De relatie tussen deze Don Quichote en Sancho Panza is in feite het centrale gegeven van het boek.
In mijn stuk over Dickens’ Pickwick Papers schreef ik over een andere meester –
knecht relatie, die tussen Samuel Pickwick en zijn bediende Sam Weller:
“De relatie tussen de twee Sams,
Samuel en Sam jr., is één van de sieraden van het boek. Pickwick neemt hem aan
als zijn bediende, maar al snel is er geen meester – knecht verhouding meer. Ze
zijn gelijken, loyale vrienden, als een jongere en oudere broer.”
En hoewel ik vervolgens schrijf dat de vergelijking met Don Quichot en
Sancho Panza die vaak gemaakt wordt niet helemaal terecht is, omdat Pickwick zo
totaal anders in het leven staat als de Don, is het hierboven aangehaalde
citaat m.b.t. Samuel en Sam jr. wel
degelijk ook van toepassing op de Don en zijn knecht. Die relatie draagt het
boek en dat is eigenlijk heel ontroerend. Natuurlijk, de uitbeelding van de ruige
natuur van Centraal Spanje en het sociale leven van die tijd, dat zich afspeelt
op de meest uiteenlopende plekken, van herbergen tot kastelen – het is zonder
meer krachtig, beeldend en veelzijdig; Cervantes heeft geput uit zijn ervaringen als rondreizend
ambtenaar in Castilië en Andalusië.
Maar het zijn niet die beschrijvingen, het is de liefhebbende relatie (hoe nors en ruzieachtig ze ook tegen elkaar kunnen zijn) tussen de twee mannen die de grootheid van dit boek uit maakt. De gesprekken tussen hen beiden zijn hilarisch. Geweldig om te lezen!
Neem
bijvoorbeeld de volgende passage. De Don is weggevlucht voor een troep woedende
dorpelingen, zonder zich verder om Sancho te bekommeren. Hij legt zijn gehavende
schildknaap uit wat de essentie is van dapperheid:
“Wie zich terug trekt, vlucht niet ... Weet Sancho, dat moed die niet berust op
een fundering van behoedzaamheid roekeloosheid heet ... Ik geef dus toe dat ik
me heb teruggetrokken, maar niet dat ik ben gevlucht... door zo te handelen heb
ik vele dapperen nagebootst, die zich hebben gespaard voor betere tijden, iets
waar de boeken vol mee staan, maar daar ga ik nu niet verder op in, omdat jij
er niets mee op schiet...”
Sancho klaagt dat het overal pijn doet en hij niets heeft aan de troost die
zijn meester hem denkt te bieden:
“De oorzaak van je pijn is ongetwijfeld dat de stok waarmee ze je sloegen lang
en recht was, zodat hij je hele rug, waar alle delen zitten die pijn doen,
raakte”. “Bij God”, zei Sancho, “u heeft me uit een grote twijfel gehaald en de
zaak prachtig verklaard. Goede hemel! Was de oorzaak van mijn pijn zo
onduidelijk dat het nodig was me te vertellen dat ik overal pijn heb waar de
stok is neergekomen? ... ik kom er met de dag meer achter hoe weinig ik kan
verwachten door me in uw gezelschap op te houden; deze keer heeft u
goedgevonden dat ik werd afgeranseld, maar een volgende keer en honderd
volgende keren zullen we het gejonas van laatst [ook weer een groep dorpelingen
die de achtergelaten Sancho te grazen nam] en meer van die kwajongensstreken
opnieuw beleven... ik zou er veel beter aan doen als ik terugging naar mijn
huis en naar mijn vrouw en kinderen om ze te onderhouden ... en niet achter u
aan te lopen langs ongebaande wegen en niet bestaande paden en routes, terwijl
ik slecht eet en nog slechter drink”
En inderdaad,
nog veel vaker zal Sancho op het punt staan om na weer een oorwassing naar huis
te gaan en altijd weer besluit hij tenslotte zijn meester trouw te blijven.
Maar wat
belangrijker is: de één verrijkt de geest van de ander. Ook hier geldt: dit is
geen verhouding van meester tot knecht. Er wordt verhit gedebatteerd – en op
gelijk niveau! Elke gedachte wordt over en weer gewogen en gekritiseerd, men is
het vaak heftig oneens met elkaar, maar altijd op een hoffelijke wijze, met groot
respect voor elkaars opvattingen. Eigenlijk zou je kunnen zeggen dat zij beiden
zichzelf ontwikkelen, veranderingen doormaken, door naar elkaar te luisteren.
Harold Bloom formuleert dat heel mooi: Shakespeare heeft geweldige personages
geschapen die grootse teksten te spreken hebben, maar eigenlijk alleen voor
zichzelf. Bij Shakespeare is nauwelijks iemand te vinden die naar de ander
luistert (Rosalind en Celia in As you like it zijn uitzonderingen). Hamlet
luistert naar niemand, King Lear is onbereikbaar in zijn waanzin, Macbeth ziet
alleen zijn eigen ambitie en als Anthony sterft, luistert Cleopatra
voornamelijk naar zichzelf. Hal en Falstaff komen in hun eindeloze
twistgesprekken nooit nader tot elkaar. Die personages zitten opgesloten in hun
eigen eenzaamheid en veranderen alleen door wat Bloom ‘self-overhearing’ noemt:
door naar de uit hun eigen innerlijk opborrelende gedachten en gevoelens te
luisteren en die te verwerken, zijn ze in staat tot verandering. Dat levert
vaak een heel indrukwekkend proces op en is fascinerend om te volgen. Maar
Cervantes is zoveel humaner. In hun vriendschap en hun affectie voor elkaar
wordt Don
Quichot gered door Sancho Panza en Sancho door de Don. Het is duidelijk dat Cervantes een grote liefde heeft opgevat
voor zijn beide hoofdpersonen, wat maakt dat wij als lezers ook van hen gaan
houden.
