dinsdag 17 mei 2022

James Joyce: Een inleiding

 Stel, ik mocht kiezen welke schrijver ik zou willen zijn.  Ik zou dan toch James Joyce nemen. Maar alleen vanwege de genialiteit van zijn schrijven, niet omdat hij zo’n benijdenswaardig leven heeft gehad. Want dat laatste was zeker niet het geval. Allereerst de voortdurende armoede: al tijdens zijn jeugd (met een vader die zijn complete salaris verdronk) en ook later: met Ulysses was hij een wereldberoemde (of moet ik zeggen: beruchte) schrijver geworden, zijn beeltenis stond op de cover van Time Magazine, maar die bekendheid heeft zich niet vertaald in massale verkoopcijfers en dus een in een fatsoenlijk inkomen voor de auteur. Hij bleef een schrijver voor fijnproevers. Tot aan zijn dood is hij financieel ondersteund door zijn Engelse maecenas Harriet Weaver (die ook zijn begrafenis bekostigde).


Hij was een grootverbruiker van alcohol die in zijn Dublinse jaren geregeld door een barmhartige Samaritaan thuis gebracht moest worden om dat hij op straat in elkaar was gezakt. Daarnaast een enthousiast hoerenloper: bordelen waren volgens hem de interessantste plekken van een stad, daar leerde je de stad pas goed kennen.
Geen zaken waar ik zelf vrijwillig voor zou kiezen.

Gezond was hij allerminst (hij is dan ook nog geen 60 geworden) en wat hem vooral parten speelde was een oogkwaal die hem tegen het eind van zijn leven vrijwel blind maakte: zijn laatste boek Finnegans Wake schreef hij met centimeters dikke letters omdat hij anders achteraf niet meer kon terug lezen wat hij geschreven had.
Zijn laatste jaren waren miserabel: hij kon niet meer schrijven en moet daardoor geconfronteerd zijn met een wanhopig makende leegte. De taalvirtuoos die van en met woorden geleefd had, maar nu niets meer met die woorden kon.

Wat zou ik ervoor gegeven hebben een boek als Ulysses te kunnen schrijven! Maar wat het hem gekost heeft! Zeven jaar ononderbroken gewerkt, tienduizenden uren arbeid die een aanslag vormden op zijn hersenen en zijn lichaam (en dan moest Finnegan’s Wake nog komen!), zenuwinzinkingen, af en toe flauw vallen als de spanning hem te erg werd en dan al die verschillende oogkwalen waaraan gij behandeld moest worden... (en waar eigenlijk geen geld voor was).

En daarbij kwam nog het totale gebrek aan erkenning. Hoewel hij voor sommigen (vaak collega schrijvers) een idool was dat op handen gedragen werd, was de meeste kritiek uiterst negatief. Onbegrip voor de complexiteit van het werk was wel het minste, kwalificaties als obsceen en aanstootgevend kwamen daar bovenop en leverden zelfs rechtzaken op, reden waarom de meeste uitgevers hun handen van hem af trokken.

Ik ben ervan overtuigd dat hij bij tijd en wijle op de rand van geestesziek heeft gebalanceerd, zijn gedrag en zijn reacties in bepaalde perioden van zijn leven lijken daarop te wijzen. Het moet hem dan ook in het bijzonder pijn hebben gedaan dat zijn dochter Lucia de grens naar krankzinnigheid wel overschreed en geregeld in psychiatrische ziekenhuizen verbleef. Joyce hield van niemand zo veel als van haar; hij wilde er ook niet aan dat ze zo ziek was als ze was, hij was ervan overtuigd dat zo lang als hij maar in de buurt was en voor haar zorgde, ze een normaal leven zou kunnen leiden, dat al die instellingen nergens voor nodig waren.
Wat een aaneenschakeling van problemen en ellende.
Maar dan was er Nora Barnacle, de liefde van zijn leven. Hij ontmoette haar op 16 juni 1904, een dag die zo belangrijk voor hem bleef dat hij zijn roman Ulysses, die één dag in Dublin beschrijft, op 16 juni 1904 liet spelen. En nu wordt op die dag in Dublin Bloomsday gevierd, met tal van manifestaties, lezingen, Joyce-wandelingen door Dublin etc.
Zij was eigenlijk een onwaarschijnlijke partner voor hem. Een ongeletterd plattelandsmeisje uit Galway, dat in feite nooit een idee heeft gehad waar Ulysses over ging; het weinige dat ze er uit las vond ze aanstootgevende viezigheid.
Maar het huwelijk werkte wel en is Joyce’s redding geweest. Zij was het die klaar stond als hij dronken thuis kwam, die ervoor zorgde dat hij (arm als ze waren) zich behoorlijk kleedde. Ze kookte eten voor hem en raapte hem van de grond op als hij, ten gevolge van té hard en te lang achter elkaar werken, weer eens flauw gevallen was. En ze doorstond zijn norse buien  als hij soms dagen lang nauwelijks iets zei. Omdat hij te zeer in zijn werk opging of juist gebukt ging onder het gebrek aan erkenning en inkomen. Of wegzonk in de duisternis van zijn blindheid.
We moeten dez vrouw in de dienstbaarheid aan haar man en zijn talent – én aan de literatuur, als een soort van heilige beschouwen...

Lucia en Nora. Hun beider reacties op zijn dood in januari 1941 zijn kenmerkend.
Lucia: “What is he doing under the ground, that idiot? When will he decide to come out?”
Nora: “My poor Jim, he was such a great man”.

Een groot schrijver. Het is opvallend hoe weinig titels zijn totale werk eigenlijk kent.
Alleen: Ulysses en Finnegan’s Wake zijn zo veelomvattend dat ze elk een compleet oeuvre vormen. Ulysses kent 18 lange hoofstukken die zo verschillend zijn van stijl dat ze in feite 18 afzonderlijke romans binnen één band vormen. En de drie hoofdpersonen die zich door die wereld begeven, de joodse advertentieverkoper Leopold Bloom en zijn vrouw Molly en de jonge Stephen Dedalus (losjes gebaseerd op Odysseus, zijn vrouw Penelope en zijn zoon Telemachus bij Homerus) weet hij op zo’n prachtige en complexe manier weer te geven: m.n. door ons in hun hoofden te laten en hun stroom van gedachten te laten horen (de beroemde ‘stream of consciousness’ techniek). En dan zijn tekening van de stad Dublin; alles vanuit zijn herinnering; Joyce was in 1906 uit Dublin vertrokken en had zich, na een verblijf in Triëst en in Rome, in Parijs gevestigd, waar hij deze honderden pagina’s geschreven heeft en er uiteindelijk ook een uitgever vond. Joyce zelf heeft gezegd, dat als Dublin morgen vernietigd werd (en dat was gezien het geweld dat gebruikt werd bij het neerslaan van de Paasopstand van 1916 niet ondenkbeeldig) de stad vanuit zijn beschrijvingen weer in detail heropgebouwd zou kunnen worden.
Finnegan’s Wake is een ondoordringbaar universum, Joyce’s ‘Book of the Dark’. Niemand zal dit boek werkelijk kunnen doorgronden, want er is vrijwel niemand die zoveel talen spreekt als Joyce in het boek verwerkt heet én alle mythische en literaire verwijzingen weet te plaatsen. En dan ook nog gevoel heeft voor de wijze waarop de auteur woorden vervormt en combineert, van associatie naar associatie springt en ook nog voortdurend van alles weglaat, wat juist voor een beter begrip zou kunnen zorgen. In feite is Finnegan’s Wake (waar Ulysses zich afspeelt bij klaarlichte dag in heldere zonneschijn) één lange droom en is de taal die gesproken wordt een droomtaal. Het is een werk van nacht en schaduwen. Dublin en de rivier de Liffey spelen weer een hoofdrol, maar worden tegelijkertijd mythische plaatsen, de rivier een oer-Rivier. Wellicht het moeilijkste boek uit de wereldliteratuur. Ik moet er toch een keer aan beginnen. Maar pas nadat ik Ulysses nog een keer heb doorgenomen en dan met de beste gidsen die je voor dat boek kunt hebben: Anthony Burgess (Re-Joyce) en de onvolprezen biograaf van Joyce, Richard Ellmann, die met Ulysses on the Liffey ook een commentaar op Ulysses schreef.

