vrijdag 10 januari 2025

Shakespeare's Macbeth, deel II

De scène van de moord op Lady Macduff en haar kinderen is vrijwel ondragelijk. Je kunt je afvragen waarom Macduff zijn gezin niet heeft meegenomen naar Engeland toen hij vluchtte, in plaats van hen onbeschermd achter te laten. Dit is wat Lady Macduff bedoelt als zij zegt: “He wants the natural touch”; ‘natural’ zou zijn : affectie voor zijn gezin hebben. Ze verwijt hem zijn handelen: “All is the fear and nothing is the love; as little is the wisdom, when the flight so runs against all reason.”

Er is een aangrijpend gesprek tussen de moeder en haar zoon, die wil weten waarom zijn vader gevlucht is. Het jongetje is verstandig en dapper, het maakt hun conversatie zo moeilijk om aan te horen in het licht van wat er te gebeuren staat.
De moeder vraagt haar zoon hoe hij verder denkt te kunnen leven nu zijn vader dood is (want voor haar is hij daadwerkelijk dood) - “As birds do mother
Lady Macduff: What, with worms and flies?
Son: With what I get, I mean; and so do they.”
Ongetwijfeld heeft Shakespeare hier gedacht aan Mattheus 6: 26: ‘Denk aan de vogels in het veld, zij maaien niet en zaaien niet, toch zorgt uw hemelse vader voor hen’. Maar ook dit krijgt een cynische bijklank door wat volgt.
Een boodschapper raadt Lady Macduff aan meteen te vluchten, maar zij is uiterst defaitistisch: “Whither should I fly? I have done no harm. But I remember now I am in this earthly world; where to do harm is often laudable, to do good sometime accounted dangerous folly...”

Waarop volgt (Enter Murderers) wat hier niet meer beschreven hoeft te worden.

De scène hierna geeft ons Macduff en Malcolm (beiden zijn gevlucht naar het hof van Edward the Confessor, de Engelse koning) in gesprek met elkaar. Dit gesprek heeft een dubbele betekenis. Uiteraard moet Macduff op de hoogte gesteld worden van de moord op zijn gezin, maar dat gebeurt pas na een paar honderd regels. Daarvoor is klinkt een soort van koorzang die, op de wijze van de oude Griekse tragedies, commentaar geeft op de situatie in Schotland, waar iedereen zucht onder het regime van Macbeth.
Macduff: “Each new morn new widows howl, new orphans cry, new sorrows strike heaven on the face...
Malcolm: “I think our country sinks beneath the yoke; it weeps, it bleeds; and each new day a gash is added to her wounds...”

Maar dan begint Malcolm een merkwaardige omtrekkende beweging, die echter ook goed verklaarbaar is: als zoon van de vermoorde Duncan moet Malcolm zeker weten dat hij Macduff volledig kan vertrouwen; zijn wantrouwen zal al gewekt zijn doordat Macduff zo gemakkelijk zijn vrouw en kinderen in de steek heeft gelaten:
Why in that rawness [zo onbeschermd] left you wife and child, those precious motives, those strong knots of love, without leave-taking?

Hij begint daarom met een uitgebreid exposé, dat bedoeld is om Macduff op de proef te stellen. Wanneer Macduff Macbeth als volgt omschrijft: “Not in the legions of horrid hell can come a devil more damn'd in evils to top Macbeth” (wat een goed voorbeeld is van wat ik zojuist omschreef als een becommentariërende koorzang), dan bevestigt Malcolm dat, om vervolgens te veinzen dat het Schotse volk onder hem nog veel slechter af is. Zijn begeerte naar vrouwen, beweert hij, kent geen grenzen en om zijn zucht naar rijkdom te bevredigen zal hij vele edelen onteigenen. En zo nog veel meer. Samenvattend: “Nay, had I power, I should pour the sweet milk of concord into hell, uproar the universal peace, confound all unity on earth.” Wat eigenlijk een spiegel is waarin we het bloedige regime van Macbeth gereflecteerd zien.

De goedgelovige Macduff volgt hem in alles en is opgelucht wanneer Malcolm hem vervolgens geruststelt dat hij het tegendeel is van alles wat hij hem heeft willen doen geloven.
Dan is er nieuws vanuit Schotland. Wij weten al wat de onheilsboodschap betreft, maar de boodschapper, Ross, stelt het allemaal zo lang mogelijk uit. In plaats daarvan geeft ook hij weer een verslag van wat de Schotten allemaal te lijden heb (
koorzang!); hij spreekt van ‘sighs and groans and shrieks that rent the air’ en ‘violent sorrow’.
Doden bij bosjes: “the dead man’s knell is there scarce ask'd for who; and good men’s lives expire before the flowers in their caps...”
Maar is zijn familie veilig?, vraagt
Macduff hem. “They were well at peace when I did leave 'em”. De vrede van het graf, hemelse vrede is wat hij bedoelt – het is duidelijk dat Ross de woorden niet uit zijn strot krijgt, tot uiteindelijk, na nog een aantal regels:
Your castle is surprised; your wife and babes savagely slaughter'd...”

Macduffs reactie gaat ons door merg en been:
All my pretty ones? Did you say all? O hell-kite! All? What, all my pretty chickens and their dam at one fell swoop?

