Voor het eerst in mijn blog een stuk over een componist, Richard Wagner. Ik ben een groot liefhebber. Mensen die graag kennis willen maken met opera wordt vaak afgeraden met Wagner te beginnen, dat is eindeloos lang en zwaar en zijn mythologieën zijn ondoorgrondelijk. Begin liever met een opera als Carmen, die is een stuk korter en luchtiger en is vol van aanstekelijke muziek. Bij mij is het echter precies andersom gegaan: een Wagner-adept wijdde mij in in zijn muziek en ik vond het meteen prachtig en fascinerend. En via Wagner ben ik toen bij andere opera’s en operacomponisten uitgekomen en van de kunstvorm in het algemeen gaan houden.
Maar het ultieme blijft voor mij nog steeds: Wagners Ring des Nibelungen.
In 1876 zag Richard Wagner dat werk
voor het eerst, een reeks van vier opera’s die op evenzoveel opeenvolgende
avonden werden uitgevoerd, in zijn geheel gerealiseerd in een speciaal voor
deze gelegenheid gebouwd theater tijdens een hiervoor in het leven geroepen
festival: de Bayreuther Festspiele. Je zou denken dat dit gebeuren, waar hij zo
vele jaren naartoe had geleefd, het hoogtepunt was tot dan toe in zijn
carrière. Toch was dat niet zo. Tegen zijn vrouw Cosima (de dochter van Franz
Liszt) zei hij: “Ik zou het niet nog eens willen meemaken! Alles was verkeerd!”
Hoezo dan? De zangers waren niet goed genoeg (niet verwonderlijk, want Wagner
stelt zulke hoge eisen aan de zangstem); de theatertechniek, zo onontbeerlijk
voor het realiseren van zijn Gesamtkunstwerk,
had tekortgeschoten; het publiek had, zoals ze dat gewend waren te doen, op
halfluide toon door de voorstelling heen gekeuveld enz. enz. Bovendien had het
festival een tekort van 148.000 mark opgeleverd, dat nu jaarlijks afbetaald zou
moeten worden aan de grote geldschieter, de Beierse koning Ludwig II. De
eerstvolgende Bayreuther Festspiele zouden pas zes jaar later, in 1882,
plaatsvinden (toen stond de net voltooide opera Parsifal centraal).
Met de organisatie van dit
festival, waarvan het de bedoeling was dat het ieder jaar zou plaatsvinden
(iets wat nu nog steeds gebeurt) en waar alleen maar muziek van Wagner gespeeld
zou worden, was de tekstdichter en componist (in tegenstelling tot de meeste componisten
schreef Wagner al zijn libretti zelf) ook een cultuurondernemer geworden. Hij
moest een orkest samenstellen, zangers recruteren die in staat waren de
veeleisende partijen die hij componeerde te zingen en bovendien, het
belangrijkste, maar ook het moeilijkste van alles, een enorme som geld bij
elkaar krijgen om een theater te bouwen dat aan allerlei speciale eisen moest
voldoen. Wagner had gehoopt op staatssteun – van het toen nog maar net gestichte
Duitse Rijk. Maar, hoewel keizer Wilhelm I wel naar de voorstelling kwam, bleef
die ondersteuning uit. Ook een poging tot ‘crowd funding’ avant la lettre onder
de gegoede Duitse burgerij was niet succesvol. Het project was nooit geslaagd
als de koning van Beieren, een megalomaan op het gebied van kunst en cultuur,
niet op tijd over de brug was gekomen. In een beroemd geworden brief van de
koning aan de componist schreef hij: “Nee, nee en nog eens nee! Zo mag het niet
eindigen, er moet hulp worden geboden. Ons plan mag niet mislukken!”
Maar waarom had Wagner voor de
opvoering van zijn muziekdrama’s eigenlijk een eigen theater nodig? Zijn eerdere
opera’s Rienzi, Der Fliegende Holländer, Tannhaüser
en Lohengrin waren allemaal in
bestaande Duitse en Europese operatheaters opgevoerd. En dat gold zelfs voor de
opera’s Tristan und Isolde en Die Meistersänger von Nürnberg die
Wagner had gecomponeerd tussen het werken aan de Ring des Nibelungen door.
Maar Wagner vond dat hij zijn
tetralogie niet aan de traditionele operahuizen kon toevertrouwen. Die
beschikten ten eerste niet over zangers die de veeleisende rollen aankonden.
