dinsdag 31 mei 2022

Don Quichot van Cervantes, deel 1

Don Quichot van Miguel de Cervantes wordt wel gezien als de   eerste moderne roman. (N.B.: iedere keer als ik naar de roman   verwijs, cursiveer ik de titel: Don Quichot, de Nederlandse versie   van het Spaanse Don Quijote. Verwijs ik naar het gelijknamige   personage, dan is het gewoon Don Quichot.)

 Het eerste deel verscheen in 1605, het jaar waarin Shakespeare   maar liefst drie meesterwerken schreef: King Lear, Macbeth en   Anthony and Cleopatra, het tweede in 1615. Wat daarvoor aan   proza geschreven werd waren pastorale romances (vaak met als   herder vermomde ridders in de hoofdrol), ridderromans en   picareske vertellingen: avonturenkronieken over rondreizende   schelmen zoals Tijl Uilenspiegel. En weliswaar is Don Quichot een   verhaal over een man die verslaafd is aan ridderromans (heel   uitzonderlijk was dat niet in die tijd; zelfs de heilige Ignatius van Loyola was er verzot op) en zich ook inbeeldt een ridder te zijn; een man die bovendien rondreist met zijn schildknaap Sancho Panza en allerlei avonturen beleeft – maar het is toch veeleer een parodie op de ridder – of avonturenroman. En als het al een avonturenroman is, dan vooral een avonturenroman van de geest. Hierin was het in zijn tijd volkomen uniek: een boek dat niet alleen vermaak biedt en humoristisch (héél erg humoristisch) is, maar ook wijsheid en van alles te zeggen heeft over de menselijke conditie en daarbij maatschappelijke, ethische en filosofische thema’s aansnijdt.

Maar Don Quichot is geen roman in de traditionele 19e eeuwse zin, met strakke constructie en plotopbouw. Integendeel, het verhaal waaiert alle kanten op en lijkt alles in zich op te nemen wat toevallig voorbij komt: verhalen in een verhaal, dromen, hallucinaties, uit de hand lopende gedachtengangen, toespraken en preken. En de auteur onderbreekt geregeld het narratief van zijn  held om in te breken met zijn  eigen besognes of zet het verhaal stop om verschillende interpretaties van deze of gene gebeurtenis te vergelijken.  
Bovendien past Cervantes een bekende truc toe. Deze tekst zou niet van hem zijn, maar gebaseerd op een gevonden manuscript in het Arabisch. En om het nog ingewikkelder te maken: ook de vertaler van dat manuscript last af en toe commentaar in op de tekst die hij vertalen moet.
Verder lopen in deel II van Don Quichot allerlei figuren rond die deel I gelezen blijken te hebben en gaat Cervantes in dat tweede deel in op een valse uitgave van het boek die in 1614, in werkelijkheid dus, was verschenen. Hij legt dit nieuws in zijn eigen boek voor aan de Don, die er zijn zegje over zegt en vervolgende juist niet naar Zaragoza gaat – omdat de geschiedenis van de valse Don Quichot zich daar voor een deel afspeelt.
Een voortdurend spel tussen fictie en werkelijkheid. Postmoderne trekken in een roman uit het begin van de 17e eeuw!

Het boek was onmiddellijk zeer populair, niet alleen in Spanje zelf, maar ook ver daarbuiten; het is het meest vertaalde (en meest geïllustreerde!) boek na de Bijbel.
Eigenlijk is het wel bijzonder dat de eerste roman ooit, een boek van meer dan 400 jaar oud, ook nog steeds beschouwd wordt als één van de beste romans ooit: voor veel mensen is het hun favoriete roman, het boek dat ze me zouden willen nemen naar een onbewoond eiland. Ik zou zo ver niet willen gaan. Dan zou ik eerder kiezen voor Ulysses van James Joyce, de Gebroeders Karamazov van Dostojevski of Bleak House van Dickens.

Over die onmiddellijke populariteit in Spanje nog het volgende. Philips II stierf in 1598, Elizabeth I van Engeland in 1603. Het maakte de weg vrij voor de nieuwe vorsten Philips III en James I om nu een vredesverdrag te sluiten tussen wat onder de vorige monarchen nog aartsvijanden waren geweest. Voor de Engelse delegatie die het vredesverdrag in Spanje komt ratificeren wordt een optocht georganiseerd. Daarin lopen Don Quichot en Sancho Panza mee: nu al horen zij tot het Spaanse erfgoed!! (En Shakespeare’s troep speelt voor de Spaanse delegatie bij het tegenbezoek).

