Het
gedeelte dat in Amerika speelt is (qua omvang en qua samenhang) in feite een op
zichzelf staande roman met een sterk satirisch karakter. Een nogal zure satire
waarin Dickens klinkt als Jonathan Swift.
Montague Tigg with Jonas
Toen hij had een jaar vrijaf kreeg van zijn uitgever (in 1842) besloot hij, eigenlijk net zo impulsief als Martin Chuzzlewit dat deed, naar Amerika te gaan. Uit The American Notes die hij schreef naar aanleiding van zijn bezoek blijkt dat hij zeer kritisch stond tegenover de Amerikaanse samenleving. En er is het één en ander uit die Notes, een jaar later, in Martin Chuzzlewit terecht gekomen. Als Martins schip bij aankomst in New York wordt overspoeld door krantenjongens die de New York Sewer aanprijzen, “upon the warves and among the shipping, on the deck and down in the cabins of the steamboat” – dan kun je in The American Notes nalezen dat dat ook daadwerkelijk gebeurde bij Dickens’ aankomst.
En hij heeft veel van zijn kritiek (vaak tot karikaturale proporties opgeblazen) in de roman verwerkt. Zo lezen we over Martins afkeer van het voortdurende spugen in het openbaar, de vraatzucht die de Amerikanen ten toon spreiden zodra zij aanvallen op hun maaltijd; het impertinente ondervragen van vreemdelingen, die, wanneer zij uit het moederland afkomstig blijken te zijn, gekapitteld worden over het gebrek aan vrijheid en gelijkheid daar, waarden die bij iedere Amerikaan juist hoog staan aangegeven (“The morbid hatred of you British to the Institutions of our country is astonishing”); de voortdurende patriottische borstklopperij, een pers die gaat voor propaganda en niet voor informatievoorziening en het verkrachten van de Engelse taal.
Dickens
was succesvol in Amerika, zijn voordrachten werden zeer goed bezocht en overal
waar hij kwam, was hij een gevierd man, maar hij moet de Amerikanen zeker ook
geïrriteerd hebben met zijn ongezouten kritiek op hun land. Dickens’
vastbeslotenheid zich uit te spreken had iets bewonderenswaardigs, maar erg
tactvol was hij niet; hij stootte zijn gastheren voortdurend voor het hoofd.
The American Notes kreeg in Amerika dan ook de slechtste kritiek die Dickens in zijn leven gehad moet hebben. En die kritiek werd op de man gespeeld: Dickens was ‘a conceited (verwaande) cockney’, die zijn leven had doorgebracht in ‘the stews of London’; hij was ‘fit only to associate with dancing monkeys’.
Uit alles blijkt dat Dickens de Amerikaanse samenleving gewelddadig en ongeciviliseerd vond. Alles wordt geregeerd door de dollar, alle gesprekken draaien erom: “All their cares, hopes, joys, affections, virtues and associations seemed to be melted down into dollars. Whatever the chance contributions that fell into the small cauldron of their talk, they made the gruel thick and slab with dollars. Men were weighted by their dollars, measures gauged by their dollars, life was auctioneered, appraised, put up and knocked down for its dollars.”
Groot is de hypocrisie bij het uitdragen van hun waarden: vrijheid, democratie en gelijkheid worden verdedigd, maar tegelijkertijd willen diezelfde pleitbezorgers niets weten van de afschaffing van de slavernij. En Dickens hield daarover zeker niet zijn mond: hij prikte door de illusie heen, die hem werd voorgehouden, namelijk dat de meeste slaven toch netjes behandeld werden en sprak zich uit, zoals hij dat in Engeland gedaan had tegen de kinderarbeid in de fabrieken (die hij zelf trouwens aan den lijve had ondervonden).
Dickens hekelt in Martin Chuzzlewit het pompeuze karakter van al die speeches waarin Amerika’s unieke waarden, haar politieke en morele idealen, worden verdedigd. Zoals hier Hannibal Chollop, een gewelddadige settler, die met in de ene hand een mes en in de andere een pistool, uitroept: “We are the intellect and virtue of the airth (Dickens parodieert voortdurend het taalgebruik van de Amerikanen), the cream Of human natur’ and the flower Of moral force.”
