Romeo and Juliet is zeker niet Shakespeare’s beste stuk (wel één van de populairste). Maar het is in zijn eigen oeuvre én in de wereldliteratuur ongeëvenaard als een uitbeelding van een onvoorwaardelijke wederzijdse liefde (en nog op het eerste gezicht ook) die tenonder gaat aan zijn eigen idealisme en intensiteit. Hoewel ook de oudere generatie daar een rol in speelt. Of stond hun lot gewoon in de sterren geschreven? De proloog van het stuk duidt hen aan als ‘star crossed lovers’. Geliefden die door ‘de sterren’ worden gedwarsboomd.
Shakespeare’s scherpste, intelligentste en
meest volwassen vrouwelijk personage, Rosalind in As you like it, zegt zeer gevat dat mannen zowel als vrouwen “háve
died from time to time and worms háve eaten them, but not for love”. Helaas,
Romeo en Juliet sterven wel ‘for love’. Star crossed? Het had zeker anders
kunnen lopen. Dat maakt dit stuk, dat begint als een komedie / romance, tot een
buitengewoon droevige tragedie.
Veel van Shakespeare’s stukken gaan over
conflicten tussen de generaties; Romeo
and Juliet is daar het eerste voorbeeld van. Maar ook in Henry IV (met zijn dubbele
generatieconflict Falstaff versus Hal en de koning tegenover zijn zoon), Hamlet (basis van het drama is een
opdracht die de hoofdpersoon krijgt van de geest van zijn overleden vader), King Lear (de koning en zijn drie
dochters) en the Tempest (Prospero met
zijn dochter Miranda) speelt het generatieconflict een hoofdrol.
Als de Nurse, die medeverantwoordelijk is
geweest voor de opvoeding van Juliet, herinneringen
ophaalt aan haar pupil, pikt ze er momenten uit die haar bijgebleven zijn,
impressies uit het familieleven. Deze paar feiten karakteriseren voor haar
Juliet, het is voor haar de essentie. Maar het zijn uiterlijkheden; de oudere
generatie ziet niet dat Juliet al een hele innerlijke ontwikkeling heeft
doorgemaakt waar zij geen weet van hebben. Zo zal later blijken, tijdens de
crisis die is ontstaan door Romeo’s verbanning, als haar (de Nurse) liefde voor
en begrip van Juliet werkelijk getest worden, dat het kleine meisje dat ze
heeft helpen opvoeden inmiddels een volwassen vrouw is geworden die een
ontwikkeling heeft doorgemaakt die ver buiten haar bevattingsvermogen ligt. En
haar ouders weten al helemaal niet wat er in hun dochter omgaat.
Iets soortgelijks geldt voor het beeld dat (zijn
generatiegenoot) Mercutio heeft van Romeo: hij heeft geen idee van wie zijn
vriend werkelijk is en wat hem bezig houdt, wat de aard van zijn liefde is.
Eigenlijk is dit essentieel voor het hele stuk: Mercutio en de Nurse, biechtvader
Friar Laurence, de beide ouderparen: ze onderschatten schromelijk hoe diep en
mysterieus, hoe gevaarlijk ook de
liefde tussen Romeo & Juliet is. Het is veel meer dan een voorbijgaand
puberaal avontuur.
In deze botsing tussen de generaties staan
de vaders voor een vorm van autoriteit die is gebaseerd op in het verleden
opgedane ervaringen, op traditie. Daar komt dan ook nog bij dat er tussen de
families van Romeo en Juliet, de Capulets en Montagues, een oude bloedvete
bestaat. ‘A black strife’ noemt Shakespeare het; ieder lid van deze beide
families wordt geboren in een sfeer van haat en vijandigheid.
Slechts één ding is krachtig genoeg om deze oeroude vete te doorbreken: de liefde tussen twee jonge mensen. Als we Romeo voor het eerst ontmoeten is hij nog verliefd op Rosaline en spreekt hij in cliché’s, alsof hij tweederangs liefdespoëzie reciteert, het soort formele zinnen waarvan de lords in Love’s labour’s lost zich bedienen. Juliet was altijd al een stuk volwassener, maar ook Romeo’s taal verdiept zich nadat hij Juliet heeft ontmoet en onmiddellijk verliefd op haar wordt. Shakespeare zorgt er op slimme wijze voor dat we Rosaline nooit te zien krijgen; het blijft bij Romeo’s sentimentele praatjes. Die onmiddellijk verdampen zodra hij, op het feest bij de Capulets, een eerste blik kan werpen op degene die wérkelijke liefde bij hem doet ontwaken: het beeld vervangt het woord en het werkt sterker dan duizend stoffige zinnen liefdespoëzie.
