Dickens’ zevende roman, Dombey and Son, dateert uit 1848. De fase in het leven van de auteur waarin deze roman geschreven werd, kenmerkt zich door een grote mate van rusteloosheid. Hij was net uitgever geworden van de krant die hij min of meer zelf had bedacht en opgezet, The Daily News, om zich even later weer daaruit terug te trekken. Hij was pas recentelijk teruggekeerd in Engeland van een reis in Italië, om vervolgens, in mei 1846, weer naar Zwitserland te vertrekken, waar hij trachtte aan Dombey and Son te schrijven. Trachtte: zijn brieven uit die tijd staan vol van boze getuigenissen omtrent zijn artistieke impotentie, die hij vooral weet aan zijn niet in Londen zijn: kennelijk had hij die stad nodig om tot scheppen te komen.
“The abscence of streets and numbers of figures... My figures seem disposed to stagnate without crowds about them.”
Achteraf
stond Dickens hier artistiek gezien op een kruispunt.
Over zijn zesde roman, Martin Chuzzlewit,
heb ik geschreven dat deze weliswaar enkele van Dickens’ meest memorabele
personages bevat (Pecksniff, Sairy Gamp) en passages die tot de hoogtepunten
van zijn werk gerekend kunnen worden (de Amerika episodes, de moordzaak rond
Jonas Chuzzlewit), maar dat het geheel toch nog wat onevenwichtig is.
Dombey and Son reken ik weliswaar nog niet tot de absolute topwerken (dat zijn in mijn ogen David Copperfield, Bleak House, Little Dorrit en Great expectations), maar het is opnieuw een grote stap vooruit.
Je
zou kunnen stellen dat dit de laatste (en de beste) van de vroege romans van
Dickens is. Het verschil tussen enerzijds de romans vanaf Pickwick Papers tot en met Dombey
and Son en anderzijds die van de volgende roman, David Copperfield, tot aan het eind, moet duidelijk zijn voor
iedere Dickenslezer met een greintje literair gevoel. Algemeen gesteld, zou je
kunnen zeggen dat het belangrijkste verschil de overgang van karikatuur, van
(hoogwaardige) farce en melodrama naar meer realisme is. De personages en
situaties die je in de tweede, volwassen fase vindt zijn personages en
situaties die je overal in het dagelijks leven zou kunnen tegenkomen; die van
de eerste fase kunnen eigenlijk alleen in het hoofd van Dickens bestaan, niet
in het leven zelf.
Het is overigens wel de vraag of dat aspect alleen maar winst oplevert. Zeker,
de late romans zijn superieur aan de vroege, al was het alleen maar omdat er
weinig meer over is van dat wat zo irriteert in Dickens’ vroege werk: de soms
wat goedkope sentimentaliteit, de overbodige opvulsels, de tirades tegen wat
hem niet bevalt in de maatschappij. Maar hij geeft ook bepaalde dingen op door
die keus voor meer realisme, zoals ik in de loop van dit stuk probeer duidelijk
te maken. Want weliswaar heeft Dombey and
Son nog veel van die eerste fase van Dickens’ schrijven; de verandering die
met David Copperfield werkelijk
manifest wordt, kondigt zich hier al aan.
De titel van het boek is een firmanaam en je zou daarom verwachten dat dit een werk is van sociale kritiek binnen een netwerk van internationale handel en een kapitalisme dat in deze periode, halverwege de 19e eeuw, in Engeland tot een hoogtepunt begon te komen. Maar dat is niet het geval. Het is eerder een boek over familierelaties en emotionele ontbering daarbinnen. In die zin is dit, samen met de roman die hierna zou komen, David Copperfield, Dickens’ meest persoonlijke en intieme roman. De firma speelt slechts zijdelings een rol, het is zelfs tamelijk lastig uit te vinden om wat voor soort handelsfirma het precies gaat, want Dickens is daar niet erg mededeelzaam over. Je kan dat zeker een zwakte van de roman noemen; Dickens had geen enkele ervaring met het bedrijfsleven en voelde zich kennelijk niet in staat daar een levendig beeld van te geven.
Dit
is eerder een roman over een disfuncionele familie, bestierd door het hoofd
ervan, Paul Dombey sr., als ware het een bedrijf: koud, afstandelijk,
berekenend en resultaatgericht. Hij wordt steeds gerepresenteerd in termen van
sneeuw, ijs of marmer; hard en gevoelloos.
De eerste Mrs. Dombey is vooral met haar man getrouwd (‘entered the social
contract of matrimony’ noemt Dickens het) om haar echtgenoot van een mannelijke
opvolger te voorzien; wanneer ze dit gedaan heeft, sterft ze in het kraambed.