Tot
zover Amerika.
We hebben het nog niet over Sairey Gamp gehad, een personage dat in feite
nauwelijks deel uitmaakt van de plot maar met haar extravagante verschijning en
dito taalgebruik toch de show steelt. Ik heb over Pecksniff gezegd dat hij
iedere scène waarin hij optreedt moeiteloos domineert, maar dat geldt in zelfs
nog sterkere mate voor Sairey Gamp. Er is in heel het werk van Dickens
nauwelijks een komisch personage te vinden dat even geslaagd is en evenveel
indruk maakt al mevrouw Gamp (Maarten ’t Hart noemt haar zelfs zijn grootste
creatie). Ze heeft een indrukwekkende fysieke presentie die in rijke, vettige
kleuren geschilderd wordt: als een oudere dame met overgewicht, een rode neus,
schorre stem en vochtige ogen, die evenzeer gekarakteriseerd wordt door haar
attributen: haar verschoten zwarte mantel, met bijpassende omslagdoek en hoed;
maar bovenal haar paraplu, die welhaast een zelfstandig leven lijkt te leiden
(“The umbrella with the circular patch was particularly hard to gt rid of and
several times thrust out its battered brass nozzle from improper crevices and
chinks, to the great terror of the other passengers” Even later leek het net
alsof er niet één, maar wel vijftig paraplu’s waren, voegt Dickens ook nog toe).
Eén
van haar entrees wordt als volgt beschreven:
”At the same moment a peculiar fragrance was borne upon the breeze, as if a
passing fairy had hiccoughed and had previously been to a wine vaults.”
We
komen haar voor het eerst tegen als Anthony Chuzzlewit sterft en zij er (door
Pecksniff) bij gehaald wordt voor de afwikkeling van de beslommeringen rondom
de uitvaart. (Die uitvaart levert ons ook weer een gedenkwaardig personage op:
de begrafenisondernemer Mould.) Maar ze assisteert evenzeer bij bevallingen en
verzorgt zieken, staat dus dichtbij zowel de dood als het ontstaan van nieuw
leven. We zien haar dan ook voortdurend in actie (wel altijd met de fles binnen
handbereik, want ze houdt van een slokje), wat haar een voordeel geeft boven
Pecksniff, die andere show-steler: de architect die nooit iets bouwt, maar
voortdurend aan het woord is.
Zowel
Sairey Gamp als Pecksniff houden graag lange monologen en ook Mrs. Gamp heeft
een neiging tot het aanhalen van misplaatste bijbelcitaten (“Rich folks may
ride on camels, but it ain’t so easy for them to see out of a needle’s eye”); verder
zit ze vol van smakelijke anecdotes die bijna altijd verband houden met wat ze
in haar professie meemaakt:
“I
never see a poor dear creetur took so strange in all my life, except a patient
much about the same age, as I once nussed, which his calling was the custom’us
and his name was Mrs. Harris’ own father, as pleasant a singer, Mr. Chuzzlewit,
as you ever heard, with a nose like a Jew’s harp in the bass tones, that it
took six men to hold at such times, foaming frightful.”
Haar manier van spreken, waarvan dit een kenmerkend voorbeeld is, heeft een geheel eigen, vaak onnavolgbare stijl: lange zinnen, waarin de bijzinnen alle kanten op bewegen, vol betekenisassociaties en ambiguïteit, vaak, zoals hierboven, abrupt eindigend. Ik vind het soms moeilijk uit te maken wat ze nu werkelijk zegt, haar zinnen hardop herhalen helpt daarbij.
De
Mrs. Harris die hierboven aangehaald wordt is een verzinsel van Sairey, vaak de
conversatie binnengehaald om haar eigen ego op te krikken, want steevast
eindigend in een compliment aan haar eigen adres: “’Mrs. Gamp”, she says, “if
ever there was a sober creetur to be got at eighteen pence a day for working
people and three and six for gentlefolks – night watching being an extra charge
– you are that inwalable person”’
Het lijkt een tamelijk goedkope kunstgreep, maar Dickens weet wel veel variatie
in die denkbeeldige dialogen aan te brengen en ze steeds ingenieuzer te maken.
