vrijdag 10 juni 2022

Don Quichot, deel 3

De figuur Don Quichot is door de eeuwen heen spreekwoordelijk geworden. Hij staat voor iemand die geen reëel beeld heeft van de werkelijkheid, imaginaire idealen nastreeft en een strijd uitvecht die hij uiteindelijk niet kán winnen.

Maar in één van de mooiste passages van het boek (deel 2, hoofdstuk 58) geeft de Don blijk van een ongewone realiteitszin. Zo gek is hij nu ook weer niet! Het speelt zich af als Don Quichot en Sancho Panza net weer onderweg zijn, na een verblijf bij de hertog en hertogin, sadistische lieden die ervan genoten hebben de Don voor de gek te houden. Echt, behalve heel grappig is het boek soms ook echt heel pijnlijk; Cervantes’ komedie is geregeld verbonden met pijn en lijden, de humor kan schrijnend zijn. De hertog en hertogin behandelen hem met alle egards als een ridder, maar lachen hem achter zijn rug uit! De Don lijkt het als gevangenschap te hebben ervaren: “Vrijheid, Sancho, is één van de kostbaarste giften die de hemel de mens heeft geschonken... voor vrijheid kan en moet men zijn leven wagen en gevangenschap is daarentegen het grootste kwaad dat een mens kan overkomen”.
Maar nu zijn ze weer on the road, de Don en zijn trouwe metgezel. En ze stuiten op een groepje boeren dat een paar altaarbeelden met zich mee voert. Na de afgebeelde heiligen te hebben bewonderd is de ridder zwaar onder de indruk en hij formuleert wat voor hem het verschil is tussen de heiligen en zichzelf.

Don Quichot en Dulcinea

“Ik beschouw het als een goed voorteken, vrienden, gezien te hebben wat ik heb gezien, want deze heiligen en ridders oefenen net als ik het bedrijf van de wapenen uit; het verschil tussen hen en mij is dat zij heiligen waren en op goddelijke wijze streden en ik een zondaar ben en op menselijke wijze strijd. Zij veroveren de hemel met geweld en ik weet tot op heden niet wat ik verover met mijn beproevingen; maar als mijn Dulcinea wordt verlost uit de hare, als mijn lot zich ten goede keert en mijn verstand opklaart, kan het zijn dat mijn schreden zich richten langs een betere weg dan ik nu volg”.
Ik vind dit buitengewoon ontroerend. Het geeft blijk van zoveel zelfinzicht en van het feit dat de Don beslist niet gek is!

Een andere passage getuigt van de ernst waarme de Don zijn zelfgekozen levenstaak opvat. Het is een antwoord op een geestelijke die hem niet voor vol aanziet: “En u, hol vat, wie heeft u aangepraat dat u een dolende ridder bent... Luister naar mijn raad en ga in godsnaam naar huis ... hou op met dat gedool over de wereld...” Het antwoord is overweldigend: “Ik heb smaad gewroken, onrecht rechtgezet, onbeschaamdheid gestraft, reuzen verslagen en monsters overweldigd...Ik stem mijn plannen altijd af op goede oogmerken, namelijk allen wel te doen en niemand kwaad; Uwe excellenties moogt zeggen of wie zo denkt, zo handelt, wie zo optreedt, het verdient dwaas te worden genoemd”.

Een andere favoriete passage is tegelijkertijd één van de meest surrealistische (en raadselachtige): het avontuur van Don Quichot in de grot van Montesinos. Je zou het kunnen zien als een parodie op de afdalingen in de onderwereld, zoals die ondernomen worden door Odysseus en Aeneas.
Don Quichot wordt aan een touw naar beneden gelaten; als hij na ongeveer een uur weer wordt opgehaald, is hij in een diepe slaap. Hij vertelt dan dat hij daar beneden ook eerst in slaap was, maar toen ontwaakte. Daar zag hij Montesinos, een ridder uit het gevolg van Karel de Grote, uit zijn kristallen kasteel komt om hem te ontvangen. In dat kasteel ligt de grote ridder Duradante, dood, beweend door zijn Belerma die zijn hart in haar hand houdt. Dan verschijnt Dulcinea, in haar boerenkleren, rent weg en stuurt twee vriendinnen om hem te vragen of ze zes ducaten kan lenen tegen het onderpand van haar onderrok.
“Is dat mogelijk, heer Montesinos, dat aanzienlijke betoverden krap zitten?”, vraagt Don Quichot aan zijn gastheer. Het antwoord luidt: “Gelooft u me, heer Don Quichot van La Mancha, dat zogenaamde krap zitten is schering en inslag, komt overal voor, treft iedereen en spaart zelfs betoverden niet; en als mevrouw Dulcinea van el Toboso om die zes reaal laat vragen en het onderpand is in orde, zit er niets anders op dan ze maar te geven, ze moet ongetwijfeld erg in moeilijkheden zitten”. “Een onderpand zal ik niet aannemen’, is Don Quichots antwoord, “maar ik zal haar evenmin geven wat zij mij vraagt, want ik heb maar vier reaal”.