De gesproken sonnet waarmee de twee elkaar (verbaal) aftasten heeft nog iets kunstmatigs, maar bij de balkonscène en in de ochtend na de eerste liefdesnacht krijgen Romeo’s verzen een nieuwe diepgang; bij Juliet was die, ondanks haar jonge leeftijd – ze is 14! – altijd al aanwezig.
Toch heeft ook die sonnet iets heel bijzonders. Om de beurt spreken ze enkele regels: Romeo het eerste kwatrijn en Juliet het tweede; in het sextet wisselen ze regels uit en eindigen gezamenlijk met het afsluitende couplet. Shakespeare bereikt hier door het hanteren van de sonnetvorm op het toneel een intimiteit die normaal gesproken alleen voorbehouden is aan de solitaire poëzie-lezer. Bovendien suggereert het gebruik van de formele sonnetvorm en het complexe rijmschema het idee van geharmoniseerde, samengevoegde tegenstellingen, dus een bij elkaar komen van de vijandige huizen Montague en Capulet.
Hun uitwisseling (op het feest, zie afbeelding) is een spits en adrem duel van woorden zoals dat in de komedies van die tijd gebruikelijk is (in deze fase ís Romeo and Juliet ook nog gewoon een komedie). De vocabulaire die ze hanteren is overwegend religieus: ‘I profane with my unworthiest hand this holy shrine’, ‘saints have hands that pilgrims hands do touch, and palm to palm is holy palmers kiss’; palmer is een ander woord voor pelgrim, maar Shakespeare koppelt het hier aan de handpalm en vervolgens wordt het raken der handen een kus. Maar: “Have not saints lips en holy palmers too?” vraagt Romeo dan, maar Juliet houdt de boot nog af: “Ay, pilgrim, lips that they must use in prayer”.
De taal is Middeleeuws. De minnaar bij Chretien de Troyes (auteur van Middeleeuwse liefdesverhalen) knielt voor de kamer van zijn geliefde als voor een altaarbeeld. Het is een beeld van tegelijkertijd diepe devotie en blasfemie: religieuze beelden voor het beschrijven van een aardse romance. Shakespeare gebruikt hier dat spanningsveld en lijkt ermee al te verwijzen naar het gevaar dat in de devotie van de beide geliefden voor elkaar besloten ligt.
Juliet heeft al een voorgevoel van iets dat boven hun ontmoeting hangt, het is “too rash, too unadvised, too sudden, too like the lightning, which does cease to be ere one can say ‘it lightens’.”, zegt ze. En Romeo had het over profaning (ontwijden) this holy shrine.
Tegenover deze beide in de loop van de tijd
spreekwoordelijk geworden geliefden plaatst Shakespeare een tweetal op het
eerste gezicht zeer verschillende characters, die echter bij nader inzien heel
veel gemeenschappelijk hebben: Mercutio en de Nurse. Beiden zijn zeer vitaal en
vurig, beiden spelen een belangrijke rol bij de voortgang van de plot: de Nurse
als boodschapper tussen de twee geliefden; Mercutio als belangrijkste
veroorzaker van het duistere keerpunt dat het stuk van een komedie / romance in
een tragedie doet veranderen; beiden blijken, bij alle aantrekkelijke kanten
die hen tot publieksfavorieten maakt, toch ook heel akelige trekjes te hebben.
Ondanks de broederlijke affiniteit die Mercutio en Romeo voor elkaar voelen, is
er een groot verschil tussen beide vrienden: Mercutio’s boosheid en agressie,
zijn neiging tot geweld, zijn opvliegendheid en voortdurend op sex gerichte
geest maken dat de veel mildere (en bovendien verliefde) Romeo toch afstand van
hem houdt, maar (en dat is de ironie) zich tenslotte wel genoodzaakt ziet in te
grijpen in een door Mercutio gestarte ruzie die de dood van de één (Mercutio)
en verbanning van de ander (Romeo) tot gevolg heeft.
Vaak wordt ook gezegd dat Shakespeare voor de voortgang van het stuk wel gedwongen was Mercutio dood te laten gaan; hij is zo’n extravert personage dat hij het hele stuk gedomineerd zou hebben; terwijl de echte nadruk toch op de twee geliefden dient te liggen.
![]() |
| Juliet and the Nurse |
Het is tekenend dat beiden, Mercutio en de
Nurse, zodra ze elkaar ontmoeten, een instinctmatige hekel aan elkaar hebben:
twee drukke praters die elkaar het podium niet gunnen. Romeo’s karakteristiek
van Mercutio is zeer treffend: “A gentleman, Nurse, that loves to hear himself
talk and will speak more in a minute than he will stand to in a month”. En de
reactie van de Nurse, als Mercutio eenmaal vertrokken is, is zelfs kwaadaardig
te noemen: zij beklaagt zich bij Romeo over deze ‘saucy merchant’. “Scurvy
knave! I am none of his flirt gills [= loose women], I am none of his
skains-mates [= cut-throat companions]”.
