Op de foto: Borges met zijn biograaf, Emir Rodriguez Monegal
Ergens, ongeveer op het punt is zijn
carrière waar het eerste deel van dit verhaal eindigde, halverwege de jaren ’30,
raakt hij steeds ontevredener over de poëzie die hij geschreven had; hij
realiseerde zich dat hij nooit of te nimmer zou kunnen wedijveren met Walt
Whitman. Hij zou gedichten blijven schrijven, maar ging zich steeds meer
richten op het genre waarmee hij beroemd zou worden: het korte verhaal.
Het is overigens pas na de dood van
de vader, in 1938, dat hij kiest voor dit genre. De soms wel heel zwaar
psychologiserende biograaf Monegal legt een verband tussen beide
gebeurtenissen. De vader, die ook literaire ambities had, heeft altijd gewild
dat zijn zoon zou waarmaken waar hij zelf had gefaald: een geslaagd schrijver
worden. Jorge Luis deed dat door de genres van de vader te beoefenen: gedichten
en essays. Door nu te kiezen voor het (fantastische) korte verhaal – Pierre Menard, schrijver van Don Quichot
en Tlön, Uqbar, Orbis Tertius waren
de eerste meesterproeven in het genre – durft hij eindelijk, na diens dood, een
weg in te slaan die weg voert van de vader.
Hoogtepunten in het genre zouden zijn bundels Ficciones (1944) en El Aleph
(1949) worden. (Aangezien ik nog een apart blog ga wijden aan de verhalen van
Borges, zal ik hier niet of nauwelijks ingaan op de afzonderlijke verhalen).
Door samen met zijn grote vriend
Adolfo Bioy Casares een anthologie samen te stellen van ‘literatura fantastica’
en een inleiding te schrijven op Bioy’s roman Morels uitvinding die in feite een manifest is voor dat type
literatuur, ontwikkelt hij een literair programma waarin hij afstand neemt van
het soort literatuur dat dan dominant is in Latijns Amerika en de Spaanstalige
wereld, nl. die van het realisme en de psychologische roman en een lans breekt
voor fictie die de orde en logica van het magische volgt, niet die van de
‘echte’ wereld van wetenschap en natuurwetten. De inleiding werd destijds (net
als de roman van Bioy) nauwelijks opgemerkt, maar Borges’ benadering zou, zeker
nadat hij deze in zijn eigen verhalenbundels in de praktijk had gebracht, zeer
invloedrijk zijn op de toekomstige literatuur van Latijns Amerika, bij
schrijvers als Octavio Paz, Julio Cortázar en Alejo Carpentier.
We zitten inmiddels eind jaren ’30.
De indruk bestaat bij veel Borgeslezers dat hij compleet a-politiek was. Nu is
hij inderdaad het tegendeel van een geëngageerde schrijver, maar dat wil niet
zeggen dat hij geen politieke opvattingen had. Hij was door zijn vader opgevoed
tot een intellectueel anarchist die zich nooit zal vastleggen op welke
politieke stroming ook. Wel was er de neiging toch de democratie als politiek
systeem te prefereren, omdat die een machtsevenwicht garandeerde en
éénpartijregimes af te wijzen, omdat die de vrijheid van denken en
meningsuiting beknotten. Hij had weinig affiniteit met de lokale Argentijnse
politiek; niet met het generaalsregime in de jaren ’30, dat sympathiseerde met
Mussolini en Franco en zeker ook niet met de latere dictator Juan Péron.
Ten tijde van de Tweede
Wereldoorlog en de daaraan voorafgaande opkomst van totalitaire regimes heeft
hij zich echter wel degelijk duidelijk uitgesproken.
