Siegfried is de zoon van Siegmund en Sieglinde, de broer en zus die elkaar na een jarenlange scheiding weer terugvinden in het schitterende eerste bedrijf van Die Walküre. Hij is de superheld die erin is geslaagd de brokstukken van het zwaard van zijn vader, Nothung, weer aaneen te smeden, een taak waar vele andere helden niet tegen opgewassen waren. Siegfried wordt aangetrokken tot Brünnhilde, één van de Walkuren; op weg naar haar vindt hij Wotan op zijn weg, maar met één grote slag slaat hij diens speer aan stukken; er was voorspeld dat Wotan ooit zijn meerdere zou vinden in een werkelijk vrije mens die geen marionet van de goden was. Vanaf dat moment resigneert Wotan; hij weet zelf ook wel dat er vanaf nu alleen nog maar een rol in de marge voor hem weggelegd is.
Wotans ontzetting uit de macht
begint met zijn bekentenis dat hij geen macht heeft zonder de kennis van Erda,
die hij weer opzoekt. Maar Erda verwijst hem naar Brünnhilde: “Waarom wek je
mij en vraag je mij om raad, en niet Erda’s en Wotans kind?” Nu moet Wotan
erkennen dat hij hun gemeenschappelijke dochter gestraft heeft met het verlies
van haar goddelijkheid. Dat zat zo: Fricka, Wotans jaloerse echtgenote die al
heel wat buitenechtelijke escapades van haar man door de vingers heeft gezien
(Wotan heeft hierin veel weg van Zeus), veroordeelt de incestueuze relatie van
Siegmund en Sieglinde en ze eist van Wotan (zij is zelf beschermvrouwe van het
huwelijk) dat hij in de op handen zijnde confrontatie niet zijn favoriet
Siegmund, maar Sieglinde’s wettige echtgenoot Hunding zal steunen; een opdracht
die op het slagveld door Brünnhilde uitgevoerd moet worden. Die ziet echter de
oprechte liefde tussen Siegmund en Sieglinde en kiest partij voor Siegmund.
Waarna Wotan in moet grijpen: hij verbrijzelt Siegmunds zwaard Nothung, die
daarmee kansloos is en gedood wordt. Waarna er een schitterende scène volgt,
één van de mooiste en ontroerendste van de hele Ring, vind ik zelf: Wotans
afscheid van Brünnhilde (zie de afbeelding). Ze wordt in een ring van vuur
achtergelaten op een rots en kan alleen bevrijd worden door een held die de
moed vindt zijn weg door het vuur te banen. Siegfried dus. En Wotan kan nu niet
meer op Brünnhilde rekenen. De enige optie die hem nog overblijft, is één van
de andere Walkuren te vragen voor hem bij Brünnhilde te bemiddelen om de ring
aan de Rijndochters terug te geven: alleen zo kan verhinderd worden dat
Alberich de wereldheerschappij verovert. Maar Brünnhilde weigert: de ring is
haar veel te kostbaar als blijk van Siegfrieds liefde. Vanaf nu zal Wotan
moeten aanvaarden dat er gebeurt wat er gebeurt, hij kan er geen invloed meer
op uitoefenen.
En Alberich is er tot het laatst op
uit om de ring en de wereldheerschappij te veroveren. Dit plan loopt stuk
vanwege Brünnhilde, helemaal aan het eind van de Götterdämmerung. Ze heeft de inmiddels gedode Siegfried (hij is in
de rug gestoken, zijn enige zwakke plek, door Alberichs zoon Hagen) boven alles
lief; voor haar is de ring die Siegfried haar geschonken heeft geen
machtsinstrument, maar een symbool van hun liefde. De mens geworden godendochter
werpt zich met ring, paard en al in de brandstapel waarop de dode Siegfried
ligt opgebaard en bewerkt zodoende de teloorgang van de goden: de
Godenschemering. Het vuur slaat namelijk niet alleen over op de hal der
Gibichingen, waar het laatste deel van de handelingen zich afspeelt, maar ook
op de godenburcht Walhalla, waarmee zowel de godenwereld, als de aan de natuur
opgelegde orde der verdragen tot een einde komt.
