Borges: De Biografie.
Inmiddels zijn er diverse Borges
biografieën, van James Woodall bijvoorbeeld, of van Edwin Williamson, maar die
ik gelezen heb was de allereerste, van zijn persoonlijke vriend Emir Rodriguez
Monegal. Deze eindigt 8 jaar voor de dood van zijn onderwerp, in 1978 en
verscheen het jaar daarna, ter gelegenheid van Borges’ 80e
verjaardag. De auteur komt uit Uruguay, was hoogleraar in Yale (hij overleed in
1985, een jaar voor Borges) en al sinds 1936, toen hij op 15-jarige leeftijd
voor het eerst iets van hem las, geïntrigeerd door de Argentijnse schrijver. Ze
raakten bevriend en Monegal krijgt uiteindelijk de hoogste eer die je als
bewonderaar van een schrijver bewezen kan worden: hij krijgt een rol in een
verhaal van Borges: De andere dood.
Laat ik om te beginnen zeggen dat
een biografie van Borges schrijven een lastige taak is. Zijn leven was weinig
opzienbarend. De ware Borges is er één tussen aanhalingstekens, de Borges die
leeft in zijn werk en die vrijwel geheel samenvalt met zijn lezen en schrijven,
dus met de Literatuur.
De gewone Borges (i.t.t. ‘Borges’)
was een schuwe, onhandige, stotterende man die bleef wonen in dat veilige ouderlijke
huis, op een zeer korte tijd na toen hij even getrouwd was, een weinig gelukkig
huwelijk. Hij verliet dat huis pas bij de dood van zijn moeder. En die werd
bijna honderd. Borges zelf was toen al 76, blind en hulpbehoevend. Zijn moeder
was zijn verpleegster, zijn voorlezer en zijn secretaresse.
Jorge Luis Borges werd in 1899 in
Buenos Aires geboren.
De eerste taal waarin hij thuis werd opgevoed, was het Engels. Zijn grootmoeder
van vaders kant was een Engelse uit Staffordshire die naar Argentinië was
geëmigreerd en daar trouwde met een kolonel Borges. Er bevinden zich opvallend
veel heldhaftige militairen onder Borges’ voorvaderen, die vochten in de
onafhankelijkheidsoorlog (1810-1818) of de burgeroorlog tegen de tiran Rosas
(rond 1850). Dat is nogal ironisch; Borges zelf was bijziend en zeker niet
sterk of buitengewoon moedig, wat hem opzadelde met een schuldgevoel: “De
meeste van onze mensen waren soldaten; ik wist dat ik dat nooit zou worden en
schaamde me, van jongs af aan, een boekenmens te zijn en niet een man van
actie.”
Hij wijdt enkele verzen aan de beroemde
strijders onder zijn voorvaderen. Aangrijpend vind ik het gedicht over zijn
grootvader van moederszijde, Isidoro Acevedo, die in de burgeroorlog vocht.
Borges beschrijft in het gedicht hoe de stervende grootvader, in 1905, zijn
verre verleden herleeft, “terwijl een longziekte hem opvrat en hallucinerende
koortsen het gezicht van de dag vervormden” en daar, in dat verbeelde verleden,
een heldendood sterft: “Hij plunderde zijn dagen en verzamelde een leger van
geesten uit Buenos Aires om zo te sterven in het gevecht. Dat was hoe hij, in
een slaapkamer met uitzicht op de tuin, stierf in zijn toewijding aan zijn
stad.”
Het is het eerste sterfgeval dat de jonge Borges ervaart en hij kan het
nauwelijks geloven: “Ik was een jongen, ik wist niets van sterven; ik was
onsterfelijk en dagen daarna was ik in de zonloze kamers op zoek naar hem.”
Het is zijn eerste poging het verleden van Argentinië in poëzie om te zetten en
de bard van zijn land te zijn.
Op zijn 6e kondigt Borges,
“Georgie” voor zijn naaste omgeving, al aan een schrijver te willen worden. Hij
had, zo zegt hij zelf, jarenlang de fantasie dat hij was opgegroeid in
avontuurlijke straten aan de rand van de stad, “terwijl ik in werkelijkheid
mijn jeugd doorbracht in een tuin, achter een getralied hek en in een
bibliotheek met een ongelimiteerde hoeveelheid Engelse boeken.”
