Criticus Arnold Heumakers schreef in een memoriam in NRC Handelsblad dat Kees Fens hem heeft leren lezen, “lezen in de meest volledige zin van het woord, lezen zoals literatuur moet worden gelezen”. Hij noemt zijn recensies voorbeeldig, getuigend van aandacht, precisie en verbeeldingskracht – en: ‘zonder een spoor van frivoliteit’. Inderdaad, dat herken ik, naast de precisie en bedachtzaamheid van zijn kritsiche schrijven, was het vooral die diepe ernst die indruk op mij maakte. Zo wilde ik ook met literatuur omgaan.
Heumakers: “Achterop de herdruk van zijn essaybundel De eigenzinnigheid van de
literatuur staat een foto waarop we Kees Fens zien lezen. Vrijwel rechtop aan
tafel gezeten, met het boek in de ene hand en de wijsvinger van de andere hand,
ondersteund door de duim, tegen de lippen gedrukt: een toonbeeld van toewijding
en concentratie. Wanneer ikzelf met een boek op de bank lig of in een stoel
hang, moet ik wel eens aan die foto denken, nooit zonder iets van gêne. Want
rechtop aan tafel, dat is de norm”.
[In Heilige slakken en andere
terzijdes, een bundel ultrakorte stukjes die in de Volkskrant hebben gestaan,
schrijft Fens: “Ik geef toe, ik zie graag lezende mensen. Ze zijn afwezig, ze
hebben hun lichamen achtergelaten in die fraaiste aller houdingen: over het
boek gebogen. Tussen u en het boek is een voor ons onzichtbare wereld”.]
Ook voor mij was Kees Fens in
eerste instantie iemand die mij tot bepaalde schrijvers introduceerde, prachtig
kon schrijven over het tijdvak der Middeleeuwen of de Kerkvaders, een zwak had
voor kathedralen en kloosters, voor religie so wie so, erudiete beschouwingen
schreef over architectuur en kunstgeschiedenis ... totdat ik ontdekte dat hij
ook een heel andere kwaliteit had: hij stuurt je blik, zet je aan om op kleine
details te letten en er niet zo maar aan voorbij te gaan. Hij sluit daarbij aan
op een manier van leven die ik zelf ook zo veel mogelijk tracht te realiseren
en die ik beschouwend en meditatief zou willen noemen, met aandacht voor het hier en nu, voor je
omgeving, stil en respectvol omgaan met de dingen die je onder handen hebt, het
gewone leven. Ik zou een steeds langzamer leven willen leiden, beschouwelijk en
ingetogen; met rust en aandacht ...
Als het proza van Kees Fens je ergens toe aanzet, dan is het dat. Met daarnaast
het voornemen veel meer tijd aan lezen te besteden en dat veel geconcentreerder
en serieuzer te doen dan je tot nu toe deed.
Tot
zover de kleine verschijnselen van het dagelijks leven (ik volg hier min of
meer Zwagerman in zijn beschouwing). Maar ook het allergrootste – en
allerhoogste komt bij Kees Fens aan de orde. God. De Eeuwigheid. Het Licht.
Verrijzenis. (Hier moet Zwagerman een zekere verwantschap hebben gevoeld: in
zijn laatste essayistische beschouwingen, die steeds minder over literatuur
gingen en steeds meer over beeldende kunst, staan begrippen als de Stilte en
het Licht centraal – zo heet ook zijn laatste essaybundel: De Stilte van het
Licht – in een soort van eigentijdse mystiek die uitmondt in een nauwelijks
verholen en helaas profetisch geworden wens om te verdwijnen in het Niets).
Ook Fens
is geëvolueerd van een Amsterdamse katholieke jongen tot een agnostisch
mysticus. Ik schreef al dat hij in zijn stukjes over het leven van alledag zich
een goed observator van het licht betoont, maar hij kan ook (op dezelfde
ingehouden, bescheiden manier waarop hij bijvoorbeeld over de straten van
Amsterdam schrijft) schrijven over het Licht als mystieke ervaring. Als
voorbeeld noem ik het werkelijk fenomenale stukje Het licht van de ogen;
als je ergens kan zeggen dat Fens al schrijvende gaat zingen, dan is het daar.
Ik ga er dan ook graag iets uitgebreider op in.
Hij komt
te spreken over engelen. Dat zijn lichtgestalten. De herders in het veld, Maria
bij de annunciatie (evenals Zacharias en Johannes), Petrus die in de gevangenis
bezoek krijgt van een engel: ze werden verblind door het licht (Abraham bij
Mamre zat in de felle middagzon, bij het verschijnen van de drie mannen moet
het licht nóg feller zijn geworden). Voor even maar: de engel laat je Zien in
dit scherpe licht, dan is hij verdwenen en moet je het zelf weer doen. Hij
stelt dan dat engelen zeer oud moeten zijn, want pas op hoge leeftijd bereik je
dit stadium van lichtgevendheid: het is de eindfase van de doorzichtigheid,
wanneer de geest eindelijk het lichaam in zijn macht heeft gekregen. En hij
citeert dan iemand die tegen hem zei “Mijn vader stierf als een engel”; die
persoon was daarvan hevig geschrokken, van dat stralende licht dat kennelijk
van die vader uit ging.
Fens citeert dan Psalm 8: “Wat is de mens dat u aan hem denkt en de zoon van
Adam, dat u zich met hem inlaat? U hebt hem nauwelijks minder gemaakt dan een
god” (staat er in het Hebreeuws; de Griekse en Latijnse vertalers hebben dat
niet aangefdurfd, want schrijven ‘minder gemaakt dan de engelen’). Pas in het
laatste stadium van een mensenleven kunnen we getuige zijn van deze bijna
goddelijke engelachtigheid.