Overigens werd in Wagners eerste
opzet van de Götterdämmerung de totale
godenschemering juist voorkomen door de dood van Siegfried en het
daaropvolgende offer van Brünnhilde - voordat zij de brandstapel inrijdt luidt
haar tekst: “Luister, u heerlijke goden, uw onrecht is uitgewist: bedank hem,
de held, die uw schuld op zich nam. Hij liet het nu aan mij het werk te
voltooien [namelijk door haar zelfoffer].”
Siegfrieds dood is zo tegelijkertijd een parallel met en een omkering van
Jezus’ dood aan het kruis: beiden offeren zich op en nemen de schuld van
anderen op zich – alleen neemt Jezus de schuld van alle mensen op zich en
Siegfried die van de goden. In het laatste geval zou je zelfs nog van een
wederopstanding kunnen spreken, want de regieaanwijzing aan het eind van deze
eerste opzet van de opera luidt: “Boven een donkere wolkenrand verheft zich de
luister waarin Brünnhilde, in wapenrusting te paard, als Walkure Siegfried aan
de hand meeneemt.”
In de defintitieve versie van de Götterdämmerung is het einde anders. Dat
Siegfried jegens haar de ‘trouwste der trouwen’ was en haar toch verried
begrijpt ze als het gevolg van de verstrikkingen waarin de goden en alle mensen
en andere wezens die betrokken zijn bij de zich steeds verder verspreidende
strijd, gevangen zitten. Verlossing hieruit was alleen mogelijk als de door
Wotan geschapen orde tenonder ging. Waar ze tot nu toe compleet in de war was
door alle overweldigende gebeurtenissen die op haar af kwamen, ziet ze nu
ineens haarscherp de ware toedracht: “Alles! Alles! Alles weet ik: alles
openbaart zich aan mij! Ook uw raven [attributen van Wotan] hoor ik suizen: met
bang verbeide boodschap stuur ik die nu beide naar huis. Rust! Rust, u God.”
Wat ik een heel ontroerend moment vind.
Omdat deze god en de door hem
geschapen orde niet te redden zijn, zorgt Brünnhilde ervoor dat de moord op
Siegfried en haar zelfgekozen dood tot de ondergang van de godenwereld leiden:
“Vlieg huiswaarts, jullie raven! Fluister het jullie meester in het oor, wat
jullie hier aan de Rijn hebt gehoord! Vlieg voorbij aan Brünnhildes rots: stuur
Loge naar Walhalla! Want de ondergang van de goden begint nu te dagen. Dus
steek ik de brand in Walhalla’s blakende burcht.”
Je zou de Ring des Nibelungen kunnen zien als het verslag van het falen van
een onrechtvaardige religieuze orde, die teveel op heerszucht en machtshonger
gebaseerd was en op valse verdragen met de natuur. De ondergang daarvan maakt
echter de weg vrij voor een waarachtige religieuze orde, bewerkstelligd door
iemand die zich van elke wil ontzegt (het doven van de Wil is volgens
Schopenhauer, door wie Wagner diepgaand beïnvloed is, de meest zekere weg naar
ware verlichting) en louter medelijden is. Dat is de weg naar Parsifal. Het grandioze eindpunt van
Wagners ontwikkeling.
Dat de grote brand die Walhalla in
as legt zo’n verwoestende kracht heeft, heeft Wotan in feite aan zichzelf te
danken: hij heeft de verdorde wereldes laten vellen en het gekloofde hout
daarvan om de godenburcht heen laten stapelen. Daardoor, door de verstoring van
de natuurlijke orde die dat tot gevolg had, was Wotans heerschappij van het
begin af tot ondergang gedoemd. Alleen als de wereldes was blijven staan, had
het allemaal anders kunnen lopen. Het begin van dit alles, het afhouwen van een
tak voor de speer, was Wotans zondeval.
