dat is echt iets heel bijzonders. Het AngloSaxon, het Oud Engels, heeft een bepaalde hardheid die haar bij uitstek voorbestemde tot de epische poëzie, met moed en loyaliteit als centrale waarden. Wat deze dichters het beste doen, is veldslagen beschrijven. En als je die epische poëzie hardop voorleest, dan hoor je a.h.w. het geluid van tegen elkaar kletsende zwaarden, van speer op schild en de kreten op het slagveld.

Maar wat dan ontstaat, zijn de Oud Engelse elegieën, waarvan The Wanderer en The Seafarer beroemde voorbeelden zijn. Dit zijn persoonlijke gedichten met een melancholiek karakter. De elegie wordt meestal gedefinieerd als een klaagzang voor de doden; dat zijn deze gedichten niet (hoewel de eindigheid van alles een centraal thema is); de naam elegie is vooral gekozen vanwege het melancholieke karakter: een gedicht van ernstige reflectie.

Het zijn ook gedichten waar eenzaamheid uit spreeekt. De balling (wraecca) is de protagonist van de meeste elegieën. Waarom? Dat heeft te maken met de structuur van de AngloSaxon samenleving. Die was georganiseerd in zeer kleine eenheden en iedere eenheid, de cynn, was georganiseerd rondom haar Heer, de Lord (Hlaford). Deze samenlevingen waren sterk verenigd: de mannen van een cynn waren allemaal min of meer familie, verzamelden zich rondom hun Lord om hetzelfde voedsel, dezelfde drank te delen; zoals ze overdag gedeeld hadden in dezelfde taken. Maar een man kreeg meer dan eten en drinken en een gevoel van algehele solidariteit van zijn Lord: hij kreeg bescherming. Niemand durfde een man aan te vallen die de bescherming genoot van een machtig heer die onmiddellijk klaar stond om wraak te nemen als één van zijn mannen onrecht was aangedaan.

Dat is waarom de elegieën altijd dat sterke contrast schilderen, tussen wraecca en cynn, tussen warme hal waar een vuur brandde en bier gedronken werd en de duisternis daarbuiten van zee en moeras (je ziet dat trouwens ook in Beowulf).

De sprekers van The Wanderer en The Seafarer zijn beiden wraecca, mannen die hun Lord zijn kwijtgeraakt, ‘allone, withouten any compaingye’. Beide gedichten kennen een standaard beschrijving van de moeilijkheden van het harde wraecca bestaan en geven dan het traditionele heroïsche antwoord dat ze die moeilijkheden moeten overwinnen door daden die hen zullen geven ‘a name that shall never die beneath the heavens’. En beiden brengen hun argumentatie een stap verder door zich af te vragen: wat als er geen na-levers meer zijn om die naam levend te houden? We komen zo op de drempel van een waarlijk metafysische vraag; deze impliceert ook het vraagstuk van de redding van de individuele ziel. Dit laatste is niet vanzelfsprekend in de noordelijke heroïsche wereld; roem staat daar gelijk aan onsterfelijkheid. Dus gaat de spreker van The Wanderer heel ver door zich een geruïneerde stad voor te stellen (“Where are those men? Where is the hoard-sharer? / Where is the house of the feast? Where is the hall’s uproar? How time has passed... as though it never had been...”) zonder ‘after-speakers’.
Het geeft deze gedichten een intensiteit en een wanhoop die ze daardoor duidelijk onderscheidt van het onpersoonlijker verdriet van de heroïsche gedichten. The Seafarer maakt de indruk van een dichter in gesprek met zichzelf – een zeer moderne activiteit voor een scop! Het begin van het gedicht is heel persoonlijk: “I can sing a true song about myself”; hier lijkt de dichter zelfs vooruit te lopen op Walt Whitman en zijn Song of myself.

Ik wil hier verder vooral op The Seafarer ingaan.
Het is een soliloquy, een alleenspraak: de wraecca vertelt van de vele winters die hij alleen op zee heeft doorgebracht:
“No man blessed with a happy land-life is like to guess / how I, aching-hearted, on ice-cold seas / have wasted whole winters; the wanderer’s beat, cut off from kind...”

Het is goed voorstelbaar hoe groot de gevaren waren die doorstaan moesten worden en hoe ongelofelijk zwaar het moet zijn geweest om je staande te houden in die breekbare houten bootjes op die onmetelijke Noordzee.

Dan, na iets meer dan 30 regels, slaat het gedicht om: met de komst van de lente verheugt hij zich op een nieuwe zeereis:
“Cuckoo’s dirge drags out my heart / whet will to the whale’s beat / across wastes of water: far warmer to me / are the Lord’s kindnesses than this life of death / lent us on land...”

Twee compleet tegenovergestelde houdingen tegenover het zeeleven worden hier uitgedrukt. Je zou kunnen beargumenteren dat dit een omslag qua levenshouding is: de spreker neemt hier afstand van zijn vroegere terugverlangen naar een leven bij Lord en cynn; hij omarmt het contemplatieve leven van de eenzame zeeman, de pelgrim-kluizenaar van de zeeën.

“His heart is not in harping nor in the having of rings [de koningen plachten ringen uit te delen in de hal van hun paleis; één van de benamingen van een koning was ‘ring-giver’],
has no delight in women nor the world’s gladnesses / nor can think of anything outside the thrash of waves.”

In het laatste deel van het gedicht lijkt het personage van de Seafarer te worden afgegooid en is er een filosoof aan het woord die iedere blijvende waarde van het menselijk bestaan ontkent:
“Three things all ways threaten a man’s peace: / either illness or age or the edge of vengeance / shall draw out the breath of the doom-shadowed”.

Behalve dan dat het individu zijn sterfelijkheid kan overwinnen door grootse daden die hem roem opleveren: “afterword, the praise of livers-on, that, lasting, is best... after speakers should respect the name and afterwards angels have honour toward it for always and ever.”

Het slot is een hoogtepunt, misschien zelfs wel van de hele Engelse literatuur: de spreker maakt zijn laatste, definitieve punt. Hij beklaagt de Lords die gestorven zijn (en hun opvolgers zijn zwakkelingen die geen schim zijn van hen die vooraf gingen):
“There are no gold-givers like the gone masters / who between them framed the first deeds in the world... it is a weaker kind who wields earth now”.
Alle vlees is sterfelijk:
“Age fares against him, his face bleaches / and his thatch thins: had a throng of friends / of noble houses, knows now they are all given to the ground...”
Het verzamelen van aardse schatten is futiel en zinloos als de ziel met zonde besmeurd is:
“A man may bury his brother with the dead / and strew his grave with the golden things / he would have him take, treasures of all kinds / but gold hoarded when he here lived / cannot allay the anger of God / towards a soul sin-freighted.”

Geen optimistische conclusie...

Bede spreekt in zijn kerkgeschiedenis van de eerste werkelijk Christelijke dichter: Cadmon. Zijn geschiedenis is wellicht opmerkelijker dan de paar regels poëzie die hij heeft achtergelaten.
Cadmon was een oude, verlegen, ongeletterde herder die in een klooster woonde. Daar was het de gewoonte dat na de maaltijd de harp van hand tot hand ging en ieder om de beurt speelde en zong. Maar Cadmon was even ongeschoold in de muziek als in de dichtkunst. Op een avond was het weer zo ver: de gevreesde harp kwam zijn richting uit. In plaats van te zeggen: ik weet niet hoe ik moet zingen, wat hij al zoveel avonden gedaan had, stond hij op en ging weg. Hij ging naar de stal om daar bij de dieren te slapen. Cadmon viel in slaap en in zijn dromen zag hij iemand, waarschijnlijk een engel, die hem een harp gaf en tot hem sprak: “Zing! Zing van de Oorsprong der Schepping.”
En Cadmon componeerde een gedicht dat hij zich nog herinnerde toen hij wakker werd. (Het zou een Engelse traditie worden: in de slaap gedichten produceren. Je komt het bijvoorbeeld bij Coleridge tegen, en bij Blake). Het gedicht dat hij toen schreef, is bewaard gebleven; het gaat terug op de eerste regels van het boek Genesis. Heel bijzonder is het niet, maar het zijn vermoedelijk de oudste dichtregels in het (Oud-) Engels (Bede dateert het ergens tussen 658 en 680).

