dinsdag 21 juni 2022

Over George Steiner

In dit blog heb ik regelmatig aan Harold Bloom gerefereerd, gezegd hoezeer hij mij geïnspireerd heeft met zijn liefde voor en immense kennis van de literatuur en hoeveel ik van hem geleerd heb. George Steiner is minder ter sprake gekomen tot nu toe. Hij is mijn tweede leermeester geweest. Zijn bereik is veel groter dan dat van Bloom. Waar Bloom zich beperkt to literatuur (en daarnaast religie; vooral van Kabbalah en Gnostiek heeft hij uitgebreid studie gemaakt) is Steiner ook (cultuur-) filosoof en taalwetenschapper, met grote belangstelling voor geschiedenis, muziek en schilderkunst.

Bloom heeft zich in eerste instantie gespecialiseerd: in het begin van zijn carrière de Engelse romantic poets en het onderwerp ‘influence’ (de invloed die grote schrijvers van hun voorgangers ondergaan) en daarna vooral Shakespeare. Sinds 1995 is hij met zijn Western canon en de daaropvolgende boeken echter veel meer een generalist geworden die schreef over de grote werken uit de wereldliteratuur en een uitgebreid publiek daar enthousiast voor wist te maken: hij haalde zeer hoge oplagen voor een literatuurprofessor.

Steiners werk daarentegen is veel diverser. Veel van zijn boeken hadden een absoluut originele invalshoek: the Death of Tragedy, dat de ontwikkeling van de tragedie vanaf de Grieken bestudeert; Antigones, over de vele verschillende versies die Sophocles’ tragedie door de eeuwen heen gekend heeft; of After Babel, over taal en vertalen. Maar het blijft steeds bij een aanzet, die in volgende boeken nooit meer verder uitgewerkt wordt. Aan het einde van zijn leven heeft hij wel eens verzucht dat hij daar misschien wel spijt van heeft: dat hij zijn onderwerpen nooit helemaal uitgediept heeft, dat hij zich nooit heeft gespecialiseerd, dat hij door zijn brede interesse zijn kracht heeft ‘versplinterd, en daarmee verspild’. Er was altijd weer een nieuw onderwerp dat zijn acute aandacht trok . Het is voor mij echter één van de aantrekkelijkste aspecten van zijn werk: die ongelofelijke veelzijdigheid, het voortdurend leggen van verbanden. Waar anderen zich juist weer aan storen.
Bijvoorbeeld recensent Lee Siegel die in The New York Times Book Review schreef: “Steiners grote kwaliteit is dat hij in een enkele alinea een lijn kan trekken van Pythagoras via Aristoteles en Dante naar Nietzsche en Tolstoj. Zijn ergerlijke mankement is dat hij in een enkele alinea een lijn kan trekken van Pythagoras via Aristoteles en Dante naar Nietzsche en Tolstoj.”

Beiden, zowel Bloom als Steiner, zijn joods, maar ik heb het idee dat Steiner veel meer getekend is door de holocaust dan Bloom, in elk geval is zijn werk ervan doortrokken.
Het zijn so wie so twee heel verschillende persoonlijkheden. Bloom was een typische (honkvaste) New England literatuurprofessor, terwijl Steiner veel meer de kosmopoliet en polyglot is; hij is consequent drietalig opgevoed (Engels – Frans – Duits).

Voor het eerst maakte ik kennis met George Steiner in het vierluik van Wim Kayzer: ‘Nauwgezet en wanhopig’, uitgebreide vraaggesprekken met Steiner, de schrijvers Gabriel Garcia Marquez en Gyorgy Konrad en toenmalig minister van cultuur in Spanje Jorge Semprun. Hoewel ook de zwaarmoedige Hongaar Konrad en de levenslustige Marquez toen indruk op mij maakten, was het toch vooral Steiner die er voor mij uitsprong met zijn heldere, rustige eruditie en de intellectuele, maar toch invoelende betrokkenheid bij de grote tragedies van de 20e eeuw die hij ten toon spreidde. Ik hoorde hem toen voor het eerst iets formuleren wat ik later nog vaak in de boeken tegenkwam: hoe kon het toch, dat een bewaker van een nazi concentratiekamp overdag gevangenen martelt en ’s avonds op de piano Bach en Schubert speelt (en nog heel mooi ook!) of Goethe en Kant leest. Kennelijk hebben de literaire en kunstzinnige hoogtepunten van de westerse beschaving geen beschavende invloed; word je van de klassieken lezen geen beter mens.

Later werd Steiner ook nog afzonderlijk door Kayzer geïnterviewd in de serie ‘Van de Schoonheid en de Troost’.  Ook weer zeer indrukwekkend. Deze keer viel me echter ook op dat hij een sterke neiging heeft tot cultuurpessimisme. De grote hoogtepunten van onze westerse cultuur liggen achter ons; geletterdheid zal steeds verder verdwijnen, verwijzingen naar klassieke literatuur en kunst zullen straks niet meer begrepen worden. Wie leest er over een x-aantal jaren nog Goethe, Dante of Milton?