Maar onder invloed van Malcolm wordt Macduff ertoe aangezet zijn verdriet te transformeren tot actie en te zien als de ultieme motivatie om Macbeth te onttronen (en te doden).
Malcolm: “Let grief convert to anger; blunt not the heart, enrage it...”
Macduff: “Gentle heavens, cut short all intermission. Front to front bring thou this fiend of Scotland and myself...”
Malcolm: “Macbeth is ripe for shaking, and the powers above put on their instruments.”

De toon voor het laatste bedrijf is gezet.
Lady Macbeth is dan krankzinnig geworden. Ze slaapwandelt en wordt gadegeslagen door een dokter, die erbij geroepen is door haar hofdame. Ze is bang van het donker, “she she has light by her continually”, zegt de hofdame; “Hell is murky [donker]” is één van eerste uitspraken van Lady Macbeth die we horen. Ze maakt bewegingen alsof ze continu haar handen aan het wassen is: “Out, damned spot”. Ze lijkt geobsedeerd door de moord op Duncan: “Who would have thought the old man to have had so much blood in him”, een regel die je niet licht vergeet.

Dan haken haar gedachten aan de moord op Lady Macduff en haar kinderen:
The thane of Fife had a wife: where is she now?-
What, will these hands ne'er be clean?... all the perfumes of Arabia will not sweeten this little hand. Oh, oh, oh!
En de moord op Banquo:
Banquo's buried; he cannot come out on's grave.” Ze probeert zichzelf gerust te stellen, maar het is weinig overtuigend. Tenslotte keert de
‘porter of Hell’s gate’ weer terug: “To bed, to bed! there's knocking at the gate... What's done cannot be undone.
Het zullen haar laatste woorden blijken te zijn...

We horen dat Malcolm en Macduff met de rest van de Schotse rebellen en een Engelse legermacht onderweg zijn. Macbeth hebben we al een tijdje niet op het toneel gezien, die heeft zich nu verschanst in Dunsinane castle. Hij is nog altijd vol zelfvertrouwen en beroept zich daarbij op de voorspellingen van de heksen:
Till Birnam wood remove to Dunsinane, I cannot taint with fear. What's the boy Malcolm? Was he not born of woman?... The mind I sway by and the heart I bear

shall never sag with doubt nor shake with fear.

Maar even later bekent hij toch, na de berichtgeveing over de naderende troepen, dat hij ‘sick at heart’ is. Het is hier dat zijn taal weer een verbazende kracht en een poëtische schoonheid krijgt:
I have lived long enough: my way of life is fall'n into the sear [is verschrompeld], the yellow leaf; and that which should accompany old age, as honour, love, obedience, troops of friends, I must not look to have; but, in their stead, curses, not loud but deep, mouth-honour, breath, which the poor heart would fain deny, and dare not.

Hij grijpt zich weer bij elkaar: “I'll fight till from my bones my flesh be hack'd.
Give me my armour.
Maar eerst nog wendt hij zich tot de dokter die zijn vrouw behandelt:
Canst thou not minister to a mind diseased, pluck from the memory a rooted sorrow, raze out the written troubles of the brain and with some sweet oblivious antidote cleanse the stuff'd bosom of that perilous stuff which weighs upon the heart?

Dit is zo prachtig verwoord dat we hier haast niet anders kunnen dan ons identificeren met Macbeth, en daarbij vergeten dat hij een moordzuchtige tiran is. Hij spreekt hier voor ons allemaal, want wie kan dit verdriet omtrent het lijden van een partner niet meevoelen? Het is verontrustend hoe dicht Shakespeare ons steeds weer bij de menselijkheid van de moordenaar brengt.

De volgende woorden zijn gesproken in wanhoop: “I will not be afraid of death and bane [destruction], till Birnam forest come to Dunsinane.
Zijn laatste strohalm...

De troepen van de Schotse rebellen, ondersteund door Engelse soldaten, zijn een belegering van Dunsinane Castle begonnen. Wanneer Malcolm roept: “Let every soldier hew him down a bough and bear't before him: thereby shall we shadow the numbers of our host and make discovery err in report of us”, wordt daarmee alvast één van de voorspellingen van de Weird Sisters ongedaan gemaakt: Birnam Wood marcheert wel degelijk op naar Dunsinane Castle, waar Macbeth nog steeds strijdbaar en moedig is:
Hang out our banners on the outward walls; the cry is still 'They come': our castle’s strength will laugh a siege to scorn: here let them lie till famine and the ague eat them up.”

Een schreeuw van vrouwen klinkt op in één van de vertrekken: het is het teken dat Lady Macbeth haar eigen leven heeft genomen. Macbeth weet nog niet wat de schreeuw beduidt, maar geeft wel aan dat zijn grote vijand, de Tijd, hem zover gebracht heeft dat zelfs de afschuwelijkste geluiden en gebeurtenissen hem niet meer doen opschrikken:
I have almost forgot the taste of fears; the time has been, my senses would have cool'd to hear a night-shriek... I have supp'd full with horrors; direness [verschrikkingen], familiar to my slaughterous thoughts cannot once start me.

Dan krijgt hij te horen dat zijn echtgenote dood is: “She should have died hereafter; there would have been a time for such a word.” Was ze maar op een geschikter moment gestorven, zodat hij wel de tijd en gelegenheid had om te rouwen en haar dood te betreuren. En dan volgt die machtige litanie die ik tot de meest indrukwekkende regels in Shakespeare reken:
Tomorrow, and tomorrow, and tomorrow [al die eindeloze tomorrows die niet meer zullen zijn], creeps in this petty pace from day to day to the last syllable of recorded time, and all our yesterdays have lighted fools the way to dusty death. Out, out, brief candle! [het leven zelf wordt gesmoord].