Now [we] shall honour / heaven-kingdom's Ward, /
the measurer's might / and his mind-plans,

the work of the Glory-father / as he of each wonder,
eternal lord, / the origin established;
he first created / for the children of men
heaven for a roof, / holy shaper.
Then 
Middle-earth / mankind's Ward,
eternal Lord, / after created,
the lands for men, / Lord almighty.

Uiteraard was iedereen zeer verbaasd dat zo’n ongeletterde man dit voor elkaar had gekregen; hij werd voor de abdes van het klooster geleid, die nogal onder de indruk van de regels was. Maar ze wilde een test doen: één van de priesters las hem de volgende regels van Genesis voor en zij vroeg hem ook daar poëzie van te maken. De volgende dag kwam hij met zijn versie van de betreffende passage; hij is doorgegaan met poëzie te maken van de gehele Pentateuch, tot aan zijn dood. Maar helaas is er behalve de genoemde regels (zijn eerste; je zou kunnen veronderstellen dat hij steeds beter werd naarmate hij het vaker deed) niets meer overgeleverd van wat hij gecomponeerd heeft.

Het beroemdste religieuze gedicht in het Oud Engels is The Dream of the Rood. Het gedicht is geschreven om de vondst van een deel van het Ware Kruis te gedenken; een deel ervan staat gegraveerd in het zgn. Ruthwell Cross, een stenen kruis dat gevonden werd in het Schotse dorpje Ruthwell.

De meeste religieuze gedichten in het Oud Engels (vaak parafrases van de Vulgaat) zijnonovertuigend omdat het Christelijke gedachtengoed nogal haaks staat op de Germaanse tradities. Ze zijn onhandig geschreven, rammelen aan alle kanten en zijn over het algemeen onzeker over wat ze willen beweren. Het Oude Testament, met zijn tribalisme, jaloerse God en acceptatie van de plicht tot wraak bij ondergaan onrecht, sloot beter aan bij de belevingswereld van de scop dan het Nieuwe Testament. In de AngloSaxon interpretatie van Genesis bijvoorbeeld, is Satan een man die ontrouw is aan zijn Lord, één van de centrale thema’s in de Germaanse poëzie.

Maar de meeste Oud Engelse religieuze gedichten zijn in feite minder Christelijk dan ze willen doen voorkomen, het is eerder Germaanse poëzie met hier en daar een (meestal slecht aansluitend) Christelijk accent. Nergens krijgt de betekenis van de incarnatie en het leven van Christus, zijn kruisdood en opstanding echt overtuigend gestalte (zoals we gewend zijn van de latere Middeleeuwse poëzie).

Op deze generalisaties is The Dream of the Rood de overduidelijke uitzondering. Het is een korte beschrijving van een mystieke ervaring. De dichter beschrijft hoe het Kruis (the Rood) in een droom aan hem verscheen (de titel Vision of the Cross wordt ook wel gebruikt):
“I dreamed I saw the tree itself / borne on the air, light wound about it, / - a beam of brightest wood, a beacon clad / in overlapping gold, glancing gems / fair at its foot, and five stones [de vijf wonden van Christus representerend] / set in a crux flashed from the crosstree.
Around angels of God all gazed upon it...”

Vervolgens krijgen we te horen welke woorden het Kruis tot hem sprak. En die woorden hebben een prachtige dramatische intensiteit en levendigheid. Eerst krijgen we te horen hoe ‘hij’ als boom wordt omgehakt en gemaakt tot een kruis dat op een heuveltop wordt gezet.
“Then I saw, marching toward me / mankind’s brave King: He came to climb upon me...
Almighty God ungirded Him, / eager to mount the gallows / unafraid in the sight of many: / He would set free mankind...
Stand fast I must.”

Stand fast I must: Hier krijgt het Nieuwtestamentische verhaal een Germaanse draai: het Kruis wordt een personage dat onder alle omstandigheden trouw is aan zijn Lord. En meelijdt met de stervende Christus:
“They drove me through with dark nails / on me are the deep wounds manifest...
How they mocked at us both / I was all moist with blood...”

Dan sterft Christus daadwerkelijk:
“All creation wept, keened the King’s death. Christ was on the cross.”

Vervolgens wordt de kruisafname beschreven en hoe na een tijdje de drie kruisen van Golgotha worden ontmanteld. Maar het Ware Kruis wordt teruggevonden door volgelingen van Christus:
“His friends found me... it was they who girt me with gold and silver...”

We zijn nu vrijwel aan het einde van de periode van de Saxen. De Vikingen zijn Engeland al geregeld binnengevallen en binnenkort, in 1066, na de Battle of Hastings, zal dat het geval zijn met de Normandiërs (ook Vikingen, maar inmiddels sterk verfranst omdat ze al meer dan een eeuw in Normandië woonden en de Deense taal helemaal kwijt waren). Zoals eerder de AngloSaxons de oorspronkelijke Keltische bevolking aan zich ondergeschikt hadden gemaakt, zo worden zij nu zelf ondergeschikten van de Normandiërs, onder wier invloed de Engelse taal grote veranderingen doormaakt. Het Engels dat dan ontstaat is doortrokken van Franse en Latijnse termen. Eeuwenlang heeft de Engelse literatuur een soort van ondergronds bestaan geleid (aan het hof sprak met Frans, de geestelijkheid sprak Latijn en het gewone volk Saksisch, vermengd met Deens onder invloed van de Vikingen die op Engelse bodem gesetteld waren).
Het is pas in de 14e eeuw dat de Engelse literatuur werkelijk gaat bloeien, met schrijvers als Chaucer (Canterbury Tales) en Langland (Piers Plowman). 

Caedmon and Bede depicted in stained glass



dinsdag 13 juni 2023

The earliest English poems - AngloSaxon. Deel I

Ik wil in dit blog graag heel veel schrijven over Engelse poëzie. Tijdens mijn opleiding in Engeland (vier jaar speech formation) heb ik me daar intensief mee bezig gehouden en ook veel poëzie gereciteerd. Uiteindelijk wil ik uitkomen bij wat ik zelf de absolute hoogtepunten vind: William Blake, de Romantics (grofweg Wordsworth t/m Keats); Tennyson, Browning & Yeats.

Maar ik wil nu eerst terug naar de vroegste Engelse poëzie, gecomponeerd in het Anglo-Saxon, in de eeuwen voorafgaand aan de Normandische invasie in 1066, vanaf einde van de zevende / begin achtste eeuw. En dat is ouder dan iedere andere Europese poëzie.

Er is niet heel veel over bekend en er is niet heel veel van overgeleverd. Alles wat we hebben is afkomstig uit vier manuscriptboeken of codices en we kunnen absoluut niet aannemen dat wat er is overgeleverd, ook inderdaad de hoogtepunten zijn, zoals de twee boeken van Homerus, die door de eeuwen heen door steeds weer nieuwe generaties de moeite waard werden gevonden om te worden doorgegeven, dat wel zijn.

Evenals die werken van Homerus zal dit hoogstwaarschijnlijk orale, van generatie op generatie overgeleverde poëzie zijn geweest. Dicteerde de dichter uiteindelijk zijn regels aan een monnik die schrijven kon? Of waren er misschien dichters die hun eigen werk hebben opgeschreven? We weten het niet. Het epische gedicht Beowulf , wellicht het beroemdste angelsaksische gedicht, met bijna 3200 uiterst krachtige versregels, zal niet het enige epos zijn geweest. Maar de rest is niet overgeleverd.

De komst van de Normans heeft de Engelse taal ingrijpend veranderd; dat maakt dat het Anglo-Saxon nu klinkt als iets dat heel ver van ons af staat. Onlangs bestelde ik, voor een paar euro per stuk, twee deeltjes uit Methuen’s Old English Library, the Seafarer en the Dream of the Rood. Ik ging ervan uit dat het om een moderne vertaling ging, zoals de Penguin uitgave van het Beowulf gedicht, of op zijn minst een tweetalige uitgave. Maar nee, na een inleiding in het Engels volgen de gedichten in een taal waaraan absoluut geen touw is vast te knopen, gebruikmakend, naast de ons bekende letters, van een aantal lettertekens die ik zelfs helemaal niet thuis kon brengen. Ongetwijfeld is dit onder de knie te krijgen, Jorge Luis Borges deed het op zijn 80e nog, het was, het Anglo-Saxon, één van de liefdes van zijn oude dag (naast het IJslands). Maar mij is het teveel moeite. En er bestaat ook een mooi Penguin deeltje The earliest English poems, met versies in modern Engels van de belangrijkste gedichten (Beowulf enkel in fragmenten, maar die had ik al in zijn geheel).