Wat blijft is de vraag of het
afbranden van Walhalla en de ondergang van de godenwereld uitloopt op de totale
vernietiging, of het dus een alomvattende wereldbrand is, of dat die brand een
reinigende functie heeft. En zo de mogelijkheid op iets nieuws doet ontstaan.
Voor Wagner is de religie onmisbaar
voor de toekomst van de mensheid. “Aan het religieuze besef”, zo schrijft hij
in één van die theoretische geschriften die zijn muzikaal-poëtische werk steeds
zijn blijven begeleiden, “openbaart zich de waarheid dat er een andere wereld
moet zijn dan deze, omdat in deze wereld de onblusbare drang tot gelukzaligheid
niet te stillen is en deze drang dus vraagt om een andere wereld voor zijn
verlossing.“
Dit is de fundamentele afwijzing van een wereld zonder religie, want zelfs in
de best mogelijke van alle werelden houden de meeste mensen het niet uit tenzij
ze zich een nog betere tegenwereld kunnen voorstellen. Hiermee is het
hiernamaals verklaard als noodzakelijk complement van het aardse bestaan,
alsook het geloof als onmisbare aanvulling op het weten.
Religie moet echter wel als vrije
ruimte gevrijwaard zijn van de invloed van de staat. De zorg voor die vrije
ruimte wil Wagner onderbrengen bij de kunst en de kunstenaars. Institutionele
religie staat in Wagners ogen op haar laatste benen; daarom is het nu de taak
van de kunst ‘de kern van de religie te redden doordat ze de mythische symbolen
die de eerste [de kerk] als waar aangenomen wil weten, in hun zinnebeeldige
waarde begrijpt om door de ideale weergave daarvan de in hen verborgen diepe
waarheid zichtbaar te maken’.
Niet om het theologische dogma gaat
het de kunstenaar, maar om de creatieve behandeling, vormgeving en verdere
onwikkeling van religieuze mythen en symbolen. De kunstenaar moet echter alle
vrijheid krijgen om deze mythen en symbolen in een nieuw verband te plaatsen en
dus daarmee helemaal los te komen van de vroegere dogmatische richtlijnen.
Verlossing is een religieus begrip
dat bij Wagner centraal staat. Meestal wordt verlossing in Wagners opera’s tot
stand gebracht door de opofferende liefde van een vrouw: Senta in Der Fliegende Holländer, Elisabeth in Tannhaüser, Brünnhilde in Götterdämmerung. Dit zijn verlossingen
die zich afspelen op het niveau van de persoonlijke relaties en niet zozeer een
relevantie hebben voor de mensheid als geheel. Met andere woorden: de
religieuze dimensie ontbreekt. Dat was echter wel waar het Wagner uiteindelijk
om ging. Als praktiserend revolutionair in 1848-49 had hij lange tijd het heil
van de mensheid gezien in de (politieke) revolutie, maar later, toen ook
eenmaal gebleken was hoe weinig impact de politieke vernieuwingsbeweging in die
jaren had kunnen hebben, is hij van dat idee afgestapt en een eventuele
politieke oplossing gaan zien als iets tijdelijks en voorlopigs; religieuze
verlossing zou daarentegen fundamenteel en definitief moeten zijn.
De ontwikkeling van affiniteit met
het revolutionaire naar het hoogste heil verwachten van een religieuze
verlossing valt binnen de vier opera’s van de Ring des Nibelungen waar te
nemen. Wotan zoekt in eerste instantie nog naar een revolutionaire uitweg, en
wel door het verwekken van een held als Siegfried die niet gebonden is aan Wotans complex van verdragen en aan wie zo de
mogelijkheid gegeven is om zich (in alle vrijheid) de ring met geweld toe te eigenen.