Life's but a walking shadow, a poor player [een wandelende illusie] that struts and frets his hour upon the stage and then is heard no more: it is a tale told by an idiot, full of sound and fury, signifying nothing.
Uitdrukking van het stadium van de ultieme hopeloosheid waarin Macbeth nu is terechtgekomen. Maar wat een schitterende poëzie!!

De grote Shakespeare-geleerde A.C. Bradley (auteur van het nog steeds zeer lezenswaardige Shakespearean Tragedy uit 1904) tracht in een essay te formuleren waarom we ons toch niet met afschuw afwenden van de figuur Macbeth, ondanks zijn gewelddadigheid en de nihilistische houding die hij tegen het einde van het stuk steeds meer is gaan aannemen. Er is ondanks dat alles, betoogt Bradley op een voor mij overtuigende manier, toch een bepaalde grootheid, zelfs goedheid in Macbeth, die we kunnen blijven bewonderen. Ik citeer Bradley (uit een essay over Shakespeare en Hegel):
“Is there not such good in Macbeth? It is not a question merely of moral goodness, but of good. It is not a question of the use made of good, but of its presence. And such bravery and skill in war as win the enthusiasm of everyone about him; such an imagination as few but poets possess; a conscience so vivid that his deed is to him beforehand a thing of terror, and, once done, condemns him to that torture of the mind on which he lies in restless ecstacy; a determination so tremendous and a courage so appalling that, for all its torment, he never dreams of turning back, but, even when he has found that life is a tale full of sound and fury, signifying nothing, will tell it out to the end though earth and heaven and hell are leagued against him; are not these things, in themselves, good, and gloriously good?”

Zijn moed en vasthoudendheid zijn bewonderenswaardig en er is die innerlijke strijd, zowel voor als na de daad, die we van dichtbij kunnen volgen, waardoor we Macbeth tot in zijn diepste gevoelens en overwegingen leren kennen en kunnen navoelen hoe hij, zelfs als alles totaal hopeloos is geworden, hij toch bereid is alle consequenties van zijn handelen ten volle te aanvaarden.

Een boodschapper brengt nieuws van wat je de uiterlijke manifestatie van Macbeths innerlijke afgrond zou kunnen noemen:
As I did stand my watch upon the hill, I look'd toward Birnam, and anon, methought, the wood began to move.
Macbeth: “I begin to doubt the equivocation [dubbelzinnigheid] of the fiend that lies like truth: 'Fear not, till Birnam wood do come to Dunsinane:' and now a wood comes toward Dunsinane. Arm, arm, and out!
Het einde is nabij,
Macbeth is nu moe van alles:
I ‘gin to be aweary of the sun, and wish the estate o' the world were now undone.

Ring the alarum-bell! Blow, wind! come, wrack! At least we'll die with harness on our back.

Als hij in zijn kasteel was gebleven had hij de vijand wellicht kunnen weerstaan, door te wachten ‘till famine and the ague eat them’. Door naar buiten te gaan bezegelt hij zijn eigen noodlot. Hij wil vechtend ten onder gaan.

Als we hem in de volgende scène zien, is hij alleen op het slagveld:
They have tied me to a stake; I cannot fly, but, bear-like, I must fight the course [een verwijzing naar de afschuwelijke beergevechten die in Shakepeare’s tijd plaatsvonden, waarbij een aan een paal vastgebonden beer werd verscheurd door honden]. What’s he that was not born of woman? Such a one am I to fear, or none.
Macbeth acht zichzelf nog steeds onverslaanbaar.

Ondertussen is Macduff op zoek naar de man die zijn familie heeft uitgemoord: “Tyrant, show thy face! If thou be'st slain and with no stroke of mine, my wife and children's ghosts will haunt me still.
Hij, en niemand anders, moet het zijn die Macbeth de fatale slag toebrengt. Hij begroet Macbeth op het slagveld: “Turn hell-hound, turn!”
Dit is het enige moment in het hele stuk waarop Macbeth spijt betuigt: “Get thee back; my soul is too much charged with blood of thine already.”
 Maar nog altijd is hij overtuigd van zijn eigen onkwetsbaarheid:
I bear a charmed life, which must not yield, to one of woman born.
Totdat Macduff hem zijn dood aanzegt met de volgende woorden: “Despair thy charm;

and let the Angel [hier in de zin van: demon] whom thou still hast served tell thee, Macduff was from his mother’s womb untimely ripp'd.” (De keizersnede kwam in Elizabethaans Engeland geregeld voor). Voor de tweede keer realiseert Macbeth zich dat hij het slachtoffer is van ‘the equivocation of the fiend that lies like truth’.
And be these juggling fiends no more believed, that palter with us in a double sense; that keep the word of promise to our ear, and break it to our hope. I'll not fight with thee.

Het is de enige keer dat Macbeth werkelijk bang is. Het is maar voor even. Hij grijpt al zijn moed bijeen:
Though Birnam wood be come to Dunsinane, and thou opposed, being of no woman born, yet I will try the last. Before my body I throw my warlike shield. Lay on, Macduff, and damn'd be him that first cries, 'Hold, enough!'
Het is de moed der wanhoop; het zullen zijn laatste woorden blijken te zijn.