Ten tweede wilde Wagner (die een verleden had als revolutionair en in zijn Ring
wel degelijk ideëen uitdrukt die tegen het socialisme aan liggen en leiden tot
het onttronen van de heersende klassen – in dit geval de Germaanse goden) een
theater waar alle plaatsen gelijk waren (dus geen special loges meer voor de beter
gesitueerden) en waar bovendien de orkestbak zo diep was weggezonken, dat de
muzikanten voor het publiek niet meer zichtbaar waren (de nadruk moets geheel
op de tekst en het drama komen te liggen; iets waar Wagner later trouwens deels
weer van teruggekomen is). En ten derde werden deze theaters voornamelijk
bezocht door mensen die vermaak en verstrooiing zochten, terwijl Wagner
opperste concentratie van zijn publiek eiste, optimale aandacht voor zowel de
muziek als het drama op het toneel.
Wat Wagner voor ogen stond met zijn
muziektheater was: een wedergeboorte van de Griekse tragedie uit de klassieke
oudheid. Zijn voorbeeld was de Oresteia
van Aeschylus, de enige compleet overgeleverde tragediecyclus die we nog
hebben. Het is een trilogie, zoals dat gebruikelijk was in de oudheid: op de
religieuze festivals waarvoor deze werken bedoeld waren, leverden de schrijvers
drie tragedies en een luchtig afsluitend satyrspel in. Wagners ideaal was een
totaalkunstwerk van muziek, drama, dans en poëzie, zoals in zijn ogen de
Attische tragedie in het Athene van de 5e eeuw v.Chr. dat in zijn
ogen ook geweest was.
De tragedies van Aeschylus,
Sophocles en Euripides maakten gebruik van oude Griekse mythen; ook Wagner
wilde de mythen doen herleven en putte daarvoor uit de dichtwerken van de
Duitse middeleeuwen en oudnoorse sagen die de plaats van de Griekse verhalen
innemen en er tegelijkertijd naar verwijzen. Zo gebruikt hij de mythe van de Vliegende
Hollander, die gedoemd is tot het rondreizen op zee tot het einde der dagen. Volgens
Wagner drukt dit verhaal, zoals alle mythen dat doen, een wezenstrek van de
mens uit, in dit geval zijn een behoefte aan rust temidden van alle stormen en
beproevingen waarmee het leven ons confronteert. Wagner trekt daarbij een
parallel met de reizen van Odysseus, zijn verlangen naar rust, naar zijn
geboorteland, zijn eigen huis en zijn trouwe echtgenote Penelope. Maar hij
combineert deze oude Griekse mythe met het verhaal van Ahasverus, de Wandelende
Jood, die net als de Hollander, veroordeeld was tot eeuwig rondzwerven en
tegelijkertijd niet kunnen sterven. Deze middeleeuws-christelijke mythe
verhaalt van een ontmoeting van hem met de kruisdragende Jezus die, op weg naar
Golgotha en zuchtend onder het gewicht van het kruis, voor de deur van
Ahasverus stilhield en hem vroeg om een korte rustpauze. Ahasverus weigerde,
waarna Jezus gezegd zou hebben: “Ik zal blijven staan en rusten, maar jij zult
gaan.”
(Een soortgelijke geschiedenis, ongetwijfeld aan deze mythe ontleend, gebruikt
Wagner voor het personage Kundry in zijn opera Parsifal.)
Wagner zelf noemt de mythe van de Vliegende Hollander een ‘gedicht van het volk
van zeevaarders [hij was ervan overtuigd dat alle mythen als verhalen vanuit
het volk ontstaan waren en daarna door dichters verder uitgewerkt] uit het
tijdperk van de ontdekkingsreizen’. En hij spreekt van een ‘door de volksgeest
bewerkstelligde, merkwaardige vermenging van het karakter van de Eeuwige Jood
met dat van Odysseus’.
In tegenstelling echter tot de geschiedenis van Odysseus, die na lange omzwervingen
thuis komt, is het onderwerp van dit verhaal het fundamentele niet-aankomen, de
eindeloosheid van de zeevaart in een oneindig geworden wereld (Odysseus kende
alleen de binnenzee die de Middellandse Zee was, dat was voor hem de Wereld).