Nadien heb ik begrepen dat veel mensen door hem geïrriteerd waren, dat ze hem betweterig en arrogant vonden overkomen. Ik kan me dat ook wel voorstellen, hij is zeker zeer overtuigd van wat hij vindt. Maar ik hing aan zijn lippen.

Toen ik zijn autobiografie ‘Errata’ las (en natuurlijk is dat geen chronologische opsomming van levensfeiten; het is vooral een intellectuele autobiografie waarin zijn denkbeelden en de ontwikkeling van zijn denken een minstens zo belangrijke plek innemen als de uiterlijke biografie – je krijgt bijvoorbeeld niet te horen hoe hij zijn vrouw ontmoet heeft, maar wel welke leraren hij op de universiteit gehad heeft), raakte ik onder de indruk van zijn relaas over zijn opvoeding. Ik was zelfs een beetje jaloers. Bij mij thuis was er helemaal niets qua cultuur. Mijn ouders lazen niet, hadden niets met muziek en kunst; ik heb me helemaal zelf ontwikkeld wat dat betreft en heb ook geen inspirerende leermeesters gehad (behalve dan op papier: Bloom, Steiner en ook Kees Fens). Maar George Steiner kreeg het allemaal met de paplepel ingegoten.

Zijn vader was een geassimileerde liberaal - joodse jurist en econoom, die echter een dusdanige hekel had aan zijn vakgebied, dat hij zijn zoon daar zo veel mogelijk van probeerde weg te houden (“Ik zou liever hebben dat je niet het verschil kent tussen een obligatie en een aandeel”). Ik herken dat wel: ik heb ooit economie gestudeerd en er gelukkig nooit in gewerkt, omdat ik uiteindelijk helemaal niets had met die materie; des te meer met literatuur, filosofie en kunst. Zo ook Steiners vader. Hij was een zeer breed georiënteerde intellectueel uit Wenen, geïnspireerd door de Duitse filosofie van Kant, Schopenhauer en Nietzsche, liefhebber van de Duitse klassieke componisten van Haydn en Mozart tot en met Mahler. Vijf jaar voor George’s geboorte, in 1924, zag hij zich genoodzaakt weg te trekken uit het antisemitische Wenen. Een Europees cultuurcentrum weliswaar, maar behalve de stad van Freud, Mahler en Wittgenstein, van Klimt en Schiele, ook die van de antisemitische burgemeester Karl Lüger, Hitlers grote voorbeeld. Steiner sr. is zijn leven lang Anglofiel geweest en een groot bewonderaar van de joodse prime minister Disraeli; desondanks verhuisde het gezin niet naar Londen maar naar Parijs, waar George opgroeide en al van jongs af aan, door zijn vader, de grote klassieken leerde kennen. “Eens per week arriveerrde een nietig Schots dametje dat Shakepeare met me las ... Een geleerde vluchteling onderwees me in Grieks en Latijn”.
En dan komt het grote moment, prachtig beschreven, dat hij wordt ingewijd in Homerus. Eerst met een Duitse vertaling, dan in het originele Grieks. De passage uit de Ilias waarin de Trojaan Lykaon Achilles smeekt hem niet het leven te benemen. Veel begaafder mannen dan wij zijn (zegt Achilles dan tegen Lykaon) moeten ook sterven en vaak heel jong ... onze eigen dood heeft zijn voorgeschreven uur. Grote waarheden voor zo’n jong kind (hij is dan 6!!!). Zijn eerste ervaring van wat grote, klassieke literatuur vermag. Misschien is wel al het andere, zegt Steiner dan (zijn onderwijs, zijn publicaties) een voetnoot bij dat ene uur geweest.

Het bestuderen van teksten, interpretatie van de klassieken, zal later zijn leven worden.  
De klassieke westerse letterkunde is een kwestie van commentaar op commentaar op commentaar. Het doet denken aan de rabbijnen die minutieus de Torah en de Talmud bestuderen, met al die aantekeningen in de kantlijn; het zal de reden zijn dat het jodendom, met haar traditie van intensieve studie, net als het Middeleeuwse monnikenbestaan, altijd een onverklaarbare aantrekkingskracht op me heeft uitgeoefend.