We zijn geen getuige van Macbeths dood en moeten even in onzekerheid blijven, tot de buitengewoon theatrale opkomst van Macduff met het hoofd van Macbeth:
Hail, king! for so thou art [Malcolm, uiteraard]: behold, where stands the usurper's cursed head [op een paal]: the time is free.”

‘The time is free’. Het is een opluchting en bevrijding. De tiran Macbeth heeft zelfs de tijd in gijzeling gehouden. En toch is er ook iets in ons dat sterft met de Macbeths, ‘this dead butcher and his fiend-like queen’, zoals Malcolm ze noemt in de laatste speech van het stuk.

James Joyce werd ooit gevraagd welke auteur hij mee zou nemen naar een onbewoond eiland. Zijn antwoord: “I should like to answer Dante, but I would have to take the Englishman because he is richer.”

Harold Bloom eindigt zijn boek over Macbeth als volgt:
“Shakespeare’bounty, like his Juliet’s, is as boundless as the sea. The more you take, the more he has, for his characters are infinite. Something in us dies with Macbeth... the iniquity [ongerechtigheid] of an imagination that does not know how to stop. And yet, for all its negativity, Macbeth’s vitality survives in our hearts. We cannot love him, but absorbing him heightens our sense of being.”



dinsdag 7 januari 2025

Shakespeare's Macbeth, deel I

Waar Hamlet het Shakespeare-personage is, uitgerust met de grootste cognitieve kracht, geldt voor Macbeth dat hij degene is met verreweg de grootste verbeeldingskracht. Je zou zelfs kunnen zeggen dat hij de gevangene is van zijn eigen imaginaties, van impulsen die hij niet anders kan dan beantwoorden met handelingen waartoe hij zich gedwongen voelt. Macbeth kan de beelden van de duistere nachtwereld die hij in zijn binnenste opborrelen niet meer bijbenen. Hij heeft zich een bepaalde handeling nog niet voorgesteld, of hij maakt al een sprong de toekomst in om die te realiseren, vervolgens met ontzetting terugblikkend op de impuls die hem oorspronkelijk stuurde. Hij wordt geplaagd door visioenen van wat er te gebeuren staat, hij is een onvrijwillige waarzegger. (De heksen, de Weird Sisters zoals ze bij Shakespeare heten, zien in hem onmiddellijk een verwante geest). Maar Macbeth helpt vervolgens ook om door zijn eigen handelen de voorspellingen te doen uitkomen. Hij handelt op zijn donkerste impulsen nog voordat hij deze geheel en al begrepen heeft, voordat ze volledig in zijn bewustzijn gekomen zijn. Hij leeft temidden van hallucinaties die hem in de loop van het stuk zijn functioneren in toenemende mate onmogelijk maken.

Het stuk Macbeth begint met donder en bliksem en de opkomst van de heksen die spreken in antithetische raadselen:
“When the battle’s lost and won.” “Fair is foul and foul is fair.”

Dan is er een scène aan het hof van King Duncan, waarbij de koning van Schotland bijgepraat wordt over de heldendaden van Macbeth (die een neef van de koning is) in zijn strijd tegen de rebellen en de Noorse troepen. Het eerste wat we horen over hem betreft zijn ongekende wreedheid in de wijze waarop hij een één van de aanvoerders van de tegenstander naar de andere wereld heeft geholpen (ik zal het niet letterlijk citeren, het is al te gruwelijk). Men beschrijft hem als de bruidegom van Bellona, de oorlogsgodin.

In de volgende scène zijn Macbeth en zijn strijdmakker Banquo op terugreis. Onder grimmige omstandigheden (‘So fair and foul a day I have not seen’) ontmoeten zij nu de drie heksen, die Banquo ontzet doen terugdeinsen:
“What are these, so withered and so wild in their attire, that look not like the inhabitants of the earth and yet are on it?”
De heksen voorspellen dat Macbeth Thane of Cawdor (een adellijke titel) en daarna zelfs koning zal zijn. Banquo: “Good sir, why do you start and seem to fear things that do sound so fair?” (Macbeth oogt kennelijk hevig geschrokken bij het aanhoren van de voorspelling). En hij vraagt zich af of de heksen echt zijn, dan wel hallucinaties: “In name of the truth, are ye fantastical, or that indeed which outwardly ye show?”

Banquo vraagt de heksen dan of ze iets over zijn toekomst kunnen zeggen? Banquo zal zelf geen koning zijn, maar zijn kinderen wel. (Macbeth werd opgevoerd voor King James I, die, voordat hij Elizabeth I opvolgde, de Schotse King James VI was, een veronderstelde afstammeling van Banquo. In de kroniek van Holinshed, waarop Shakespeare zich baseerde, is Banquo medeplichtig aan de moord op Duncan, maar met James I als toeschouwer was hij vrijwel verplicht om Banquo gunstiger af te schilderen).

Het lange terzijde van Macbeth tijdens deze scène geeft aan dat hij zich nog steeds niet herpakt heeft. Zijn enorme verbeeldingskracht begint te werken en brengt beelden bij hem naar boven die hem volledig uit zijn evenwicht brengen:
“This supernatural soliciting cannot be ill, cannot be good... If good, why do I yield to that suggestion whose horrid image doth unfix my hair and make my seated heart knock against my ribs?... My thought, whose murder [daar is de gedachte voor het eerst] is but fantastical shakes so my single state of man that function [elke potentiële handeling] is smothered...” Nog is het concrete uitvoeren van wat in zijn verbeelding opborrelt, hem onmogelijk. En de daaropvolgende regel zou het motto van het stuk kunnen zijn: “And nothing is, but what is not.” Wat werkelijkheid is, en wat onwerkelijkheid is, verwisselen van plaats. Een veeg teken.