En, het verschil met de mythe van de Wandelende Jood: hem wordt de verlossing
nog ontzegd; de Hollander kan deze vinden door een vrouw, die zich uit liefde
voor hem opoffert – een zeer wagneriaans gegeven, dat we in vrijwel al zijn
opera’s tegenkomen.
Dit is Wagners eigen bijdrage aan het ‘werk aan de mythos’.
Het verhaal van Lohengrin, de
zwanenridder die opduikt om Elsa uit de handen van haar vijanden te redden, valt
op te vatten als een latere versie van de geschiedenis van Zeus en Semele. Elsa
mag Lohengrin niet naar zijn afkomst vragen; Semele dringt er bij Zeus, die
haar in vermomming verschijnt, op aan zich in zijn ware gedaante te tonen; iets
wat haar nadrukkelijk verboden was en wat tot haar dood leidt.
(Op Lohengrin kom ik verderop in dit
verhaal nog terug).
Maar de ultieme bekroning van
Wagners streven de antieke tragedie te doen herleven was de tetralogie Ring des Nibelungen (hoewel hij daarin dus
gebruik maakt van Germaanse en Noordeuropese, niet van antieke mythen).
Dat deze nooit gerealiseerd was
geweest zonder de steun van koning Ludwig, mag inmiddels wel duidelijk zijn. De
financiële ondersteuning van de koning heeft bijna twee decennia geduurd; in
deze periode werden Tristan, de Meistersinger, de Ring en Parsifal
voltooid. Het is dus niets teveel gezegd, wanneer we stellen dat Ludwigs hulp
Wagner in staat stelde zijn werk te voltooien en uit te groeien tot de gigant
van de cultuur – en muziekgeschiedenis die hij uiteindelijk geworden is.
Ondanks de dweperige briefwisseling tussen hem en koning Ludwig (hij was zich
er natuurlijk zeer bewust van hoe afhankelijk hij van hem was), sprak Wagner
tegenover zijn vrouw Cosima op zeer neerbuigende wijze over de koning, die hij
een ‘cretin’ noemde en wiens extravagante eisen hem irriteerden: zo wilde de
koning dat Wagners opera’s voor hem persoonlijk opgevoerd werden, waarbij hij
de enige toeschouwer en toehoorder was. Wagner vond de jonge vorst totaal niet
toegerust voor zijn taak.
“Een onbegrijpelijk zinloze opvoeding”, schrijft hij in een brief, “is erin
geslaagd in de jongeling een diepgaande, tot nu toe onoverkomelijk gebleken
weerzin op te wekken tegen een ernstige toewijding aan staatsbelangen [die hij
dan ook door beambten laat afhandelen.]” Hij dicht Ludwig een ‘gebrek aan
kennis van het gewone leven’ toe; inderdaad was de koning een dromer die in
zijn eigen wereld leefde en wiens energie volledig werd gespendeerd aan het
bouwen van kastelen en het ondersteunen van Wagners projecten – wat de
componist, ondanks zijn uitgesproken weerzin tegen de onbekwaamheid en
onvolwassenheid van de vorst, uiteraard niet slecht uitkwam.
Het was overigens niet alleen voor
zijn theaterprojecten dat Wagner geld nodig had; ook al voordat er sprake was
van een eigen theater hadden de schulden zich hoog opgestapeld vanwege Wagners
behoefte aan luxe; zonder vast inkomen sinds hij in het revolutiejaar 1848-49
ontslagen werd als Saksisch hofdirigent in Dresden vanwege zijn revolutionaire
sympathieën, was hij vooral (voordat hij de koning leerde kennen) afhankelijk
van de giften van bewonderaars en aanbidsters.
“De wereld is me verschuldigd wat ik nodig heb”, moet hij gezegd hebben. “Ik
kan niet leven op basis van een ellendige aanstelling als organist zoals jullie
meester Bach.”
Kennelijk was Bachs nijvere werkethos hem ten voorbeeld gesteld.
Terug naar de vraag waarom Wagner
voor de opvoering van zijn muziekdrama’s een eigen theater nodig had. Daar heb
ik al verschillende redenen voor genoemd, maar het antwoord op die vraag valt
ook nog in een veel breder kader te stellen. Wagner was zich ervan bewust een
missie te hebben die aan een diepgaande behoefte voldeed die bij uitstek bij de
tijd hoorde waarin Wagner opgroeide en leefde. Die tijd was, met name sinds de
30-er en 40-er jaren van de 19e eeuw, die van de religiekritiek.