De Angelen en de Saksen waren, voordat ze naar Engeland kwamen, van Germaanse afkomst. Zij arriveerden op de Britse eilanden na het vertrek van de Romeinse legioenen, die daar leefden temidden van de Kelten. Dat was rond het jaar 450.
De Saksen waren Germanen, gerelateerd aan de Vikingen (die pas later op de Britse eilanden zouden landen), afkomstig uit het Rijndal en uit de Lage Landen. De Angelen kwamen uit zuid Denemarken.

Het Anglo-Saxon hoort dan ook tot de Germaanse taalgroep. Het Oud Engels, zoals het ook wel genoemd wordt, heeft in proza nooit de complexe syntax ontwikkeld van bijvoorbeeld het Grieks en het Latijn. Maar met de poëzie ligt dat anders. Poëzie gaat veel verder terug in de tijd dan proza (het lijkt erop dat de mens al zingt voordat hij spreken gaat); de dichters maken gebruik van een archaïsche dictie teruggaand op de tijd dat poëzie alleen gesproken werd, nog niet geschreven (soms ook gezongen, onder begeleiding van een harp). In vroege samenlevingen is de dichter historicus en priester. Hij legt tradities vast, maakt contemporaine gebeurtenissen tot nieuwe tradities; daarbij gaat zijn zang vaak terug op rituele betekenissen, wat haar een magisch, geheiligd karakter geeft. Zo’n dichter had een publieke functie; hij was de stem en het geheugen van de stam.

Een mooi voorbeeld staat in Beowulf. Als Beowulf het monster Grendel heeft verslagen en gedood, rijden de krijgers naar het meer dat zijn woonplaats was, om zich ervan te vergewissen dat hij werkelijk dood is. Op terugweg componeert een scop (de dichter van het Oud Engels, tegenhanger van de skald in het Oud Noors) een lied op de held:
“...a fellow of the king’s whose head was a storehouse of the storied verse, / whose tongue gave gold to the language / of the treasured repertoire, wrought a new lay / made in the measure.
            The man struck up, found the phrase, framed rightly / the deed of Beowulf, drove the tale, / rang word-changes. He chose to speak / first of Sigemund [de dichter vergelijkt hier Beowulf met Sigemund, grootste der drakendoders in de Germaanse traditie; dezelfde figuur die bij Wagner Siegfried werd], sang the most part / of what he had heard of the hero’s exploits...”

Dit fragment toont aan dat geïmproviseerde orale compositie betreffende een recente gebeurtenis vrij gebruikelijk was. Beowulf had zich voorgenomen Grendel te doden, hij voegt de daad bij het woord; de mensen die hij van het monster bevrijd heeft eren hem in een lied: de daad wordt weer woord.

Vergelijk dit met de rol van de dichter in de tegenwoordige tijd: die is marginaal geworden; en dichtkunst is een stille, private aangelegenheid geworden, zeker niet iets wat bij officiële gelegenheden gereciteerd wordt.

Ik kan niet verder gaan met mijn verhaal over de oude Engelse poëzie zonder iets gezegd te hebben over het orale karakter ervan en de aard van het Anglo-Saxon.
Als een minstreel, troubadour, bard, of hoe we deze oude performance kunstenaars ook moeten noemen, eenmaal begonnen was met wat niet zelden een zeer lang gedicht zou worden (optredens duurden soms enkele dagen), moest hij er zeker van zijn dat de stroom van zijn poëzie niet gestremd werd. De dichters waren daarom bedreven in een improvisatiekunst met tal van geheugensteuntjes, die eindeloos flexibel was en steeds viel uit te breiden of aan te passen aan de situatie ter plaatse, het aanwezige publiek e.d. Milman Perry, die in het 20e eeuwse Joegoslavië, waar dat soort improviserende poëten - rapsoden nog steeds bestonden, veldonderzoek heeft gedaan, heeft gewezen op het gebruik van wat hij ‘formules’ noemt (je komt ze bij Homerus ook tegen) en die hij definieert als: een groep woorden die regelmatig, met dezelfde woorden en zinswendingen en in steeds hetzelfde metrum worden gebruikt om een bepaalde standaardsituatie – een gevechtshandeling op het slagveld, de ontvangst van gasten, een maaltijd, een reis, een krijger die een wapenrusting aantrekt – uit te beelden. Dit soort momenten vormen rustpunten voor de dichter, die dan vervolgens de ruimte heeft om weer een nieuwe richting in te slaan. Zo hoeft hij niet alles vanuit het niets te componeren. (Originaliteit is in deze cultuur dan ook een niet bestaand begrip. Je werkt met tradities en bestaande formuleringen, die echter steeds weer andere wendingen krijgen, afhankelijk van de omstandigheden. Iedere nieuwe voordracht van hetzelfde gedicht is weer anders, een nieuwe variatie op de traditie...).

Een ander voorbeeld van formulewerking zijn de zgn. kennings: beschrijvende, uitgekristalliseerde metaforen, waarbij meestal een vaste combinatie zelfstandig naamwoord – bijvoeglijk naamwoord wordt gehanteerd. Zo wordt de zee de ‘walvissen- weg’, het schip de ‘zee-hengst’ (heel vaak bestaan de metaforen uit de namen van dieren), de zon ‘kaars van de lucht’ of ‘juweel van de hemel’’; de harp ‘hout van vreugde’, de koning de ‘herder der mensen’ en God de ‘drager van glorie’ of ‘schenker van de overwinning’. Deze metaforen, die vaak prachtig zijn, waren dus clichés en hadden voor de dichters het voordeel dat iedereen in het publiek ze herkende.

In het Anglo-Saxon is het metrum zeer belangrijk en er wordt veel gebruik gemaakt van alliteratie waardoor bepaalde lettergrepen extra nadruk krijgen en zo het gedicht voortstuwen. Wie de gedichten hardop declameert, begrijpt onmiddellijk wat ik hier bedoel, ook in een moderne Engelse vertaling. Rijm is incidenteel en min of meer toevallig; niet iets wat binnen deze structuur erg opvalt.

Een passend gedicht om dit overzicht mee te beginnen is The Ruin. Het is de beschrijving van een verlaten Romeinse stad, wellicht Aqua Sulis, ofwel Bath, een Romeinse stad in Engeland. Het is een gedicht tussen twee culturen; geschreven zo’n drie eeuwen na het vertrek van de Romeinen. En het zou nog eens drie eeuwen duren voordat de Normans de constructie van stenen bouwsels zouden herintroduceren. Anglo-Saxons hadden dan ook het grootste respect voor de Romeinse bouwkunst, die in het gedicht ‘the work of Giants’ genoemd wordt.

 Thema van het gedicht, waarvan maar een deel is overgeleverd, is verval en sterfelijkheid; alles, ook wat ooit levend en bloeiend was, verdwijnt:
“Bright were the buildings, halls where springs ran / high, horn-gabled, much throng-noise / these many meadhalls men filled / with loud cheerfulness: Wierd [het Lot] changed that.
Came days of pestilence, on all sides men fell dead / death fetched off the flower of the people / where they stood to fight, waste places / and on the acroplis, ruins.”

Ik heb nog niet gezegd hoe ik ertoe geïnspireerd werd me met deze oude poëzie te gaan bezighouden. En dan kom ik toch weer uit bij (hij werd net al even genoemd) Jorge Luis Borges. Hij weer! Er bestaat een boek dat Professor Borges heet en dat colleges over Engelse literatuur bevat die hij aan de Universiteit van Buenos Aires gaf. Hij komt daarbij tenslotte uit bij de Schot Robert Louis Stevenson en de Ier Oscar Wilde, maar hij begint met colleges over de oudste Engelse poëzie.

Zijn eerste bijdrage gaat over Beowulf, het episch gedicht uit de achtste eeuw, eeuwen ouder dan andere Europese werken als het Spaanse heldendicht El Cid, het Germaanse Nibelungenlied of het Frankische Chanson de Roland.

En het eerste dat opvalt bij het lezen van Beowulf is de buitengewoon krachtige, elementaire energie die het gehele gedicht door volgehouden wordt en af en toe mythische proporties krijgt.