Deze droomgeschiedenis is zo ijl en onverklaarbaar, dat ze hier en daar zelfs aan de korte verhalen van Kafka doet denken (over modern gesproken!).
Sancho gelooft er niets van: “Is het mogelijk dat zoiets in de wereld bestaat en dat tovenaars en betoveringen zo’n macht hebben dat ze het gezonde verstand van mijn heer veranderd hebben in deze krankjoreme waanzin? O heer, neem u in godsnaam in acht en denk om uw eer, hecht geen geloof aan die onzin die uw verstand heeft verzwakt en aangetast”.
Maar wat vooral een raadsel blijft: we weten niet wat Don Quichot zelf van zijn eigen verhaal gelooft. Hij weet wel, zo blijkt elders, dat Dulcinea een produkt van zijn verbeelding is en hij zal zich waarschijnlijk ook wel realiseren dat de hele episode in de grot, zoals door hem verteld, dat is (dat hij in elk geval twijfelt blijkt later, als hij aan de helderziende aap van meester Pedro de vraag voorlegt of wat hem in de grot van Montesinos overkwam werkelijkheid was of een hallucinatie).
Cervantes geeft ons nergens in zijn roman echte zekerheid omtrent wat er nu precies in Don Quichot’s innerlijk omgaat, hoe zijn verbeelding werkt. In die zin is hij even raadselachtig als Hamlet, van wie we ook nooit zeker weten of hij nu echt waanzinnig was of maar deed alsof.

Tenslotte moet toch het einde komen, aan de omzwervingen van Don Quichot en aan zijn leven. Het laatste hoofdstuk is prachtig en is ontroerend. Al die tijd heeft hij rondgetrokken en met alles en iedereen de strijd aangebonden, vooral als hij ergens onrecht zag. Maar in de loop van deel 2 zie je de twijfel binnensluipen aan, de twijfel aan zijn megalomane project en tenslotte keert hij terug in zichzelf, wordt stiller en contemplatiever, zweert zijn geloof af en neemt zijn oude naam, Alonso Quijano, weer aan. “Vergeef me vriend”, zegt hij op zijn sterfbed tegen Sancho, “dat ik je gelegenheid heb gegeven net zo dwaas als ik te lijken, door je in de dwaling te brengen waarin ik verkeerde, als zouden er in de wereld dolende ridders hebben bestaan en nog steeds bestaan”. De ridder is zijn geloof kwijt geraakt. Maar zijn schildknaap blijkt nú de ware gelovige: hij kiest voor de verbeelding: “Ach lieve beste heer, gaat Uwe genade niet dood... Neemt u mijn raad aan en leeft u nog vele jaren... Als u sterft omdat u verdriet hebt dat u verslagen bent, geeft u mij de schuld maar... u zult trouwens in uw ridderboeken hebben gezien dat het niets bijzonders is dat ridders elkaar verslaan en de overwonnene van vandaag is de overwinnaar van morgen”.
Maar Don Quichot sterft, volgens zijn schepper om verder plagiaat in de toekomst onmogelijk te maken. En we voelen bij zijn heengaan dezelfde droefheid als wanneer Mrs. Quickley aan het begin van King Henry V de dood van Falstaff beschrijft.

Vladimir Nabokov heeft een aantal colleges gewijd aan Don Quichot, zeer lezenswaardig en in boekvorm uitgebracht. Hij wijst erop dat de figuur Don Quichot in de (inmiddels) meer dan 400 jaar die zijn voorbijgegaan na de dood van zijn schepper, enorm in gestalte gegroeid is. Zo veel lezers en interpretaties later. Hij was in het begin vooral een figuur van vermaak, leedvermaak zelfs en het boek een parodie op de door mensen met goede smaak verafschuwde ridderromans. Hij is nu zoveel meer geworden.
In Nabokovs woorden: “Wij lachen niet langer om hem. Zijn blazoen is medelijden, zijn blazoen is schoonheid. Hij vertegenwoordigt alles wat teder is, verloren, zuiver, onzelfzuchtig en dapper. De parodie is een toonbeeld geworden”. Prachtig is dat, beter zou ik het niet kunnen zeggen.

Tenslotte nog dit: soms betreur ik dat ik Don Quichot niet in het Spaans kan lezen. Zoals ik Dante in het Italiaans zou willen lezen, Dostojevski in het Russisch of Homerus in het Grieks. Maar ik lees alleen Engels in het origineel. Ook voor Goethe en Thomas Mann, Flaubert en Proust gebruik ik vertalingen. Terwijl – Barber van der Pol, maker van de eerste integrale Don Quichot vertaling sinds die van Weremeus Buning en van Dam die tijdens de Tweede Wereldoorlog uitkwam, zegt dat zo mooi – ‘wie denkt dat een boek en de vertaling van een boek in feite één boek zijn, heeft het principe van vertalen niet begrepen’. Een vertaling baseert zich op de oorspronkelijke tekst en sluit erop aan, maar ís niet de oorspronkelijke tekst.
Hoewel daarentegen: één van de grote autoriteiten op het gebied van Don Quichot, de Bask Miguel de Unamuno, stelt dat hij ervan overtuigd is dat het boek er in vertaling op vooruit gaat. Omdat Spaanse critici veel te veel de neiging hebben zich blind te staren op de woordkeus en de stijl van het Castiliaans dat Cervantes gebruikte en veel minder oog hebben voor wat het boek werkelijk uniek maakt en wat – in tegenstelling tot het kennelijk toch wat gekunstelde en geaffecteerde wat de stijl van Cervantes’ taal schijnt aan te kleven – universeel en eeuwig is: zijn scheppingsvermogen en ongebreidelde fantasie, de humor, de menselijkheid, de charme. Een vertaling richt zich in die visie dan meer op inhoud.

 

 

 

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Shakespeare's Macbeth, deel II

De scène van de moord op Lady Macduff en haar kinderen is vrijwel ondragelijk. Je kunt je afvragen waarom Macduff zijn gezin niet heeft meeg...