Steeds meer denkers en wetenschappers moesten niets meer van religie hebben en
afficheerden zich nadrukkelijk als atheïsten en materialisten. De profeet van
de religiekritiek die bij velen navolging vond was Ludwig Feuerbach; ook Karl
Marx was door hem beïnvloed door zijn streven naar een aards paradijs dat zou
ontstaan na de proletarische revolutie; uiteraard als tegenhanger van het
paradijs dat door de kerken in het hiernamaals werd gesitueerd.
Richard Wagner had weliswaar
afstand genomen van iedere vorm van geïnstitutionaliseerde religie, maar hij
vond wel dat religie en metafysica diepliggende behoeften van ieder mens waren,
waar toch op één of andere manier aan beantwoord moest worden. En de wijze
waarop hij vond dat dat moest gebeuren ligt in zijn geval zeer voor de hand:
hij wilde een kunst voor iedereen scheppen die de plaats van de religie in zou
nemen. Dat kon niet zo maar een enkel kunstwerk, een schilderij, gedicht of
muziekstuk zijn; aan de metafysische behoefte van de mensheid kon in zijn ogen
alleen maar voldaan worden door het Gesamtkunstwerk dat tekst en muziek,
ruimtelijk-dramatische ervaring en visuele kunst samenbracht in één groot
geheel.
En juist daarvoor was een eigen
gebouw nodig, dat speciaal voor de opvoering van dit Gesamtkunstwerk ontworpen
was en waar festivals, Festspiele, zouden plaatsvinden, die mensen bijeen
zouden brengen voor het ondergaan van een intense gezamenlijke ervaring en die
een gevoel van saamhorigheid zouden doen ontstaan, dat vroeger alleen aan
religieuze bijeenkomsten was voorbehouden. Sterker nog: Wagner was er vast van
overtuigd dat de festivalervaring een nieuwe mens kon scheppen.
Wagner wilde de opera uit de hoek
van het amusement halen, deze transformeren en een vorm van muziektheater die
tot een plek van zelfbezinning en maatschappelijke vernieuwing moest worden. Hij
wilde de onoplettende verstrooidheid van het huidige operapubliek (Wagner zelf
sprak in zijn geschriften van een ‘bevolking die uit verveling aan genot
verslaafd was geraakt’) omzetten in geconcentreerde aandacht. Het was altijd
zijn doel geweest, schreef hij, om ‘de mogelijkheid van een kunstwerk te tonen,
waarin het hoogste en diepste wat de menselijke geest kan bevatten, kon worden
meegedeeld’.
Hem stond een fundamentele verandering van het theater en de muziek voor ogen.
En hij ging daarmee terug, zoals hierboven al eerder vermeld, op het ideaal van
het oude Athene, ‘waar het theater zijn ruimte alleen op bijzondere heilige
feestdagen opende, waar tegelijk met het genot van de kunst een religieuze
plechtigheid gevierd werd’.
Ik ben zelf een groot liefhebber
van Wagners muziektheater. Hij heeft grandioze muziek geschreven en wanneer
alles klopt, de kwaliteit van de muzikale uitvoering en het niveau van de
zangers, de aankleding en de regie (wat helaas lang niet altijd het geval is,
maar m.i. wel bij de intussen bijna legendarische productie van de Ring des Nibelungen bij De Nederlandse
Opera in de regie van Pierre Audi), dan vormt de opvoering van een Wagner-opera
een onvergelijkelijke totaalervaring met inderdaad een transcendentie die aan
dit alles een eigentijdse religieuze dimensie geeft. Maar tegelijkertijd mag
het duidelijk zijn dat Wagner zelf en vooral zijn directe erfgenamen een
richting zijn ingeslagen die uiteindelijk heilloos is gebleken. Opvoeringen van
Wagners muziekdrama’s (en dan met name die in Bayreuth) veranderden in
religieuze plechtigheden; de muziek en het drama zelf werden een nieuwe religie
(wat iets totaal anders is dan als toeschouwer iets religieus ervaren). Er werd
door tegenstanders (en niet helemaal onterecht) gesproken van een ‘Bayreuthse
theologie’ die sektarisch van aard was, en dat in toenemende mate werd na
Wagners dood in 1883, toen zijn vrouw Cosima en Winifred Wagner (de vrouw van Siegfried,
de zoon van Cosima en Richard) als hogepriesteressen gingen optreden.