Hij is vooral duidelijk in wat hij afwijst: het futurisme van Marinetti, zowel
het fascisme in Italië als het stalinisme in Rusland, maar ook het surrealisme,
niet alleen omdat het sterk onder invloed stond van Freuds theorieën over het
onbewuste (en Borges had een grote hekel aan Freud), maar ook vanwege haar band
met het marxisme. In reactie op een manifest van de paus der surrealisten,
André Breton, schrijft Borges: “Marxisme (evenals het lutherse geloof, een
paard, de maan of een regel uit Shakespeare) kan een aansporing tot het maken van kunst zijn, maar het is absurd
te veronderstellen dat het de enig mogelijke is. Het is absurd te geloven dat
kunst een afdeling van de politiek is.” En dat is precies wat dit manifesto
claimt.
Zijn scherpste kritiek betrof
echter het Nazisme, haar vernietiging van de Duitse cultuur, haar oorlogscultus
en antisemitisme.
Borges was ervan overtuigd dat de in
1945 aan de macht gekomen Juan Péron een nazi was.
In Montevideo, waar hij was om een lezing te geven, zegt Borges in een
verklaring voor de krant: “De politieke situatie in Argentinië is zeer serieus,
zo serieus dat veel Argentijnen nazi’s worden zonder dat ze zich ervan bewust
zijn. Het is vreselijk, vergelijkbaar met wat gebeurde bij het begin van het
fascisme in Europa. Hoewel veel Argentijnse intellectuelen ertegen zijn en het
fascisme bestrijden, ben ik desondanks pessimistisch over een snelle terugkeer
van de democratie in Argentinië.”
Juan Péron was dan misschien geen nazi,
hij was zeker wel een rechtse nationalist, een dictator en anti-democraat, die
voor Borges, met zijn bescheiden positie als derde assistent bij een
buurtbibliotheek (hij verdiende toen nog onvoldoende met zijn literaire
activiteiten), een speciale vernedering in petto had. In augustus 1946 kreeg
hij te horen dat hij zijn baan bij de bibliotheek moest opgeven en was benoemd
tot inspecteur van pluimvee en konijnen (!?) op een markt in Buenos Aires. Toen
hij naar het stadhuis ging om verhaal te halen kreeg hij te horen van de
beambte: ‘Wat had je dan verwacht? Je stond aan de kant van de geallieerden.’
Er zat niets anders op dan zijn baan op te geven maar hij gaf ook een
verklaring uit:
“Dictaturen betekenen onderdrukking, onderdanigheid, wreedheid; erger nog is
het gegeven dat zij ook domheid stimuleren.”
De verklaring was een politiek
manifest. Borges, de apolitieke, bescheiden, stotterende, ironische, verlegen
Borges zou het komende decennium een symbool worden van het verzet tegen het
totalitaire regime.
Maar Péron kreeg nog iets anders
voor elkaar. Als Borges iets verschrikkelijk vond, was het spreken in het
openbaar. Hij ging daarin zelfs zo ver, dat wanneer hij ergens werd uitgenodigd
voor een lezing, hij een vriend vroeg die voor te lezen, terwijl hij zelf, als
een soort van buikspreker, daarachter op het podium zat. Maar nu hij zijn
baantje bij de bibliotheek kwijt was, moest hij een andere inkomstenbron aanboren
en het meest voor de hand liggende was toch: het geven van lezingen. Borges had
een grote literaire reputatie (ondanks het feit dat zijn boeken nog altijd
slecht verkochten); op het moment dat hij besloot lezingen te geven, zou hij
zeker een veelgevraagd spreker worden.
En dat is inderdaad wat er gebeurde.
Een lezing van Borges was een
gebeuren, dat zijn eigen, ritualistische, haast meditatieve karakter had. Hij
zat daar stil op het podium, nooit, met zijn al halfblinde ogen, de zaal in
kijkend, de handen samengevouwen als in gebed, of soms discreet gebarend; zijn
stem was diep en monotoon, zijn hele verschijning als een priester of rabbijn
die een heilige tekst reciteert.
Zijn stille, welhaast onbeweegelijke verschijning, de precieze gebaren, het
monotone stemgeluid, creëerden een bijna bezwerende atmosfeer, waarin de nadruk
helemaal lag op de inhoud van de tekst, niet op de persoon van de spreker; en
die tekst was altijd zorgvuldig samengesteld, met tal van verrassende
elementen.