Uiteindelijk ziet Wotan in dat een revolutionaire oplossing alleen maar op zijn
eigen ondergang uit zal draaien. Dat gebeurt uiteindelijk ook, maar je zou de
ondergang van de godenwereld, zoals gezegd, als iets positiefs kunnen duiden.
De door Siegfried belichaamde revolutie wordt vervangen door het offer van
Brünnhilde, wat de bestaande orde tot een einde brengt en de mogelijkheid van
een nieuw begin in zich draagt.
Toch is de Ring des Nibelungen ondanks haar einde geen verlossingsdrama;
eerder het relaas van hoe Wotan, een god die te strijden heeft met kwade
tegenmachten, verstrikt raakt in de door hemzelf geschapen orde. De tragedie
van politieke machts – en scheppingswil; het offer Brünnhilde valt te zien als
een soort van Deus ex Machina, die als ‘oplossing’ de totale vernietiging
brengt, de Wereldbrand.
Maar Wagner moest zijn ultieme
getuigenis als componist en tekstdichter nog afgeven: hij wilde nog een pure
opera van de verlossing schrijven. Daarvoor wendde hij zich tot de middeleeuwse
roman in verzen van Wolfram von Eschenbach: Parzival
(bij Wagner wordt dat Parsifal). Hij
wilde daarmee een muziekdrama van de verlossing scheppen, een Bühneweihfestspiel, zoals hij het zelf noemde.
Daartoe moesten verregaande veranderingen worden aangebracht in het
bronnenmateriaal.
In Parsifal staan twee werelden tegenover elkaar: aan de ene kant de
Graalburcht Monsalvat, waar een schare monniken-ridders, met hun koning
Amfortas, verzameld zijn rond de Graal, die hen overal in de wereld voor de in
het nauw gebrachte christenheid (net als in de Ring zijn de krachten van het Kwaad volop werkzaam) doet strijden.
En aan de andere kant het slot van
de tovenaar Klingsor, die tracht de Graal te bemachtigen. Hij doet dat louter
om daar zelf voordeel van te hebben, ter vergroting van zijn macht. Bovendien
hoopt hij daarmee Monsalvat als centrum van de christenheid uit te schakelen.
De leiders van beide centra, Amfortas
en Klingsor, zijn allebei verwond. Klingsor heeft zichzelf ontmand, wat hij als
een vereiste beschouwde om Heer van de Graal te kunnen worden; de Graalburcht
kan alleen geleid worden door iemand die zich oefent in sexuele onthouding, en
kennelijk achtte Klingsor zichzelf daar alleen door zelfcastratie toe in staat.
Hij kent de krachten der verleiding; hij gebruikt, in zijn strijd om de macht,
mooie vrouwen om de Graalridders te verleiden. Ook Amfortas is aan zo’n
verleiding (door Kundry) ten prooi gevallen; terwijl hij sex met haar had,
heeft Klingsor hem de Heilige Speer ontvreemd en hem daarmee in zijn zijde (je
zou ook kunnen denken: zijn genitalieën) verwond. Hij lijdt nu permanent pijn,
maar kan niet sterven; iedereen die deelneemt aan de onthulling van de in
Monsalvat bewaarde Graal, is gevrijwaard van de dood.
(De Heilige Speer is de speer waarmee de Romeinse hoofdman Longinus de
gekruisigde Jezus in zijn zij heeft gestoken; de Graal is de kelk waarin Jezus
bij het Laatste Avondmaal de wijn heeft rondgedeeld en waarin Jozef van
Arimathea het bloed van Christus aan het kruis heeft opgevangen).
Met deze werelden komt Parsifal in
aanraking. Hij heeft al voor zijn geboorte zijn vader Gamuret verloren (die
werd in de strijd gedood) en is grootgebracht door zijn moeder Herzeleide (de
naam zegt al hoeveel zij te lijden zal krijgen), die alles doet om hem bij
wapens en ridders vandaan te houden. Uiteraard mislukt dat en Parsifal wil
niets liever dan, nadat hij ridders gezien heeft, de wereld in trekken en
avonturen beleven.