Mercutio en de Nurse zijn jeugd en ouderdom
van hetzelfde type. Hij zou een zelfde soort oude man zijn geworden als zij nu
een oude vrouw is en zij was ongetwijfeld in haar jeugd het evenbeeld van
Mercutio. Behalve wanneer ze ruzie zoeken, denken ze beiden aan niets anders
dan sex; zelfs de onschuldige vraag hoe laat het is krijgt bij Mercutio een
schunnig antwoord, het nauwelijks vertaalbare, maar lekker bekkende “the bawdy
hand of the dial is now upon the prick of noon”. Soms valt het eigenlijk niet
op dat Mercutio’s taalgebruik zo vunzig is; het verbergt zich achter het 16e
eeuwse Elizabethaanse idioom: je hebt er de voetnoten bij nodig om te ontdekken
hoe obsceen deze of die woordspeling eigenlijk wel is.
![]() |
| Mercutio |
Maar zelfs deze catalogus van ragfijne gewichtsloosheid moet natuurlijk weer eindigen in de voor Mercutio kenmerkende grofheid, wanneer hij zegt dat Queen Mab, de elfenkoningin, meiden op hun rug legt zodat ze geile mannen kunnen ontvangen, bewoordingen die een intense vijandigheid en agressiviteit t.o.v. de sexuele daad verraden.
Deze wilde improvisatie roept een geest op
die bezit neemt van Mercutio, Romeo moet hem weer tot zichzelf brengen. De
speech is een kunststukje dat een ongelofelijke expressie en beweeglijkheid van
de acteur vraagt, de woorden vliegen in steeds hoger tempo het toneel rond
terwijl de acteur zichzelf welhaast in trance brengt: een combinatie van subtiele
lyriek en een veeleisend staaltje fysiek acteren.
Maar dat Mercutio een oppervlakkige geest
heeft, blijkt uit zijn houding tegenover dromen: “children of an idle brain,
begot of nothing but vain fantasy”. Terwijl Romeo van mening is dat ‘dreamers
dream things true’. Vanaf het eerste moment dat Romeo en Juliet elkaar
ontmoeten, zitten ze beiden vol droombeelden en voorgevoelens die een vaag
bewustzijn van hun tragische lot bevatten en afkomstig lijken te zijn uit een
bron van wijsheid aan gene zijde van de tijd. Zoals wanneer Romeo, na hun
eerste huwelijksnacht, op het punt staat naar Mantua te vertrekken, zijn
ballingsoord. Eerst nog zegt Romeo dat het allemaal goed komt: “O thinkst thou
we shall ever meet again?”, vraagt Juliet. En Romeo: “I doubt it not and all
these woes shall serve for sweet discourses in our times to come”. Maar Juliet
heeft weer een bang voorgevoel: “O God, I have an ill-divining soul! Methinks I
see thee, now thou art so low (Romeo staat al beneden, klaar te vertrekken) as
one dead in the bottom of a tomb...”
Het is niet alleen zo dat Romeo en Juliet
prachtige poëzie spreken, zij zijn
ook poëzie, ze belichamen het, tot aan die prachtige scènes van tragische
intensiteit (vooral daar!) aan het slot in de grafkelder waar aan hun beider
levens een einde komt. Als zijn biechtvader Friar Laurence de filosofie bij
Romeo aanbeveelt als troost in zijn verbanning (de ‘Vertroosting van de
Filosofie’), reageert deze met: “Hang up philosophy! Unless philosophy can make
a Juliet... it helps not...” Nee, filosofie misschien niet, maar poëzie wel.
De balkonscène is het magische, romantische centrum van het stuk. Romeo gaat bij de eerste aanblik van Juliet voor de bijl: “What light through yonder window breaks? It is the east and Juliet is the sun!” De sterren en haar ogen wisselen van plaats: “Her eyes in heaven would through the airy region stream so fast that birds would sing and think it were not night”.
Er is de beroemde passage waarin Juliet filosofeert over het verband tussen naam en ding: zou een roos anders ruiken als hij niet de naam ‘roos’ had? ‘Montague’ is toch ook maar een willekeurige aanduiding: “What’s Montague? It is not hand nor foot nor arm nor face nor any other part belonging to a man... What’s in a name?”
En tenslotte de woorden waarmee ze de oneindige diepte van haar liefde beschrijft:
“My bounty is as boundless as the sea, my love as deep. The more I give to thee the more I have, for both are infinite”.