“Als iemand mij zou vragen naar de beslissende gebeurtenis in mijn leven, dan
zou ik zeggen: mijn vaders bibliotheek. Eigenlijk geloof ik dat ik mijn hele
leven lang nooit buiten die bibliotheek gekomen ben.”
Bij die eerste leeservaringen
ontwikkelt Borges een speciale voorliefde voor woordenboeken en encyclopedieën
die hij nooit meer is kwijtgeraakt. Met name de Encyclopedia Brittannica is hij
zijn leven lang blijven koesteren. En dan met name de oudere edities die
bijdragen bevatten van gekende auteurs als Macauly of de Quincy – “die
artikelen waren eigenlijk een soort monografieën over een bepaald onderwerp”,
herinnerde Borges zich, “korte boeken in zichzelf.” “Ik geloof dat er niemand
in de wereld is die zoveel weet als een encyclopedie.” Wat vandaag de dag wel
een grappige opmerking is; we zouden dat nu natuurlijk zeggen van het internet,
van Google. (En het is zeker interessant je proberen voor te stellen wat Borges
in zijn literaire werk met dat fenomeen, de digitale wereld, zou hebben gedaan).
Een hele bibliotheek gevat in één boek, dat is wat de encyclopedie is voor
Borges.
Je zou het een scheidslijn kunnen
noemen die door zijn familie heen loopt: die tussen de wapenen en de letteren.
Aan de ene kant de heldhaftige militairen onder zijn voorvaderen, aan de andere
kant de Engelse grootmoeder die de deur opende tot het rijk van de Engelse
literatuur en de vader die een advocaat was, een leraar, boekenman en een
beetje dichter (enkele van zijn sonnetten zijn gepubliceerd); eigenaar van een
oneindige bibliotheek.
Een andere scheidslijn is die
tussen de twee talen die thuis gesproken werden, Engels en Spaans. In het begin
had de jonge Georgie niet eens door dat dat twee verschillende talen waren.
Lezen was in de eerste plaats voor hem gerelateerd aan de Engelse taal (Don
Quichot las hij voor het eerst in een Engelse vertaling; toen hij, veel later,
het boek in de originele taal las, zegt hij, ‘klonk dat voor mij als een
slechte vertaling’). Je zou van hem kunnen zeggen dat hij getransformeerd is
tot een Spaanstalig schrijver: Georgie wordt Jorge. En niet zo maar eentje: hij
ontwikkelde een dusdanige beheersing van het Spaans, dat hij uiteindelijk
beschouwd werd als één van de prominentste 20e eeuwse meesters in
die taal. Toch heeft hij altijd gevoeld dat hij met deze formidabele prestatie het
meesterschap in die andere taal heeft moeten opofferen.
In 1914 (Borges is dan 15 jaar oud)
trekt zijn vader zich terug uit het professionele leven vanwege zijn slechte
ogen; “Hoe kan ik juridische papieren ondertekenen als ik ze niet eens kan
lezen!”, moet hij gezegd hebben. (Die oogziekte was overigens ook Georgie’s
voorland). De familie (twee kinderen, Georgie heeft een zus die Norah heet) vertrekt
naar Zwitserland, ze reizen via Londen en Parijs naar Genève, waar ze de
eerstvolgende vier jaar moesten blijven omdat de Eerste Wereldoorlog
losbarstte.
“We waren zo onwetend omtrent de wereldgeschiedenis”, schrijft Borges later,
“met name omtrent de nabije toekomst, dat we in 1914 naar Europa reisden en in
Zwitserland kwamen vast te zitten.” Zo wereldvreemd als Borges zijn familie
hier voorstelt waren ze nu ook weer niet; heel veel mensen zagen die oorlog
absoluut niet aankomen.
Borges leert in Zwitserland Frans
en Latijn en Duits. Hij ontdekt de grote Walt Whitman, de Franse symbolisten
(Verlaine, Rimbaud, Mallarmé) en de Duitse filosofie, met name Schopenhauer en
Nietzsche.
Walt Whitman was voor Borges dé
Dichter.