(Zijn moeder sterft daarna al snel daarna aan een gebroken hart).
In veel opzichten lijkt Parsifal op
Siegfried: beiden zijn vreemden in de wereld waarin zij zich bewegen; ze zijn
‘dwazen’, niet vertrouwd met de conventies en gewoonten van de bestaande orde.
Maar er is ook een groot verschil tussen beiden: Siegfried is de revolutionair
die in zijn ontembare enthousiasme heen en weer geslingerd wordt tussen de
polen goed en kwaad, omdat hij daartussen niet werkelijk de weg weet. Hij laat
zich voortdurend leiden door zijn eigen ideeën, passies en belangen, maar is
daardoor ook gemakkelijk om de tuin te leiden en te bedriegen, wat hem uiteindelijk
ook zijn leven kost.
Parsifal echter is de verlosser,
die in dienst van het goede staat, dienaar van hogere machten. Hoewel hij zich
slechts zeer langzaam, door schade en schande lerend, van zijn missie bewust
wordt. Wanneer hij tijdens zijn omzwervingen bij de burcht Monsalvat aankomt,
doodt hij een zwaan met zijn pijl en boog; hij heeft die wapens voor zichzelf
gemaakt en is gewend te jagen, te schieten op alles wat beweegt. Van de oude
Graalridder Gurnemanz krijgt hij onderricht: hij leert van hem alles wat in de
natuur leeft, te respecteren (Wagner was overtuigd vegetarieër). Parsifal raakt
hevig bewogen door wat Gurnemanz hem zegt, volgens de regieaanwijzing luistert
hij ‘met toenemende getroffenheid naar hem; nu breekt hij zijn boog in tweeën
en gooit zijn pijlen weg’.
Parsifal zal uiteindelijk degene
worden die was aangekondigd als verlosser van het lijden van Amfortas en redder
van de Graalridderschap: “Door medelijden wetend, de reine dwaas, wacht op hem,
die ik uitverkoren heb”.
Gurnemanz laat Parsifal deelhebben
aan het centrale gebeuren van de Graalgemeenschap: de vergadering van ridders
voor de liturgische presentatie en onthulling van de Heilige Graal, die dient
tot sterking van lichaam en ziel. In feite is deze ceremonie een omgekeerde, reële
Transsubstantiatie: brood en wijn veranderen hier niet in lichaam en bloed van
Jezus, maar de schaal biedt de ridders reële voeding, het is het enige dat zij
nodig hebben om in leven te blijven.
“Bloed en lichaam van de heilige
gave verandert nu opdat ze jullie laven.
De liefdesgeest, die zalige troost, in de wijn die nu voor u ingeschonken
staat, in het brood waarvan u eten gaat.
Neemt het brood, verander het moedig in lichaamskracht en sterkte; om trouw tot
in de dood, volhardend in elke inspanning, aan de werken van de Heiland te
werken.
Neem de wijn, verander hem opnieuw in vurig levensbloed, om blij vereend, in
broederlijke trouw, te strijden met gezegende moed.”
Hoogdravende taal misschien, maar
op het toneel werkt het. Dit is de indrukwekkendste scène die ik bij Wagner, en
in opera überhaupt, op het toneel gerealiseerd heb gezien. Het is een
transcendentaal gebeuren, een mis op muziek gezet en prachtig, zo prachtig
geënsceneerd!
Wagner heeft zich in een eerdere
opera ook al met het Graalsthema beziggehouden, dat was in Lohengrin. (Overigens vind ik dit werk van alle Wagner-opera’s de
minst interessante; het is in mij ogen een nogal stijf en statisch drama).
Lohengrin is de zwanenridder die wordt uitgezonden om de in Brabant woedende machtsstrijd
tussen de heidense en de christelijke partij, de tovenares Ortrud en de op God
vertrouwende Elsa, in het voordeel van de laatste te beslissen. Maar de Graal
is hier nog een macht die vanuit het verborgene werkt, reden waarom Lohengrin
Elsa op het hart moet drukken hem niet naar zijn naam en afkomst te vragen.