Lady Macbeth ontmoeten we voor het eerst wanneer zij de brief van haar man leest die haar inlicht over de voorspellingen van de Weird Sisters. Zij is duidelijk van mening dat haar echtgenoot niet tot zoiets excessiefs als moord in staat is om zijn ambitie te verwezenlijken en zo de voorspelling een handje te helpen:
“Yet do I fear thy nature, it is too full of the milk of human kindness [dit is, zoals zoveel Shakespeare-citaten, een standaarduitdrukking in het Engels geworden] to catch the nearest way. Thou would’st be great, art not without ambition, but without the illness [in de betekenis van: wickedness] that should attend it. What thou wouldst highly, that wouldst thou holily, wouldst not play false.”
M.a.w.: Lady Macbeth ziet haar man, enigszins overdreven wellicht, als een heilig boontje. Maar het is duidelijk dat ze óók van hem houdt en niets liever ziet dan dat hij zijn ambitie waarmaakt.

Harold Bloom (die een mooie studie over dit stuk schreef, waaraan ik veel heb ontleend: Macbeth, a dagger of the mind) noemt de Macbeths het gelukkigste huwelijk in Shakespeare. Hun machtbelustheid en gewelddadigheid houdt gelijke tred met de passie die ze hebben voor elkaar en hun verlangen naar elkaar.

Wanneer Lady Macbeth te horen krijgt dat King Duncan en zijn gevolg onder haar dak komt logeren, beantwoordt ze dat nieuws met een woeste exaltatie:
“Come you spirits that tend on mortal thoughts [in dit geval: moordlustige gedachten], unsex me here and fill me from crown to the toe, top-full of direst cruelty... Come, thick night... that my knife see not the wound it makes.”
Ze lijkt zich dus aanvankelijk voor te nemen zélf de moord te plegen. (Later zegt ze: “Had he not resembled my father as he slept, I had done it.”)

Wanneer Macbeth bij zijn vrouw thuis komt, blijkt onmiddellijk hoezeer zij hem domineert. Zij zweept hem op en gebiedt hem uiterlijk vriendelijk te blijven naar de koning maar ondertussen kwaadaardige intenties te koesteren:
“... look like the innocent flower, but be the serpent under it. He that’s coming [de koning] must be provided for; and you shall put this night’s great business into my dispatch.” Het is duidelijk dat zij aan het roer staat bij deze operatie.

Wanneer King Duncan, met Banquo in zijn gevolg, bij Macbeth’s kasteel aankomen, staan de ongerustheid en het voorgevoel van wat komen gaat die bij ons zijn opgebouwd in schril contrast met de onschuld van zowel de koning (‘the air nimbly and sweetly recommends itself unto our gentle senses’) als Banquo (‘heaven’s breath smells wooingly here... the air is delicate’). Het lijkt hen een vredige plek. Geen enkel vermoeden.

En ook bij de begroeting weet Lady Macbeth haar voorgenomen wreedheid onder de vriendelijkheid van een gastvrouw te verbergen.

De eerste soliloquy, of alleenspraak, van Macbeth, die zich heeft teruggetrokken terwijl Duncan en zijn gevolg aan tafel zijn:
“If it were done, when ‘tis done, then ‘twere well it were done quickly.” Maar zo voortvarend is hij niet, opnieuw uit hij zijn bedenkingen:
“He’s here in double trust: first I am his kinsman and his subject, strong both against the deed. Then, as his host, who should against his murderer shut the door, not bear the knife myself. Besides, this Duncan hath borne his faculties so meek, hath been so clear in his great office [en hier neemt Macbeths verbeeldingskracht een enorme vlucht, het is schitterende poëzie], that his virtues will plead like angels, trumpet-tongued, against the deep damnation of his taking off; and pity, like a new-born babe, striding the blast, or heaven’s cherubim, horsed upon the sightless couriers of the air, shall blow the deed in every eye, that tears shall drown the wind.”
Hij heeft second thoughts, zou je kunnen zeggen.

Maar opnieuw is het zijn vrouw die hem weet te overtuigen:
“I am settled. Away, and mock the time with fairest show. False face must hide what false heart doth know.”

Met zijn tweede soliloquy slaat Macbeth aan het hallucineren: hij ziet een dolk die er niet is:
“Is this a dagger that I see before me, the handle towards my hand? Come, let me clutch thee. I have thee not [als hij de dolk wil pakken grijpt hij niets dan lucht], and yet I see thee still. ... art thou but a dagger of the mind, a false creation, proceeding from the heat-oppressed brain?”
Het spookbeeld van de dolk wijst Macbeth de weg (naar de slaapkamer van Duncan, waar de moord zal plaatsvinden): “Thou marshall’st me the way that I was going, and such an instrument I was to use... On thy blade and dudgeon [het handvat] gouts [drops] of blood, which was not so before.”

Macbeth kan zijn eigen verbeelding niet meer bijbenen. Hij weet dat het slechts visionaire bloedruppels zijn op het lemmet: “There’s no such thing. It is the bloody business which informs thus to mine eyes.”

