vrijdag 7 april 2023

Borges, de biografie. deel 2

Op de foto: Borges met zijn biograaf, Emir Rodriguez Monegal

Ergens, ongeveer op het punt is zijn carrière waar het eerste deel van dit verhaal eindigde, halverwege de jaren ’30, raakt hij steeds ontevredener over de poëzie die hij geschreven had; hij realiseerde zich dat hij nooit of te nimmer zou kunnen wedijveren met Walt Whitman. Hij zou gedichten blijven schrijven, maar ging zich steeds meer richten op het genre waarmee hij beroemd zou worden: het korte verhaal.

Het is overigens pas na de dood van de vader, in 1938, dat hij kiest voor dit genre. De soms wel heel zwaar psychologiserende biograaf Monegal legt een verband tussen beide gebeurtenissen. De vader, die ook literaire ambities had, heeft altijd gewild dat zijn zoon zou waarmaken waar hij zelf had gefaald: een geslaagd schrijver worden. Jorge Luis deed dat door de genres van de vader te beoefenen: gedichten en essays. Door nu te kiezen voor het (fantastische) korte verhaal – Pierre Menard, schrijver van Don Quichot en Tlön, Uqbar, Orbis Tertius waren de eerste meesterproeven in het genre – durft hij eindelijk, na diens dood, een weg in te slaan die weg voert van de vader.
Hoogtepunten in het genre zouden zijn bundels Ficciones (1944) en El Aleph (1949) worden. (Aangezien ik nog een apart blog ga wijden aan de verhalen van Borges, zal ik hier niet of nauwelijks ingaan op de afzonderlijke verhalen).

Door samen met zijn grote vriend Adolfo Bioy Casares een anthologie samen te stellen van ‘literatura fantastica’ en een inleiding te schrijven op Bioy’s roman Morels uitvinding die in feite een manifest is voor dat type literatuur, ontwikkelt hij een literair programma waarin hij afstand neemt van het soort literatuur dat dan dominant is in Latijns Amerika en de Spaanstalige wereld, nl. die van het realisme en de psychologische roman en een lans breekt voor fictie die de orde en logica van het magische volgt, niet die van de ‘echte’ wereld van wetenschap en natuurwetten. De inleiding werd destijds (net als de roman van Bioy) nauwelijks opgemerkt, maar Borges’ benadering zou, zeker nadat hij deze in zijn eigen verhalenbundels in de praktijk had gebracht, zeer invloedrijk zijn op de toekomstige literatuur van Latijns Amerika, bij schrijvers als Octavio Paz, Julio Cortázar en Alejo Carpentier.

We zitten inmiddels eind jaren ’30. De indruk bestaat bij veel Borgeslezers dat hij compleet a-politiek was. Nu is hij inderdaad het tegendeel van een geëngageerde schrijver, maar dat wil niet zeggen dat hij geen politieke opvattingen had. Hij was door zijn vader opgevoed tot een intellectueel anarchist die zich nooit zal vastleggen op welke politieke stroming ook. Wel was er de neiging toch de democratie als politiek systeem te prefereren, omdat die een machtsevenwicht garandeerde en éénpartijregimes af te wijzen, omdat die de vrijheid van denken en meningsuiting beknotten. Hij had weinig affiniteit met de lokale Argentijnse politiek; niet met het generaalsregime in de jaren ’30, dat sympathiseerde met Mussolini en Franco en zeker ook niet met de latere dictator Juan Péron.

Ten tijde van de Tweede Wereldoorlog en de daaraan voorafgaande opkomst van totalitaire regimes heeft hij zich echter wel degelijk duidelijk uitgesproken.
Hij is vooral duidelijk in wat hij afwijst: het futurisme van Marinetti, zowel het fascisme in Italië als het stalinisme in Rusland, maar ook het surrealisme, niet alleen omdat het sterk onder invloed stond van Freuds theorieën over het onbewuste (en Borges had een grote hekel aan Freud), maar ook vanwege haar band met het marxisme. In reactie op een manifest van de paus der surrealisten, André Breton, schrijft Borges: “Marxisme (evenals het lutherse geloof, een paard, de maan of een regel uit Shakespeare) kan een aansporing tot het maken van kunst zijn, maar het is absurd te veronderstellen dat het de enig mogelijke is. Het is absurd te geloven dat kunst een afdeling van de politiek is.” En dat is precies wat dit manifesto claimt.