Elsa kan dat echter niet laten en dus moet de zwanenridder haar verlaten, maar
niet voordat hij haar de geschiedenis van de Graal verteld heeft:
“In een ver land, ontoegankelijk voor uw schreden, ligt een burcht, Monsalvat
geheten; een stralende tempel staat daar in het midden, zo kostbaar als op
aarde niets bekend:
daarin een schaal van wonderlijke zegen.
Om dit hoogste heiligdom houdt men de wacht, opdat de reinste mensen het in ere
houden, werd het door een engelenschaar gebracht...
Wie om de Graal te dienen is uitverkoren, die rust hij uit met bovenaardse
macht.”
Wat Lohengrin doet, interveniëren
om christelijke waarden te beschermen, dat is ook de missie van de Graalridders
in Parsifal. Maar juist dat is nu
onmogelijk geworden. Amfortas’ verwonding heeft verstrekkende gevolgen: ze
heeft ertoe geleid dat de gemeenschap van ridders volkomen met zichzelf bezig
is en niet meer aan interventies, aan bescherming van de christenheid, toekomt.
De reine dwaas Parsifal zou kunnen helpen, maar die is voorlopig zo ver nog
niet: bij zijn eerste bezoek aan de burcht en het bijwonen van de
Graalsceremonie kijkt hij slechts zwijgend toe en stelt niet de vraag die de
lijdende Amfortas verlossing zou kunnen brengen.
Parsifal trekt naar het toverslot
van Klingsor. De strijders die de burcht verdedigen zijn allemaal voormalige
Graalridders die de geliefden van Klingsors meisjes zijn geworden. Het lukt
Parsifal hen zonder problemen te verslaan. Dan komen de bloemenmeisjes om hem,
zoals gebeurt was met de Graalridders die hem voorgingen, te verleiden. Hij is
niet geïnteresseerd in hun liefkozingen. De derde verdedigingslinie van
Klingsor is Kundry, de vrouw die eerder Amfortas verleidde.
Kundry is grotendeels een nieuwe
creatie van Wagner; ze is een combinatie van de slang die in het Paradijs Adam
en Eva tot de zonde bracht; de Wandelende Jood die, op zoek naar verlossing,
gedoemd is om eeuwig over de wereld te zwerven en een nieuwe versie van Venus
uit Tannhaüser, met op het laatst ook
nog iets van Maria Magdalena. Zij belooft hem kennis, waardoor hij God gelijk
zou worden als hij haar een uur liefde zou geven. Kundry is echter niet alleen
een grote verleidster, ze strijdt ook voor haar eigen verlossing. Ze heeft
namelijk ooit de lijdende Christus uitgelachen en is er sindsdien toe
veroordeeld door de wereld te dwalen en eeuwig verder te leven. De enige
verlossing die Kundry zich kan voorstellen, is de sexuele gemeenschap met een
man die haar zo, met zijn liefde, zou verlossen.
Maar Parsifal weerstaat zowel haar
erotische aantrekkingskracht als het beroep dat zij doet op zijn medelijden. Ze
heeft geen macht over hem.
Klingsor moet nu erkennen dat
Kundry Parsifal niet kan bedwingen en zet zijn laatste wapen in: hij werpt de
Heilige Speer naar Parsifal. Maar de speer weigert dienst tegen iemand die zo
rein is gebleven en blijft boven zijn hoofd hangen. Parsifal grijpt de speer en
maakt daarmee een kruisteken. Regieaanwijzing: “Als door een aardbeving zinkt
het slot weg; de tuin verdort tot een woestenij; de meisjes liggen als
verstrooide bloemen op de grond. Klingsors tovermacht is gebroken en met zijn
slot gaat ook hijzelf tenonder.”