Het gedicht heeft zijn huidige vorm gekregen (vermoedelijk) in het noordelijk deel van Engeland waar de Angelen woonden; volgens kenners is het gedicht meer Anglian dan Saxon. Traditioneel wordt het geplaatst in het Northumbria van Bede, de monnik die een Engelse kerkgeschiedenis heeft geschreven en stierf in 735. Het gedicht speelt echter in Zuid Skandinavië in de 5e / 6e eeuw; er zijn geen referenties aan de Britse eilanden. Dit wijst erop dat zelfs na drie eeuwen in hun nieuwe vaderland te hebben gewoond, de AngloSaxons nog steeds heimwee hadden naar hun vroegere streken aan de Oostzee en ook dat er kennelijk een sterke affiniteit was tussen AngloSaxons en Noormannen.

De eigenlijke vertelling van Beowulf is redelijk simpel. De jonge Beowulf van het Geat volk (een naam verwant aan de Gothen), woonachtig in het huidige Zweden (hij was echter geen Zweed; de Zweden waren de vijanden van het Geat volk, daar wordt in het gedicht veelvuldig naar verwezen), trekt naar een ander land (het huidige Denemarken) om daar het monster Grendel, in de hal van koning Hrothgar, te verslaan (1). Vervolgens verslaat hij Grendels moeder, ook een vervaarlijk monster, in een onderwater grot (2); later, na zijn land 50 jaar geregeerd te hebben, trekt hij op tegen een draak die zijn volk terroriseert, waarbij zowel Beowulf als de draak de dood vinden (3). Drie simpele verhaallijnen. Drie gevechten die confrontaties met de dood zijn in verschillende vormen en in een bredere context geplaatst moeten worden: de held die de mensheid tegen haar vijanden beschermt. Je zou ook kunnen zeggen: die de samenleving zuivert van het kwaad. Want de drie monsters zijn ook allegorische voorstellingen: belichamingen van de duistere machten, van het absolute Kwaad.

‘De glorieuze daden van helden’- dat is het eigenlijke thema van Beowulf. De held beleeft vele avonturen en laat zich nooit door tegenslag uit het veld slaan. Hij stijgt qua moed en kracht ver boven alle anderen uit en wordt daardoor overladen met roem en eer. Hoewel hij uiteindelijk sterven moet, zal zijn reputatie voortleven.

Het gedicht eindigt met de begrafenis van Beowulf en een voorspelling van de ramp die zijn volk te wachten staat: de totale ondergang namelijk (nu Beowulf dood is, is er niemand om zijn volk tegen haar vijanden te beschermen).

Deze heroïsche legende wordt verweven met verschillende groepen verhalen die we ook in andere Germaanse sagas en gedichten tegenkomen en waarnaar verwezen wordt, meestal zijdelings eerder dan dat de volle geschiedenis verteld wordt. Het netwerk van verhalen rondom de drie centrale lijnen geeft aan de avonturen van de drakendoder een wijdere en meer gecompliceerde context.

De taal van Beowulf en ook al die verwijzingen maken het werk minder toegankelijk dan bijvoorbeeld de 11e eeuwse Franse tegenhanger, Chanson de Roland of zelfs de taal en referenties in de gedichten van Homerus in de 8e eeuw voor Christus. De wereld waar Beowulf naar verwijst lijkt op het eerste gezicht vreemd en archaïsch. Waarbij het enten van Christelijk commentaar op deze vreemde wereld een ietwat bizar effect heeft. Frasen in de trant van ‘Beowulf zou het monster verslaan, de Heer stond hem bij’; immers: “The Lord God then ruled the affairs of men, as he does now.”
Tegelijkertijd wordt er ook veel gerefereerd aan de macht van wyrd, het Lot. En het Lot, in de Germaanse mythologie, was een kracht groter zelfs dan die van de goden. Shakespeare gebruikt het woord weird ook in die betekenis, in zijn Macbeth: de heksen daar noemt hij de weird sisters, zusters van het lot dus eigenlijk.

De Denen waarvan hier sprake is brengen wel degelijk heidense offers: “the Almighty was unheard of / they knew not how to praise the Prince of Heaven, the Wielder of Glory.”
De dichter was, gezien de godsvruchtige terzijdes en commentaren door het hele gedicht heen, een Christen; dit in tegenstelling tot de helden die hij beschrijft.

Het is een gewelddadige wereld waarin we vertoeven, waar wraak en het uitvechten van vetes een belangrijke rol spelen, wat niet zelden uitloopt op moord en doodslag.
Een barbaarse tijd, waarin echter toch ook plaats was voor cultuur: er wordt belang gehecht aan welgeformuleerde redes en toespraken, aan gezellig samenzijn en goede manieren.

Het gedicht begint dan ook in harmonie: koning Hrothgar laat Heorot bouwen, de dichter noemt het het meest schitterende van alle paleizen. Centraal daarin is de koningshal, de plek waar gegeten en gedronken wordt, geschenken worden uitgewisseld; een thuis voor alles dat stabiel en eerbiedwaardig is in de samenleving: harmonie en orde, traditie en gewoonte, ceremonieel en vieringen, dichtkunst en amusement. Waar de minstreel het banket verlevendigt met zijn door de harp begeleide zang.

Koning Hrothgar is een geïdealiseerd vorst, een wijze heerser volgens het model van Karel de Grote of Koning Arthur. Hij is een afstammeling van de stichter van het rijk, de mythische koning van Denemarken, Skyld Scefing. In wat eigenlijk een proloog is die aan het gedicht voorafgaat wordt hij als kind op mysterieuze wijze afgezet aan de Deense kust. De dichter zegt dan dat hij een goede koning was; wat er van een koning verwacht werd, is dat hij krachtig is en strijdbaar zodat de buurvolken hem vrezen. Tenslotte, als hij zijn dood voelt naderen laat hij een schip klaarmaken (precies hetzelfde model als het schip van zijn aankomst) waarop hij, als zijn tijd gekomen is, omringd door wapens en juwelen, zich de zee op laat varen (vele volkeren geloofden dat het gebied van de Dood achter de zee lag, in het westen, waar de zon onder gaat). Hoe dat verder in zijn werk gaat blijft mysterieus: “Nobody, neither the counselors in their assemblies nor the heroes under the heavens, knows who received that cargo.”
Deze korte scène, helemaal aan het begin van het gedicht, is meteen één van de allersterkste. (Het gedicht begint en eindigt dus met een een begrafenis).

Vervolgens wordt er een voorvader genoemd, Beowulf. Ik vond dit erg verwarrend, want het is dus een andere dan de titelheld van het gedicht (die uit Zweden komt). Het geeft wellicht aan dat er een connectie was tussen het Deense koningshuis en dat van de Geats.

Het zorgenvrije leven van de Denen zoals gerepresenteerd binnen de muren van Heorot duurt voort ‘until One began / to encompass evil, an enemy of Hell’. En dat kwaad kent een naam en een afkomst: “Grendel they called this cruel spirit... This unhappy being had long lived in the land of monsters / since the Creator cast them out / as kindred of Cain.”

Grendel en zijn moeder (‘the she-wolf of the sea’) zijn dus afstammelingen van de eerste moordenaar (en van het reuzengeslacht dat in Genesis genoemd wordt) en zijn voor een deel menselijk, maar ook gigantisch: het zijn reuzen. Ze leven op de bodem van een meer en het territorium waar zij rondwaren is dampig, duister moerasland; de natuur wordt hier voorgesteld als iets angstaanjagends, tegengesteld aan de verlichte, verwarmde hal van de koning; als vijandig aan de mens. Grendel heeft het op de edelen in de koningshal voorzien omdat hij de sfeer van festiviteit die ervan uitgaat haat. Iedere nacht breekt hij in om zijn slachtoffers te maken, hij valt niet te bestrijden, totdat Beowulf op het toneel verschijnt: die wordt zijn ondergang.

En die van zijn moeder, in een nog spectaculairder onderwatergevecht, qua poëzie één van de hoogtepunten:
“The grim and greedy guardian of the flood, / keeping her hungry, hundred-season watch, / discovered at once that one from above, / a human, had sounded the home of the monsters. She felt for the man and fastened upon him her terrible hooks... swarming through the water, throngs of sea-beasts threw themselves upon him / with ripping tusks tot tear his battle-coat, tormenting monsters... his own strenth would suffice him, the might of his hands. A man must act so / when he means in a fight to frame himself / a long-lasting glory; it is not life he thinks of...
He saw among the armour there the sword to bring him victory, / a Giant sword from former days: formidable were its edges, / a warrior’s admiration... The Scylding champion... brought it down in fury to take her full and fairly across the neck, / breaking her bones: the blade sheared / through the death-doomed flesh. She fell to the ground; / the sword was gory; he was glad at the deed.”