Behalve deze twee enorme boeken zijn er nog slechts een paar titels. De korte autobiografische roman ‘Portrait of the artist as a young man’, over de school – en studententijd van Joyce’s alter ego Stephen Dedalus (die we dus later ook weer tegenkomen in Ulysses). ‘The Dubliners’, voor mij één van de mooiste verhalenbundels van de 20e eeuw – maar ook weer slecht ontvangen, dit keer omdat men vond dat Joyce, gevestigd in het buitenland, de Ieren belachelijk maakte. Wat niet waar is: hij schrijft juist vol compassie over zijn voormalige stadgenoten. En het slotverhaal ‘The dead’ (over een man die na een feest ontdekt dat zijn vrouw al hun gehele huwelijk innerlijk samenleeft met een overleden geliefde) is wellicht het mooiste verhaal ooit geschreven... Maar dat mag ik natuurlijk niet zeggen. Ken je dan alle verhalen die er ooit geschreven zijn, zegt u dan weer...
Verder zijn er dan nog een paar dichtbundels, waarvan Chamber Music en Pomes Penyeach de belangrijkste zijn. En één toneelstuk, Exiles, dat (uiteraard zou ik haast zeggen) óf werd afgewezen door de theaters (waaronder de Abbey Theatre van William Butler Yeats in Dublin, een afwijzing die voor Joyce zeer pijnlijk was) óf, als het opgevoerd werd, slechte kritieken kreeg.

Er zijn veel getuigenissen van wat voor een onaangenaam mens James Joyce was. Afstandelijk, haatdragend, egocentrisch, niet-invoelend... Moet een geniale schrijver tegelijkertijd een monster zijn voor zijn omgeving, wil hij zich helemaal aan zijn werk kunnen wijden, vraagt Edna O’Brien zich af in haar korte biografie, verschenen in de serie Penguin Lives. En ze beantwoordt die vraag met een volmondig Ja.
Hij was een tragisch mens, dat ongetwijfeld, maar tegelijkertijd de briljantste schrijver die de twintigste eeuw gekend heeft. Dat ongelofelijke taalgevoel, het vermogen tot het creëren van nieuwe woorden door oude te combineren en variëren, dat ongekende oor voor taalritme, het maakt het lezen van Joyce tot een ongekende ervaring.
En dan: ik denk dat er niemand is geweest die Joyce werkelijk gekend heeft. De essentie van zijn persoonlijkheid was zijn innerlijk, dat hij in zijn boeken heeft uitgestort. Zijn verbeeldingskracht was gigantisch, alles wat hij zag (en later: alles wat hij zich herinnerde) werd omgezet in beelden, woorden, clusters van woorden, kettingen van zinnen: kortom, in literatuur. Zijn geest was altijd aan het werk, de kennis verwerkend die hij vergaard had, zijn geweldige belezenheid ordenend en productief makend. De woorden ritselden in zijn hoofd, de beelden stegen op uit het halfduister van zijn blindheid. Hij was een schepper van werelden in taal, zoals dat sinds Shakespeare niet meer te zien was geweest. En sinds Joyce ook niet meer.

Dit bij wijze van inleiding. Ik wil nog veel meer over James Joyce schrijven. Samen met Shakespeare en Dickens vormt hij de top van mijn literaire wereld. Ik wil ook graag schrijven over Cervantes en Dante, maar dan meer vanwege hun betekenis voor de wereldliteratuur en de volstrekte originaliteit van hun werk. Maar met die twee heb ik niet dezelfde persoonlijke band.
Als ik mocht kiezen welke beroemde schrijver ik zou willen zijn, dan koos ik niet Shakespeare. Ik zou voor James Joyce kiezen. En daarmee veel lijden voor lief nemen. Maar wat moet het zijn om zo’n geest te hebben...

 

 

 

              

 

 

vrijdag 6 mei 2022

Charles Dickens, Pickwick Papers. deel 2

Wat absoluut een originele vondst is in de Pickwick Papers: dit is in wezen een picareske roman, zoals voor hem Smollett of Fielding die schreven: een avonturenroman over een rondreizende held. Alleen: Dickens maakt van hem een corpulente oude heer op leeftijd, waar het voorheen altijd jonge mannen waren die de avonturen beleefden. Dit heeft iets absoluut ontwapenends! In die zin is hij de voorloper van die andere onwaarschijnlijke held van middelbare leeftijd, die zich over alles verwonderend voortbeweegt, niet door de straten van Londen, maar van Dublin: James Joyce’s Leopold Bloom uit Ulysses, één van mijn absolute favorieten onder de romanpersonages.

Pickwick papers is een idylle en de figuren die haar bevolken hebben iets mythisch. Alle gevaren die Pickwick bedreigen zijn niet helemáál serieus te nemen en de manier waarop Sam Weller die steeds weer het hoofd biedt heeft iets onwaarschijnlijks, zoals dat alleen in een mythische sprookjeswereld als deze voor kan komen. Maar de idylle is geen Paradijs. Als Pickwick in Fleet Prison geïnterneerd wordt, raakt het verhaal werkelijk aan de schaduwkanten van het leven.

Eén van de hoogtepunten van het boek is het proces dat tot zijn arrestatie leidt: de Bardell vs Pickwick rechtzaak. Mrs. Bardell is Pickwicks hospita, die hem beschuldigt van het verbreken van een huwelijksbelofte; zij eist daarvoor een schadevergoeding. Hoewel de beschuldiging absurd is, wordt haar eis toch toegewezen; Pickwick echter, terecht overtuigd van zijn onschuld, stelt resoluut ‘not one halfpenny’ te zullen betalen en roept daarmee gevangenisstraf over zichzelf af, die hij bereid is ‘with perfect cheerfulness and content of heart’ te aanvaarden.

Dit is een voorbeeld van hoe Dickens zijn eigen ervaringen, in dit geval als rechtbankverslaggever,  gebruikt in zijn werk. Hij had een uitgebreid verslag geschreven van een zaak die veel stof had doen opwaaien: de echtgenoot van ene Lady Catherine Norton had een rechtzaak aangespannen tegen de voormalige premier Lord Melbourne en hem ervan beschuldigd een affaire met zijn vrouw te hebben gehad. Wat Dickens vooral trof was de absurd vijandige toon in de ondervraging door de aanklagers; in het boek inspireert Norton vs Melbourne de zaak Bardell vs Pickwick. En het is allemaal daar: de trucs van de eisende partij die inspeelt op de sentimenten van de juryleden, het pathetische betoog van de aanklager, Sergeant Buzfuz, die onaanzielijke details opblaast tot halsmisdrijven, de onverschilligheid van de jury, de vooringenomenheid van de rechter, ‘a most particularly short man, and so fat that he seemed all face and waistcoat’.