Zijn scherpste kritiek betrof echter het Nazisme, haar vernietiging van de Duitse cultuur, haar oorlogscultus en antisemitisme.

Borges was ervan overtuigd dat de in 1945 aan de macht gekomen Juan Péron een nazi was.
In Montevideo, waar hij was om een lezing te geven, zegt Borges in een verklaring voor de krant: “De politieke situatie in Argentinië is zeer serieus, zo serieus dat veel Argentijnen nazi’s worden zonder dat ze zich ervan bewust zijn. Het is vreselijk, vergelijkbaar met wat gebeurde bij het begin van het fascisme in Europa. Hoewel veel Argentijnse intellectuelen ertegen zijn en het fascisme bestrijden, ben ik desondanks pessimistisch over een snelle terugkeer van de democratie in Argentinië.”

Juan Péron was dan misschien geen nazi, hij was zeker wel een rechtse nationalist, een dictator en anti-democraat, die voor Borges, met zijn bescheiden positie als derde assistent bij een buurtbibliotheek (hij verdiende toen nog onvoldoende met zijn literaire activiteiten), een speciale vernedering in petto had. In augustus 1946 kreeg hij te horen dat hij zijn baan bij de bibliotheek moest opgeven en was benoemd tot inspecteur van pluimvee en konijnen (!?) op een markt in Buenos Aires. Toen hij naar het stadhuis ging om verhaal te halen kreeg hij te horen van de beambte: ‘Wat had je dan verwacht? Je stond aan de kant van de geallieerden.’
Er zat niets anders op dan zijn baan op te geven maar hij gaf ook een verklaring uit:
“Dictaturen betekenen onderdrukking, onderdanigheid, wreedheid; erger nog is het gegeven dat zij ook domheid stimuleren.”

De verklaring was een politiek manifest. Borges, de apolitieke, bescheiden, stotterende, ironische, verlegen Borges zou het komende decennium een symbool worden van het verzet tegen het totalitaire regime.

Maar Péron kreeg nog iets anders voor elkaar. Als Borges iets verschrikkelijk vond, was het spreken in het openbaar. Hij ging daarin zelfs zo ver, dat wanneer hij ergens werd uitgenodigd voor een lezing, hij een vriend vroeg die voor te lezen, terwijl hij zelf, als een soort van buikspreker, daarachter op het podium zat. Maar nu hij zijn baantje bij de bibliotheek kwijt was, moest hij een andere inkomstenbron aanboren en het meest voor de hand liggende was toch: het geven van lezingen. Borges had een grote literaire reputatie (ondanks het feit dat zijn boeken nog altijd slecht verkochten); op het moment dat hij besloot lezingen te geven, zou hij zeker een veelgevraagd spreker worden.
En dat is inderdaad wat er gebeurde.

Een lezing van Borges was een gebeuren, dat zijn eigen, ritualistische, haast meditatieve karakter had. Hij zat daar stil op het podium, nooit, met zijn al halfblinde ogen, de zaal in kijkend, de handen samengevouwen als in gebed, of soms discreet gebarend; zijn stem was diep en monotoon, zijn hele verschijning als een priester of rabbijn die een heilige tekst reciteert.
Zijn stille, welhaast onbeweegelijke verschijning, de precieze gebaren, het monotone stemgeluid, creëerden een bijna bezwerende atmosfeer, waarin de nadruk helemaal lag op de inhoud van de tekst, niet op de persoon van de spreker; en die tekst was altijd zorgvuldig samengesteld, met tal van verrassende elementen.