Ik heb dit gereciteerd tijdens mijn opleiding: het is zulke krachtige poëzie!

Afkomst en betekenis van de draak in het tweede deel van het gedicht zijn minder eenduidig; wat wel duidelijk is, is dat in Beowulf de mensenwereld in een kosmisch tijdsplan geplaatst wordt, van de Schepping (waarover de bard zingt in de openingsceremonie van Heorot) tot aan de verstoring van de harmonie en uiteindelijk de dreiging van de totale vernietiging van de samenleving die hier wordt afgebeeld.

Er is overigens een groot verschil tussen het eerste deel van het gedicht dat in Denemarken speelt en het tweede deel, als Beowulf is teruggekeerd naar de Geats en het koningschap op zich neemt (in één regel is hij dan plotseling 50 jaar ouder geworden). De vraag of het gedicht het werk is van één enkele dichter valt, gezien die grote verschillen, dan ook niet eenduidig te beantwoorden. Het tweede deel kent vrijwel geen beschrijvingen van het hofleven die in het eerste deel juist zo uitgebreid zijn; er zijn veel nieuwe (en soms wat verwarrende) motieven en er is haast meer terugblik en profetie dan eigenlijke vertelling. De herhalingen van Beowulfs Deense avonturen zijn typisch voor de orale traditie en te vergelijken met Odysseus die aan het hof van de Phaeaken vertelt over zijn belevenissen.

Maar ook dit tweede deel kent nog een paar fraaie hoogtepunten.
Dit is Beowulf die de Draak uitdaagt:
“Passion filled the Prince of the Geats: / he allowed a cry to utter from his breast / roared from his stout heart: as the horn clear in battle / his voice re-echoed through the vault of grey stone. / The hoard guard [d.i. de draak, bewaker van een schat waar een vloek op rust] recognized a human voice, / and there was no more time for talk of friendship: / hatred stirred. Straightaway / the breath of the Dragon billowed from the rock / in a hissing gust; the ground boomed.”

Dat is hele sterke poëzie.
Beowulf doodt de Draak, maar sterft zelf ook aan de giftige wonden die zijn tegenstander hem toebracht. Dit is wat de stervende held zegt tegen zijn jonge helper Wiglaf, de enige van zijn mannen die hem in de strijd durfde bij te staan:
“Bid men of battle build me a tomb / fair after fire, on the foreland by the sea / that shall stand as a reminder of me to my people / towering high above Hrosesness / so that ocean travellers shall afterwards name it / Beowulf’s barrow [grafheuvel], bending in the distance / their masted ships through the mists upon the sea”.

Later, als twaalf Geat strijders rond de grafheuvel rijden, heffen zij hun doodsklacht aan:
“They recited a dirge to declare their grief, / spoke of the man, mourned their King. / They praised his manhood and the prowess of his hands, / they raised his name; it is right a man / should be lavish in honouring his Lord and friend, / should love him in his heart when the leading-forth / from the house of flesh befalls him at last...”

En de slotwoorden van het gedicht:
“... they said he was of all the world’s kings / the gentlest of men and the most gracious, / the kindest to his people, the keenest for fame.”

Eerste bladzijde van Beowulf in het Cotton Vitellius manuscript
                                                 

vrijdag 12 mei 2023

Borges, de verhalen. Deel II

Een ander hoogtepunt in het oeuvre van Borges is het verhaal De Onsterfelijke. Harold Bloom noemt het ‘one of the handful of sublime instances of fantastic literature in our century’. Het is één van Borges’ meest verontrustende vertellingen, één van de moeilijkste ook. Het draait wederom om het hiervoor al een keer genoemde concept ‘dat de hele wereldliteratuur één groot gedicht, één groot verhaal is; alle schrijvers bij elkaar zijn tegelijkertijd iedereen en niemand in één groot levend labyrinth van literatuur’.

Het grootste deel van De Onsterfelijke is een vertelling in de eerste persoon van de Romeinse tribuun Flaminius Rufus, gestationeerd in Egypte tijdens de regering van keizer Diocletianus. Zijn identiteit blijkt uiteindelijk één groot raadsel te zijn; het manuscript dat zijn relaas bevat werd gevonden (in een soort van proloog die speelt in de jaren ’20 van de 20e eeuw, nog voordat de eigenlijke vertelling begint) in een exemplaar van Pope’s Iliasvertaling. Het in het Engels geschreven manuscript (het verhaal dat we nu gaan lezen dus) is vermoedelijk het werk van een antiquaar, Joseph Cartaphilus uit Smyrna, ‘een uitgeteerde, grauwe man met grijze ogen, een grijze baard en zeldzaam onduidelijke gelaatstrekken’. Hij spreekt Frans en Engels, alsook ‘een raadselachtige verbinding tussen het Spaans van Thessaloniki en het Portugees van Macao’.
De implicatie aan het eind van het verhaal is dat deze vage gelaatstrekken die van de Onsterfelijke zijn, de dichter Homerus zelf, die samenvalt met Rufus de tribuun en misschien ook wel met Jorge Luis Borges.

Rufus gaat op weg om de stad der Onsterfelijken te vinden, een afschuwelijke tocht waarop hij al zijn manschappen kwijtraakt en die doet denken aan Conrads queeste naar het diepste hart van de jungle in Heart of Darkness. Hij vindt de stad en een dubbelganger die niet van zijn zijde wijkt, een afschrikwekkende troglodiet die Homerus blijkt te zijn, de Eerste der Onsterfelijke Dichters. Homerus, net als Shakespeare, is voor Borges de Schepper, de archetypische Dichter en de archetypische mens.

Homerus

Dit alles is wellicht moeilijk te vatten en ook enigszins abstract: dat alle literatuur één is en alle schrijvers gelijk zijn, wat originaliteit onwaarschijnlijk maakt; maar het is voor Borges wel een essentieel concept.

Wat dit verhaal echter vooral tot een huiveringwekkende nachtmerrie maakt is de notie van onsterfelijkheid, die hier zeer voelbaar wordt gemaakt. En wat een groot goed eigenlijk het tegenovergestelde is.

“De dood maakt mensen kostbaar en aandoenlijk. Iedere handeling kan de laatste zijn; er is geen gezicht dat niet op het punt staat te vervagen als het gezicht in een droom. Bij stervelingen heeft alles het belang van het onherstelbare en ongewisse. Bij Onsterfelijken echter, is iedere handeling de echo van andere die er in het verleden aan vooraf gingen. Niets kan maar één keer gebeuren, niets is op kostbare wijze precair.”

De stad der Onsterfelijken die Rufus de tribuun vindt is een verschrikking. “Deze stad (dacht ik) is zo gruwelijk dat alleen al haar bestaan en voortbestaan het verleden en de toekomst aantast en op de een of andere wijze de sterren in gevaar brengt. Zo lang deze stad bestaat, kan niemand in de wereld dapper of gelukkig zijn.”

De onsterfelijke Homerus is verworden tot een stomme, ellendige troglodiet die slangen eet, de Rivier der Onsterfelijkheid een modderig strompje. De Onsterfelijken zijn schaduwen van mensen geworden, veroordeeld tot een leven van pure gedachte en speculatie. Belichamingen dus eigenlijk van de idealistische filosofie en de Oosterse staat van puur evenwicht en onaanraakbaarheid.

“Het lichaam was een onderdanig huisdier en het had maandelijks genoeg aan de aalmoes van enkele uren slaap, een beetje water en een stukje vlees. Er bestaat geen complexer geneugte dan denken en daaraan gaven wij ons over. Soms bracht een buitengewone prikkel ons terug in de tastbare wereld. Zulke onderbrekingen waren zeer zeldzaam, de Onsterfelijken waren in een volmaakte staat van rust.”

De Onsterfelijke is een goed voorbeeld van Borges’ gebruik van speculatieve metafysica in zijn fictie. Hij heeft daar ooit de volgende observatie over gemaakt:

“Ooit heb ik een anthologie van fantastische literatuur samengesteld; één van de weinige boeken die een tweede Noach van de Zondvloed zou moeten redden. Toch moet ik mij schuldig bekennen aan het weglaten van de erkende meesters van het genre: Parmenides, Plato, Scotus Eriugena, Albertus Magnus, Spinoza, Leibniz, Kant...”