Je zou het hilarisch (en het relaas van Sergeant Buzfuz, die een paar onbeduidende briefjes van Pickwick opblaast tot essentieel bewijs van zijn schuld, is dat wel degelijk) noemen als het niet tegelijkertijd zo verschrikkelijk was. Dit is de humorist Dickens op zijn best die een lach laat opklinken met daarachter een oprecht gevoelde ernst. De instituties kunnen goede, fatsoenlijke mensen tot stof vermalen; de humor die Dickens daarop loslaat is zowel veroordelend, medelevend als bevrijdend. Het wijst de veroordeelde, de gevangene, op een ander leven, vitaal en menselijk, aan de andere kant van de muren van gevangenis of rechtzaal, maar doet tegelijkertijd de duisternis en de pijn, die er ook altijd zijn, meeklinken. Het is de humor van iemand die de hier getoonde onrechtvaardigheid zo absurd vindt dat hij er komedie van kan maken, zonder het schrijnende ervan te negeren.

Het verslag van het proces is de aanleiding tot het beste deel van het boek, want hier raken we aan thema’s die Dickens na aan het hart gaan en die centraal zouden worden in zijn latere werk: het rechtssysteem en de onschuldige slachtoffers die het maakt; de onrechtvaardigheid van de gevangenissen voor schuldenaars (debtor’s prisons, de Marshalsea en de Fleet).
Pickwick Papers is wellicht de allergrappigste Dickens roman, maar de scènes in de gevangenis laten ook een grimmige kant zien.
Het is ook hier dat de roman het frivole avonturieren, in elk geval tijdelijk, achter zich laat en een tot dan toe ongekende diepte krijgt.

Hoewel het vanaf het begin eigenlijk al wel duidelijk is, dat Pickwicks opsluiting een tijdelijke affaire is, kan Dickens het lijden van diens mede-gevangenen niet simpelweg negeren:
“The iron teeth of confinement and privation had been slowly filing him down for twenty years”, wordt over één van de gevangenen gezegd; van die aangrijpende details: de man heeft ‘sunken teeth’ en een ‘restless, eager eye”. In dit soort scènes straalt de grootheid van de latere Dickens door.
Of de beschrijving van een “lean and haggard woman – a prisoner’s wife – who was watering the wretched stump of a dried up, withered plant, which, it was plain to see, could never send forth a green leaf again” – symboliek die de doodsheid en uitzichtloosheid van deze levens bij uitstek verbeeldt.
De realiteit heeft zijn intrede gedaan in de idylle; Dickens’ enige optie is om Pickwick weer uit de gevangenis te krijgen. Hij maakt zijn weg naar de uitgang, handenschuddend te midden van de menigte die hem uitgeleide doet, toonbeeld van medeleven en goedhartigheid in deze plek van lijden en ellende.

Dit is ook het moment dat we de absolute grootheid van Pickwick te zien krijgen: de vrouw én de man die hem het meest kwaad hebben gedaan, Pickwicks grote tegenstrever Jingle en de vrouw die hem op valse beschuldigingen in de gevangenis deed belanden, Mrs. Bardell, zijn ook achter de tralies beland. Hoewel hij alle reden heeft zich te vergenoegen over hun arrestatie en hen daar achter te laten, ontfermt hij zich over beiden en weet hen vrij te krijgen. Pickwick’s finest hour.

Mijn Penguin editie van de roman heeft de originele illustraties van Phiz (Hablot K. Browne), de illustrator die werd ingebracht nadat de oorspronkelijke tekenaar, Seymour, zich na enkele edities van het leven had beroofd. Het is voor het nageslacht een geluk bij een groot ongeluk, want geen enkele tekenaar heeft de Dickens sfeer zo goed weten te verbeelden als Phiz (de illustraties bij dit Pickwick Papers blog zijn allemaal van hem): hij geeft de romanfiguren precies het juiste uiterlijk mee, met de goede mate van overdrijving. Het personage Pickwick dat we nu allemaal voor ogen hebben, met zijn dikke buik en zijn brilletje (Seymour had hem getekend als een lange magere man), is getekend en gecreëerd door Phiz. Zijn bijdrage heeft een duidelijke meerwaarde.

Het boek eindigt als Pickwick een huis heeft genomen in de regio Dulwich. Maar eigenlijk is het geen echt einde. Het boek stopt omdat het nu eenmaal ergens stoppen moet, maar je hebt eigenlijk niet het idee dat de stroom avonturen hier ten einde komt.
Het eigenlijke verhaal eindigt op een wijze die het positieve karakter van het boek volledig tot uiting brengt:
“Let us leave our old friend in one of those moments of unmixed happiness, of which, if we seek them, there are ever some to cheer our transitory existence here. There are dark shadows on the earth, but its lights are stronger in the contrast”.

Wat nog volgt is zo’n korte, typisch 19e eeuwse epiloog, waarin uit de doeken wordt gedaan, hoe het de belangrijkste personages verder vergaat. En tenslotte zien we Mr. Pickwick op hoge leeftijd, te oud en zwak om nog rond te reizen, luisterend naar Sam die hem voorleest.
En de laatste zin van het boek:
“On this, as on all their occasions, he is invariably attended by the faithful Sam, between whom and his master there exists a steady and reciprocal agreement, which nothing but death can terminate”.

Maar tijdgenoten die het feuilleton gevolgd hadden, moeten het gevoel hebben gehad dat hij nooit zou sterven, dat je de man bij eeen wandeling door Londen, of waar dan ook op het Engelse platteland, zo maar tegen zou kunnen komen in zijn pandjesjas en maillot. Ook buiten de roman leeft hij verder...

 

 

dinsdag 3 mei 2022

Charles Dickens, Pickwick Papers. deel 1

Pickwick papers is Dickens’ eerste roman, gepubliceerd in 1836 (hij was toen 24), in de vorm van een feuilleton in een krant, een vorm van publiceren die hij de rest van zijn leven voor zijn romans (enkele uitzonderingen daargelaten) is blijven gebruiken. Het is een vorm die improvisatie in de hand werkt: aanpassing van het oorspronkelijke concept als je iets beters te binnen schiet, inspelen op de wensen van het publiek... Later wordt de compositie van de romans hechter, hij weet steeds beter de handicap van het stukje bij beetje in afleveringen moeten publiceren te maskeren. Maar deze eerste roman is waarschijnlijk de meest geïmproviseerde van allemaal. En dat is wel een beetje een probleem: er is geen echte plot, het zijn allemaal losse opvolgende episoden, het verhaal gaat alle kanten op. Misschien is het niet eens een roman, eerder een kroniek van avonturen.

Wat ook niet in Dickens’ voordeel werkte, is dat hij zijn eerste onderwerp kreeg opgedrongen van de krant waarin hij publiceerde (en aannam omdat hij nu eenmaal geld nodig had): het moest een verhaal worden van vier Londense heren die een club oprichten (de Pickwick club, naar haar voorzitter Samuel Pickwick), rondreizen op het Engelse platteland en daar van alles beleven. Maar Dickens was een stadsmens, een Londener pur sang met een sterk sociaal engagement; een roman die zich op het platteland afspeelt en een viertal freewheelende middle class gentlemen als onderwerp heeft is daarom niet het meest geëigend om de sterke punten van de schrijver naar voren te brengen.