Haar man huilt, maar vooral vanwege de schande nu een voedster voor zijn zoon
en opvolger aan te moeten stellen: ‘with so much bitterness the thought of
being dependent on a hired serving woman’.
Die
voedster is de bewonderenswaardige Polly Toodle. Het is tekenend voor de
egoïstische onmenselijkheid van Dombey dat hij, ten eerste, haar verbiedt haar
eigen kinderen te zien tijdens haar dienstverband (dat ze één keer tegen dat
bevel in gaat betekent dan ook haar onmiddellijke ontslag) en, ten tweede, haar
sommeert geen enkele emotionele band met het haar toevertrouwde kind te vormen:
“It is not at all in this bargain that you need become attached to my child, or
that my child need become attached to you... When you go away from here, you
will have concluded what is a mere matter of bargain and sale, hiring and
letting.”
Het
gezin Toodle, dat door Dickens zo prachtig getekend wordt, staat voor alles wat
onderdukt en ontkend wordt in het Dombey milieu: vriendelijkheid,
menselijkheid, warmte en onderlinge verbondenheid.
Mrs.
Dombey echter is vervangbaar geworden op het moment dat ze een mannelijke
nakomeling heeft geproduceerd, haar dood lijkt haar man weinig te doen.
Wie wel dichtbij is op het moment van haar sterven, is haar dochter Florence:“... clinging fast to that slight spar within her arms, the mother drifted out into the dark and unknown sea that rolls around all the world.” (Hier komen we voor het eerst de metafoor van de zee tegen die in de rest van het boek zo’n grote rol zal spelen).
Waar
de dochter hiervoor al weinig tot niets voor hem betekende, is zijn wij hier
getuige van de eerste stap van een steeds verder gaande verwijdering tussen Mr.
Dombey en Florence:
“He could not forget that closing scene. He could not forget that he had no
part in it. That, at the bottom of its clear depth of tenderness and of trust
lay those two figures, clasped in eachothers arms, while he stood on the bank
above, looking down a mere spectator, quite shut out.”
Eén
van de beste scènes uit het eerste deel van de roman, dat so wie so het meest
geslaagde is (het eerste hoofdstuk alleen al is ijzersterk), is de
doopplechtigheid van de kleine Paul. Het weer alleen al op deze dag is een
weerspiegeling van de man Dombey: koud, herfstig en grijs.
“It happened to be an iron-gray autumnal day, with a shrewd east wind blowing – a day in keeping with the proceedings. Mr. Dombey represented in himself the wind, the shade, and the autumn of the christening. He stood in his library to receive the company, as hard and cold as the weather.”
De processie waarmee het gezelschap naar de kerk vertrekt heeft meer weg van een begrafenisstoet dan die voor zo’n feestelijke gelegendheid en ook de kerk zelf lijkt zich in rouwtinten te hullen. En de dinnerparty na afloop is al even doods en kil (zelfs het eten en drinken is ijskoud), de enige die zich daar op zijn gemak lijkt te voelen is Dombey zelf:
“There was a toothache in everything. The wine was so bitter cold that it forced a little scream from Miss Tox. The veal had come from such an airy pantry, that the first taste of it had struck a sensation as of cold lead in Mr. Chicks extremities. Mr. Dombey alone remained unmoved. He might have been hung up for sale at a Russian fair as a specimen of the frozen gentleman.”
Er zijn nogal wat levens die deze Dombey door zijn gevoelloze houding weet te beschadigen, van zijn directe familie (de twee Mrs. Dombeys en zijn dochter Florence) tot aan hen die in zakelijk opzicht van hem afhankelijk zijn, zoals Walter Gay, zijn jonge employee die hij dwingt een betrekking in Barbados aan te nemen, wat ogenschijnlijk zijn ondergang wordt; Rob the Grinder, oudste telg van de Toodle family in Stag’s Gardens, die als ‘weldaad’ door Dombey gedwongen wordt naar een onderwijsinstelling te gaan met als motivatie dat ‘it is necessary that the inferior classes should continue to be taught to know their position and to conduct themselves properly’; en John Carker, “Carker the junior”, broer van Dombey’s manager; hoewel, eerlijkheidshalve, de laatste twee vooral het slachtoffer zijn van de sinistere Mr. Carker the manager, de ware schurk van het stuk (die echter wel van Dombey alle ruimte krijgt om zijn gang te gaan).