“Lange tijd zag ik Whitman niet alleen als een zeer groot dichter, maar als de enige dichter. Ik dacht dat alle dichters
vóór hem alleen maar een voorstadium waren, dat uiteindelijk ze uiteindelijk
allemaal uitmondden in Whitman en het jaar 1855 en dat hem niet imiteren blijk
gaf van onwetendheid.”
Borges ziet Whitman als een dichter die niet alleen zijn eigen persoonlijkheid
in zijn verzen uitdrukt, maar de ziel van het gehele universum: “Proberen
jezelf uit te drukken en het leven in zijn totaliteit willen uitdrukken zijn
één en hetzelfde ding.” Hij wil zich identificeren met álle mensen. “I am the
man, I suffered, I was there”, d.w.z.: overal ben ik waar mensen lijden en ik
lijd met hen mee.
Ik vind Whitman ook een fantastische dichter en ben het helemaal eens met
Borges’ volgende karakterisering: “In Whitman ademt de wonderbaarlijke
dankbaarheid voor de concrete, zintuiglijke en veelkleurige wijze waarop de
dingen zijn.”
De dankbaarheid in leven te zijn, het vieren van dat leven zelf (“Full of life
now” luidt één van de titels), de vreugde die van de bladzijden af spat:
“Baudelaire en Byron dramatiseerden hun ongeluk in beroemde boekdelen”,
schrijft Borges, “Whitman, zijn vreugde.”
Over Schopenhauer zegt hij: “Als ik
één enkele filosoof moest uitkiezen, dan koos ik hem. Als het raadsel van het
universum in woorden uitgedrukt kan worden, dan zij die te vinden in de
geschriften van Schopenhauer.”
Borges had eerder geprobeerd, kort
nadat hij zichzelf Duits had aangeleerd, Kants Kritik der reinen Vernunft te lezen, maar hij had dat snel
opgegeven. Maar waar Kants stijl en betoogtrant duister en ondoordringbaar is,
is die van Schopenhauer elegant en gevat, zeer leesbaar. In De Wereld als Wil en als Voorstelling
wordt de filosofie van Kant, die had aangetoond dat de representaties van de
fenomenale wereld afhankelijk zijn van ons menselijk waarnemings – en
kenvermogen en het bovennatuurlijke voor eens en altijd onbereikbaar blijft,
tot zijn radicale einde volvoerd. Onze identificatie met een blinde Wil die ons
voortdrijft is leert ons het Ding an sich te kennen, wat in Kants optiek
volstrekt onmogelijk was.
Wat Borges vooral ook aangesproken zal hebben, is Schopenhauers karakterisering
van kunst als één van de weinige zaken die zin geven aan het bestaan.
Wat betreft Nietzsche, was hij vooral
gefascineerd door het idee van de Eeuwige Wederkeer. Hij wijst er daarbij op
dat Nietzsche uiteraard wist dat dit idee niet van hem persoonlijk was (het
stamt uit de oude Griekse filosofie, het is een pythagoreïsche these), maar dit
gewoon negeerde. “Een profeet spreekt natuurlijk in de eerste persoon
enkelvoud. De profetische stijl staat geen citaten van anderen toe of een
geleerde representatie van boeken en schrijvers.”
Later heeft Borges afstand van hem genomen, vooral vanwege de in zijn ogen
onaangename persoonlijkheid die uit zijn werk spreekt. Hoewel hij
tegelijkertijd Nietzsche blijft verdedigen tegen de beschuldigingen dat hij een
protonazi was. Hij citeert uit de Nagelaten
fragmenten van Nietzsche: “Enthousiast te worden over Deutschland, Deutschland über alles, over het Duitse Keizerrijk, zo
stom zijn we toch niet?”
Of zijn reactie op het antisemitisme: “Een Jood tussen Duitsers vinden is een
groot voordeel. Joden zijn een antigif tegen nationalisme, de ultieme ziekte
van het Europese denken. In het onstabiele Europa zijn zij wellicht het
sterkste ras, zij overtreffen alles en iedereen in West Europa in termen van de
lengte van hun evolutionaire proces.”
Na de oorlog verhuist de familie naar
Spanje. Daar doet hij een nieuwe ervaring op: hij gaat daar deel uitmaken van
een heuse literaire beweging, de ultraïsten, een groep avantgardisten die met
name nadruk legden op het gebruik van metaforen en het overboord gooien van
alle overbodige franje. (De Spaanse poëzie van dat moment was nogal uitbundig
van karakter). De groep staat sterk onder invloed van een wat oudere schrijver,
Rafael Cansinos-Asséns. Borges beschouwde hem als zijn meester.