Dat gezegd hebbende, is het toch een klein wonder dat deze Londenaar een zo compleet en aansprekend, levend beeld van het Engelse platteland heeft weten te geven. De schildering van Londen in zijn latere romans is weliswaar scherper (de Pickwick papers blijven toch vooral een journalistiek verslag van een Cockney on holiday) maar daar staat tegenover dat al die dingen die het leven in de grote stad zo zwaar en problematisch kunnen maken, zeker voor een 19e eeuwer die het niet breed heeft, op het platteland grotendeels afwezig zijn: het aanstekelijke van het boek ligt in de vreugdevolle, zorgeloze afbeelding van de rust die landelijk Engeland uitstraalt, zo tegengesteld aan de hectiek van de grote stad. John Lucas, in zijn Dickens studie “The melancholy man”, spreekt van de idylle die Dickens in stand wil houden, zonder het toelaten van de grimmige aspecten van het leven die zijn latere romans (hoewel de humor nergens helemaal afwezig is) zoveel donkerder zullen kleuren. Dat begint eigenlijk al met de roman hierna: Oliver Twist. Pickwick papers is Dickens in zijn meest onbekommerde stemming. En daarom neem je het wat chaotische karakter van het boek voor lief. Hij heeft later veel en veel betere romans geschreven, maar dit: dit is heerlijk om te lezen.
Dickens erkent het bestaan van de meer destructieve, bedreigende krachten wel, maar hij schermt zijn wereld af, ze mogen er niet in doordringen. Met overigens één uitzondering: de scènes in Fleet Prison, maar die wereld kende hij, door de veroordeling van zijn vader, dan ook maar al te goed uit eigen ervaring.
In het universum van de Pickwick papers  zijn het (om het bijbels te zeggen) de zachtmoedigen die de aarde beërven. Alles maakt deel uit van een mooie mythe en ook de personages die haar bevolken zijn mythisch. (Reden waarom Chesterton de Pickwick Papers ‘a supernatural story’ noemt: het is bovenal géén realistische roman).

De vier heren om wie de Pickwick Club draait zijn, naast de naamgever van de roman, zijn metgezellen: de poëet Snodgrass, de verliefde oudere heer Tupman en Winkle, de sportman die geen enkele sport blijkt te beheersen als hij op de proef wordt gesteld.
Ze zijn het soort heren waarvan Dickens weinig kennis uit de eerste hand zal hebben gehad en waar hij zeker geen sympathie voor had: ze zijn klaarblijkelijk financieel onafhankelijk (waar Dickens altijd keihard werkte om zijn inkomen bij elkaar te verdienen en altijd de angst hield terug te zullen vallen in de armoede van zijn jeugd) en ze tonen weinig belangstelling voor de onderwerpen die de latere romanschrijver Dickens zo na aan het hart zullen gaan liggen: solidariteit met de armen en onderdrukten, een obsessie met criminaliteit en het kwaad.

Geleidelijk aan lijkt Dickens zijn eigen plan te gaan trekken en raken de drie genoemde heren, maar ook het overkoepelende concept van de Pickwick Club, steeds meer op de achtergrond. Dickens gaat in de latere episoden ook beter schrijven en de enige werkelijke hoofdpersoon van het boek, Pickwick zelf, wordt steeds belangrijker. Dat bereikt Dickens vooral door hem af te zetten, niet tegen zijn drie schimmige, weinig interessante metgezellen, maar tegen twee andere figuren: zijn bediende Sam Weller en de notoire bedrieger, zeg maar schurk, Alfred Jingle.

Beiden hebben een geheel eigen idioom. Hier zie je het vermogen van Dickens ontstaan om zijn figuren via hun taalgebruik te karakteriseren. Bij Sam Weller is dat het cockney idioom en de combinatie van het komische en het macabere dat aan veel van zijn uitspraken kleeft.
Deze bijvoorbeeld:
“Business first, pleasure arterwards, as King Richard the Third said ven he stabbed the other king in the tower, afore he smothered the babbies”.
Al bij onze eerste kennismaking met Sam, voor hij bij Pickwick in dienst treedt, als hij nog als schoenpoetser in een herberg werkt, geeft hij meteen zijn visitekaartje af. Er is iemand die zijn laarzen voor zijn beurt gepoetst wil hebben, maar Sam geeft hem lik op stuk: “No no - regular rotation, as Jack Ketch (de beul) said, ven he tied the men up”.

Bij Jingle is het weer anders. Hij heeft een hortende staccato stijl, met korte zinnetjes, soms een opeenvolging zelfs van enkele woorden, die zonder grammaticale context associërend gecombineerd worden, zodat de luisteraar of lezer de rest van de zin zelf in mag vullen.
Vanaf het moment dat Jingle voor het eerst opduikt, al heel snel in het boek, steelt hij de show. Hij is een arme rondreizende acteur, met zijn ‘wit’ (ik weet nog altijd geen goede Nederlandse term te verzinnen voor deze zo typisch Engelse term) als zijn enige kapitaal, dat hij voortdurend inzet om te overleven – en dan vooral ten koste van anderen, want Jingle is zowel een charmeur als een notoire bedrieger. Onmiddellijk weet hij de heren van de Pickwick Club om zijn vinger te winden. Al ondervinden zij Jingle’s ware karaker al vrij snel aan den lijve; vanaf dat moment wordt hij Pickwicks grote tegenstrever.

Pickwick staat tussen beiden in: Sam is de beschermer van zijn meester, die door Jingle met tussenpozen lastig wordt gevallen.
Het is nadat Pickwick voor het eerst beschadigd is geraakt door Jingle dat
Dickens zich realiseert dat er iemand nodig is die het opneemt voor deze wereldvreemde kamergeleerde en het is hier, bij de introductie van Sam, dat Dickens weer een autobiografisch element toevoegt: de schoenpoets die Sam Weller gebruikt in de herberg waar hij werkt is niet, zo verzekert Dickens ons, die van ‘the amiable (ironie) Mr. Warren’: omdat zijn vader in de gevangenis zat wegens opgelopen schulden, was de jonge Dickens gedwongen geweest te werken in Mr. Warrens schoensmeerfabriek.

Nog voordat hij formeel bij Pickwick in dienst treedt, speelt Sam al een belangrijke rol bij het dwarsbomen van Jingle, die Pickwick (na de ontdekking van het bedrog) heeft weten te verleiden tot een onkarakteristieke woedeaanval:
“Mr. Pickwick was a philosopher, but philosophers are only men in armour. Jingle’s shaft had reached him, penetrated through his philosophical harness, to his very heart... But Mr. Jingle had disappeared and he (Pickwick) found himself caught in the arms of Sam”.
Samuel Pickwick, de geharnaste ridder, wordt hier een 19e eeuwse Don Quichot die op dit moment zijn Sancho Panza vindt. Sam Weller zal hem op al zijn avonturen vergezellen en uit menige crisis redden, altijd klaar om met zijn ruige common sense instelling ons (Pickwick én de lezers) over het volgende ravijn heen te helpen.
(De vergelijking met Don Quichot en Sancho Panza, die je bij vrijwel iedere criticus die over het boek schrijft, terug vindt, gaat overigens mank: Pickwick is een veel te opgewekte figuur om de vergelijking met de Ridder met het Droeve Gelaat te kunnen doorstaan; Don Quichot (hij keert terug in één van mijn volgende blogs) bindt de strijd aan met de weerbarstige realiteit, die door Pickwick echter helemaal geaccepteerd en met volle teugen genoten wordt, behalve dan wanneer hij gevangen zit in Fleet Prison en veel verschikking om zich heen ziet).
De trouw van Sam aan zijn meester gaat zelfs zo ver dat hij een schuld bij zijn vader ensceneert om bij Pickwick te kunnen zijn als deze wegens schulden de gevangenis in moet! En wanneer Pickwick hem zijn vrijheid wil geven om een gezin te kunnen stichten met de vrouw van wie hij houdt, weigert hij pertinent:
(Sams antwoord nadat Pickwick verzucht heeft: ‘my rambles, Sam, are over’) “Wery good, then that’s the wery best reason wy you should alvays have somebody by you as understands you, to keep you up and make you comfortable. Sam Veller sticks by you, come what come may; and let evr’thin’ and ev’rybody do their wery fiercest, nothin’ shall ever perwent it”.