Hij was doodzenuwachtig voorafgaand
aan een lezing, had zijn eigen rituelen om dat te bezweren (waaronder een
stevige slok), maar uiteindelijk begon hij het toch ook leuk te vinden:
“Ik reisde door Argentinië en Uruguay en gaf lezingen over Swedenborg, William
Blake, Perzische en Chinese mystici, Boeddhisme, gaucho poëzie, Martin Buber,
de Kabbalah, de vertellingen van 1001 nacht, T.E. Lawrence, middeleeuwse Duitse
poëzie, IJslandse sagen, Heine, Dante, het expressionisme en Cervantes. Soms
reisde mijn moeder of een vriend met me mee. Niet alleen verdiende ik veel meer
geld dan bij de bibliotheek; ik vond het nog leuk ook.”
Generaal Péron blijft 10 jaar aan
de macht; in 1955 wordt hij door het leger gedwongen tot aftreden. (Hij zou in
1973 nog een comeback maken die echter van korte duur was: Péron overleed in
1974).
Voor Borges (die ooit zei: ”Mijn eerste gedachte als ik ontwaak is: ‘Mijn God,
Péron is aan de macht!”’) was het het einde van een nachtmerrie. Borges
beschrijft hoe in Buenos Aires de mensen de straat op gaan:
“We werden zo meegesleept door ons enthousiasme dat we niet in de gaten hadden
dat we doorweekt raakten van de regen. We waren zo gelukkig dat zelfs de naam
van de gevallen dictator niet meer genoemd werd. Péron verborg zich en mocht
later het land verlaten.”
Het nieuwe militaire regime, dat
wilde laten zien dat het een totaal ander cultureel beleid zou voeren dan de
Péron-regering en in Borges een nationaal symbool zag van het verzet tegen dat
regime, benoemde Borges tot directeur van de Nationale Bibliotheek.
Rodriguez Monegal beschrijft hoe
hij Borges in zijn nieuwe functie opzoekt:
“Hij nam mijn hand en leidde me rond; hij kon net voldoende zien om te weten
waar het boek dat hij wilde hebben stond. Hij is in staat een boek te openen op
de juiste pagina en, zonder de tekst daadwerkelijk te lezen, hele passages te
citeren. Hij zwerft door gangen vol boeken, er is haast geen licht, ik probeer
hem te volgen, blinder en meer gehandicapt dan Borges omdat ik niet op mijn
ogen kan afgaan. Ik realiseer me dat de ruimte waar Borges zo blindelings zijn
weg kan vinden niet werkelijk is; het is een ruimte gemaakt van woorden,
tekens, symbolen. Een labyrinth. Borges sleept me voort. Dan, plotseling, is er
licht aan het einde van de gang. De prozaïsche realiteit wacht daar weer op
ons, de echte wereld van licht en schaduw, de conventies die ik geleerd heb te
herkennen...”
Rond die tijd werd Borges vrijwel
blind (hij had toen al verschillende oogoperaties moeten ondergaan, het is een
familiekwaal). De dokters hadden hem gewaarschuwd dat hij, tenzij hij zou
stoppen met lezen en schrijven, helemaal blind zou worden.
Stoppen met lezen en schrijven... Ik ben geen Borges, verre van dat (hoewel ik
me zeer met hem verwant voel), maar zo’n advies zou voor mij voelen als een
bijna – doodvonnis.
Borges blijft zoals gewoonlijk zeer
stoïcijns (hoewel hij in werkelijkheid veel pijn zal hebben gehad bij het
verwerken van wat je gerust de grootste tegenslag in zijn leven kan noemen):
“Blindheid lijkt de directeuren van de Nationale Bibliotheek in het bijzonder
te treffen – twee van mijn voorgangers [waaronder de eminente Paul Groussac]
ondergingen hetzelfde lot. Ik schreef een gedicht waarin ik spreek over Gods
schitterende ironie wanneer hij mij tegelijkertijd 800.000 boeken toewijst en
de duisternis...”