Het is de meest geëxalteerde verklaring van romantische liefde in de literatuur. Het is liefdespoëzie pur sang.
Dan is er de speech waarin Juliet, vol
ongeduld, op Romeo staat te wachten. Ze gaan hun eerste nacht samen doorbrengen
na de sluiting van hun huwelijk door Friar Laurence. De speech begint met
“Gallop apace, ye fiery footed steeds”: ze wil dat de tijd sneller verstrijkt
en het duister brengt dat Romeo voor de buitenwereld (die niets mag weten van
hun verbintenis) verborgen moet houden. Uiteraard zit er in hoge mate een
fysieke, sexuele component in haar verwachtingen: ze zal deze nacht ontmaagd
worden: “Come, civil night, learn me how to lose a winning match (‘lose’ in de
zin van: haar maagdelijkheid verliezen), played for a pair of stainless
maidenhoods...”
Maar dan, op een totaal niet rationele wijze, steekt een onbewuste angst de kop
op, is er weer zo’n plotse flits die in de toekomst schouwt, en zich een beeld
vormt van haar eigen dood en die van Romeo:
“Give me my Romeo; and when I shall die take him and cut him out in little
stars and he will make the face of heaven so fine that all the world will be in
love with night and pay no worship to the garish sun”. Het is een beeld, niet van ellende en
duisternis, maar van een ultieme kosmische triomf!! Een beeld waarin sexuele
extase en uitdoving, vernietiging, samen komen; de dood en het eeuwig
voortleven als een hemellichaam. De tegenstelling is opvallend: Juliet ziet
zichzelf als louter sterfelijk, terwijl ze Romeo een metamorfose in stralende
onsterfelijkheid toedicht.
In vergelijking daarmee is Mercutio uit een
heel ander hout gesneden. De Queen Mab speech heet dan zijn onverwachte
lyrische kant en zijn verbeeldingskracht naar buiten te brengen; de speech is
toch vooral een burleske catalogus van aan het bijgeloof van volksverhalen
ontsproten fantasiefiguren; een mooie inventarisatie van onder welke namen en
voorkomens verborgen irrationele krachten sinds oude tijden bekend stonden.
Zijn poëzie is uiterlijk vertoon, een op imponeren gerichte koude schittering.
Ondanks zijn onmiskenbare agressiviteit is
Mercutio in de eerste twee bedrijven, met zijn plagerijen en schunnige
woordspelingen bij uitstek een komische figuur, zoals eigenlijk de hele
setting, met de vermakelijke Nurse, Romeo’s sentimentaliteiten en het gebabbel
van de oude Capulet, typisch de setting van een komedie is. Zelfs de vete
tussen de twee families is in zo’n komedie een hobbel die genomen moet worden:
de geliefden worden eerst tegengewerkt, maar uiteindelijk komt het goed. Hier
niet dus.
Maar zelfs in het tweede deel van het stuk, na Romeo’s verbanning (we hebben
dan eigenlijk de indruk dat het nog wel goed zal komen) is er komedie in het
absurde nachtelijke gehannes van de oude Capulet die de voorbereidingen van het
huwelijksfeest in gang zet. Hij weet dan uiteraard nog niet wat hem bij het
aanbreken van de huwelijksdag boven het hoofd zal hangen (zijn dochter die
schijnbaar dood wordt aangetroffen), maar zelfs nadat de rouwklachten een
aanvang hebben genomen is er nog een komische aanvaring tussen de bediende
Peter en de ingehuurde musici, die hem uiteindelijk afweren: “’tis no time to
play now!”
![]() |
| Richard Burbage, eerste Romeo |
Vandaar Shakespeare’s behoefte aan kolderieke scènes in het midden van een tragedie; we vinden het ook bij de Gravediggers scene in Hamlet of the Porter in Macbeth, een komische scène vlak na de moord op King Duncan, terwijl de Nar een belangrijke rol speelt in het eerste deel van King Lear.
Het is ook één van de conclusies die ik
trok in mijn vorige stuk (over Shakespeare’s tragedies) waarin één van de
belangrijkste stellingen luidde dat “dat de paradoxale notie van de Natuur van
harmonie in tegenstellingen, waarin orde tijdelijk kon omslaan in wanorde en
alles geregeerd werd door de tegengestelde krachten liefde en haat” door
Shakespeare ijn veel van zijn tragedies gehanteerd wordt.
De slotconclusie daar luidde:
“Het erkent een dialectische conceptie van de werkelijkheid, de kosmos, de
natuur: als een dynamisch, slechts steeds tijdelijk stabiel systeem waarin
liefde uit haat, oorlog uit vrede en tragedie uit komedie voortkomt en
andersom”.







Geen opmerkingen:
Een reactie posten