De relatie tussen de twee Sams, Samuel en Sam jr., is één van de sieraden van het boek. Pickwick neemt hem aan als zijn bediende, maar al snel is er geen meester – knecht verhouding meer. Ze zijn gelijken, loyale vrienden, als een jongere en oudere broer. Ik zou zelfs zeggen: het is een vader zoon – relatie, als de scènes tussen Sam en zijn biologische vader Tony, ook een prachtfiguur, niet eveneens zo memorabel waren.

Pickwick is een romanticus en een filosoof, te kwetsbaar om het in deze wereld te redden. Daar zijn er veel van. Ze zouden allemaal een Sam Weller moeten hebben om hen er doorheen te helpen!
En we zijn blij dat Pickwick keer op keer door Sam gered wordt, want in de loop van de roman zijn we van hem gaan houden. Hij is een aantrekkelijk personage: heeft altijd goede zin, ook bij tegenslag (ik kan wat dat betreft veel van hem leren); is hoffelijk en heeft aandacht voor anderen, alsook een scherp gevoel voor rechtvaardigheid. Ik denk dat het dat vooral is wat Pickwick zo’n mooi mens maakt, ondanks het belachelijke figuur dat hij vaak genoeg slaat: zijn weigering te buigen voor autoriteit (dat heeft hij met Falstaff gemeen). Hij is de belichaming van zijn principes die altijd uitgaan van eerlijkheid en medemenselijkheid.
Sam Weller drukt het het beste uit:
“I never heard, mind you, nor read of in story books, nor see in picters (dit is overigens Dickens’ weergave van Sams cockney accent, wat hij voortdurend heel leuk doet), any angel in tights and gaiters (beenkappen), nor even in spectacles (een beschrijving van Pickwicks wat potsierlijke uiterlijk) as I remember, but, mark my words, he’s a regular thoroughbred angel for all that”.
Harold Bloom drukt het prachtig uit: “Pickwick is Original Goodness itself, Adam early in the morning, beyond anxiety and in no need of an Eve” (Pickwick verliefd op een vrouw, of zelfs getrouwd, is inderdaad nauwlijks voor te stellen. Hij zal zijn hele leven maagd zijn gebleven).
Wie zou niet met zo’n engelachtige man willen kennismaken?
Toch was Pickwick nog niet deze man in Dickens’ oorspronkelijke concept; wat hij eerst in zijn hoofd had was een ijdele, pompeuze, ietwat dommige man, maar je ziet in de loop van de roman iets ontstaan: je ziet de schrijver steeds meer bij zijn hoofdpersoon betrokken raken en hij maakt hem, in al zijn onschuld en simpelheid, tot een vriendelijke, genereuze man met een warm hart en daardoor ook een favoriet van ons lezers.

(Deel 2 volgt)

vrijdag 22 april 2022

Charles Dickens, deel 2

 Wat maakt Dickens nu tot zo’n goede schrijver? Op die vraag heb ik nog steeds geen antwoord gegeven.

Ik zou vier sterke punten willen onderscheiden:

1.      Zijn humor

2.      Zijn sociaal engagement

3.      Zijn taalgebruik, met name de buitengewoon beeldende manier van schrijven

4.      Zijn onuitputtelijke vermogen tot het creëren van personages

In de eerste plaats is daar dus zijn humor. Er is een criticus die Dickens karakteriseert als ‘the funniest writer in the world’.
Daar valt veel voor te zeggen en het is des te ongelofelijker als je bedenkt dat uit alle biografische beschrijvingen Dickens in het dagelijks leven overkomt als een humorloze, harde man; iemand die zich zeer zakelijk en onverzoenlijk op kon stellen, als tijdschriftredacteur een dictator was en zeker ook geen zorgende vader of liefhebbende echtgenoot (hij heeft zelfs zijn vrouw uit huis gezet toen hij aanpapte met een veel jongere actrice). In zijn laatste jaren werd hij gekweld door depressies. “My father was a wicked man” schreef één van zijn dochters over hem. Toch doe je hem denk ik onrecht door hem zo eenzijdig neer te zetten. Hij kon ook heel sociaal zijn, gaf geweldige Chrismas parties waar hij optrad als een warme, levenslustige gastheer die kosten nog moeite spaarde. Maar het is wel een beetje als Scrooge die kerstmis komt vieren bij neef Fred en daarna weer mokkend op zijn stoffige kamers zit: een manisch depressieve, achterdochtige man.
Het is waarschijnlijk niet teveel gezegd dat hij al zijn mededogen, inventiviteit en gevoel voor humor in zijn romans heeft gestopt.

Het uitlichten van humor als Dickens‘ eerste pluspunt wil echter niet zeggen dat de romans één groot lachfestijn zijn. Dickens had een vrij pessimistisch wereldbeeld, gevoed door zijn harde jeugd en de misstanden die hij om zich heen zag: uitwassen van beginnend kapitalisme en industrialisatie. Zijn sociaal engagement is zeker iets wat hem als mens toch weer voor ons inneemt, dat was zeer gemeend. Zie hieronder.
En de humor kan behalve uitermate grappig ook ofwel morbide zijn, of wreed. Talrijk zijn de grappen die draaien rondom de dood, begrafenisondernemers of doodskisten.
En sadistisch en agressief wordt die humor als hij zich richt op personages die niet beter verdienen (en daarvan wemelt het in zijn boeken, ze vormen een noodzakelijk tegenwicht voor de goede characters, die soms zo overduidelijk Dickens’ instemming en voorkeur hebben dat ze, misschien wel één van de grote tekortkomingen in zijn werk, als bijna heilig worden voorgesteld of een niet helemaal geloofwaardige bekering doormaken. In de Christmas Carol is dat geen bezwaar, want dat is een soort van sprookje; in de meer realistische romans echter wel).

Sociaal engagement is wellicht niet de eerst reden waarom je een schrijver gaat lezen, het is ook geen literaire kwaliteit an sich, maar het is bij Dickens wel een heel essentieel element in het weefsel dat zijn romans vormen. Vanaf het eerste begin (Pickwick papers) spelen gevangenissen een rol. Daarnaast had Dickens een grote fascinatie voor criminelen: na de frivole middle class heren van de Pickwick Club in de eerste roman komt Oliver Twist (twede roman) terecht in een milieu van boeven en zakkenrollers. Er wordt een moord gepleegd (en het is niet de laatste in zijn werk): de moord op Nancy door Bill Sykes was in zijn laatste levensjaren één van zijn favoriete passages in zijn voordrachten. Ook executies fascineerden hem: in Oliver Twist is er een scène van een ter dood veroordeelde in zijn cel. Zijn hele leven heeft Dickens geijverd voor het verbeteren van de omstandigheden in gevangenissen en het verbieden van publieke executies en hij heeft daarbij ook het één en ander weten te bereiken.