Pas na de oorlog, toen in 1951 de Festspiele weer opgepakt werden (wat uiteraard
een gevoelig punt was gezien de rol die Wagners muziek bij de nazi’s gespeeld
had en de persoonlijke relatie van de Wagner-clan tot Adolf Hitler), werd het
sektarische karakter stapje voor stapje teruggedrongen.
De ontwikkeling die de Bayreuther Festspiele sindsdien hebben doorgemaakt, staat
echter ook weer haaks op Wagners oorpronkelijke bedoelingen: enerzijds een op
conventie en traditie berustend evenement (waar Wagner toch iets revolutionairs
voor ogen had); anderzijds een media-event dat zich een vaste plek heeft
veroverd op de amusementskalender van bepaalde (hoge) maatschappelijke kringen
(waar Wagner de opera uit de sfeer van het amusement wilde halen, maar die wel
beschikbaar wilde stellen voor alle lagen van de bevolking).
Dat Friedrich Nietzsche al snel zag dat kunstervaring bij Wagner en zijn aanhang een
soort van godsdienstoefening werd, zal zeker een rol hebben gespeeld bij zijn
afstand nemen van de man die hij daarvoor als een genie en als zijn mentor had
beschouwd en die hij in zijn geschriften fel verdedigd had (de relatie Wagner –
Nietzsche komt in een volgend stuk ter sprake). Het christelijke thema van Parsifal was ook de reden dat hij deze
opera afwees en zelfs onder een grote hoeveelheid smaad bedolf, hoezeer hij de
muziek van Parsifal ook bewonderde
(en terecht, het is een grandioos werk; ik denk zelfs dat het mijn favoriete
Wagner-opera is). Nietzsche sprak van ‘de valsemunterij van de transcendentie
en van het hiernamaals’, die ‘in Wagners kunst haar subliemste pleitbezorger
vindt’.
“Parsifal is een werk dat gaat over
perversheid, wraakgierigheid, over een heimelijke poging om datgene wat voor
het leven vereist is, te vergiftigen. – een schadelijk werk.”
(Naast het christelijke karakter
van Parsifal en de rol die religie in
toenemende mate was gaan spelen in het leven van Wagner - ‘Wagner is vroom
geworden’ zei Nietzsche – was ook het kwaadaardige antisemitisme dat de
componist in zijn essays en verhandelingen in toenemende mate ging
tentoonspreiden, hem een doorn in het oog. Nietzsche verzette zich fel tegen
het in Duitsland alom verbeide antisemitisme en zou zich in zijn geschriften Menselijk, al te menselijk en Morgenrood, gaan opwerpen als verdediger
van de joodse cultuur. Over Wagners lelijke antisemitisme en jodenhaat,
verwerpelijk als ze zonder meer zijn, wil ik het hier verder niet hebben omdat
het bij Wagner als componist en tekstdichter niet of nauwelijks een rol speelt.
Sommige figuren in de opera’s kunnen wellicht als joodse karikaturen afgebeeld
worden, maar dat hangt helemaal van de aard van de produktie af.)
Wagner en religie. Het werk dat
daarop het helderste licht werpt is de tetralogie van de Ring des Nibelungen, zijn belangrijkste werk waaraan hij een
kwarteeuw gewerkt heeft. Daarin worden we als toeschouwers geïntroduceerd in de
wereld van de goden, nemen we a.h.w. een kijkje in de machinekamer van het
religieuze.
Wagner maakt daarbij gebruik van bronnen zoals het Nibelungenlied en Scandinavische sagen, zoals de Edda, de Volsungen – en de Sigurd
saga. Maar Wagner volgt zijn bronnen niet op de voet, deconstrueert de gevonden
mythen om ze vervolgens op geheel eigen wijze weer te herarrangeren.
Het eerste wat opvalt wanneer we
Wagners godenwereld benaderen, is dat hij afziet van een almachtige, alwetende
godheid. De oermoeder Erda en haar dochters de Nornen, de schikgodinnen die de
draden van het lot spinnen beschikken over een vrijwel volledige kennis van
heden, verleden en toekomst; kennis die de goden niet bezitten: ze zijn niet
alwetend en ook niet almachtig want ze zijn ondergeschikt aan het lot en
bepalen dat niet zelf. Alleen Wotan, de oppergod, heeft toegang tot Erda en de
Nornen, wat hem een groot kennisvoordeel geeft t.o.v. de andere goden en de
wezens met wie de goden te maken krijgen in de strijd om de wereldheerschappij,
zoals de dwerg Alberich en de reuzen Fasolt en Fafner.