Hij was doodzenuwachtig voorafgaand aan een lezing, had zijn eigen rituelen om dat te bezweren (waaronder een stevige slok), maar uiteindelijk begon hij het toch ook leuk te vinden:
“Ik reisde door Argentinië en Uruguay en gaf lezingen over Swedenborg, William Blake, Perzische en Chinese mystici, Boeddhisme, gaucho poëzie, Martin Buber, de Kabbalah, de vertellingen van 1001 nacht, T.E. Lawrence, middeleeuwse Duitse poëzie, IJslandse sagen, Heine, Dante, het expressionisme en Cervantes. Soms reisde mijn moeder of een vriend met me mee. Niet alleen verdiende ik veel meer geld dan bij de bibliotheek; ik vond het nog leuk ook.”

Generaal Péron blijft 10 jaar aan de macht; in 1955 wordt hij door het leger gedwongen tot aftreden. (Hij zou in 1973 nog een comeback maken die echter van korte duur was: Péron overleed in 1974).
Voor Borges (die ooit zei: ”Mijn eerste gedachte als ik ontwaak is: ‘Mijn God, Péron is aan de macht!”’) was het het einde van een nachtmerrie. Borges beschrijft hoe in Buenos Aires de mensen de straat op gaan:
“We werden zo meegesleept door ons enthousiasme dat we niet in de gaten hadden dat we doorweekt raakten van de regen. We waren zo gelukkig dat zelfs de naam van de gevallen dictator niet meer genoemd werd. Péron verborg zich en mocht later het land verlaten.”

Het nieuwe militaire regime, dat wilde laten zien dat het een totaal ander cultureel beleid zou voeren dan de Péron-regering en in Borges een nationaal symbool zag van het verzet tegen dat regime, benoemde Borges tot directeur van de Nationale Bibliotheek.

Rodriguez Monegal beschrijft hoe hij Borges in zijn nieuwe functie opzoekt:
“Hij nam mijn hand en leidde me rond; hij kon net voldoende zien om te weten waar het boek dat hij wilde hebben stond. Hij is in staat een boek te openen op de juiste pagina en, zonder de tekst daadwerkelijk te lezen, hele passages te citeren. Hij zwerft door gangen vol boeken, er is haast geen licht, ik probeer hem te volgen, blinder en meer gehandicapt dan Borges omdat ik niet op mijn ogen kan afgaan. Ik realiseer me dat de ruimte waar Borges zo blindelings zijn weg kan vinden niet werkelijk is; het is een ruimte gemaakt van woorden, tekens, symbolen. Een labyrinth. Borges sleept me voort. Dan, plotseling, is er licht aan het einde van de gang. De prozaïsche realiteit wacht daar weer op ons, de echte wereld van licht en schaduw, de conventies die ik geleerd heb te herkennen...”

Rond die tijd werd Borges vrijwel blind (hij had toen al verschillende oogoperaties moeten ondergaan, het is een familiekwaal). De dokters hadden hem gewaarschuwd dat hij, tenzij hij zou stoppen met lezen en schrijven, helemaal blind zou worden.
Stoppen met lezen en schrijven... Ik ben geen Borges, verre van dat (hoewel ik me zeer met hem verwant voel), maar zo’n advies zou voor mij voelen als een bijna – doodvonnis.

Borges blijft zoals gewoonlijk zeer stoïcijns (hoewel hij in werkelijkheid veel pijn zal hebben gehad bij het verwerken van wat je gerust de grootste tegenslag in zijn leven kan noemen):
“Blindheid lijkt de directeuren van de Nationale Bibliotheek in het bijzonder te treffen – twee van mijn voorgangers [waaronder de eminente Paul Groussac] ondergingen hetzelfde lot. Ik schreef een gedicht waarin ik spreek over Gods schitterende ironie wanneer hij mij tegelijkertijd 800.000 boeken toewijst en de duisternis...”

Schrijven wordt nu dicteren, lezen voorgelezen worden (en opdiepen uit zijn formidabele geheugen, waar al het gelezene opgeslagen ligt).