Toch ademen de vroege romans overwegend een andere sfeer. De sociale kritiek is zeker niet afwezig, maar nog niet zo bijtend als in de late romans. Zijn Engeland is een land dat in zijn tijd (van industrialisatie en spoorwegen) eigenlijk al aan het verdwijnen is, een Engeland van postkoetsen en herbergen waar altijd een stevige maaltijd en een glas warme cognac klaar staat; een Engeland van goedmoedigheid, gezellige avonden vol verhalen vertellen en liedjes zingen rond de tafel of bij het haardvuur. Dick Swiveller uit the Old Curiosity shop staat voor die manier van leven. De industriestad uit Hard Times of de permanente mist in Bleak House, de dustpile uit Our mutual friend, zijn hier nog ver weg. Natuurlijk kom je er naast de criminelen en aan lager wal geraakte armoezaaiers ook gewiekste zakenlieden tegen, maar ze zijn zoiets als de boze oom uit het pantomimespel die even de tijd krijgt om de sfeer te verpesten, maar uiteindelijk toch óf zijn verdiende loon krijgt, óf bekeerd wordt.
Ook Pecksniff, de postsierlijke architect uit Martin Chuzzlewit (een boek dat qua sfeer wel een overgang markeert), is nog een soort van clown, maar toch ook al een hypocriet die we niet zo maar goedmoedig af kunnen serveren. Maar dan krijg je Dombey, de zakenman. En zijn collega Murdstone. Zij vertegenwoordigen een nieuwe generatie in Engeland, staan voor vrekkigheid en exploitatie, een niets ontziende manier van zaken doen, die zich een plek weet te verwerven in het hart van de samenleving, deel gaat uitmaken van haar fundament (de mechanismen ervan zijn als geen ander door Karl Marx, die in dezelfde tijd in Londen woonde, geanalyseerd) en de oude waarden langzaam naar buiten drukt: de vrolijkheid, de openheid, de onafhankelijkheid, alles wat Dickens van waarde achtte. De deugden van de middenklasse die hier verloren gaan en plaats moeten maken voor een nietsontziende koopmansgeest.

In de prachtige roman Bleak House komt dit alles op zeer overtuigende wijze samen. Het is een sociaal drama verpakt als een detective. Je hebt de aristocraten, Sir Leicester en Lady Dedlock, die door de persoonlijke omstandigheden waarmee ze zeer plotseling geconfronteerd worden, wel gedwongen worden in contact te komen met de lagere klassen die ze nooit een blik waardig hebben gegund. Je komt er allerlei vormen van liefdadigheid tegen en vaak, hoewel niet altijd, om de verkeerde redenen. En de rode draad is een gigantische, zich jaren lang voortslepende rechtzaak die de levens van vele mensen verwoest.

Maar laten we niet te lang stil staan bij al die vormen van onrecht. Veel onheilsprofeten en sociale critici uit Dickens’ tijd worden niet meer gelezen.
De reden dat dat bij hem wel het geval is, ligt toch vooral in zijn stijl.
Wat je bij Dickens’ schrijfstijl als eerste opvalt is het beeldende taalgebruik. Zijn romans staan, naar goed 19e eeuws gebruik vol van beschrijvingen: van mensen, landschappen, steden of situaties. Dat die beschrijvingen ver uitstijgen boven de gemiddelde 19e eeuwse roman komt juist door dat beeldende karakter: zijn taal is altijd zo levend en gevat dat hij in enkele zinnen een totaalbeeld weet op te roepen. Je ziet het voor je ogen gebeuren, telkens weer. Omdat die beschrijvingen zo veelvuldig zijn dat ze in eerste instantie de voortgang van het verhaal lijken te belemmeren, had ik in het begin de neiging stukken over te slaan (die romans zijn al zo dik!). Maar dan mis je toch wel wat. En dat heeft vooral te maken met zijn gebruik van metaforen. Daarin is hij ongelofelijk inventief: één enkele alinea kan zo maar vier of vijf vondsten bevatten die een andere schrijver zijn hele leven lang niet bedenken kan. Zeker als niet-Engelstalig lezer zou je er zo maar overheen kunnen lezen, maar dat zou zonde zijn, het is zo’n rijkdom!
Hij kan levenloze voorwerpen presenteren alsof ze bezield en levend zijn (een soort moderne variant van animisme), wat zijn beschrijvingen nooit saai maakt, maar juist uitermate beweeglijk en expressief. In die beschrijvingen komt Londen tot leven, het bruist en beweegt, donkere plekken lichten op, we zien de straten en de huizen voor ons en dit alles is de vrucht van de vele zwerftochten die de wandelaar Dickens door de stad maakte; als kind al, als hij klaar was met zijn geestdodende werk in de schoensmeerfabriek: lang voordat hij schrijver zou worden was de stad en zijn vele straatbeelden al een deel van hem. En hij heeft de taal gevonden om die op zeer expressieve wijze gestalte te geven.

Zijn grootste kwaliteit als schrijver is echter misschien wel zijn vermogen tot het scheppen van personen van vlees en bloed. Ik heb het bij Shakespeare ook aangeduid als één van zijn grote kwaliteiten en gewezen op de eindeloze rij van characters, van Bottom en Shylock, via Falstaff en Hamlet tot Prospero, die van hun maker zo’n grote mate van zelfstandigheid geschonken hebben gekregen dat ze ook buiten de stukken lijken voort te leven.
Bij Dickens zou je wellicht een nog langere rij van geslaagde personages op kunnen noemen. Als je ervan uit gaat dat een gemiddelde Dickens roman zo’n zestig uitgewerkte personages heeft en er 15 romans zijn, reken dan maar uit van hoeveel fictieve kinderen Charles de verwekker is. “I am a very affectionate father”, zei hij zelf, “to every child of my fancy”. Die indruk krijg je inderdaad als je hem leest: dat hij voor al zijn personages, zelfs de slechteriken, zorg draagt; ze met liefde tekent en vol medeleven naar hun einde draagt, zo dat aan de orde is. Ook hier zou je weer kunnen zeggen: hij geeft hen wat hij zijn fysieke kinderen nooit heeft kunnen geven.
Een ander aspect is dat je bij Dickens zelden een saai personage aantreft. Natuurlijk kom je figuren tegen die saaiheid als karaktertrek hebben, maar zelfs zulke personen stralen geven licht af en wekken onze interesse.
Ook van de minor characters, die in slechts enkele scènes optreden, weet hij afgeronde personages te maken; trouwens ook weer een overeenkomst met Shakespeare.

Onvergetelijk zijn ze, al die Dickens characters, juist omdat hun schepper ze in zo veel facetten tot uiting brengt:
David Copperfield, titelkarakter van Dickens’ meest autobiografische roman en Mr. Micawber (gebaseerd op Dickens’ vader John), die altijd in schulden is; of de schurkachtige Uriah Heep (een onderkruipsel waar je kippevel van krijgt) uit hetzelfde boek (en vergeet Davids tante, Betsey Trotwood, niet ‘a piece of female timber’ noemt één criticus haar).
Pip uit Great expectations (en wat te denken van Mrs. Havisham?).
Arthur Clennam, de hoofdrolspeler uit Little Dorrit.
Uit Martin Chuzzlewit: Sairy Gamp, de verpleegster die wel van een slokje houdt (Maarten ’t Hart noemt haar Dickens’ grootste creatie) altijd in gezelschap van haar imaginaire creatie Mrs. Harris; Mark Tapley en Pecksniff, de architect die nooit iets gebouwd heeft.
Natuurlijk Sam Weller en Mr. Pickwick (maar vooral Sam, hij redt zowel zijn meester als de roman uit de middelmatigheid; zijn vader Tony is trouwens ook een prachtige figuur en de conversaties tussen vader en zoon zijn hoogtepunten van het boek). Joe Bagstock en Captain Cuttle uit Dombey and Son (en niet te vergeten Paul Dombey uit dat boek, één van Dickens’ meest geslaagde portretten van een kind; de roman wordt ook armer nadat Paul gestorven is).
Dick Swiveller uit the Old Curiosity shop wordt ergens ‘simply one of the most splendid creations in the world’ (wat die roman ook min of meer redt, want Swiveller vormt een mooi tegenwicht voor de al te sentimentele geschiedenis van Little Nell).
Of Inspecteur Bucket uit Bleak House, één van de eerste detectives in de Engelse literatuur, prachtig getekend. En dat is nog maar een kleine greep!