Minstens even belangrijk was dat
Borges nu, op 20-jarige leeftijd, de klassieken van de Spaanse literatuur leert
kennen. De dichters uit de Spaanse Barok, zoals Gongora en (vooral) Quevedo. En
uiteraard zal Cervantes’ Don Quichote voor altijd bij hem blijven.
In 1921 gaat hij terug naar Buenos
Aires, de stad die hij als introverte adolescent had verlaten. Hij raakt
bevriend met de plaatselijke filosoof Macedonio Fernandez, over wie hij zegt:
“Van alle mensen die ik in mijn leven heb ontmoet – en ik heb aardig wat
opmerkelijke figuren leren kennen – heeft er geen zo’n diepe en blijvende
indruk op me gemaakt als Macedonio.”
De invloed die deze denker op Borges had valt moeilijk te overschatten. “Hij
geloofde dat we allemaal in een droomwereld leefden.” Een bekende thematiek bij
de latere Borges, die aansluit op de lessen van het idealisme die hij zou leren
uit de lectuur van Berkeley, Hume en Schopenhauer.
In Buenos Aires helpt Borges twee
tijdschriften oprichten. Hij karakteriseert zichzelf als ‘de vader van het
Argentijnse ultraïsme’, maar diskwalificeert vervolgens zijn eerste
zelfstandige literaire pogingen met: “Nu, na een halve eeuw, kan ik mijn vroege
ultraïstische excessen alleen maar betreuren”.
Ook publiceert hij zijn eerste gedichten in de bundel Fervor de Buenos Aires.
Tegen het einde van de jaren ’20
was Borges uitgegroeid tot de belangrijkste jonge dichter van Buenos Aires, de
aanvoerder van de literaire avant garde.
In de geschriften uit die tijd zie
je hem bewust Buenos Aires in bezit nemen, haar wijken en straten, haar
geschiedenis. Die nieuwe gerichtheid heeft ook wel wat kunstmatigs en
excessiefs (zo hangt hij rond in achterbuurten en voert gesprekken met haar
bewoners), maar was ongetwijfeld gemeend: een poging om zijn erfenis op te
eisen, zijn erfenis als Spaanstalige Argentijn die hij, door zijn Engelse
opvoeding, zijn studies van het Frans en het Latijn in Genève en zijn
gerichtheid op buitenlandse literatuur, jarenlang verwaarloosd had.
Er is een gedicht De mythische stichting van Buenos Aires, waarin hij de fictie
poneert dat de oorsponkelijke kern waaruit de stad is voortgekomen zijn eigen
wijk, Palermo, is. Het gedicht eindigt met de woorden: “Het is moeilijk om te
geloven dat Buenos Aires ooit een begin had. Voor mij is ze eeuwig als de lucht
en het water.”
Of ook dit: “Deze stad die ik als
mijn verleden zag, is mijn toekomst, is mijn heden; de jaren dat ik in Europa
woonde betekenden niets. Ik was altijd (en zal altijd zijn) in Buenos Aires.”
In één van de essays uit de jaren
’20 heet het: “Buenos Aires is inmiddels meer dan een stad, het is zowat een
land en het is noodzakelijk de poëzie en de muziek en de schilderkunst en de
religie en de metafysica te vinden die recht doen aan haar grootheid. Dat is de
dimensie van mijn hoop, die een ieder van ons uitnodigt als goden te worden en
te werken om die realiteit mogelijk te maken.” Elders had hij zich beklaagd:
“Niet één mysticus of metafysicus die zijn oorsprong vindt in dit land!” En dat
is toch wat Borges in mijn ogen vóór alles is: een mysticus – metafysicus.
Borges’ hoop in die jaren is een
nieuw regionalisme te ontwikkelen en een taal die werkelijk de ziel en de
essentie van zijn vaderland kan uitdrukken. Dat is inderdaad wat Borges in de
loop van de jaren in zijn oeuvre is gaan doen, maar de nadruk is hier
belangrijk. Het ging niet om een gemiddeld regionalisme dat pittoresque
schetsen geeft van de achterbuurten en haar bewoners, van de gaucho’s en de
pampa’s, de duels en het lassoslingeren – een soort streekliteratuur dus; nee, Borges
wilde de ziel en de essentie van zijn
leefomgeving uitdrukken: het universele en het tijdloze.