En ik moet toegeven, het mag dan niet mijn beste roman aller tijden zijn, Don Quichot is zonder meer een heerlijk boek om te lezen: ontzettend grappig, maar met een diep tragische ondertoon, wat het lezen soms ook tot een pijnlijke ervaring maakt. Het is tragedie en komedie tegelijkertijd. De Don is een romantisch idealist die voortdurend stuit op de weerbarstigheid van de realiteit en juist dat maakt hem zo aandoenlijk en de vertelling aangrijpend, vaak ook somber of zelfs wreed (in de vernederingen die de Don moet ondergaan).
En wat vooral treft, ook na 400 jaar nog, is de buitengewone levendigheid van de vertelling. Cervantes lijkt zijn verhaal helemaal te improviseren, het ontstaat waar je als lezer bij staat; het plezier van het vertellen spat ervan af. Hij laat zijn held bij deze kruising rechtsaf slaan, op goed geluk, dan weer dit zijpaadje; vervolgens heeft hij een toevallige ontmoeting die hem weer naar een andere plek brengt. Hij krijgt ergens onderdak en besluit na een willekeurig aantal dagen maar weer eens op te stappen. Precies zoals dat gaat wanneer je begin 17e eeuw op het Spaanse platteland rondreist. Zo’n begeesterde gids, daar word je zelf ook helemaal enthousiast van.

Miguel de Cervantes
 Cervantes werd geboren in 1547, 17 jaar voor Shakespeare.   Waarschijnlijk is hij een  dag voor zijn Engelse tijdgenoot   gestorven: 22 april 1616. Maar we weten veel meer van de mens   Cervantes (lees de fraaie biografie van Donald McCorey, die zelf   ook weer leest als een avonturenroman, door het veelbewogen   leven van zijn onderwerp) dan van de mens Shakespeare.   Shakespeare’s meest gewaagde daad was zijn verhuizing van   Stratford naar Londen, waar hij de rest van zijn leven (op de laatste   jaren na) gevestigd bleef. Cervantes nam dienst in het leger van   Philips II en maakte de slag van Lepanto mee, de grote zeeslag met   de Turken, raakte daar gewond en kon zijn linkerarm (of   linkerhand, dat wordt nooit helemaal duidelijk) niet meer   gebruiken. Eenmaal uit dienst en op de terugweg naar Spanje   werd zijn schip gekaapt door piraten, waarna hij 5 jaar in   gevangenschap doorbracht in Algiers en 4 onsuccesvolle uitbraakpogingen deed voordat hij uiteindelijk door monniken werd vrijgekocht. Hij werd gehaat als inkoper van proviand voor de Armada (de vloot die in 1588 tegen Engeland op trok en door stormen en de Engelse marine naar de haaien ging), die bij de boeren graan en olijfolie kwam confiskeren. Daarna heeft hij, wegens vermeende fraude als belastinginspecteur, zijn volgende betrekking, ook nog in Spaanse gevangenissen gezeten. Waarschijnlijk is hij daar aan Don Quichot begonnen. En hij had eigenlijk altijd geldgebrek. Ook na het grote succes van dat boek; royalties heeft hij nooit gekregen
Dat uit zo’n leven wat nu nog steeds erkend wordt als één van de absolute meesterwerken uit de wereldliteratuur opbloeit, is eigenlijk een raadsel.

Shakespeare was behalve een geweldige toneelschrijver ook zeer bedreven in zaken doen en stierf als een rijk man. Cervantes niet dus. Was hij zich bewust van de bijzondere kwaliteiten van zijn Don Quichot? Hij had liever naam gemaakt als toneelschrijver. Hij moet 20 tot 30 komedies hebben geschreven, maar erg succesvol waren ze niet en er is niet veel van bewaard gebleven. Toneel stond in de Spaanse Gouden Eeuw hoog aangeschreven en Cervantes was jaloers op zijn collega Lope de Vega (met wie hij een literaire vete uitvocht), die wel succesvol was als toneelschrijver, maar tegenwoordig qua beroemdheid niet in de schaduw van Cervantes kan staan.