Wel valt op dat vrouwelijke personages in deze lijst veruit in de minderheid zijn. Het was niet Dickens’ sterkste punt. Little Nell, Agnes Wickfield uit David Copperfield (beiden zijn halve heiligen) of Little Dorrit kun je nauwelijks geslaagd noemen; je vraagt je dan zelfs af of Dickens wel van vrouwen hield, of ze misschien in het geheel niet begreep. Hoewel, de hoofdpersoon van Bleak House, Esther Summerson, irriteert eigenlijk nooit en in David Copperfield staat tegenover de mislukte creatie Agnes Wickfield de juist zeer geslaagde Dora Spenlow. Maar het is, inderdaad, een minderheid.

Er is iets wat vrijwel al die personages bij Dickens gemeen hebben. Ze worden geïntroduceerd in een vaak vrij uitgebreide alinea, waarin hun uiterlijk en hun kleding worden beschreven, de algemene indruk die de persoon maakt, zijn uitstraling; waarna heel veel van die personen kort gekarakteriseerd worden door een bepaalde zinswending, een uitdrukking, een grapje dat gemaakt wordt. Of / en een bepaalde tic, iets wat iemand zich heeft aangewend en waarvan hij zich niet meer bewust lijkt te zijn. Die spreekgewoonten en aanwensels blijven dan in allerlei variaties terug komen, de hele roman door. Dat lijkt een schrijverstrucje, maar het is heel knap gedaan: het zorgt ervoor dat je, zou je er een studie van maken, ieder willekeurig personage uit ieder willekeurig boek met één alinea directe rede, onmiddellijk zou herkennen, want ze verschillen allemaal van elkaar.
Criticus na criticus heeft Dickens hierover bekritiseerd: het zou een grove simplificatie zijn. Maar geeft hij er niet juist zo blijk van een groot observator van menselijk gedrag, met een goed afgestemd oor voor menselijk taalgebruik te zijn? Mensen spreken niet in de volzinnen die Jane Austen haar personages in de mond legt. Ze hebben juist allemaal ingegroeide gewoonten, uitdrukkingen en stopwoordjes die steeds terugkomen, dezelfde grappen en anecdotes die worden verteld, een herkenbare lichaamstaal of mimiek waardoor iemand onmiddellijk herkenbaar wordt voor zijn vrienden en bekenden.
Goed, die gewoonten en zegswijzen worden door Dickens wel uitvergroot, hij heeft niet alleen veel geleerd van de Shakespeareaanse toneeltraditie, maar ook van het melodrama van zijn tijd. Goede en slechte mensen staan tegenover elkaar als zwart tegen wit, er is weinig overlap. En toch worden ze nergens karikaturaal, het is vrijwel altijd menselijk en herkenbaar, juist ook door die uitvergroting. Overdrijving, ja dat zeker, maar die overdrijving, die je niet alleen in de personages maar ook in de beschrijvingen vindt, zou je haast de definitie van Dickens’ kunst kunnen noemen. Alsof hij een vergrootglas over de werkelijkheid heen legt.

Ga Dickens lezen, zou ik zeggen. En dan natuurlijk het liefst in het Engels. Om de hierboven genoemde redenen. Zijn gevoel voor humor eerder nog dan zijn sociaal engagement, wat nooit een reden op zich kan zijn om een schrijver te bewonderen. De wijze waarop hij de stad Londen, de decors waartegen zijn verhalen zich afspelen, zo levend en beweeglijk weet te maken. Maar bovenal de characters. Je zou zelfs kunnen volhouden dat die de ware bestaansreden van de romans zijn, de onuitputtelijke cast van mensen van vlees en bloed die de romans bevolken. De plot is vaak secundair, wordt voortgedreven door onwaarschijnlijheden of kan soms onmogelijk sentimenteel worden. Het is niet meer dan het decor waartegen de personages tot ontwikkeling kunnen komen. Ze zijn larger than life, maar het is de plank misslaan wanneer je dat veroordeelt als een gebrek aan realisme. Ze zijn de inwoners van een mythologisch universum, waarin zijn figuren, op wie de tijd geen vat heeft, hun vaste plek innemen, als planeten in een constellatie. Ze zijn, als de helden, de goden en de bovennatuurlijke wezens uit mythen en volksverhalen, onsterfelijk en onvergetelijk.

dinsdag 19 april 2022

Charles Dickens, deel 1

 

Stel de vraag welke schrijver mij, na Shakespeare uiteraard, het liefst is en ik heb daar niet zo één twee drie een antwoord op. James Joyce en Marcel Proust, de grote modernisten, komen als eerste boven. Maar dan misschien toch eerder nog Jorge Luis Borges, de blinde bibliothecaris uit Buenos Aires: ik heb niet voor niets mijn boekwinkeltje, waarop ik mijn overtollige boeken aanbiedt, ‘borges’ genoemd.
Of Dostojevski, vanwege de enorme intensiteit van zijn schrijven.


Maar uiteindelijk kom ik toch bij Charles Dickens uit. En dat is redelijk verrassend. Natuurlijk, ik heb al vele jaren een speciale band met Dickens omdat ik ieder jaar in december verschillende keren zijn Christmas Carol voordraag. Ik verbeeld me zelfs daarmee (een beetje maar, want Dickens moet een ongeëvenaard voordrachtskunstenaar  zijn geweest) in de voetsporen van de auteur te treden. Maar goed, de Christmas Carol mag dan door de jaren heen zijn populairste werk zijn geweest, Dickens is zo veel meer dan dit ene kerstverhaal (het op één na bekendste, zeg ik dan altijd, na dat in het Evangelie volgens Lucas). Hij is bovenal de schrijver van 15 dikke tot zeer dikke romans, waarvan er één (Mystery of Edwin Drood) onafgemaakt is gebleven door Dickens’ dood in 1870. En nu blijkt het eigenlijk vrij moeilijk te zijn precies te zeggen waarom hij zo’n goede romanschrijver is en waarom ik hem prefereer boven de onvergelijkelijke Joyce en al die anderen.
Eigenlijk ben je min of meer geneigd ‘over hem heen te lezen’. Hij is zo’n vanzelfsprekend onderdeel van de inboedel van de Engelse cultuur geworden dat je je niet meer realiseert hoe goed hij eigenlijk is. En we zijn allang vergeten dat een schrijver als Dostojevski, die door de meesten wel tot de buitencategorie gerekend wordt, Dickens als zijn grootste voorbeeld zag.

Toch zette George Bernard Shaw, wiens verzamelde Dickens commentaren (“Shaw on Dickens” zeer lezenswaardig zijn) de auteur op één lijn met Shakespeare. Weliswaar kan niemand pretenderen dat Dickens op dezelfde hoogte staat (Shakespeare’s werk is kwalitatief met niemand anders te vergelijken), maar wel dat Dickens Engelands grootste dramaschrijver is sinds Shakespeare. Natuurlijk, Dickens schreef romans en Shakespeare toneelstukken, maar zijn werk is zo dramatisch en heeft zoveel geïncorporeerd van de Engelse toneeltraditie door de eeuwen heen dat die karakterisering zo gek nog niet is. Trouwens, Dickens zelf ging regelmatig naar het theater en was gek op toneel spelen. En er is nog een andere parallel met Shakespeare: hij is de enige Engelse schrijver die met de bard uit Stratford te vergelijken is wat de uitgestrektheid en variatie van de door hen gecreëerde literaire wereld betreft en de levendigheid van de daarin wonende personages.