Wat is elke auteur uit deze compilatie, zo gaat Borges verder, “vergeleken met de schepping van God, de bewerkelijke theorie van een wezen dat op de één of andere manier drie is en voor eeuwig bestaat buiten de tijd? Wat is de eenhoorn vergeleken met de Triniteit, wat zijn alle Arabische nachten van Scheherazade vergeleken met Berkeley’s argumentatie? Ik heb de uitvinding van God vereerd, alsook die van Hemel en Hel. Ze zijn de bewonderenswaardige ontwerpen van de verbeeldingskracht van de mens.” Met andere woorden: filosofen, theologen, mystici en metaffysici zijn net zo goed scheppers van fantastische literatuur als de eigenlijke auteurs daarvan...

Het is al vaker gezegd dat Borges’ verhalen essayistisch aandoen; dat is hierboven al voldoende geïllustreerd met al die uitstapjes op het gebied van religie en speculatieve metafysica. Anderzijds lezen zijn essays als spannende verhalen en ik zou Borges tekort doen als ik hier niet ook aandacht zou besteden aan de nonfictie.

Ik denk dat dé grote inspiratiebron van de borgesiaanse nonfictie de Engelse auteur Thomas de Quincy is geweest (die om die reden zeker ook nog een keer in dit blog aan de orde zal komen). Borges zelf heeft ooit opgemerkt dat zijn schatplichtigheid aan de Quincy ‘buitengewoon groot’ is geweest.



De Quincy leidde een droevig, roekeloos leven en was verslaafd aan opium. Hij verdiende de kost als journalist en schreef over tal van onderwerpen: metafysica, geschiedenis, politiek, literatuur, linguïstiek. Dat lezen en herschrijven de basis van zijn productie vormden zal Borges zeker hebben aangesproken.

De meeste essays van Borges zijn maar een paar bladzijden lang en er zitten vele pareltjes tussen. Het zou te ver voeren daar individueel op in te gaan.
Er zijn er eigenlijk maar twee van meer substantiële lengte: het titelessay van de bundel Geschiedenis van de Eeuwigheid uit 1936 en Nieuwe weerlegging van de tijd uit de bundel Otras inquisiciones (1952), in Nederland vertaald als De cultus van het boek. En het zijn twee schitterende essays.

Het al dan niet bestaan van de tijd; Tijd versus Eeuwigheid: het zijn thema’s die Borges zijn hele leven hebben gefascineerd. “De tijd is voor ons een probleem”, zegt hij, “misschien het vitaalste van de hele metafysica”.
De ene keer wordt de tijd omschreven als ‘een metafysisch, natuurlijk mysterie dat vooraf moet gaan aan de Eeuwigheid, die een vrucht van het menselijk brein is’. En dan weer is het de Eeuwigheid die vooruit gaat en is de tijd ‘een verbrokkelde kopie’ daarvan.
Het samenvallen van auteurs uit verschillende tijdvakken in één groot labyrinth van literatuur, zoals hierboven beschreven, is natuurlijk ook een ontkenning van de Tijd, een samenvloeien van alles dat heden, verleden en toekomst is.

In het eerste essay schetst Borges de geschiedenis van de Eeuwigheid in 26 bladzijden. Zijn redenatie is zo compact (en getuigt ook weer van zijn enorme belezenheid in deze materie), dat het ondoenlijk is die samen te vatten. Misschien geeft dit ene citaat een indruk van zijn handelswijze:
“Het beste document over de eerste eeuwigheid is Boek V van de Enneaden; dat over de tweede, de christelijke, Boek XI van Augustinus’ Belijdenissen. De eerste is ondenkbaar zonder de Platoonse these; de tweede zonder het mysterie van de Drieëenheid en de discussies over voorbeschikking en verdoemenis.”

De Eeuwigheid zoals die zich door de eeuwen heen ontwikkeld heeft komt dus bij Borges in twee clusters: de eerste is de Ideeënleer van Plato (‘dat onbeweeglijke, verschrikkelijke museum van Platoonse archetypen’ noemt Borges het), en dan vooral zoals die zich ontwikkeld heeft bij de neoplatonist Plotinos; de tweede het begrip Eeuwigheid in de christelijke leer en dan met name gekoppeld aan het vraagstuk van de Triniteit (het is niet zo dat de Vader de Zoon verwekte en vervolgens beiden de Heilige Geest; nee: “Eeuwige verwekking van de Zoon, eeuwige schepping van de Heilige Geest”) en dat van voorbeschikking ab aeterno.

“Mannen in een ver verleden, mannen met een baard en een mijter, hebben haar [de Eeuwigheid] uitgedacht”, luidt één van zijn conclusies.

Maurice Blanchot heeft opgemerkt dat Borges’ omschrijving van de Eeuwigheid ‘louter literair’ is (dus: niet filosofisch of theologisch). Dat is echter niet bedoeld als een punt van kritiek. Integendeel: hij prijst Borges’ eerlijkheid om deze problemen op het enige niveau te benaderen waarvoor hij is toegerust, nl. het strikt literaire. Borges zou het er helemaal mee eens zijn geweest dat zijn essays op deze wijze gelezen werden.

Hij is daarin nl. niet op zoek naar ‘waarheid’. Zijn interesse in de metafysica is vnl. esthetisch. Zo verwerpt hij in dit essay het concept van de Triniteit, niet op logische gronden, maar vanwege de lelijkheid ervan:
“Op het eerste gezicht komt het denkbeeld van een vader, een zoon en een geest, verbonden binnen een enkel organisme, over als een geval van verstandsverbijstering, een verstrikte, bedrieglijke oneindigheid, een gedrocht dat alleen kan zijn gebaard door de gruwel van een nachtmerrie.”
(Hoewel hij daarna wel weer moet toegeven dat een zoon die samenvalt met de vader meer gewicht in de schaal legt; anders zou hij een geschiedkundig incident zijn en niet eeuwig).

Mooi is de vierde en laatste sectie van het essay: na al deze, ik zal nu maar zeggen, esthetisch-metafysische excercities, komt hij met een persoonlijk relaas over een wandeling in Buenos Aires, die het voorafgaande illustreert en zijn eigen ervaring met de Eeuwigheid betreft. Deze sectie is een kort (autobiografisch) verhaal op zich.
Het is de weerspiegeling van een citaat van Schopenhauer, eerder in dit essay, waarin o.a. staat:
“Wie mij hoort beweren dat de grijze kat die nu op de binnenplaats speelt dezelfde is als de kat die hier vijfhonderd jaar geleden neersprong en langs sloop, mag van mij denken wat hij wil; nog dwazer is het te denken dat het om een geheel andere kat gaat.”
Om deze redenering vervolgens op zichzelf te richten:
“Een oneindige duur is aan mijn geboorte vooraf gegaan; wat was ik intussen? In metafysische termen zou ik mezelf kunnen antwoorden: ‘Ik ben altijd ik geweest, dat wil zeggen, iedereen die in die tijd ik heeft gezegd, was niemand anders dan ik’”
(Borges merkt hier daarna fijntjes over op: die ene leeuw, vermenigvuldigd in de spiegels van de tijd, dat kunnen we accepteren, maar het idee dat ik iedereen ben die ooit ik gezegd heeft? “Ik weet dat ons ik dat afwijst en het liever onbevreesd uitstrooit over het ik van al die anderen”).

Maar nu Borges’ persoonlijke relaas. Hij komt in een stadsgedeelte waar hij nog nooit eerder is geweest. In een arm, verlaten en modderig straatje, waarvan de achterkanten van de huizen al half de pampa inzakken, staat hij stil bij een roze stuk muur. (“Niets zal de tederheid beter kunnen benoemen dan dat roze”).

“Ik stond naar die eenvoud te kijken. Ik dacht, ongetwijfeld hardop: Dit is hetzelfde als dertig jaar geleden...” Of: “De voor de hand liggende gedachte Ik ben van de achttiende eeuw  was niet langer een verbale benadering van wat ik voelde, maar verdiepte zich tot werkelijkheid. Ik voelde me dood, ik voelde me een abstracte waarnemer van de wereld: een onbestemde angst doordrenkt met weten, wat de helderste vorm van metafysica is...
Pas later slaagde ik erin die impressie te definiëren: die zuivere voorstelling van homogene dingen – avondrust, oplichtend muurtje, de landelijke geur van kamperfoelie, oeroude modder – is niet alleen identiek aan wat zo vele jaren geleden op deze hoek was; het is dat zelfde, zonder gelijkenis of herhaling. Tijd is een illusie; het feit dat een moment niet is te onderscheiden of los te maken van zijn schijnbare gisteren of anders van zijn schijnbare vandaag, is voldoende om het begrip [Tijd, dus] uiteen te doen vallen.”