Wat volgt is een nachtelijk visioen. De natuur slaapt en Hecate, godin der hekserij, heerst daar nu. Het gehuil van een wolf klinkt in de nacht. Dan het luiden van de bel: Macbeth is nu vastbesloten:
“I go, and it is done; the bell invites me. Hear it not, Duncan, for it is a knell that summons thee to heaven, or to hell.”
Dit is een voorbeeld van hoe een gedachte bij Macbeth opkomt en hij onmiddellijk een sprong maakt, de toekomst in. Eigenlijk is de daad nu al volbracht en Duncan zo goed als dood.

Dit is in wezen een hele intieme scène, we worden deelgenoot van Macbeth gevoelens en angsten, we delen in zijn overwegingen. Niemand in het hele stuk, op Lady Macbeth na, houdt van hem en wij zien dit ook met afschuw aan – en toch is er óók iets van identificatie met de hoofdpersoon, hoe afstotend zijn daden ook zijn. Het is omdat we hem zo dicht op de huid zitten. Als aan het einde van het stuk Macduff het toneel opkomt en Macbeths afgehakte hoofd omhoog houdt (we zien hem niet sterven op toneel) voelen we opluchting (dit kón zo niet verder), maar geen vreugde. Is het de pure energie van beide Macbeths die zo aanstekelijk werkt, hoe negatief gericht die ook is? Hun onderlinge verbondenheid? In hun kwaadaardigheid lijken ze het aardse te ontstijgen en een dergelijke transcendentie is hoe dan ook imponerend.

Ook van de moord op Duncan zijn we geen getuige; we zien hoe de Macbeths elkaar ontmoeten nadat de daad volbracht is (“I have done the deed”). Maar hij is volkomen van streek: “I could not say ‘Amen’... wherefore could I not pronounce ‘Amen’? I had most need of blessing and ‘Amen’ stuck in my throat.”
En: “Methought I heard a voice cry: ‘Sleep no more. Macbeth does murder sleep’...
Still it cried: ‘Sleep no more’ to all the house... ‘Macbeth shall sleep no more’.”

Een stem van ver, groter dan die van Macbeth zelf, daalt op hem neer. Lady Macbeth hoort het niet, maar wij wel. Wij worden hier één met Macbeth.

Dan wordt er op de deur geklopt. Het beangstigt Macbeth:
“Whence is that knocking? How is it with me, when every noise appals me?”
En dan deze schitterende regels: “Will all great Neptune’s ocean wash this blood clean from my hand? No, this my hand will rather the multitudinous sea incarnadine, making the green one red.”

Het is weer Lady Macbeth die haar echtgenoot tot kalmte moet manen: ze moeten zich nu terugtrekken op hun kamer en doen alsof ze tot dan toe geslapen hebben. Maar Macbeth wordt door berouw gekweld: “Wake Duncan with thy knocking. I would thou couldst!”

Op dit punt gekomen mag dat merkwaardig lijken, maar Lady Macbeth zal uiteindelijk degene zijn die hier aan onderdoor gaat. Haar echtgenoot zal zich oprichten en met ongelofelijke mentale kracht de ene na de andere catastrofe overleven totdat tenslotte ook hij zijn lot niet meer kan ontlopen.

Het kloppen op de deur wordt beantwoord door de geweldige Porter, dronken en uitbundig, die zichzelf de ‘porter of Hell’s gate’ noemt en allerlei grappen maakt over hel en verdoemenis zonder te weten hoe toepasselijk die wel niet zijn in het licht van de moord die net is gepleegd. Dit is een staaltje ‘comic relief’: Macduff en Lennox zijn gekomen om de koning wakker te maken, maar worden geconfronteerd met, zoals Harold Bloom zegt, ‘a clown so memorable that he challenges Lear’s Fool’.

Macduff ontdekt de moord op Duncan en slaat alarm: “Most sacrilegeous murder hath broke ope the Lord’s anointed temple [het lichaam van de koning, die Gods gezalfde was] and stole thence the life of the building.”

Macbeths al even eloquente reactie:
“Had I but died an hour before this chance, I had lived a blessed time; for from this instant there’s nothing serious in mortality [hier in de betekenis van: the human condition]; all is but toys; renown and grace is dead, the wine of life is drawn.”

Deze ogenschijnlijk oprecht aangedane reactie van de man die zelf de moord gepleegd heeft, is uiteraard bedoeld om iedereen om de tuin te leiden. Maar het is ook dubbel: Macbeth drukt hiermee óók uit wat hij diep in zijn binnenste voelt en komt hiermee dichter bij de waarheid dan hij zelf wellicht vermoedt: zijn leven is inderdaad ‘from this instant’ een grens over gegaan, hij zal nooit meer onbezorgd geluk kennen.

Banquo’s reactie daarentegen is een bevestiging van zijn loyaliteit en onschuld; hij is vastbesloten ‘to question this most bloody piece of work’:
“In the great hand of God I stand.”
De kracht die hij hier uitstraalt bezegelt zijn lot: Macbeth is bang van hem (“There is nothing but he whose being I do fear”, zegt hij even later) en neemt zich voor zowel Banquo als zijn zoon Fleance te doden (het eerste lukt, het tweede niet, wat in overeenstemming is met de voorspelling van de heksen).

“And so do I”, is Macduffs zelfverzekerde toevoeging. Macduff zal uiteindelijk Macbeths ondergang betekenen.
Duncans zonen, de latere King Malcolm en zijn broer Donalbain vermoeden vuil spel en besluiten te vluchten.