Schrijven wordt nu dicteren, lezen
voorgelezen worden (en opdiepen uit zijn formidabele geheugen, waar al het
gelezene opgeslagen ligt).
Hij is nog wel in staat boeken te
schrijven met hulp van vrienden en secretarissen, maar het was eigenlijk
onmogelijk om korte verhalen te componeren of lange artikelen te schrijven. Hij
was immers gewend in een zeer compacte, gecondenseerde vorm te schrijven, in
een uitermate complexe structuur van zinnen en paragrafen en die wijze van
componeren van een tekst in proza was nu buiten zijn bereik. Een decennium lang
verschenen er geen verhalen meer van zijn hand; de eerstvolgende verhalenbundel
was Het Verslag van Brodie uit 1970.
Bij wijze van compensatie keerde Borges terug naar de poëzie:
“Ik moest terugvallen op mijn geheugen. Het is gemakkelijker om versregels te
onthouden dan proza en gemakkelijker om regelmatige versvormen te onthouden dan
vrije verzen. Je kan op straat lopen en in de metro zitten en onderwijl een
sonnet componeren: rijm en metrum laten zich gemakkelijk onthouden.”
Dus betekende zijn blindheid ook
een terukeer naar de klassieke versvorm.
Het hoofdstuk in de biografie van
Emir Rodriguez Monegal waarin de blindheid beschreven wordt heet “The Birth of
‘Borges’”.
Kees Fens schrijft daarover:
“De historische Borges werd een literaire, een mythische figuur zelfs [Borges
wordt ‘Borges’]. De blinde Milton en de blinde Homerus herrezen in hem en de
blinde Borges werd een ziener.”
Borges zelf wijdt er een korte
prozatekst aan, Borges en mijzelf.
“Het is met de andere man, Borges, dat de dingen nu gebeuren. Stukje bij beetje
heb ik alles aan hem overgegeven. Mijn leven is aan het verdwijnen, ik verlies
alles, alles wordt overgegeven aan de vergetelheid en aan die ander man.”
Nadat Borges met de vertaling van
zijn verhalen in het Frans in Frankrijk al een zekere reputatie had opgebouwd,
kwam zijn internationale doorbraak in 1961, toen hij, samen met Samuel Beckett
(een meer contrasterende auteur is nauwelijks denkbaar), de Prix Formentor won.
Deze prijs werd voor het eerst uitgereikt en was ingesteld door avant garde
uitgevers uit zes verschillende Westerse landen, bedoeld voor auteurs die in de
ogen van de jury ‘een blijvende invloed op de ontwikkeling van de moderne
literatuur’ hadden. De bedoeling van de prijs was het werk van de prijswinnende
auteurs met een zo groot mogelijk internationaal publiek in contact te brengen.
En inderdaad is deze prijs de
opstap geweest voor Borges’ internationale roem; hij werd vanaf nu gerekend tot
de belangrijkst moderne auteurs, in een rijtje dat ook Kafka en Joyce, Proust
en Nabokov bevatte.
Toen de Roemeens-Franse filosoof
Emil Cioran in 1976 werd gevraagd mee te werken aan een bundel ter ere van
Jorge Luis Borges, was zijn reactie negatief. Niet dat er iets schortte aan
zijn bewondering voor Borges, integendeel, maar de algemene waardering die de
Argentijnse schrijver ten deel viel zinde hem niet. Borges verdiende het
volgens Cioran “in de schaduw te vertoeven, in het onzichtbare, even ongrijpbaar
en even impopulair te blijven als de nuance. Daar hoorde hij thuis. De
officiële erkenning is de ergste straf die er bestaat - voor een schrijver in
het algemeen, en zeer in het bijzonder voor een schrijver van zijn soort”.
Hoe het ook zij, vanaf dat moment
breidde ‘Borges’, de mythische schrijver die uit de schaduwen tevoorschijn was
gekomen, zijn territorium steeds verder uit en werd de ‘echte’ Borges naar de
periferie gedrongen. Het was ‘Borges’ die de Amerikaanse universiteiten
bezocht, literaire prijzen in ontvangst nam, over wie serieuze studies
verschenen en die een soort van guru werd voor duizenden jonge mensen op tenminste
drie continenten; die kortom ‘gezalfd’ werd (Rodriguez Monegal noemt het zo)
als een moderne meester.