Soms
ook spreken beide dames, de echte en de fictieve, hun onderlinge solidariteit
uit: de verbinding van twee Victoriaanse vrouwen uit de onderklasse met elkaar:
“’But’, says Mrs. Harris, the tears filling in her eyes, ‘you knows much
betterer than me, with your experienge, how little puts us out. A Punch show’,
she says, ‘a chimbley sweep, a newfunlandog, or a drunken man a-comin’ round te
corner sharp, may do it.’ ‘So it may’, said ’Mrs. Gamp, ‘there’s no deniging of
it.’”
(Maarten ’t Hart wijst erop, dat Dickensbewonderaar Dostojevski deze truc heeft over genomen: in de Idioot laat hij ene generaal Ivolgin ook steeds vertellen over een man die niet bestaat).Nadat een collega haar in het gezicht heeft gegooid dat die Mrs. Harris van haar waarschijnlijk helemaal niet bestaat, is ze de rest van de roman helemaal van slag...
Alleen al Sairey Gamp maakt het lezen van Martin Chuzzlewit de moeite waard. (Veel mensen die het boek gelezen hebben, zullen als ze daaraan terugdenken, in de eerste plaats aan Sairey Gamp terugdenken, terwijl ze toch betrekkelijk weinig in het verhaal voorkomt. (Iets dergelijks geldt ook voor de geweldige Mr. Micawber in David Copperfield).
Haar
creatie is opnieuw een bewijs voor wat misschien wel de grootste kwaliteit is
van Dickens als romanschrijver: het scheppen van levensechte personages van
vlees en bloed, die zo gedenkwaardig zijn dat ze nooit meer uit je geheugem
verdwijnen. Hij heeft dat gemeen met Shakespeare, over wie hij ooit zei in een
speech ter gelegenheid van diens verjaardag (23 april):
“We meet on this day to celebrate the vast army of living men and women [nl. de
characters van Shakespeare] who will live forever with an actuality greater
than that of the men and women whose external forms we see around us.”
Peter
Ackroyd, in zijn ronduit geweldige Dickensbiografie, haalt deze woorden aan en
voegt er dan aan toe dat we datzelfde kunnen zeggen van de geboortedatum van
Dickens (7 februari 1812):
“In this small bedroom in Portsmouth, there was born on this February day
Pecksniff and Scrooge, Oliver Twist and Sairy Gamp, Samuel Pickwick and
Nicholas Nickleby, Pip [uit Great
expectations] and David Copperfield, Miss Havisham [idem] and Little Nell;
the Artful Dodger [uit Oliver Twist],
mr. Gradgrind [Hard Times] and Little
Dorrit; Paul Dombey, Fagin and Edwin Drood, Uriah Heep, Tommy Traddles and
Wilkins Macwaber [allen David Copperfield];
Sam Weller en Tiny Tim, Barnaby Ridge and Bill Sykes, all of them tumbling out
into the light.”
Om vervolgens de schatting te maken dat Dickens bij elkaar zo’n slorige 2000
characters geschapen heeft, “born with Dickens, but not dying with him, living
on forever.”
Wat een imposante galerij inderdaad – en de personages in Martin Chuzzlewit horen niet tot de minsten van hen.
Wat niet wegneemt dat de roman als geheel onevenwichtig is. Je kan eigenlijk geen structuur bedenken waarin naast de picareske zwerftochten van de jonge Martin en de psychologische subplot van Jonas en Montague (voor mij het hoogtepunt van het boek) ook de zure satire van de Amerikaanse hoofdstukken (op zichzelf staand zeer geslaagd), de monologen van Pecksniff en de klucht van Sairey Gamp een rol spelen. De roman is ook wel omschreven als ‘zestig personages (het gemiddelde aantal dat in een Dickens roman tot leven komt) op zoek naar een verhaal’. Of zoals John Lucas het noemt in zijn Dickens studie The melancholy man: “something of a marvellous mess.”