Om even later te eindigen met deze mooie regel:
“Moge dus, het even ontwaarde beeld beklijven in deze stemmingsanekdote en het ware moment van extase en de mogelijke insinuatie van eeuwigheid [prachtig uitgedrukt!], waarmee die avond mij zo rijkelijk beloonde, in de toegegeven besluiteloosheid van deze pagina.”

Woorden schieten immers altijd weer tekort bij het beschrijven van dergelijke diepe ervaringen.
Zie de mystici!

Nieuwe weerlegging van de tijd begint met het opnieuw uitspreken van zijn centrale obsessie:
“In de loop van een leven dat was gewijd aan literatuur en een enkele keer aan metafysische verwarring, heb ik een weerlegging van de tijd ontwaard en bespeurd, waarin ik zelf niet geloof, maar die mij ’s nachts en in de vermoeide schemeruren pleegt te bezoeken met de bedrieglijke kracht van een axioma.”

Dit is een werkelijk schitterend essay, één van de hoogtepunten in het oeuvre van Borges en zeker ook een sleuteltekst, waarin hij zich opnieuw als idealist manifesteert. Of eigenlijk breidt hij het idealisme uit: met de factor Tijd.

De redenering valt op de volgende manier samen te vatten:
“Het idealisme is zo oud als de metafysische onrust; haar scherpste apologeet, Berkeley, floreerde in de achttiende eeuw. Zijn verdienste school in de argumenten die hij bedacht om haar te kunnen beredeneren [het is dus meer dan een louter intuïtief aanvoelen].
Berkeley gebruikte die argumenten tegen het begrip materie; Hume paste ze toe op het bewustzijn; mijn bedoeling is ze toe te passen op de tijd.”

De idealist Berkeley


Om dit nu wat verder uit te werken:
Berkeley’s beroemde centrale these is esse est percipi, zijn is waargenomen worden. Hij beargumenteert dat als volgt:
“Ik beweer dat deze tafel bestaat, dat wil zeggen, ik zie haar en ik raak haar aan. Als ik, buiten mijn werkkamer, hetzelfde beweer, bedoel ik alleen dat, wanneer ik in die kamer was, zou waarnemen, of dat een andere geest haar nu waarneemt. Praten over het absolute bestaan van onbezielde dingen, los van de vraag of ze kunnen worden waargenomen of niet, is voor mij onzinnig... Heel het hemelkoor en al het aardse toebehoren – alle lichamen die samen de machtige fabriek van het universum vormen – bestaan niet buiten een brein; hun enige zijn is waargenomen worden; zij bestaan niet wanneer wij ze niet denken, of zij bestaan alleen in het brein van een Eeuwige Geest.”
[Dit is Berkeley’s ontsnappingsclausule m.b.t. de continuïteit van de wereld, die immers onloochenbaar is: de alomtegenwoordige toeschouwer geeft samenhang aan de wereld]

“Berkeley ontkende dat er een object zou zitten achter de zintuiglijke impressies; Hume, dat er een subject zou zitten achter de waarneming van veranderingen. Berkeley had de materie ontkend. Hume ontkende de geest.”
Het personage Hylas, in de derde van Hume’s Dialogues:
“Je bent zelf niet meer dan een stelsel zwevende ideeën, die door geen enkele substantie worden ondersteund, aangezien het even absurd is over geestelijke substantie te spreken [Hume ontkent dus het Ik als continuüm, de persoonlijkheid] als van materiële substantie.”

En Hume in zijn meesterwerk A Treatise on Human Nature:
“Wij vormen een verzameling of bundel waarnemingen die elkaar met onbevattelijke snelheid opvolgen.”

Goed, met zijn tweeën ontkennen deze heren dus de materie, de geest, alsook de absolute ruimte. De tijd, als opeenvolging van momenten dan wel ideeën, laten zij echter wel intact. Maar, stelt Borges dan terecht, “welk recht kunnen we laten gelden op de continuïteit van de tijd?” “Is één enkele herhaalde term niet voldoende om de tijdreeks te verbreken en te verwarren?” En als illustratie komt hij vervolgens met dezelfde persoonlijk anekdote die hij had opgevoerd in Geschiedenis van de Eeuwigheid met dat ene moment dat hij ervaart als exact hezelfde als een moment dertig jaar geleden, met de conclusie: “De tijd is een begoocheling; de eenheid en onlosmakelijke verbondenheid van een moment met zijn ogenschijnlijke gisteren en zijn ogenschijnlijke vandaag, zijn voldoende om het begrip tijd te desintegreren.”

En, om het thema nog verder te verbreden: valt niet iedere keer als er een moord gepleegd wordt, die moord samen met alle andere moorden die gepleegd zijn; als ik steeds dezelfde associaties heb als ik door het park fiets, zijn die momenten dan niet steeds hetzelfde? Wordt er niet steeds dezelfde oorlog gevoerd; worden grote groepen mensen niet steeds het slachtoffer van dezelfde overstromingen, dezelfde aardbevingen?

Verschillende getuigen nog worden opgeroepen om de opeenvolging in de tijd te ontkennen.
Het is zeker de moeite waard om de bijdrage van Schopenhauer nog even aan te halen:
“Niemand heeft in het verleden geleefd, niemand zal in de toekomst leven. Het heden is de vorm van alle leven.”

Of Plutarchus :
“De mens van gisteren is gestorven in die van vandaag; die van vandaag sterft in die van morgen”.

Maar vervolgens ziet Borges zich toch gedwongen om te eindigen met de volgende alinea:
“And yet, and yet... De temporele opeenvolging ontkennen, het Ik ontkennen, het astronomisch universum ontkennen: het zijn kennelijke blijken van vertwijfeling en geheime vormen van troost. Ons lot is niet gruwelijk omdat het onwerkelijk is; het is gruwelijk omdat het onwrikbaar en onomkeerbaar is. Tijd is de substantie waarvan ik ben gemaakt. Tijd is de rivier die me meesleurt, maar ik ben de rivier; het is de tijger die me verscheurt, maar ik ben de tijger; het is het vuur dat me verteert, maar ik ben het vuur.
De wereld, helaas, is echt; ik, helaas, ben Borges.”

Waarmee hij, op kartakteristiek borgesiaanse wijze, met deze laatste alinea alles weer ontkent wat hij met dit essay – tevergeefs – heeft proberen te bewijzen.

Italo Calvino schrijft, in zijn bijdrage over Borges die is opgenomen in Why read the classics, dat in vrijwel iedere tekst die Borges schrijft, hij erin slaagt te spreken over oneindigheid, tijd en eeuwigheid, ‘al die metafysische thema’s waar hij zo gek op is’. Calvino noemt dan één van Borges’ beroemdste verhalen, De tuin der splitsende paden, als klassiek voorbeeld.
Aan de oppervlakte is dit de plot van een conventionele spionagethriller over een Chinese man, Yu Tsun, die, gedurende de Eerste Wereldoorlog, voor de Duitsers spioneert in Engeland, met een verrassende ontknoping: net voordat hij wordt gearresteerd schiet hij de sinoloog Stephen Albert dood, als signaal voor zijn Duitse opdrachtgevers: Albert was de naam van de Franse stad waar een Brits artilleriepark was opgeslagen.

Daarnaast loopt er nog een tweede verhaal, waarvan de spanning meer gebaseerd is op logica en metafysica en dat een Chinese achtergrond heeft: het is de zoektocht naar een labyrinth en een boek, beiden achtergelaten door een Chinese voorvader van de hoofdpersoon. Het labyrinth is nooit gevonden en aan het boek valt geen touw vast te knopen (maar het boek blijkt het labyrinth te zijn).

Maar wat uiteindelijk vooral telt in dit complexe verhaal (dat uiteraard veel meer is dan een spionagethriller) is de filosofische reflectie omtrent de tijd die het bevat. Er worden verschillende hypothesen betreffende de tijd naar voren gebracht. De eerste is die van een constante tijd, een soort van subjectief, absoluut heden:
“Daarna bedacht ik dat alle dingen iemand precies, maar dan ook precies nu overkomen. Eeuwenlange eeuwen en alleen in het heden doen de feiten zich voor; ontelbare mensen in de lucht, op aarde en in de zee en alles wat werkelijk gebeurt, gebeurt mij.”