Centraal gegeven in de cyclus is
dat de wereldharmonie verstoord wordt, in de eerste plaats (aan het begin van
de eerste opera, das Rheingold) door
Alberich, een duister onderaards wezen dat diep ingrijpt in de orde van de
natuur door het goud te roven dat onder het water van de Rijn opgeslagen ligt.
Vanaf dat moment is het duister onder water en is het zorgeloze spel van de
Rijndochters onmogelijk geworden. Alberichs heerszucht en machtswellust hebben
de natuurlijke harmonie der wereld ten gronde gericht en een streven naar
dominantie in de wereld gebracht dat uitloopt op een strijd om de
wereldheerschappij. De Ring des
Nibelungen is het verslag van die strijd.
De Rijndochters, en dat is een fout die voortkomt uit een onvergefelijke
lichtzinnigheid van hun kant, zijn zo dwaas geweest aan Alberich het geheim van
het goud te verraden: als het goud tot een ring gesmeed wordt, geeft die ring
een schier onbeperkte macht. Maar alleen diegene is tot het smeden in staat,
die zichzelf voor altijd de liefde ontzegt. En precies dat is wat Alberich nu
doet.
Maar hij is niet de enige die de
oorspronkelijk harmonieuze natuur blijvend schade en verwondingen toebrengt –
want hij is niet de enige die naar macht streeft. Ook Wotan is uit op macht en
de kennis die hij bij Erda heeft opgedaan is zeker niet belangenloos. Hij heeft
een tak afgebroken van de wereldes (een verhaal dat we in de loop van het
verhaal slechts stukje bij beetje in terugblikken, meestal van Wotan zelf,
opgediend krijgen), om daaruit de speer te vervaardigen die teken van
wereldheerschappij wordt. In de schacht van deze speer heeft Wotan runen
gekerfd waarmee hij een verdragsorde bezegelt en de natuur aan zich onderwerpt.
Maar door een tak van de es af te breken, heeft hij de boom een wond toegebracht
waaraan deze zal bezwijken, wat staat voor het verdorren van de natuur. Een
vreemde orde is aan haar opgedrongen.
Maar ook de grenzeloze macht van het in de ring omgesmede goud verstoort het
evenwicht van de natuurlijke orde. Dat is het begin van een grootse
machtsstrijd tussen Wotan (met aan zijn zijde de vuurgod Loge) en Alberich. En
het is een machtsstrijd die niet goed afloopt. Niet voor de goden, de aan hen
gelieerde helden en Walküren (strijdgodinnen die de gevallen helden naar
Walhalla brengen, dochters van Wotan en Erda); niet voor de reuzen die als
eersten aan de machtsstrijd ten onder gaan (de een slaat de ander de hersens in
wanneer zij de vervloekte ring bemachtigd hebben, de overlever verandert in een
draak die het goud bewaakt en door de held Siegfried gedood wordt), maar ook
niet voor de sinistere Alberich en zijn zoon Hagen , die in het laatste deel
van de cyclus, de Götterdämmerung,
nog een tijdlang aan de winnende hand lijken te zijn.
Deze slechte afloop is overigens iets dat door Loge al voorzien wordt aan het
einde van het eerste deel van de Ring, of liever gezegd haar proloog: de opera Das Rheingold.
(Geen opera in drie bedrijven zoals de andere drie opera’s uit de cyclus, maar
een éénakter. Toch kan Das Rheingold
gezien worden als een zelfstandige opera die nog altijd zo’n twee uur en een
half duurt en dus wel degelijk een aparte avond voor zichzelf nodig heeft).
Hoewel de goden gewonnen lijken te hebben in hun confrontaties met Alberich en
de reuzen, mede dankzij de slimmigheden van Loge, en nu de godenburcht Walhalla
mogen betrekken, luidt Loge’s commentaar: “Ze snellen hun einde tegemoet, die
ervan overtuigd zijn dat ze zullen voortbestaan...”
![]() |
| Wotan met zijn speer |


Geen opmerkingen:
Een reactie posten