Overigens is deze Carker, wiens voornaamste eigenschap is dat hij voortdurende zijn tanden bloot grijnst, één van Dickens’ minst interessante schurken. G.K. Chesterton noemt hem in zijn boek over Dickens ‘a spirited charcoal sketch’ en dat is het beste wat je erover kunt zeggen: het blijft een schets, de figuur krijgt nergens de diepte die de moordenaar Jonas Chuzzlewit in de vorige roman wel had. En dat is jammer, want zijn motivatie is wel geloofwaardig. Omdat hij in een positie van afhankelijkheid is gedwongen en door Dombey wordt gebruikt als loopjongen, heeft hij een giftige haat voor zijn patroon opgevat die hij nergens kan laten blijken maar moet verbergen onder een knipmessende onderdanigheid. Tot heel laat in de roman, als hij zijn masker laat vallen er er met Dombey’s tweede echtgenote vandoor gaat. Dickens weet echter niet veel meer van hem te maken dan een sexueel gedreven machtswellusteling, een clichématige vaudeville-schurk.
Eén
van de centrale thema’s van deze roman is de relatie tussen Dombey en zijn
dochter Florence. Het moet voor de vader een grote opluchting zijn geweest dat
zijn vrouw eindelijk een mannelijke erfgenaam weet voort te brengen (dat zij dit
niet overleeft is van secundair belang); zijn dochter was voor hem nooit meer,
in de koopmanstermen waarin Dombey praat en denkt, dan een “piece of base coin
that couldn’t be invested... What was a girl to Dombey and Son?”. En als Paul
jr. sterft, wat voor de senior natuurlijk een onherstelbare ramp is, slaan de
gevoelens voor zijn dochter om van onverschilligheid in regelrechte haat. Wat
hij haar vooral verwijt is dat zijn zoon meer voor zijn zuster leek te voelen
dan voor hem, de magnaat en pater familias – én dat zij is blijven leven, terwijl
zijn zoon er niet meer is.
Haar gevoelens voor haar vader echter, worden gedomineerd door de steeds sterker wordende wens hem lief te hebben, en vooral ook: omgekeerd door hem liefgehad te worden. Wat tamelijk ongelofelijk is wanneer je leest hoe zij door haar vader behandeld wordt. Florence is een zachtmoedig en goedhartig meisje dat gevoelens van affectie, liefde en mededogen oproept bij heel veel mensen: haar broer Paul; Walter Gay en Mr. Toots, die beiden verliefd op haar zijn; haar gouvernante Susan Nipper, Captain Cuttle en zelfs de wilde straathond Diogenes; bij haar vader weet ze echter geen enkele respons los te krijgen en dat is toch waarnaar zij het meest verlangt.
Dat
laatste levert een paar scènes op die, zoals zo vaak bij Dickens, gekenmerkt
worden door zijn gebruikelijke sentimentaliteit, maar je toch niet onberoerd
laten. Zoals wanneer zij aan de overkant een andere familie zonder moeder
observeert, waarvan de vader zijn dochter werkelijk lief heeft en ook nodig
heeft:
“... the elder child was always waiting for him at the drawing room window, or
in the balcony; and when he appeared, her expectant face lighted up with joy...
She would come down in the hall and put her hand in his and lead him up the
stairs; Florence would see her afterwards sitting by his side, or on his knee,
or hanging coaxingly about his neck and talking to him... they were always gay
together...”
Of bij de toevallige ontmoeting met een arbeider genaamd John, ook een weduwnaar met een dochter: “Ugly, misshapen, peevish, ill-conditioned, ragged, dirty, but beloved!’
Er
is vermoedelijk geen enkel ander vrouwelijk personage bij Dickens dat zo veel
huilt als Florence. Iemand rekende ooit uit dat zij in totaal 88 maal in tranen
uitbarst in het boek. Haar rol lijkt vooral te zijn de cocon van ijs die haar
vader rondom zich heeft opgeworpen, met haar tranen te doen smelten. Lange tijd
zonder succes:
“The warm light vanished from the eyes of little Florence when, at last, they
happenend to meet his.”
Florence’s
gevoelens van emotionele ontbering moeten die van de jonge Charles Dickens
hebben weerspiegeld, uit de tijd dat hij in de schoensmeerfabriek werkte en
zijn vader in Marshalsea Prison was geïnterneerd: hij moet zich toen ook
verwaarloosd en niet geliefd hebben gevoeld, aan zijn lot overgelaten.
Daarnaast is er in Florence (en in veel van zijn jonge heldinnen in de eerdere
romans: allen onderdanig, liefhebbend en enigszins naïef) wel wat terug te
vinden van de door hem geïdealiseerde schoonzus Mary Hogarth, die in zijn armen
was gestorven en moet er in de wijze waarop de jonge Paul steunt op zijn oudere
zuster voor troost en praktische hulp iets hebben gezeten van Charles’ eigen
verhouding tot zijn zuster Fanny.