Van
die personages zijn er maar weinig die je positief of sympathiek zou kunnen
noemen (één van de redenen dat het boek bij publicatie niet erg aansloeg). Je
kunt Mark Tapley noemen en Tom Pinch. Van de vrouwelijke personages Mary Graham
en Toms zuster Ruth Pinch; maar die beiden zijn dan helaas weer een voorbeeld
van Dickens’ onvermogen om aardige, goede meisjes weer te geven; als ze
onaardig zijn, zoals in dit boek de beide dochters Pecksniff (“Mercy and
Charity, not unholy names I hope”), slaagt hij veel beter.
Met name Ruth Pinch is het vroegste voorbeeld van een serie
huishoudster-heldinnen, gemodellerd naar Dickens’ schoonzuster Georgina Hogarth
die het huishouden deed voor de familie Dickens en die hem zo deed denken aan
zijn overleden en door hem geadoreerde zus Mary. Deze vrouwen cijferen zichzelf
geheel weg voor hun mannelijke metgezellen (in het geval van Ruth haar broer en
het zal na haar huwelijk ongetwijfeld ook gebeuren t.o.v. haar echtgenoot John
Westlock, maar daar horen we niets meer van, want dan is de roman al
afgelopen). Ook in de romans die hierna volgen komen we dit type vrouw tegen: Agnes
in David Copperfield, Esther in Bleak House en Little Dorrit in het
gelijknamige boek: het was Dickens’ ideaal van de passieve, gehoorzame helpster
die de man fysieke en geestelijke support geeft op zijn levensweg en daarvoor
niets terug verlangt. Dergelijke personages zijn bepaald een tekortkoming in
Dickens.
En ik heb het al gezegd: de titelheld is volkomen oninteressant; de boeiendste figuren in de roman zijn figuren met wie je in het dagelijks leven misschien niet graag te maken zou hebben: de koppige grootvader Chuzzlewit (die overigens in het laatste deel van het boek een metamorfose heeft ondergaan: hij is daar een grootmoedige oude man geworden die bereid is de jongere generatie met zijn financiële middelen te ondersteunen), de oude vrek Anthony Chuzzlewit, de glibberige Pecksniff, de angstaanjagende Jonas en de bedrieger Montague Tigg.
Of
neem de privé detective Nadgett, in dienst van Tigg met de opdracht Jonas
Chuzzlewit niet uit het oog te verliezen; door hem komt de moord op zijn
werkgever dan ook aan het licht. Hij wordt als volgt omschreven:
“a short, dried up, withered old man, who seemed to have secreted his very
blood; for nobody would have given him credit for the possession of six ounces
of it in his whole body.” Ook geen prettig personage dus, maar wel mooi geschreven,
als een schaduw die steeds ongemerkt door het beeld komt glijden.
Zelfs
Sairey Gamp is geen prettig mens; ze heeft vaak een slecht humeur, houdt net
wat teveel van een slokje en is eigenlijk vooral op haar eigen voordeel uit.
Old Martin verzoekt haar huisbaas, Poll Sweedlepipe, wat woorden van advies aan
haar over te brengen, “hinting at the expediency of a little less liquour and a
little more humanity and a little less regard for herself and a little more
regard for her patients and perhaps a trifle of a additional honesty.”
Maar Sairey Gamp is zo’n grote creatie en zo’n imposante komische verschijning dat het moeite kost om haar te zien in het verlengde van het hoofdthema van de roman, dat van egoïsme en geldzucht.
Martin Chuzzlewit kent een aantal op zichzelf staande passages die we tot zijn beste werk kunnen rekenen, een grote rijkdom aan beeldspraak en enkele van zijn meest gedenkwaardige personages; desondanks reken ik dit boek nog niet tot de zes á zeven werkelijk grote romans van Dickens; daarvoor heeft het boek toch teveel tekortkomingen.
Ik
ben begonnen met The Pickwick Papers.
De vier romans die dan volgen heb ik overgeslagen: niet interessant genoeg.
Vanaf nu, te beginnen met de volgende te behandelen roman, Dombey and Son, wordt het alleen maar beter.

Mr Pecksniff with members of the Chuzzlewit family
Geen opmerkingen:
Een reactie posten