Duncans stoffelijk overschot wordt naar Colmekill gebracht, het eiland Iona waar traditiegetrouw de Schotse koningen begraven liggen, ‘the sacred store-house of his predecessors and guardian of their bones’.
Macbeth wordt tot koning gekroond in Scone (de oude koningsstad: de Stone of Scone was symbool van het Schotse koningsschap). `

Macbeth realiseert zich dat het koningschap voor hem één grote schaduwzijde heeft – hij heeft geen nakomelingen:
“Upon my head they placed a fruitless crown and put a barren sceptre in my gripe, thence to be wrenched with an unlineal hand, no son of mine succeeding.”

Volgens de voorspelling van de heksen zal het nageslacht van Banquo op de troon komen – Macbeth lijdt zwaar onder zijn schuldgevoel, en dat alleen om de weg vrij te maken voor Banquo’s nakomelingen, ‘to make them kings, the seeds of Banquo’s kings’?

Maar ook Banquo zelf (‘our fears in Banquo stick deep’) boezemt hem angst in. Hij schakelt twee huurmoordenaars in, schurken die zo diep gevallen zijn dat ze nergens meer om geven:
2nd. Murderer: “I am one, my liege, whom the vile blows and buffets of this world hath so incensed, that I am reckless what I do to spite the world.”
1st. Murderer: “And I another.”

En Macbeth maakt hen duidelijk dat ook Banquo’s zoon het niet mag overleven: “Fleance, his son... must embrace the fate of that dark hour.”
Opmerkelijk: waar Macbeth bij de voorspellingen van de heksen betreffende zijn eigen persoon (‘jij zult koning worden’) het lot een handje heeft geholpen door Duncan te vermoorden, tracht hij in het geval van de voorspellingen die Banquo gedaan zijn (‘jij wordt geen koning, maar je kinderen wel’) het lot de pas af te snijden met zijn opdracht ook Fleance te doden. Maar wat in de sterren geschreven staat, kun je niet zo maar doorkruisen...

Er begint zich hier een nieuwe Macbeth af te tekenen. Waar hij eerst alleen maar aarzelde en gewetenswroeging had, voortdurend door zijn vrouw moest worden aangespoord, verandert hij nu in toenemende mate in de auteur van een uiterst bloedige tragedie, iemand die zijn moordzuchtige verbeeldingskracht vanaf nu steeds weer in concrete daden om moet zetten. Die ene moord lokt nieuwe moorden uit.

Uit het daaropvolgende gesprek met zijn vrouw blijkt zijn geestesgesteldheid: hij is een getroubleerd mens, wat zich uit in verontrustende reptiel-metaforen.
“We have scorched the snake, not killed it.” “Full of scorpions is my mind, dear wife.”
En hij wordt nu een dichter van de nacht die het ene duistere beeld na het andere oproept, gecentreerd rondom de voorgenomen moord op Banquo (waar zijn vrouw niets vanaf weet).
“Ere the bat hath flown his cloistered flight, ere to black Hecate’s summons the shard-borne [geboren uit mest] beetle with his drowsy hums, hath rung night’s yawning peal [een afgrond waaruit een spookverschijning tevoorschijn komt], there shall be done a deed of dreadful note.” (Hecate is ook godin van de maan en derhalve een nachtwezen).
Hij roept de nacht op ‘to scarf the tender eye of pitiful day’ [de zon te blinddoeken] en met haar ‘bloody and invisible hand’ haar werk te voltooien dat hem vrij zal maken (denkt hij). Het geheel wordt gecompleteerd door prachtige regels die het invallen van de duisternis beschrijven:
“Light thickens and the crow makes wing to the rooky wood. Good things of day begin to droop and drowse, whiles night’s black agents to their preys do rouse.”
Shakespeare’s Macbeth is bij uitstek een nacht-stuk.

Banquo wordt gedood, maar Fleance weet te ontsnappen. Dit is een keerpunt in het stuk. Vanaf nu zal Macbeth alleen maar gewelddadiger en wanhopiger worden. De eerste tekenen van zijn geleidelijke ondergang zijn al te zien in de volgende scène, het banket in het kasteel van Macbeth.

Als dit goed en wel begonnen is, wordt Macbeth naar de deur geroepen: één van de moordenaars van Banquo is gekomen om verslag uit te brengen. Macbeth raakt totaal van streek als hij hoort dat Fleance is weggekomen; dat nieuws slaat hem alsof hij een toeval krijgt: “Then comes my fit again; I had else [als ook Fleance gedood was] been perfect.”
Dan neemt de geest van Banquo plaats aan tafel; zeer onkarakteristiek voor geesten bij Shakespeare spreekt deze geen woord. Alleen Macbeth kan hem zien. Het is, na eerder de dolk, zijn tweede hallucinatie. Lady Macbeth legt ook dat verband:
“This is the very painting of your fear: this is the air-drawn dagger which you said led you to Duncan... When all’s done you look but on a stool.”

Macbeth vat de geestverschijning op als een affront:
“The time has been, that when the brains were out, the man would die, and there an end. But now they rise again, and push us from our stools. This is more strange then such a murder is.”

Macbeth is buitengewoon verontwaardigd door de onvoorstelbaarheid van dit alles: vroeger was dood nog gewoon dood. Geen van de door hem bedachte strategieën die hem de veiligheid moeten geven waar hij zo naarstig naar op zoek is, blijken te werken. Het is om dol van te worden.