Kees Fens gebruikt m.b.t. Borges’
werk de term schijn-realisme. Zijn
uitgangspunt is altijd de werkelijkheid (die van Buenos Aires bijvoorbeeld), maar
de wijze waarop uiteindelijk de stad en haar bewoners gestalte krijgt is een
licht vervormde; uitdrukking van het universele, de werkelijkheid op een hoger
plan gebracht.
Borges zelf is achteraf niet heel
enthousiast meer over zijn poëzie uit de jaren ’20. Aan het einde van dit
decennium stopt hij zelfs helemaal met het schrijven van poëzie en gaat zich in
plaats daarvan wijden aan proza: de biografie van een vrijwel vergeten dichter,
Evaristo Carriego, die al in 1912 aan tuberculose was overleden en slechts één
dichtbundel had achtergelaten. Schrijven over Carriego was in feite schrijven
over zichzelf en zijn oude buurt in Buenos Aires, Palermo. Tegelijkertijd was
het een statement: door niet één van de gevierde Argentijnse dichters te keizen
als onderwerp, maar zo’n perifere figuur, betekende in te gaan tegen de
establishment en de waarden van zijn familie. Het betekende ook het bevestigen
van zijn in de ogen van zijn familie perverse voorkeuren voor de achterbuurten,
de tango en de boeven die in die buurten de scepter zwaaiden: allemaal beelden
die Borges in die tijd trachtte om te vormen tot zijn eigen poëtische
mythologie van Buenos Aires.
“Al schrijvende verloor ik de
belangstelling voor mijn onderwerp”, zegt Borges hierover. “Ik was begonnen een
gewone biografie te schrijven, maar al doende raakte ik steeds meer
geïnteresseerd in het Buenos Aires van die dagen en steeds minder in mijn
dichter.”
Het boek is uiteindelijk een
mislukking, een biografie die maar geen biografie wil zijn. Maar het was wel
Borges’ eerste succesvolle poging om het individuele lot van één man te vatten
in een verhaal. In feite is dit het startpunt van ziijn fictie. Van de al te
echte, banale Carriego is het maar een kleine stap naar de halfhistorische
personages wier leven hij beschreef in de verhalen van de Wereldschandkroniek uit 1935: Monk Eastman, Lazarus Morrell, Billy
the Kid (bij Borges Bill Harrigan geheten), Tom Castro, de gemaskerde verver
Hakim uit Merv. De verhalen (eerste vertegenwoordigers van een genre waarin
Borges later een meester zou blijken) zijn een soort mini biografieën van beruchte
figuren over wier leven niet veel bekend was, zodat hij de vrijheid had om het
lot van zijn personages op bepaalde punten te veranderen of zelfs helemaal
opnieuw uit te vinden.
Deze verhalen waren oorspronkelijk verschenen
in het literaire tijdschrift Critica,
waarvoor Borges één van de belangrijkste auteurs was. Hij noemt de verhalen
‘oefeningen in verhalend proza’ en geeft in de inleiding op de verhalenbundel
zijn inspiratiebronnen aan: het herlezen van Stevenson en Chesterton, de vroege
films van Joseph von Sternberg (Borges schreef in de tijdschriften waaraan hij
bijdroeg veel over film en von Sternberg was één van zijn favoriete filmers) en
‘een zekere biografie van Evaristo Carriego’ (uiteraard een werk van Borges
zelf).
Hoewel Borges gedichten had
geschreven over de pampas en essays over gaucho dichters was zijn werkelijke
kennis omtrent het gaucholeven beperkt. Rodriguez Monegal beschrijft een bezoek
aan familie in Uruguay, die daar land en vee bezaten. Het was een belangrijke
ervaring voor Borges, die elementen van dat bezoek uit 1934 verwerkt heeft in
zeker vijf verhalen die terecht zouden komen in zijn tweede bundel Ficciones
(1944) en de derde bundel El Aleph (1949), de twee collecties verhalen die van
hem een wereldberoemd schrijver zouden maken.