De romans van Dickens doorkruisen (net als de stukken van Shakespeare) alle sociale klassen. Je kunt bij Dickens terecht om te horen hoe het is in de werkhuizen en de gevangenissen waar de allerarmsten zijn opgesloten. Maar ook hoe het is om een overheidspost te bekleden of lid van het Parlement te zijn: we horen hoe die mensen praten, hoe ze zich gedragen. En datzelfde geldt voor de middenklasse: de advocaten, de winkeliers, de zeelui. Het werk van Dickens is een dwarsdoorsnede van de Engelse samenleving in de 19e eeuw.

En: Dickens herhaalt zichzelf nooit. Al die romans verschillen van elkaar en maken ten opzichte van elkaar een duidelijke ontwikkeling door.

Op deze plek wil ik nu het voornemen uitspreken een aantal romans van Dickens te gaan behandelen. Onder voorbehoud, je moet altijd maar afwachten wat er terecht komt van zo’n voornemen, het is een enorme klus. Een Dickens roman bevat toch al gauw 600 bladzijden tot soms zelfs een kleine 900. Ik lees niet snel en lees er dan ook weer andere dingen tussendoor (ik wissel met name filosofie en literatuur af, maar over filosofie wil ik, ik heb het al eerder gezegd, liever niet schrijven omdat het zo’n specifieke discipline is. Maar ook dat kan zo weer veranderen. Dit terzijde). Bovendien wil ik, om het zo grondig mogelijk aan te pakken, er het één en ander aan kritiek en commentaren omheen lezen. Zo ben ik nu al bijna anderhalve maand aan de Pickwick Papers bezig. Het is een boek waar ik al twee keer aan begonnen was, zonder het uit te lezen. Misschien komt dat omdat het een redelijk onsamenhangend geheel is, eerder uit een aantal losse taferelen lijkt te bestaan dan dat het een hechte romancompositie is. En het is zo intimiderend om na een flink aantal leesuren te zien, dat je nog steeds niet op de helft bent. Misschien liggen er andere boeken op je te wachten die vooralsnog aantrekkelijker lijken en ineens staat het boek weer onuitgelezen in de kast.
Maar nu is het voornemen van Pickwick Papers mijn eerste Dickens publikatie te maken in dit blog een extra stimulans en ik moet zeggen: ik geniet erg van het boek: de figuren, de wildgroei aan over elkaar heen buitelende situaties, de taal en (bovenal) de humor: dit is echt een heel grappig boek.

Dit is nu het moment om te bekennen dat er nog meer Dickens romans zijn die ik halverwege heb laten zitten: Martin Chuzzlewit bijvoorbeeld en Little Dorrit. En die horen toch echt tot zijn betere romans. Goede gelegenheid om ze voor dit blog weer op te pakken. Er zijn vroege romans die ik nog niet gelezen heb (Nicholas Nickleby) of die ver zijn weggezakt (the Old curiosity shop) en ik ben geïntrigeerd door de merkwaardige, want totaal niet gangbare opvatting van Chesterton, nl. dat Dickens’ vroege romans te prefereren zijn boven het latere werk.
Maar ik ga niet alles lezen. Oliver Twist is voor mij een beetje verpest door de vele film – en musicalbewerkingen, het lijkt me ook niet zijn beste roman, hoewel ik ook wel inzie waarom dit zo populair kon worden. Tegen sommige van de romans heb ik een vooroordeel: Barnaby Rudge en Tale of two Cities bijvoorbeeld. Ze lijken me onkarakteristiek voor de rest van Dickens’ oeuvre en ik heb daardoor het idee dat ik ze minder goed zal vinden.
Dombey and Son heb ik met veel plezier gelezen, maar ik geloof niet dat nog een keer lezen iets extra’s gaat opleveren. Die laten we dus ook zitten.
Bij een meesterwerk als David Copperfield echter, heb ik het tegenovergestelde: ik ben zeker van plan de bijna 900 pagina’s die de roman telt, voor dit blog nog een keer te lezen. Zoals ik me ook verheug op het herlezen van geweldige romans als Bleak House (mijn grote favoriet) en Great expectations (voor Dickens’ doen een dunnetje). En ik heb Our mutual friend nog nooit gelezen. Ga ik dus ook een keer doen!!

Maar nu de vraag die ook Maarten ’t Hart stelt, in zijn leuke stuk over Dickens (in de bundel het Eeuwige moment uit 1983): wat maakt Dickens tot zo’n geweldige schrijver?
Het heeft echt een tijd geduurd voordat ik werkelijk open kon staan voor die romans. Ze hadden in mijn ogen, ondanks hun enorme volume, al die honderden bladzijden, zo weinig echte inhoud. Een werkelijk grote schrijver, dat was in mijn ogen iemand met een groot psychologisch inzicht, iemand als Proust, die je recht in de ziel van zijn personages doet kijken. Of een ongeëvenaard taalkunstenaar, zoals James Joyce, een schrijver die qua taalvermogen welhaast het niveau van Shakespeare benadert (en dat zegt wat!). Of een schrijver met grote ideeën, die je eindeloos kan blijven doordenken. Kafka is zo’n schrijver, of Borges die een briljant spel speelt met allerlei filosofische concepten. Of dan tenminste iemand met een groot ideaal, een Dostojevski, zelfs als dat, zoals bij hem, vertroebeld wordt door orthodox religieuze en nationalistische tendensen: het is het vuur waarmee dat ideaal wordt nagestreefd dat zo’n schrijver de moeite waard maakt.

Niets van dat alles vind je bij Dickens, zoals Maarten ’t Hart in zijn stuk overtuigend aantoont.
Je kijkt bij zijn personages nooit naar binnen, hij is geen groot psycholoog (dat je door goed te observeren een personage door beschrijving van de buitenkant heel overtuigend neer kunt zetten, blijkt bij Dickens echter keer op keer, ik kom daar op terug).
Substantiële ideeën, gedachten waar je op door kunt denken: niet aanwezig (dat dat niet hoeft om een goede roman te hebben, daar kwam ik pas heel laat achter).
Zijn voornaamste ideaal is het burgermansgezin: al die weeskinderen en verloren personages die onwetend zijn omtrent hun afkomst – hun ultieme doel is opgenomen te worden in een warme huiselijk kring (dat dat zo gek niet is en misschien zelfs wel te prefereren boven de wereld redden of God vinden is iets wat je ook pas leert als je ouder wordt).

Hedendaagse literatuur is mij steeds minder gaan interesseren. Hetzelfde geldt voor Nederlandse romans. Waarom zou je iets lezen dat toevallig in deze tijd of in het land waar je geboren bent is geschreven als er 30 eeuwen wereldliteratuur op je liggen te wachten? Om via die literatuur je eigen tijd en je eigen land te leren kennen? Dat kun je ook doen door om je heen te kijken, kranten te lezen of TV te kijken (hoewel ik onmiddellijk toegeef dat de laatste twee bronnen het antiquarische toevluchtsoord vormen van een 60er die koppig weigert zijn nieuws te halen van internet en sociale media). Ik concentreer me liever op wat tijdloos en universeel is en wat je om die reden ook steeds weer kunt herlezen (Goede literatuur is nieuws dat nooit oud wordt, zei Ezra Pound al). Dickens is daarvan voor mij een groot voorbeeld. Als ik een roman van Dickens heb gelezen en daarna iets hedendaags uitprobeer, komt me dat vaak toch vlak en kleurloos voor.

(Deel II volgt)

 

Shakespeare's Macbeth, deel II

De scène van de moord op Lady Macduff en haar kinderen is vrijwel ondragelijk. Je kunt je afvragen waarom Macduff zijn gezin niet heeft meeg...