Het gezelschap, dat met stijgende verbazing een hallucinerende en tierende majesteit heeft aangezien, wordt naar huis gestuurd. Macbeth besluit de heksen nog eens op te zoeken, ‘bent to know, by the worst means [de heksen namelijk], the worst’. Hij bereidt zich voor op het ergste.

Hij is zich er ook van bewust dat er geen weg terug meer is:
“I am in blood stepped in so far, that should I wade no more, returning were as tedious as go over.” (Harold Bloom heeft geteld dat het woord blood, of bloody, 41 keer in de tekst voorkomt).

Een volgende misdaad dient zich al aan. Macbeth laat tegen zijn vrouw vallen dat Macduff, die voor het banket uitgenodigd was, verstek heeft laten gaan. Een veeg teken. Het zal uiteindelijk uitlopen op wat met afstand Macbeths gruwelijkste daad is: het uitmoorden van het gezin Macduff, zijn eigen versie van de kindermoord van Bethlehem. (Macduff, horen we even later, is gevlucht naar het Engelse hof van Edward the Confessor, waar ook Duncans zoon Malcolm onderdak heeft gevonden. Zij gaan daar proberen een strijdmacht op de been te brengen die tegen Macbeth op kan trekken).

Wat volgt is de buitengewone scène van Macbeth die de heksen confronteert. Ze dansen, in de nacht en begeleid door donderslagen, rondom een ketel waarin ze de smerigste ingrediënten gooien, onder het zingen van een refrein:
“Double, double, toil and trouble;
Fire burn and cauldron bubble.”

Uiterst vermakelijk en onsmakelijk tegelijkertijd. Het ‘something wicked this way comes’ is de aankondiging van de komst van Macbeth. Die wil de heksen (of in dit geval de geesten die zij oproepen) ontlokken wat zij weten: hij wil zekerheid omtrent zijn lot.

Er zijn drie verschijningen die hem stuk voor stuk cryptische aanwijzingen geven.
De eerste: ‘an armed head’: “Beware Macduff. Beware the Thane of Fife.”
De tweede: ‘a bloody child’: “None of woman born shall harm Macbeth.”
De derde: ‘a child crowned, with a tree in his hand’: “Macbeth shall never be vanquished, until Great Birnam Wood to high Dunsinane Hill [waarop het kasteel staat waar Macbeth zich later zal verschansen] shall come against him.”

In mijn editie van Macbeth, naar mijn mening de best en meest handzaam geannoteerde, de Arden-Shakepeare, wordt een verklaring gegeven van de drie visioenen: het armed head’ is het hoofd van Macbeth dat aan het einde van het stuk door Macduff naar Malcolm, de nieuwe koning, wordt gebracht.
Het bloody child verwijst naar de dubbelzinnigheid van deze voorspelling: geen of woman born zal Macbeth kunnen doden, maar, zo horen we later, Macduff was ‘untimely ripped form his mother’s womb’: met de keizersnede geboren. Ik heb dat altijd wat twijfelachtig gevonden, het wil toch niet zeggen dat hij niet uit een vrouw geboren is. Maar goed, het bloody child zou dan de pasgeboren Macduff zijn, nog onder het bloed van de operatie.
Het derde visioen, het gekroonde kind, zou zowel Malcolm als Banquo’s nakomeling Fleance kunnen zijn; het eerste is het waarschijnlijkst. Want in de beslissende veldslag sommeert hij zijn mannen om, bedekt met boomtakken, op te rukken naar het kasteel, zodat daar gebeurt wat Macbeth voor onmogelijk houdt: een bos dat zich verplaatst.

De laatste twee voorspellingen zijn dus zeer dubbelzinnig, maar uiteraard ziet Macbeth dit niet in; de zekerheid die hij eraan ontleent is een schijn-zekerheid:
“Our high-placed Macbeth [merkwaardig genoeg spreekt hij hier over zichzelf in de derde persoon] shall live the lease of nature, pay his breath to time and mortal custom.”
Maar hij wil nog één ding weten: “Shall Banquo’s issue ever reign in his kingdom?”, zoals hem al eerder door de heksen voorspeld was. Wat volgt had hij dus kunnen weten, maar niettemin ontzet het hem vreselijk. Het volgende visioen: ‘A show of eight kings, the last with a glass in his hand, and Banquo’.
“What, will this line stretch out to the crack of doom?” En het is duidelijk dat alle koningen op Banquo lijken, dat het zijn nageslacht is:
“The blood-boltered Banquo smiles upon me and points at them for his.”

Aan het einde van deze scène horen we het hoefgetrappel van een voorbijrijdend paard: het is Macduff op weg naar Engeland. En daarmee is hij buiten het bereik van Macbeth gekomen. Die neemt zich voor nu nooit meer te aarzelen: “From this moment on the very firstlings of my heart shall be the firstlings of my hand.” Voornemens worden onmiddellijk tot daden gepromoveerd. Macbeth ten voeten uit.

En dus voegt hij de daad bij het woord, en die daad zal zijn grootste ongerechtigheid zijn: “The castle of Macduff I will surprise, seize upon Fife, give to the edge of the sword his wife, his babes, and all unfortunate souls that trace him in his line.” 



Shakespeare's Macbeth, deel II

De scène van de moord op Lady Macduff en haar kinderen is vrijwel ondragelijk. Je kunt je afvragen waarom Macduff zijn gezin niet heeft meeg...