Florence
biedt de kleine Paul de veiligheid, liefde en stabiliteit die hem in het koude,
afstandelijke Dombey-milieu onthouden worden, zoals ook daarna op het
benauwende internaat in van Mrs. Pipchin in Brighton, waar hij door zijn vader
om gezondheidsredenen wordt geplaatst (later wordt zij Dombey’s huishoudster).
Deze
vrouw, hard en verbitterd, egoïstisch en nog altijd in rouw vanwege haar
overleden echtgenoot en dan vooral diens fout gelopen invertseringen in de
mijnen in Peru, wordt door Dickens schitterend gekarakteriseerd als iemand met
harde, grijze ogen die eruit zagen alsof ze op en aambeeld gehamerd waren
zonder daarbij enige schade op te lopen.
Haar opvoedingsprincipes zijn duidelijk:
“There’s a great deal of nonsense talked about young people not being pressed
too hard at first... It was never thought of in my time and it has no business
to be thought of now. My opinion is: “Keep them at it”.
Florence
neemt in Brighton voor Paul in feite de moederrol op zich en contrasteert
daarmee geheel en al met die twee andere prominente en heksachtige moeders die
elkaar in dit verhaal exact in evenwicht houden.
De eerste is Mrs. Skewton, Dombey’s schoonmoeder bij zijn tweede huwelijk.
‘Cleopatra’ is haar bijnaam; ze is de verpersoonlijking van een adelijke klasse
die inmiddels zeer verarmd is en vecht om te overleven; bij dat gevecht zet deze
moeder ook haar (voor mannen zeer aantrekkelijke) dochter in. Ze grijpt
voortdurend terug op oude tijden, toen alles beter was, maar tracht zelf op een
krampachtige wijze leeftijdsloos en vitaal te blijven, wat een nogal
potsierlijke indruk maakt.
De
andere moeder is ‘good’ Mrs. Brown, die we voor het eerst tegenkomen als zij de
verdwaalde Florence, dan een kind nog, ontvoert en van haar kleren berooft; een
uitermate geslaagde scène trouwens, slechts een bladzijde of 10 lang, maar je
proeft de angst en de verwarring van het kind; alsook de opluchting daarna als
ze Walter Gay tegen het lijf loopt, die haar weer naar huis brengt (hij wordt later
haar echtgenoot en in deze scène is de kiem daarvoor al gelegd).
Mrs. Brown echter zal zich later vooral manifesteren als de zelfzuchtige moeder die door haar (gebrek aan) opvoeding haar dochter Alice volkomen heeft beschadigd.
De
laatste confronteert haar moeder wanneer zij thuis komt uit Australië waar zij
als veroordeelde heen was getransporteerd:
“I have heard some talk about duty first and last; but it has always been my
duty towards other people. I have wondered now and then whether no one ever
owed a duty towards me... There was a child named Alice Marwood... born among
poverty and neglect... Nobody taught her, nobody stepped forward to help her,
nobody cared for her... The only care she knew was to be beaten and abused
sometimes... She lived in homes like this and in the streets, with a crowd of
little wretches like herself.”
Hier
blijkt ook weer Dickens’ sociale engagement: hij was zeer betrokken bij de arme
arbeidersklasse en zette zich in om hun leefomstandigheden te verbeteren.
Regelmatig heeft hij de slums, de achterbuurten waar zij moesten leven,
beschreven en hij vroeg zich daarbij af: hoe kun je verwachten dat op een
mestvaalt mooie bloemen gaan bloeien?
Alice Marwood is het produkt van zo’n omgeving.
Duidelijk
werkt Dickens de parallel uit met een andere dochter, Mrs. Skewtons Edith,
opgegroeid in een gepriviligeerde (hoewel niet rijke) familie, en uitgebuit
door een moeder zonder scrupules (ze moest een rijke echtgenoot binnen brengen
- die echter overleed voordat hij zijn fortuin erfde).
Dickens brengt de beide moeder – en dochterparen bij elkaar tijdens een
toevallige ontmoeting op het strand van Brighton. De dochters lijken in fysiek en
mentaal opzicht elkaars evenbeeld en de moeders worden in hun hypocrisie en
egoïsme tot elkaar aangetrokken.
Mrs.
Skewton is indrukwekkend in haar afstotende groteskheid, één van Dickens’
betere creaties in het segment (moreel) lelijk en onaantrekkelijk, met haar
geaffecteerde gedrag en haar gemanierdheid.