De schrijver Shakespeare verdwijnt a.h.w. in zijn werk, je komt er nooit achter wat zijn persoonlijke opvattingen waren, zelfs niet of hij katholiek was of protestant (wat een halszaak was in die dagen). Cervantes de auteur is buitengewoon aanwezig in het boek Don Quichot ; je zou zelfs kunnen zeggen dat hij na de Don en Sancho de derde hoofdpersoon is.
Bij hem is het wel bekend dat hij altijd een trouwe katholiek is gebleven (Er gaan overigens geruchten dat zijn familie afstamt van conversos, joden die gedwongen waren christen te worden). Dat was ook wel zo handig met de Inquisitie van Philips II in vol bedrijf; maar hij schijnt ook werkelijk een vroom man te zijn geweest. Alleen: van die vroomheid valt in Don Quichot weinig tot niets te merken. Intellectueel was Cervantes een volgeling van Erasmus en van de humanistische schrijvers die hij tijdens zijn verblijf in Italië had leren kennen: Castaglione, Tasso, Ariosto. En Don Quichot is vooral een door en door humaan boek.

De invloed van Erasmus in de roman is duidelijk aanwijsbaar. Erasmus legt in zijn onderwijs grote nadruk op het belang van welsprekendheid, wat in de roman zijn uiting vindt in de vele lange toespraken, preken en redenaties van Don Quichot. Het veelvuldige gebruik van spreekwoorden (vooral Sancho heeft daar een onuitputtelijke voorraad van) zou terug kunnen gaan op de Adagia van Erasmus. Beide auteurs suggereren dat spreekwoorden een overblijfsel zijn van een verdwenen gouden tijdperk toen er overal harmonie en vrede heerste en de taal oneindig veel rijker was dan nu.

  
Don Quichot en de windmolens
 Don Quichot is van oorsprong de armlastige edelman Alonso   Quijano uit la Mancha (“In een plaatsje waarvan de naam mij   niet te binnen wil schieten”), een dorre streek in Centraal   Spanje. Cervantes laat zelfs twijfel bestaan omtrent die naam.   Niemand wist hoe die precies luidde of gespeld moest   worden. Hij is een vrijgezel van rond de 50 die samen leeft   met zijn huishoudster en een nichtje. Zeker niet iemand die,   voordat het boek begint, een intens en avontuurlijk leven   heeft geleid. Zijn enige ondeugd is het lezen van populaire   ridderromannetjes; hij gaat daar helemaal in op en Cervantes   vermeldt expliciet dat hij er waanzinnig van wordt (hierin   komt Don Quichot overeen met Emma Bovary van Flaubert   die ook helemaal gegrepenn wordt door het lezen van   populaire romans en zich daardoor van alles in het hoofd   haalt). Zijn verbeelding slaat op hol en wat hij doet is   vervolgens de hem omringende werkelijkheid herscheppen   naar zijn lectuur: zo wordt een herberg een kasteel, een   boerenmeid een jonkvrouw, een kudde schapen een legermacht en windmolens veranderen in reuzen die bevochten moeten worden (dat laatste wapenfeit is de beroemdste passage uit de roman). Literatuur wordt werkelijkheid.

In deze illustratie van Gustave Doré (links) is goed te zien wat het effect is van al die lectuur. Doré baseerde zich hiervoor overigens op een prent van de Spaanse schilder Goya (zie hieronder): in beide gevallen wordt Don Quichot omringd door stapels boeken waaruit monsterachtige fantasiefiguren opstijgen die de geest van de Don geheel lijken te overmeesteren. De titel van een andere (beroemde) prent van Goya lijkt ook hier van toepassing te zijn: “De slaap der rede baart monsters”.

(Voor iemand die zo opgaat in de literatuur als ikzelf is dit overigens geen opwekkende thematiek. Ik verbeeld me echter dat ik het allemaal nog wel in de hand heb. Dat ik geen wereldvreemde ben die de werkelijkheid alleen via de literatuur kent).

Twee van zijn beste vrienden, de pastoor en de barbier, proberen de Don nog te genezen door zijn bibliotheek te verbranden. Maar dat is te laat, het kwaad is al geschied.

(Ik probeer me dat zelf wel eens voor te stellen, dat mijn boekenverzameling in vlammen opgaat. Of dat iemand vindt dat ik er afstand van moet doen omdat het slecht voor me is. Vreselijk lijkt me dat!!!)