Hij is nog wel in staat boeken te schrijven met hulp van vrienden en secretarissen, maar het was eigenlijk onmogelijk om korte verhalen te componeren of lange artikelen te schrijven. Hij was immers gewend in een zeer compacte, gecondenseerde vorm te schrijven, in een uitermate complexe structuur van zinnen en paragrafen en die wijze van componeren van een tekst in proza was nu buiten zijn bereik. Een decennium lang verschenen er geen verhalen meer van zijn hand; de eerstvolgende verhalenbundel was Het Verslag van Brodie uit 1970. Bij wijze van compensatie keerde Borges terug naar de poëzie:
“Ik moest terugvallen op mijn geheugen. Het is gemakkelijker om versregels te onthouden dan proza en gemakkelijker om regelmatige versvormen te onthouden dan vrije verzen. Je kan op straat lopen en in de metro zitten en onderwijl een sonnet componeren: rijm en metrum laten zich gemakkelijk onthouden.”

Dus betekende zijn blindheid ook een terukeer naar de klassieke versvorm.

Het hoofdstuk in de biografie van Emir Rodriguez Monegal waarin de blindheid beschreven wordt heet “The Birth of ‘Borges’”.

Kees Fens schrijft daarover:
“De historische Borges werd een literaire, een mythische figuur zelfs [Borges wordt ‘Borges’]. De blinde Milton en de blinde Homerus herrezen in hem en de blinde Borges werd een ziener.”

Borges zelf wijdt er een korte prozatekst aan, Borges en mijzelf. “Het is met de andere man, Borges, dat de dingen nu gebeuren. Stukje bij beetje heb ik alles aan hem overgegeven. Mijn leven is aan het verdwijnen, ik verlies alles, alles wordt overgegeven aan de vergetelheid en aan die ander man.”

Nadat Borges met de vertaling van zijn verhalen in het Frans in Frankrijk al een zekere reputatie had opgebouwd, kwam zijn internationale doorbraak in 1961, toen hij, samen met Samuel Beckett (een meer contrasterende auteur is nauwelijks denkbaar), de Prix Formentor won. Deze prijs werd voor het eerst uitgereikt en was ingesteld door avant garde uitgevers uit zes verschillende Westerse landen, bedoeld voor auteurs die in de ogen van de jury ‘een blijvende invloed op de ontwikkeling van de moderne literatuur’ hadden. De bedoeling van de prijs was het werk van de prijswinnende auteurs met een zo groot mogelijk internationaal publiek in contact te brengen.

En inderdaad is deze prijs de opstap geweest voor Borges’ internationale roem; hij werd vanaf nu gerekend tot de belangrijkst moderne auteurs, in een rijtje dat ook Kafka en Joyce, Proust en Nabokov bevatte.

Toen de Roemeens-Franse filosoof Emil Cioran in 1976 werd gevraagd mee te werken aan een bundel ter ere van Jorge Luis Borges, was zijn reactie negatief. Niet dat er iets schortte aan zijn bewondering voor Borges, integendeel, maar de algemene waardering die de Argentijnse schrijver ten deel viel zinde hem niet. Borges verdiende het volgens Cioran “in de schaduw te vertoeven, in het onzichtbare, even ongrijpbaar en even impopulair te blijven als de nuance. Daar hoorde hij thuis. De officiële erkenning is de ergste straf die er bestaat - voor een schrijver in het algemeen, en zeer in het bijzonder voor een schrijver van zijn soort”.

Hoe het ook zij, vanaf dat moment breidde ‘Borges’, de mythische schrijver die uit de schaduwen tevoorschijn was gekomen, zijn territorium steeds verder uit en werd de ‘echte’ Borges naar de periferie gedrongen. Het was ‘Borges’ die de Amerikaanse universiteiten bezocht, literaire prijzen in ontvangst nam, over wie serieuze studies verschenen en die een soort van guru werd voor duizenden jonge mensen op tenminste drie continenten; die kortom ‘gezalfd’ werd (Rodriguez Monegal noemt het zo) als een moderne meester.
De andere Borges verdween langzaam aan in het duister. Maar ook achter het masker van ‘Borges’ bevindt zich nog steeds diezelfde enigszins melancholieke, ouderwetse, verlegen en zeer Argentijnse oudere heer.