Maar de verlossing van Amfortas is
hiermee nog niet bewerkstelligd, en ook niet de vernieuwing van de wegkwijnende
gemeenschap der Graalriddders. Het verslaan van het kwaad, waar Parsifal wel in
is geslaagd, moet gecompleteerd worden door het herstel van het goede. Maar
Parsifal vindt na de ondergang van Klingsors rijk de weg naar Monsalvat niet en
verdwaalt in de wereld.
Jaren zijn inmiddels verstreken
wanneer Parsifal weer opduikt in het bos bij Monsalvat, waar hij Gurnemanz
ontmoet. Naar wie of wat hij al die jaren gezocht heeft? vraagt Gurnemanz hem.
“Naar hem om wiens intense klagen ik ooit in dwaze verbijstering vernam, wie nu
genezing te brengen ik mij uitverkoren wanen mag.” Naar Amfortas dus.
Gurnemanz bericht nu over de
teloorgang van de Graalgemeenschap sinds de verdwijning van Parsifal: Amfortas
heeft de Graal sindsdien niet meer onthuld, om zodoende:
“... zijn einde te bespoedigen en met het leven zijn lijden te beëindigen.
De heilige spijziging blijft ons nu onthouden, gewone leeftocht moet ons
voeden; daardoor kwijnde de kracht van onze helden: nooit bereikt ons nog een
boodschap, noch oproep tot heilige strijd van ver.”
Als er geen redder van buiten komt,
is de ondergang van de Graalgemeenschap onafwendbaar.
Parisfal is een ander geworden.
Zijn grootste verdienste is, dat hij de Heilige Speer die hij aan zijn zijde
meevoerde, niet ontheiligd heeft door haar te gebruiken om er onderweg zijn
belagers mee te doden. Vergelijk dat met zijn eerste aankomst bij Monsalvat toen
hij onnadenkend een zwaan doodde. Kundry verschijnt nu; ook zij is veranderd.
Wanneer Parisfal door Gurnemanz naar het meer gebracht wordt om daar gereinigd
te worden van het stof dat zich op zijn lange omzwervingen heeft opgehoopt,
wast Kundry hem de voeten, droogt ze met haar haren en zalft ze met kostbare
specerijen: ze wordt Maria Magdalena. Gurnemanz begrijpt nu ook dat Parisfal de
aangekondigde is en giet Kundry’s zalfolie over zijn hoofd:
“Zo werd het ons aangezegd, zo zegen ik uw hoofd, om u als koning te begroeten.
U – reine – in medelijden geduldige, in helende handelingen wetende!”
Hiermee is Parisfal als de nieuwe Graalkoning geïnaugureerd.
Diens eerste ambtshandeling bestaat daarin dat hij het hoofd van de knielende
Kundry met water begiet en haar doopt. Zo valt haar de eeuwenlang nagestreefde
verlossing eindelijk ten deel.
Ondertussen ontvouwt de natuur zich
in heel haar schoonheid; Gurnemanz noemt het de ‘Goede Vrijdag-betovering’, die
de verzoening tussen mens en natuur inhoudt, een toestand van vrede en volkomen
harmonie. Iets dergelijks is al te vinden bij de profeet Jesaja, die schrijft
over een toestand waarin niet alleen alom vrede heerst omdat zwaarden zijn
omgesmeed tot ploegscharen, maar ook de wolf bij de lammeren ligt. Zowel in het
Gouden Tijdperk van de Griekse mythologie, als het Paradijs in de Joodse
overlevering, komen we steeds dat idee tegen van een vredig samenleven van
mensen en dieren zonder geweld of onderdrukking. Bij Wagner is dit een diep
religieus gebeuren dat zich eerst buiten de Graalsburcht, in de open natuur
afspeelt en daarna met de genezing van Amfortas, door de aanraking van zijn
wond met de Heilige Speer alsook de nieuwe onthulling van de Graal nog een keer
wordt geïntensiveerd: Christelijke heilsboodschap en herrijzenis van de natuur
gaan hier samen.