Don Quichot beeldt zich in een dolende ridder te zijn die onrecht moet bestrijden en dat doet uit naam van la Dulcinea, op wie hij zegt verliefd te zijn: “mijn kompas bij elke weg die ik insla, leidster van mijn lot...”  In werkelijkheid is zij Aldonza Lorenzo, een groffe boerenmeid uit het nabije gehucht El Toboso. En als hij dat laatste erkennen moet, dan houdt hij vol dat het de schuld is van een boze tovenaar die de onvergelijkelijke Dulcinea heeft omgetoverd tot een gewoon boerenmeisje.
Zoals zoveel van zijn tegenslagen trouwens op het conto van tovenaars worden geschreven. Het is voor Don Quichot vaak een laatste redmiddel om te kunnen blijven geloven in zijn realiteit: “Hoe is het mogelijk dat jij die al zo lang met mij rondtrekt” – zegt de Don tot zijn trouwe metgezel Sancho Panza – “nog nooit gemerkt hebt dat alles wat met dolende ridders te maken heeft hersenschim, dwaasheid en waanzin lijkt en in tegenspraak met de werkelijkheid? Maar dat is eigenlijk niet zo, er zwerft altijd wel een zwerm tovenaars rond die alles wat wij waarnemen verdraaien en veranderen”.

De liefde van Don Quichot voor Dulcinea is een soort van boerse variant van de hoofse liefde van Dante voor Beatrice, een relatie die al even imaginair is.

Bovengenoemde Sancho Panza komt in beeld nadat de ridder van zijn eerste queeste gekreukeld en bemodderd is teruggekeerd hij besluit dan voor zijn tweede tocht een schildknaap uit te zoeken: Sancho is “een keurige boer, als je dat kunt zeggen van een armoedzaaier, maar met bar weinig hersens onder zijn  haar”. Zo dom is Sancho overigens niet, zo zal later blijken. Maar in het begin wordt hij met name gemotiveerd door de belofte dat Don Quichot hem gouverneur zal maken van een eiland dat hij voor hem gaat veroveren.

Wat mij vooral opviel toen ik het boek voor het eerst las, was de taaiheid en onverslijtbaarheid van de hoofdpersoon. Het is ongelofelijk hoe vaak Don Quichot in elkaar wordt geslagen, met stenen bekogeld, door een kudde vertrapt; een doodsmak maakt... (Hij zal één van de meest gepijnigde figuren uit de wereldliteratuur zijn). En iedere keer stoft hij nonchalant zijn kleren af en gaat dan stoïcijns weer verder, mompelend tegen Sancho Panza dat het toch niet langer zo kan. Het geweld waarmee hij steeds weer wordt geconfronteerd heeft overigens wel een surrealistisch, lichtelijk absurd karakter. Maar de moed die de Don daar tegenover zet is werkelijk bewonderenswaardig; iedere keer weer is hij bereid de strijd aan te gaan en meestal tegen een tegenstander die veruit in de meerderheid is en waarvan hij eenvoudig niet kán winnen.
Dit was precies de reden dat de jonge Multatuli zich met de persoon Don Quichot identificeerde: “Naïef en oprecht als Don Quichot zelf, haakte ik naar strijd, hoe ongelijker hoe liever. De ware overwinning scheen mij te bestaan in een onafgebroken reeks van smadelijke nederlagen”.

Don Quijote en Sancho Panza
 Don Quichot’s waanzin (de koortsachtige drift waarmee hij door   het lezen van ridderromans vervuld wordt) is gekoppeld aan een   ijzeren, onblusbare wil tot overleven die de bron is van vele   daden die zowel extravagant als heroïsch zijn. Het motto van Sir   John Falstaff: “Give me life”, zou ook op hem van toepassing zijn.   Hij is de Ridder van het Droevige Gelaat, een tragische figuur met   een donkere melancholische ondertoon, die desondanks wordt   voortgedreven door een krachtige wil tot leven. En daarbij de   strijdt aanbindt met de realiteit, die hem in zijn (hoofse,   ridderlijke) idealen tegenwerkt en die hij daarom niet kan   accepteren: het beroemde vechten tegen windmolens. Hij is een   visionair, geen krankzinnige, maar een wijze dwaas wiens strijd   een welhaast metafysische dimensie krijgt, te vergelijken met de   jacht van Captain Ahab op de witte walvis Moby Dick. En: in al   zijn eenvoud, naïviteit en generositeit is hij zonder meer een goed   mens. Er zit geen enkel element van berekening bij (wat je van   Sancho overigens niet kunt zeggen).

De pure vrolijkheid komt van de knecht, van Sancho Panza, die totaal onbekommerd in het leven staat, hoewel hij de klappen die zijn meester krijgt, mede moet opvangen.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Shakespeare's Macbeth, deel II

De scène van de moord op Lady Macduff en haar kinderen is vrijwel ondragelijk. Je kunt je afvragen waarom Macduff zijn gezin niet heeft meeg...