In de loop van
het schrijfproces moet de figuur Don Quichot een deel zijn geworden van de
schrijver Cervantes: hij heeft zijn creatie verinnerlijkt en is van daaruit
verder gaan schrijven. Aan het eind van het boek formuleert hij het zo: “Voor
mij alleen is Don Quichot geboren en ik voor hem. Hij wist van wanten (dat is
een vinding van de vertaalster; in de Engelse vertaling heet het: ‘he knew how
to act’, wat ik eigenlijk beter vind) en ik van schrijven; alleen wij tweeën
passen bij elkaar”.
In mijn verhaal over de Pickwick Papers heb ik de goedaardige Samuel Pickwick gezet tegenover de schurk en bedrieger Alfred Jingle. Don Quichot heeft een soortgelijke antagonist: de galeiboef Gines de Pasamonte (zie afbeelding).
Wanneer Don Quichot en Sancho hem voor het
eerst ontmoeten maakt hij deel uit van een groep geketende gevangenen die door
de koning veroordeeld zijn tot roeien in de galeien. En Don Quichot is
onmiddellijk aangedaan: “Hoe je het ook wendt of keert, de mensen die daar
worden meegevoerd, gaan onder dwang en niet vrijwillig... dan is hier de
uitoefening van mijn beroep op zijn plaats; dwang teniet doen en ongelukkigen
te hulp schieten en bijstaan”.
Gines is de gevaarlijkste van allemaal, hij heeft een paar extra kettingen om
zijn nek. Hij claimt een boek te hebben geschreven over zijn eigen leven dat
alle contemporaine literatuur (inclusief de ridderromans waar Don Quichot zo
verzot op is) in de schaduw zal stellen. Hiermee heeft hij natuurlijk
onmiddellijk de aandacht van de Don. “Is het boek af?”, wil deze weten. “Hoe
kan dat nu, als mijn eigen leven nog niet af is?”, luidt het antwoord. Don
Quichot weet Gines op miraculeuze wijze te bevrijden uit de handen van zijn
bewakers, maar stank voor dank:
“Pasamonte, die niet veel kon hebben en al in de gaten had dat Don Quichot niet
helemal goed bij zijn hoofd was, daar hij zoiets onzinnigs had gedaan als hem
in vrijheid te stellen, gaf, toen hij zich op die wijze bejegend zag [Don
Quichot begint hem uit te schelden als blijkt dat Gines niet bereid is zijn
complimenten over te brengen aan de door hem verafgode Dulcinea van El Toboso],
zijn metgezellen een wenk, waarna ze een paar stappen achteruit deden en zo’n
hoeveelheid stenen op Don Quichot lieten neerregenen, dat deze handen tekort
kwam om zich met zijn schild te bedekken ... Sancho kroop weg achter zijn ezel
en beschutte zich zo tegen de wolk van stenen die over hen beiden neerkwam”.
Hier blijkt Don Quichots gevoel voor
rechtvaardigheid (ik zei het al, in al zijn gekte is hij een goed mens); het
komt hem als onjuist voor, zegt hij, dat wie God als vrij mens geschapen heeft
tot slaaf wordt gemaakt. Al pakt het natuurlijk weer verkeerd uit...
In het tweede deel van de roman keert Gines terugals de illusionist Meester Pedro, rondreizend met een poppenkast en een mysterieuze aap. Het poppenspel dat hij opvoert is zo realistisch dat het Don Quichot tot een ranzende aanval op de poppenkast brengt: hij slaat de boel kort en klein.
“’Ik zal van mijn levensdagen niet toestaan dat in mijn aanwezigheid een beroemd ridder als Don Gayferos [de ridder van Karel de Grote die de hoofdpersoon van het poppenspel is] kwaad wordt gedaan. Stop, onedel gespuis’. En de daad bij het woord voegend, trok hij zijn zwaard, stond met één sprong voor de poppenkast en liet het met nooit vertoonde woede slagen regenen op de Moorse poppen [de aanvallers van Don G.], waarbij hij sommigen neersloeg, anderen onthoofdde, deze verminkte, gene vermorzelde en een van de keren zo uithaalde, dat, als meester Pedro niet gebukt had, zijn hoofd er zeker afgemaaid zou zijn geweest”.
Een schitterende, absurde scène, één van de hoogtepunten van de roman.
Voordat hij tot deze daad van ongekende
agressie komt, wijst Don
Quichot Meester Pedro erop dat kerkklokken geen plaats kunnen hebben in een
verhaal dat speelt in de moslim wereld. Zijn antwoord: “Let niet op
kleinigheden, Don Quichot, en drijft u de zaken niet op de spits, want dan is
het einde zoek. Worden er in dit land niet aan één stuk door duizend toneelstukken
opgevoerd met duizend onjuistheden en ongerijmdheden, die desondanks veel
succes hebben en niet alleen instemmend maar zelfs bewonderend worden
aangehoord?”
Het is een heerlijke truc van Cervantes: hier smokkelt hij impliciet een
kritiek op zijn grote rivaal Lope de Vega de roman binnen. De aanval op de
kartonnen illusies van het poppenspel is ook een aanval op de slechte smaak van
het grote publiek, dat door Vega voortdurend op zijn wenken bediend werd.



Geen opmerkingen:
Een reactie posten