Een ingrijpende gebeurtenis is het overlijden van zijn moeder op 99-jarige leeftijd, in 1975. Op de drie jaar na dat Borges getrouwd was (een niet erg geslaagd verstandshuwelijk, aangegaan omdat moeder te oud en te zwak was om de dagelijkse zorg voor haar zoon nog op zich te nemen en hem te begeleiden op zijn buitenlandse reizen) heeft hij altijd met haar samengewoond. Ze was zijn voorlezer, secretaresse, verpleegster en literair agent, maar bovenal bleef zij, tot het einde toe, ‘moeder’ en hij haar oogappel Georgie. De laatste maanden moeten afschuwelijk zijn geweest; Rodriguez Monegal, die geregeld bij hen over de vloer kwam, beschrijft dat hij, als hij Borges aan de telefoon had, het geschreeuw van moeder op de achtergrond horen kon. Volgens Borges riep ze haar ouders en overleden echtgenoot aan om haar in Godsnaam weg te komen halen en smeekte ze de huishoudster haar in de vuilnisbak te gooien.
Als Rodriguez met Borges over de dood van zijn moeder spreekt, komt hij met een anecdote over zijn Engelse grootmoeder, een statige Victoriaanse dame. Stervende sprak zij de eerste vloek van haar leven uit: “Carajo, basta de sufir!”(“Fuck, genoeg van dat lijden!”).

Als hij van studenten een uitnodiging krijgt om de wortels van de Engelse literatuur te bestuderen, is dat voor hem aanleiding om op zijn oude dag het Angelsaksisch, een oude liefde van hem, weer op te pakken en, in het verlengde daarvan, Skandinavische talen, met name het IJslands, te leren. Ik heb daar grote bewondering voor. Ik heb een paar Angelsaksische teksten in de kast staan, maar kan daar geen wijs uit en heb ook niet de intellectuele energie om me dat eigen te maken. De 80-jarige Borges dus wel...

Rodriguez Monegal besluit zijn biografie als volgt:
“Blindheid en de afwezigheid van moeder hebben de tijd praktisch uitgewist. Borges leeft voor altijd binnen een magische ruimte, geheel leeg en kleurloos, waarin tijd niet telt of wordt ‘meegebracht’ door mensen van buiten, mensen die nog in de tijd leven.”

Hij laat nog één keer Borges zelf aan het woord:
“Nu dat ik blind ben – en blindheid is een vorm van eenzaamheid – breng ik het grootste deel van de tijd alleen door. Om mezelf niet te vervelen bedenk ik verhalen en maak ik gedichten. Dan, wanneer er iemand langs komt, dicteer ik ze.”

En de biograaf vervolgt:
“Beschermd en geïsoleerd door zijn blindheid, zit Borges onbeweeglijk. Alles rondom hem is rustig, behalve zijn verbeelding. Binnen in zijn geest worden de lege ruimten gevuld met verhalen over moord en wonderlijke zaken, met gedichten die de hele wereld van de cultuur omsluiten, met essays die subtiel de verschrikkingen en pijnlijke genoegens van het bestaan in kaart brengen [maar wel op een heel elegante, wonderschone wijze, zou ik zelf willen toevoegen. En speels.] Oud, blind, zwak, zit Borges tenslotte in het centrum van zijn labyrinth.”

Jorge Francisco Isidoro Luis Borges Acevedo stierf op 14 juni 1986, aan leverkanker, in Genève. Hij is daar ook begraven.

Borges in 1976


Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Shakespeare's Macbeth, deel II

De scène van de moord op Lady Macduff en haar kinderen is vrijwel ondragelijk. Je kunt je afvragen waarom Macduff zijn gezin niet heeft meeg...