Zijn leven lang heeft Borges zich
beklaagd dat hij geen ‘man of action’ was; dat hij een schrijver was, betekende
voor hem ook dat hij (zeker afgezet tegen de heroïsche traditie van zijn
familie) een lafaard was. Schrijven over primitieve maar dappere mannen die
elkaar bekampen in messengevechten en de uitgebreide vlakten te beschrijven
waar de kuddes graasden, mannen op paarden en rondreden en kroegen waar de
tango werd gedanst en ook af en toe wel eens iemand werd vermoord (Borges
schijnt dat bij zijn bezoek aan Uruguay meegemaakt te hebben) was voor hem een
poging die minderwaardigheidsgevoelens uit te bannen.
Overigens zijn Borges’
herinneringen aan deze episode een stuk een stuk heroïscher dan de feitelijke
gebeurtenissen. Amorim, het familielid dat hij bezocht, vertelde in een gesprek
met Rodriguez Monegal dat Borges een keer wees op een groepje mannen en met een
kinderlijk genoegen uitriep: ‘Kijk die gauchos eens.’ Waarop Amorim, die bekend
was met het land en zijn inwoners, hem lachend corrigeerde: ‘Dat zijn gewoon
boerenknechten.’ In Borges’ verbeelding groeiden zij echter uit tot epische
helden.
Een verhaal dat van groot belang
zal blijken te zijn voor Borges’ latere ontwikkeling als korte verhalenschrijver
is De benadering van Al Moe’tasim uit
1935. Het is in feite een pseudo essay in de vorm van een boekbespreking. Het
boek heeft een bestaande uitgever (Victor Gollanz) en een voorwoord door een
bestaande schrijver (Dorothy Sayers), maar zowel boek als auteur zijn een
uitvinding van Borges. Kennelijk was deze hoax zo overtuigend dat zijn grote
vriend Bioy Casares een exemplaar in Londen bij Gollanz bestelde. Kenmerkend is
ook dat het verhaal / essay eerst verscheen in de essaybundel Geschiedenis van de Eeuwigheid en later
in één van zijn verhalenbundels.
Borges had hier een origineel
format gevonden dat hij nog vele malen vaker zou gebruiken, de combinatie van
fictie en essay. En door te pretenderen dat het verhaal al verteld was en in
boekvorm uitgegeven, kon Borges, in plaats van het verhaal te vertellen, er een
bespreking van geven (“Waarom schrijft hij die verhalen niet gewoon!” zou Harry
Mulisch later uitroepen). Door te claimen dat het verhaal al bestond kon Borges
zijn rechten laten gelden als lezer i.p.v. als schrijver. “Lezen”, schrijft
Borges ergens, “is bescheidener dan schrijven, minder opvallend, maar meer
intellectueel.” Het is duidelijk dat hij het eerste als kwaliteit prefereerde boven
het laatste.
Halverwege de jaren ’30, rond zijn
35e levensjaar, heeft Borges zichzelf een unieke positie verworven
in de Argentijnse literatuur: hij wordt beschouwd als de meest originele
dichter en essayist van zijn tijd. Echter: in kleine kring. Hij was eigenlijk
alleen bekend bij een kleine minderheid aan lezers, voornamelijk jonge
schrijvers. Het grote publiek zag hem over het hoofd. Van Geschiedenis van de Eeuwigheid werden in een jaar tijd 37
exemplaren verkocht. Tegelijkertijd was Borges bezig met experimenten in fictie
die revolutionair zouden blijken te zijn en niet alleen de loop van de Argentijnse
en Zuidamerikaanse literatuur diepgaand zouden beïnvloeden; hij zou de eerste
Latijns Amerikaanse schrijver worden met een grote invloed op de Westerse
(Europese en Amerikaanse) cultuur.
In een interview met Barber van de Pol zegt hij hierover: “Ik was in Argentinië
onbekend tot ik een prijs kreeg in Europa [in 1961, de Prix Formentor die hij
deelde met Samuel Beckett]. Pas toen werd ik hier zichtbaar.”