De andere Borges verdween langzaam aan in het duister. Maar ook achter het
masker van ‘Borges’ bevindt zich nog steeds diezelfde enigszins melancholieke,
ouderwetse, verlegen en zeer Argentijnse oudere heer.
Een ingrijpende gebeurtenis is het
overlijden van zijn moeder op 99-jarige leeftijd, in 1975. Op de drie jaar na
dat Borges getrouwd was (een niet erg geslaagd verstandshuwelijk, aangegaan
omdat moeder te oud en te zwak was om de dagelijkse zorg voor haar zoon nog op
zich te nemen en hem te begeleiden op zijn buitenlandse reizen) heeft hij
altijd met haar samengewoond. Ze was zijn voorlezer, secretaresse, verpleegster
en literair agent, maar bovenal bleef zij, tot het einde toe, ‘moeder’ en hij
haar oogappel Georgie. De laatste maanden moeten afschuwelijk zijn geweest;
Rodriguez Monegal, die geregeld bij hen over de vloer kwam, beschrijft dat hij,
als hij Borges aan de telefoon had, het geschreeuw van moeder op de achtergrond
horen kon. Volgens Borges riep ze haar ouders en overleden echtgenoot aan om
haar in Godsnaam weg te komen halen en smeekte ze de huishoudster haar in de
vuilnisbak te gooien.
Als Rodriguez met Borges over de dood van zijn moeder spreekt, komt hij met een
anecdote over zijn Engelse grootmoeder, een statige Victoriaanse dame.
Stervende sprak zij de eerste vloek van haar leven uit: “Carajo, basta de
sufir!”(“Fuck, genoeg van dat lijden!”).
Als hij van studenten een
uitnodiging krijgt om de wortels van de Engelse literatuur te bestuderen, is
dat voor hem aanleiding om op zijn oude dag het Angelsaksisch, een oude liefde
van hem, weer op te pakken en, in het verlengde daarvan, Skandinavische talen,
met name het IJslands, te leren. Ik heb daar grote bewondering voor. Ik heb een
paar Angelsaksische teksten in de kast staan, maar kan daar geen wijs uit en
heb ook niet de intellectuele energie om me dat eigen te maken. De 80-jarige
Borges dus wel...
Rodriguez Monegal besluit zijn
biografie als volgt:
“Blindheid en de afwezigheid van moeder hebben de tijd praktisch uitgewist.
Borges leeft voor altijd binnen een magische ruimte, geheel leeg en kleurloos,
waarin tijd niet telt of wordt ‘meegebracht’ door mensen van buiten, mensen die
nog in de tijd leven.”
Hij laat nog één keer Borges zelf
aan het woord:
“Nu dat ik blind ben – en blindheid is een vorm van eenzaamheid – breng ik het
grootste deel van de tijd alleen door. Om mezelf niet te vervelen bedenk ik
verhalen en maak ik gedichten. Dan, wanneer er iemand langs komt, dicteer ik
ze.”
En de biograaf vervolgt:
“Beschermd en geïsoleerd door zijn blindheid, zit Borges onbeweeglijk. Alles
rondom hem is rustig, behalve zijn verbeelding. Binnen in zijn geest worden de
lege ruimten gevuld met verhalen over moord en wonderlijke zaken, met gedichten
die de hele wereld van de cultuur omsluiten, met essays die subtiel de verschrikkingen
en pijnlijke genoegens van het bestaan in kaart brengen [maar wel op een heel
elegante, wonderschone wijze, zou ik zelf willen toevoegen. En speels.] Oud,
blind, zwak, zit Borges tenslotte in het centrum van zijn labyrinth.”
Jorge Francisco
Isidoro Luis Borges Acevedo stierf op 14 juni 1986, aan leverkanker, in Genève.
Hij is daar ook begraven.
| Borges in 1976 |