Dan de tijd die gedetermineerd wordt door een krachtig, onomkeerbaar wilsbesluit:
“Wie een gruwelijke onderneming onderhanden heeft, moet zich voorstellen dat hij haar al volledig heeft uitgevoerd, moet zich een toekomst opleggen die even onherroepelijk is als het verleden.”

En dan het meest revolutionaire concept van allemaal: een meervoudige tijd waarin ieder huidig moment splitst in twee toekomsten (De tuin der splitsende paden dus). Dit is het concept dat wordt uitgewerkt in de roman van Ts’ui Pen, de Chinese voorvader van Yu Tsun. “De tuin der splitsende paden is”, zo legt Stephen Albert de hoofdpersoon uit, “een onvolledig maar niet onwaar beeld van het heelal zoals Ts’ui Pen dat zag. Anders dan Newton en Schopenhaer geloofde uw voorvader niet in een eenvormige, absolute tijd. Hij geloofde in oneindige tijdreeksen, in een groeiend, duizelingwekkend net van uiteenlopende, bijeenkomende en parallelle tijden. Dit netwerk van tijden die elkaar naderen, zich splitsen, elkaar snijden of elkaar eeuwenlang onbekend zijn, omvat alle mogelijkheden. In het merendeel van die tijden bestaan wij niet; in sommige bestaat u en besta ik niet; in andere ik, niet u; in anderen wij beiden. In deze, die een gelukkig toeval mij deelachtig doet zijn, bent u naar mijn huis gekomen; in een andere heeft u mij bij het doorkruisen van de tuin dood aangetroffen.”

Dit idee van een oneindig aantal parallelle universums, waar alle mogelijkheden worden gerealiseerd in alle mogelijke combinaties, is in dit verhaal geen zijpad, maar de absolute voorwaarde waardoor de hoofdpersoon in staat is de absurde, verschrikkelijke misdaad waartoe zijn spionagemissie hem heeft aangezet, uit te voeren. Die misdaad vindt immers alleen in dit universum plaats, zo heeft het slachtoffer hem net uitgelegd; de moordenaar en zijn slachtoffer kunnen elkaar als vrienden terugvinden in een ander universum.

Er zijn nog talloze mooie verhalen van Borges waar ik veel over zou kunnen zeggen, maar dan zou dit een oeverloos betoog worden. Er is de Bibliotheek van Babel, het zeer borgesiaanse gegeven van een oneindige bibliotheek die het universum weerspiegelt (het opent met de woorden: “Het Heelal (dat anderen de Bibliotheek noemen...”); Funes de allesonthouder, over een jongen met een geheugen zo oneindig dat hij zelfs de veranderende wolkenformaties die hij gezien heeft niet kan vergeten (en daardoor niet in staat is tot denken); het prachtige verhaal Het Zuiden waarin de hoofdpersoon de uitdaging aanneemt tot een messenduel dat hij ongetwijfeld zal verliezen. Zijn wellicht allerbekendste verhaal, De Aleph, heb ik elders al besproken. Een soortgelijke mystieke ervaring vindt plaats in het verhaal Het schrift van God, waarin een gevangen genomen Maya priester de boodschap van zijn God, die hem in staat stelt het universum te begrijpen, na lang zoeken en nadenken vindt in het patroon op de huid van de jaguar (Borges noemt hem afwisselend ook wel tijger), die aan de andere kant van de tralies samen met hem opgesloten zit. Wat hij daarin leest is een soortgelijk alomvattend visioen als dat van Borges in de kelder van zijn vriend Carlos Argentino, waar hij de aleph zag: het punt in de ruimte waar alle punten samenkomen.
In Het schrift van God klinkt dat als volgt: “Ik zag een heel hoog rad... het was oneindig. Het was verweven met alle dingen die nog komen, die zijn en die geweest zijn en ik was één van zijn draden... Het zien van dat rad was voldoende om alles te begrijpen... Ik zag het universum in zijn kleinste bedoelingen.”

En dan heb ik nog helemaal niets gezegd over de bundel De Maker (El Hacedor) een verzameling ultrakorte prozastukken en gedichten die Borges zelf ‘mijn meest persoonlijke werk, misschien het beste’ heeft genoemd, wat mij enigszins overtrokken lijkt omdat dit werk niet het niveau heeft van zijn beste werk dat in de jaren 1939-49 werd geschreven. Maar De Maker is wel degelijk een pareltje waar ik graag nog een keer op terug kom. En als ik dan toch nog een volgend stuk over Borges ga schrijven, dan moeten ook meteen maar de voordrachtencyclus Zeven Avonden uit 1980 (Borges noemt het zelf ‘mijn testament’) en wat van de gedichten ter sprake komen.

Ik wil echter besluiten met twee kortere verhalen, resp. 2 en 6 pagina’s, uit een latere fase.
Het eerste is De roos van Paracelus. Een jonge man klopt aan bij Paracelus met het verzoek zijn leerling te mogen worden in de kunst van de alchemie. En hij vraagt Paracelus, aanmatigend, om een bwijs van zijn meesterschap. Hij draagt een roos in zijn hand. “Het heet”, zei hij, “dat u een roos kunt verbranden en weer uit de as doen herrijzen, door middel van uw kunst. Laat mij getuige van dat wonder zijn...” “U vergist zich”, zegt Paracelus dan, “Gelooft u soms dat iets kan worden teruggebracht tot niets? Gelooft u dat de eerste Adam uit het Paradijs ook maar één bloem of één grasspriet had kunnen vernietigen?””We zijn hier niet in het Paradijs”, zei de jongen koppig, “Hier, onder de maan, is alles sterfelijk”. “Gelooft u dat God en plek kan scheppen die niet het Paradijs is? Gelooft u dat de Val iets anders is dan niet weten dat we in het Paradijs zijn? ... Ik zeg u dat de roos eeuwig is en dat alleen haar aanzien kan veranderen. Ik zou aan één woord genoeg hebben om te maken dat u haar opnieuw zag. Ik heb het over het Woord dat de wetenschap van de Kabbalah ons leert”. Dan gooit de jongen de roos in het vuur. Er gebeurt niets. Hij realiseert zich: de man is een charlatan. En hij stapt op, enigszins beschaamd.
“Paracelus bleef alleen achter. Voor hij de lamp uitdeed goot hij het schamele hoopje as in de holte van zijn hand en sprak zachtjes een woord. De roos herrees.”

Waartoe de verbeelding, de literatuur, in staat is...

Ik wil besluiten met ee verhaal over Shakespeare. De titel is ook in het Spaanse origineel in het Engels: Everything and Nothing. Borges voert Shakespeare op als een soort van lege huls: hij is ervan overtuigd dat er ‘Niemand in hem’ was. Dit gevoel van leegte brengt hem tot een loopbaan, eerst als acteur: “die op het toneel speelt dat hij een ander is, ten overstaan van samengekomen personen die spelen dat ze hem voor die ander houden.”

Vervolgens als toneelschrijver: “In zijn benardheid ging hij andere helden en andere tragische fabels verzinnen. En terwijl het lichaam zijn lot als lichaam vervulde in Londense bordelen en taveernen, was de ziel die het bewoonde Caesar, doof voor de waarschuwingen van de waarzegger, en Julia die de leeuwerik verfoeit, en Macbeth die op de onherbergzame heide praat met de heksen die tegelijkertijd schikgodinnen zijn. Niemand was zoveel mensen als die mens...”

De slotparagraaf luidt als volgt:
“De geschiedenis vermeldt verder dat hij zich, voor of na zijn dood, in het aangezicht van God wist en tegen hem zei: Ik, die zoveel mensen ben geweest, wil één mens en Ik zijn. De stem van God antwoordde vanuit een wervelwind: Ook ik ben niet, ik heb de wereld gedroomd zoals jij je werk hebt gedroomd, mijn Shakespeare, en tussen de gedaanten van mijn droom bevind jij je, die evenals ik velen bent en niemand.”



Shakespeare's Macbeth, deel II

De scène van de moord op Lady Macduff en haar kinderen is vrijwel ondragelijk. Je kunt je afvragen waarom Macduff zijn gezin niet heeft meeg...