Net als Mrs. Browns Alice confronteert Mrs. Skewtons dochter, Edith, haar
moeder:
“A child! When was I a child?! What childhood did you ever leave to me? I was a
woman – artful, designing, mercenary, laying snares for men... Look at me,
taught to scheme and plot when children play and married in my youth to one for
whom I had no feeling but indifference.”
Het is niet overdreven om te zeggen dat Edith door haar moeder is uitgebuit. Beroofd van haar kindertijd, heeft haar moeder haar niet alleen tot koopwaar gemaakt, een product voor de hoogste bieder (en nu, voor Dombey, die haar tot zijn tweede echtgenote wil maken, is ze dat opnieuw), maar haar bestaan ook tot één grote geleefde leugen, net als dat van Mrs. Skewton zelf. Geen wonder dat de volwassen Edith alleen maar koud, afstandelijk (in die zin het evenbeeld van haar nieuwe echtgenoot) en neerbuigend kan zijn.
Ik
heb van Martin Chuzzllewit gezegd dat
de roman geen erg aantrekkelijke hoofdpersoon had; het geldt in de
overtreffende trap voor Dombey and Son:
de man die het morele hart van de vertelling vormt, Paul Dombey sr., is in zijn
trots, obsessieve koppigheid en onderdrukte gevoelens een zeer problematische
figuur, zeker geen ‘held’ in de traditionele, 19e eeuwse zin van het
woord. Hij is niet wat het Victoriaanse tijdperk als een gentleman beschouwde,
want geen aristocraat: zijn fortuin en aanzien heeft hij in de handel
verworven, maar dat geeft hem wel de gelegenheid om via zijn tweede huwelijk zich
te verbinden met de lagere (verarmde) adel en zo aan status te winnen.
De aspiraties die hij voor zijn zoon heeft zijn louter commercieel: hij wil dat
hij hem in de zaak opvolgt, van Son tot Dombey wordt, zoals hij zelf ook ooit
gedaan heeft.
“His way in life was clear and prepared and marked out before he existed.”
De jonge Paul sterft voordat hij ook maar één voet in de firma heeft kunnen zetten, maar of deze dromerige kindfilosoof ooit een geslaagd zakenman had kunnen worden als hij gezond was geweest, is zeer de vraag.
De
eerste (en meteen belangrijkste) les die Dombey zijn zoon leert, in een terecht
beroemde scène, is dat je met geld alles kunt bereiken.
“If
it’s a good thing and can do anything”, is het heldere weerwoord van zijn zoon,
“I wonder why it didn’t save me my mama.”
Iets waar zijn vader even geen antwoord op heeft.
Waar het zijn relaties met zijn beide echtgenotes betreft: daar eist hij
onderdanigheid in plaats van gelijkheid (iets waar de eerste meer dan bereid
was aan te voldoen; de tweede helemaal niet); respect eerder dan liefde – zeker
geen passionele verhouding.
Mr. Dombey’s ijzeren zelfbeheersing en consequente afstandelijkheid zijn niet
alleen met rampzalige gevolgen voor zijn directe familieleden, die hij stuk
voor stuk doodongelukkig maakt; ze beschadigen álle persoonlijke verhoudingen
met zijn directe omgeving. Alleen lijkt hij zich daar nauwelijks van bewust te
zijn.
Het
valt niet te ontkennen dat hij van zijn zoon houdt en gebroken is als zijn
erfgenaam overlijdt, maar die liefde is altijd ingebed, zoals gezegd, in commerciële
en professionele aspiraties:
“If there were a warm place in his frosty heart, his son occupied it; though
not so much as an infant, or as a boy, but as a grown man – the Son of the
firm.”
Wanneer
zijn zoon sterft, huilt hij (voor de tweede keer in de roman). Maar zijn
verdriet is een expressie van frustratie gekoppeld aan verwarde emoties die hij
aan niemand wil laten zien en zeker niet aan de stervende jongen.
“I’m very glad he didn’t cry”, zegt de jonge Paul, “I thought he did. Don’t
tell them I asked.”
Wat volgt op de dood van zijn zoon is een periode van ultieme eenzaamheid. Dombey is verslagen door een macht die noch hijzelf, noch zijn immense fortuin, kon weerstaan. Dat dat zo ongelofelijk en zo onacceptabel is, en toch zo reëel, is de oorzaak van de verwardheid van zijn emoties.
Om
hiervan te herstellen vertrekt hij, onder begeleiding van de onuitstaanbaar
joviale Major Bagstock (zijn dochter Florence in zijn sombere, levenloze huis
achterlatend) naar het kuuroord Leamington in Warwickshire. Over deze Bagstock
meer in het tweede deel van dit verhaal.


Geen opmerkingen:
Een reactie posten