Geen van die interpretaties is een definitief gelijk, ze blijven zich ook ontwikkelen in de loop der jaren, eeuwen. En het klassieke werk is autonoom, onttrekt zich aan definitieve interpretatie.
Niet alleen literatuurwetenschappers interpreteren. Vertalers doen dat ook, ze scheppen een nieuw werk door het origineel in te passen in een nieuw taalgebied, iets wat om voortdurende keuzes en originele oplossingen vraagt. De leraar die het werk overdraagt aan zijn leerlingen (en Steiner is vooral dat bij uitstek, net als Bloom dat was: een leraar) interpreteert en zet aan tot nieuwe interpretaties. Hetzelfde doen schrijvers die zich op voorbeelden uit het verleden baseren: James Joyce die Odysseus in Dublin doet verrijzen.
En eigenlijk is iedere lezing een interpretatie. Muziek heeft dirigenten en uitvoerende musici nodig om vertolkt te worrden. Een toneelstuk acteurs en een regisseur. Maar ook een geschreven tekst heeft vertolkers nodig die antwoord geven op wat geschreven staat en ons vragen stelt. Die vertolkers, dat zijn de lezers.

Voor mij als intens lezer is de volgende passage bij George Steiner van ongelofelijk groot belang geweest, ik krijg er kippenvel van:

“Franz Kafka verkondigde, in de hem typerende extreme termen, dat we onze tijd niet hoeven te verdoen met boeken die ons niet treffen als een ijsbijl en versplinteren wat in onze geest bevroren ligt. De tekst, het kunstwerk, verlangt niet alleen een begrijpende receptie, maar ook een re-actie. We moeten ‘opnieuw handelen’, respons en interpretatie omzetten in gedrag. Wie Plato, Pascal of Tolstoj ‘klassiek’ leest, doet een poging tot een nieuw, ander leven. De tekst, het kunstwerk, slaagt erin onze innerlijke beweging, onze levenshouding zo te compliceren en te versnellen, dat we nadien anders zijn dan tevoren”.
Zelden is er op een zo aansprekende manier geformuleerd hoe literatuur, kunst, filosofie, er toe doet en allerminst vrijblijvend is, hoe het voor altijd van invloed kan zijn op je manier van leven.
Al is het ook een problematische formulering. Hoe zit het met die (hiervoor genoemde) nazi die Bach speelt of Kant leest? Daar komt Steiner zelf ook niet uit.
En uiteindelijk is hij als cultuurpessimist van mening dat dit alles aan het verdwijnen is, dat onze tijd (en nu, 25 jaar na het verschijnen van zijn autobiografie, zal dat met de voortschrijdende ontlezing, digitalisering en de dominantie van sociale media nog veel sterker gelden) een epiloog is bij de klassieke periode (die ik zelf t/m Joyce en Proust, Nietzsche, Heidegger en Sartre; t/m Picasso en Matisse zou laten lopen).
“Zal er ooit nog een Plato zijn, een Mozart, een Shakespeare of een Rembrandt, een Goddelijke Komedie (Dante) of een Kritik der reinen Vernunft (Kant)?” Nee, ben ik, met Steiner, geneigd te zeggen.


De dreiging van het nazisme verjaagt het gezin ook uit Parijs; tijdens de oorlogsjaren studeert Steiner aan het Franse Lycee in New York. Vanzelfsprekend is daar de Franse literatuur de beste ter wereld. Steiner geeft hoog op van de Franse tragedieschrijver Jean Racine (1639-1699) en zegt tegelijkertijd dat deze in vertaling eigenlijk niet over te brengen is. Dat is jammer, ik had ooit Engelse vertalingen van zijn werk in de Penguin classics serie (maar ik doe boeken ook weer weg als ik denk er nooit aan toe te komen) en er zijn (lijkt mij) gedegen Nederlandse vertalingen van Laurens Spoor.
Wat me vooral nieuwsgierig maakt, is dat Steiner zijn werk lijkt te preferen boven dat van Shakespeare, tegenover wie hij een nogal ambivalente houding aanneemt.
Ik kan een eind meegaan in zijn kritiek op de Shakespeare-receptie door de jaren heen. Shakespeare is voor het laatst werkelijk kritisch benaderd, als een auteur als iedere andere, met zijn sterke en zwakke kanten, in de 18e eeuw, bij Pope en dr. Johnson. In de eeuw daarna, met de Engelse romantiek, kwam het tot pure ‘bardolatry’: de verering van Shakespeare als een onfeilbaar genie met zijn werk als de belichaming van een seculiere religie. Hij werd de verpersoonlijking van Engeland en de Engelse cultuur. 20e eeuwse critici als A.C. Bradley, Wilson Knight en Harold Goddard (ik moet bekennen dat ik erg houd van hun werk) staan in deze traditie en ook Harold Bloom is er één van de laatste vertegenwoordigers van. Ik zeg ‘laatste’, omdat er volgens mij tegenwoordig weer veel genuanceerder over Shakespeare’s werk gedacht en geschreven word.
Ja ik weet het, ik heb al heel vaak in uiterst positieve bewoordingen over Shakespeare geschreven. Maar dat doe ik ook als het om Dickens gaat, James Joyce, Dante of Cervantes. Ik schrijf nu eenmaal liever over schrijvers die ik bewonder en om die bewondering te uiten dan dat ik kritisch ben op wat ik niet goed vind. Liever lees ik dat helemaal niet. En ik vind niet alles van Shakespeare goed. Titus Andronicus en Merry wives of Windsor zijn zwakke stukken; zeker in het vroege werk gaat het verbale vuurwerk soms veel te ver zonder dat het functioneel is en zijn de grappen ranzig, schunnig en flauw.