Op zijn beurt introduceert Borges
diverse moderne auteurs in Zuid Amerika, met name door zijn bijdragen aan het
tijdschrift El Hogar. Kafka was in die tijd totaal onbekend in Zuid Amerika,
maar Borges geeft blijk van een diepgaande kennis van zijn werk. Hij stipt aan
dat het vaak onderhevig is geweest aan theologische interpretaties, wat niet
onzinnig is gezien Kafka’s toewijding aan Pascal en Kiekegaard, maar ook
onnodig. Hij maakt twee observaties over Kafka’s werk die ik heel interessant
vind: dat Kafka’s grootste kwaliteit is het creëren van ondragelijke situaties,
maar dat vervolgens de ontwikkeling van die situatie minder bewonderingswaardig
is dan het creëren ervan; ten tweede, dat Kafka’s verhalen maar één personage
kennen: zeer Duits zowel als Joods; het enige dat zij nastreven is een plaats,
hoe bescheiden en nederig ook, in de orde der dingen: “Welke orde dan ook: het
Universum, een ministerie, een krankzinnigeninstituut, een gevangenis.” Later
zou hij verhalen van Kafka in het Spaans vertalen.
Heel origineel zijn zijn gedachten over Kafka en zijn voorlopers. Zo noemt hij Achilles
en de schildpad of de pijl die in feite niet beweegt uit de paradoxen van Zeno
de eerste Kafkaiaanse personages (zijn roman Het Slot is hierop gebaseerd). Wat hebben een parabel van
Kierkegaard, een gedicht van Robert Browning en een kort verhaal van Lord
Dunsany met elkaar gemeen? Een overeenkomst die in de tijd van het ontstaan van
deze werken uiteraard niet gezien werd: ze wijzen vooruit naar het werk van
Kafka. Door Kafka ga je dat gedicht van Browning anders lezen. Zo creëert een
groot schrijver in feite zijn eigen voorlopers...
Hij noemt zowel Virginia Woolf als
William Faulkner als behorend tot de belangrijkste romanschrijvers van zijn
tijd. Van de eerste schrijft hij een mini biografie, waarin alle romans voorbij
komen; van de tweede bespreekt hij kort de romans the Unvanquished, Absalom
Absalom en the Wild palms. Hij
ziet Faulkner als een auteur die twee type schrijvers in zich verenigt: hij is
zowel geïnteresseerd in techniek en methode van de roman als in het lot en het
karakter van de personages die haar bevolken.
Groot is zijn waardering voor H.G.
Wells. Over diens beste boeken (the Time
Machine, the Invisible Man, the Island of dr. Moreau) zegt hij: “Het
waren de eerste boeken die ik las en wellicht zullen het ook de laatste zijn.
Ze zullen worden opgenomen in het algemene geheugen van onze soort en zelfs de
faam van hun auteur overtreffen en het uitsterven van de taal waarin zij
geschreven zijn overleven.” Overigens was de schrijver Wells die Georgie in
zijn jeugd las niet meer de auteur die Borges in de jaren ’30 recenseerde; hij
was nu veeleer geworden wat Borges noemt ‘een sociologisch observator’,
voortdurend bezig zijn visies omtrent de toekomst van de mensheid te ontvouwen.
Een mythe die Borges zeer aansprak
was die van de Golem, het 17e eeuwse verhaal van rabbi Loew die er,
met behulp van kabbalistische formules, in slaagt een kunstmatig wezen te
creëren. En hij verwijst daarbij naar de roman der Golem uit 1915 van de Oostenrijkse schrijver Gustav Meyrink.
Natuurlijk schrijft hij over één
van mijn favorieten: James Joyce. Hele mooie regels over Ulysses (nadat er al
een eerder stuk was over neologismen in Finnegan’s Wake, wat een honderden
pagina’s tellende studie zou kunnen zijn). Borges schrijft Joyce een ‘begaafde
alomtegenwoordigheid in woorden’ toe, die zonder te overdrijven kan worden
vergeleken met die van Hamlet of Urn
burial, dat uiterst barokke werk van een andere woordkunstenaar zonder grenzen,
Sir Thomas Browne. “Ulysses is het verhaal van één enkele dag aan de rand van
één desolate stad. Uit die vrijwillige beperking kunnen we afleiden dat voor
Joyce iedere dag op een bepaalde verborgen manier een Dag des Oordeels was en
iedere plaats de Hel of het Vagevuur.”
![]() |
| James Joyce |


Geen opmerkingen:
Een reactie posten