Steiner ziet Shakespeare vooral als een woordkunstenaar en wat hij daarover zegt is interessant. Hij lijkt de uitzondering op de regel van wat Nietzsche zo mooi verwoordt: dat wat in woorden geformuleerd wordt, eigenlijk al dood is als het naar buiten komt. Het werkelijke gevoel, de puurheid van de gedachte is nooit precies te formuleren; de tekst is altijd ‘second best’. Maar bij Shakespeare, zegt Steiner, hebben de gedachte, de conceptie en het gevoel al op de drempel van het bewustzijn, of zelfs even daarvoor, een talige vorm aangenomen. De metaforen, beelden of betekenissen zijn er al voordat ze uitgesproken, geformuleerd, of zelfs maar bewust zijn. Het was of Shakespeare zijn teksten inwendig kon horen, de woorden naar gelieve kon oproepen. En vervolgens allerlei connotaties en associaties die zich aan die woorden hechtten, onmiddellijk zag opdoemen en kon realiseren. Geen denkbeeld, met andere woorden, is stemloos bij hem opgekomen, zoals wij allemaal wel eens een vage notie hebben van iets wat we nog niet in woorden om kunnen zetten. Het arriveerde bij hem ‘in den vleze’, kant en klaar en perfect geformuleerd.

Het bovenstaande impliceert overigens niet dat er de afgelopen 100 jaar geen kritische tegenstemmen zijn geweest. Een van de meest scherpzinnige was Ludwig Wittgenstein. Hij vond Shakespeare een woordenspinner eerste klas, een groot verbaal virtuoos, maar niet meer dan dat. Er wordt ons een oogverblindende linguïstische oppervlakte getoond, maar nergens vinden we bij Shakespeare een coherente ethiek terug, een volwassen filosofie (iets dat ook Tolstoj Shakespeare verwijt), nergens geeft blijk van een transcendent geloof. Hoewel ik dat laatse waag te betwijfelen (er is juist heel veel transcendentie in Shakespeare, alleen niet in de traditionele religieuze betekenis van het woord), zeg ik ook: daar gaat het helemaal niet om bij Shakespeare. Hij is inderdaad geen ethicus of moralist, hij is geen filosoof (hoewel A.D. Nuttall in zijn prachtige boek Shakespeare the thinker aantoont dat er wel degelijk heel veel denkbeelden uit het werk zijn te destilleren) en hij is zeker geen auteur met een christelijke levensbeschouwing (zoals bv. Dante).
Maar hij is ook niet louter een verbale trapezeartiest. Hoe verder je komt in het oeuvre (zeg maar: vanaf de twee stukken Henry IV, de late komedies As you like it en Twelfth Night en het Romeinse stuk Julius Caesar) wordt zijn taalgebruik steeds doelgerichter en functioneler en is er minder vuurwerk. Maar belangrijker nog dan zijn taalvaardigheid zijn die andere eigenschappen die het een genot maken om hem te lezen: de creatie van werkelijk levende personages en de ongelofelijk vitaliteit en beweeglijkheid die zijn werk kenmerkt: de veelkleurigheid van de werelden die hier uit taal worden opgetrokken.

Shakespeare is exuberant. Ik vind de vergelijking die Steiner met Racine trekt interessant. Hij zegt: Shakespeare stroomt als de levensrivier zelf, Racine streeft naar essentie door onthouding. Haal twee regels uit Phèdre of Berenice weg en de zorgvuldig opgebouwde fuga die het werk is, stort ineen. Terwijl er vaak geschrapt wordt in Shakespeare’s stukken. Ze vormen eerder een script vol variatiemogelijkheden, vatbaar voor vernieuwing en transformatie. Zo geformuleerd, doet de kaalheid bij Racine haast aan de stukken van Beckett denken. Dat heeft ook wel wat, maar ik denk toch dat ik de voorkeur geef aan de uitbundigheid van de Engelsman.

Tot zover deze uitweiding over Shakespeare.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Shakespeare's Macbeth, deel II

De scène van de moord op Lady Macduff en haar kinderen is vrijwel ondragelijk. Je kunt je afvragen waarom Macduff zijn gezin niet heeft meeg...