Dan zijn er deze prachtige regels:
“Licht is het oudste woord. God is Licht. En als dat ontoegankelijke licht
breekt en spreekt klinkt daar als eerste woord ‘Licht’. Scheppen is licht
maken”.
Om vervolgens de proloog van Miltons Paradise Lost te citeren, dat
indrukwekkende, monumentale werk (dat in één van mijn volgende blogs aan de
orde komt) – daar wordt gesproken tot de geest: “(thou that) from the first
wast present and with mighty wings outspread dove-like satst brooding on the
vast abyss and mad’st it pregnant: What in me is dark illumine”.
Ontsteek het Licht in mij.
Om dan
weer terug te keren tot mensen in hun laatste levensfase.
“Zoals ieder in zijn omgeving heeft kunnen vaststellen, sommigen raken aan het
eind van hun leven overvol van licht... de huid wordt transparant, ze lijken
ook van gewicht lichter geworden, ze staan op het punt te gáán... En dan is het
hier uit [Verlossing die tegelijkertijd Verlichting is]. Het werd de hoogste
tijd”.
Ik krijg hier tranen van in mijn ogen, al waren er ook genoeg mensen die
geërgerd reageerden op dit soort passages bij Fens.
Vervuld
zijn van Licht. Contemplatief leven, vanuit de Stilte.
Beide
aspecten kom ik tegen in een stuk over de Spaanse schilder Francisco de
Zurbarán (Fens is óók, bij al het andere wat hij is, een zeer zorvuldig
beschouwer van schilderkunst), die veel schilderijen heeft gemaakt van monniken
in helwitte pijen.
“Ik keek en ineens wist ik: van die schilder wil ik alles weten, want ik had
voor het eerst de mystieke extase gezien, in dat tussengebied van aarde en
hemel, tussen tijd en eeuwigheid in; het lichaam is niet meer zichtbaar, het is
vervangen door het [witte] kleed en dat kleed is in een verheerlijkte staat ...
Er naar kijken is al bijna een verstoring van de stilte. Zo iemand laat men
alleen, met zichzelf en met zijn God en die twee zijn in elkaar overgegaan ...
”. Even verderop spreekt hij weer over het kleed van de monniken als het
verheerlijkte lichaam, dat “hun onsterfelijkheid al aangeeft waar de laatste
resten van lichaam, hoofd en handen, nog zichtbaar zijn. Het is allemaal even
streng als troostend. Stiller lijkt niet denkbaar”.
Het stilste werk van Zurbarán noemt hij een afbeelding van de ontmoeting tussen
Paus Urbanus II en Bruno, stichter der kartuizers (en weer kom je hier uit bij
de raakpunten tussen Fens en Joost Zwagerman, die over ditzelfde schilderij
schrijft de De stilte van het licht). Bruno heeft “... aan zijn
contemplatie genoeg... Nooit heb ik een mens zo
intens zijn omgeving stil zien maken. Er valt niets te zeggen”. De
‘grootheid van vervulde stilte’ noemt hij het dan.
En voor
anderen was het de vraag: geloofde Kees Fens nu in God of had hij het geloof
uit zijn jeugd geheel verloren? Het hierboven gebruikte woord ‘agnost’ geeft
een antwoord op die vraag, maar het is twijfelachtig of die expiliciet te
beantwoorden valt. Joost Zwagerman stelt dat Fens op de eerste plaats geloofde
in de taal, in woorden; ik heb zelf het idee dat Fens God op vooral zag als een
construct van taal, door mensen gemaakt, met een compleet geloofsbouwwerk dat
daaromheen was opgetrokken. Dát fascineerde hem mateloos, hij zag de schoonheid
en de peilloze diepte ervan en dat kun je wel degelijk een soort van geloof
noemen.
In het
stukje Sputum zegt hij zich te verwonderen ‘over de stenen zekerheid van
sprekers en schrijvers’, wanneer het over God gaat. Ook dit is weer een
prachtig stukje (al zou de titel, die slaat op de longziekte van zijn vader,
dat misschien niet doen vermoeden: een verschrikkelijk woord dat maar niet dood
wil gaan), waarin hij beschrijft hoe hij in de kerk van zijn jeugd God kon
ervaren, eerst in de muziek, dan in het licht in de gebrandschilderde ramen en
tenslotte in de stilte. God en Stilte vallen tenslotte samen. “Welk woord
zouden zij samen opleveren? Eeuwigheid, denk ik”.
Maar het kerkgebouw staat inmiddels leeg. “’ Kerk’ is een architectonische term
geworden. Als ‘piramide’”. En eigenlijk is God een metafoor. Een oneindige
metafoor die steeds opnieuw betekenis moet krijgen door voortdurend nieuwe
beelden. Die ook voortdurend tekortschieten. “Er is geen hulpelozer en
ontroerender tekst dan die van de geloofsbelijdenis van Nicea. Het woord God is
uitgangspunt en eigenlijk ook eindpunt. Meer dan een verzameling indrukwekkende
metaforen wist die kerkvergadering niet op te leveren”. Die vervolgens echter
wel tot stenen zekerheden werden...
Jacq
Vogelaar, een schrijver die je niet zo snel met Kees Fens in verband zou
brengen (de katholieke mysticus versus de ex-communist en pleitbezorger van
experimenteel en geëngageerd proza), maar die toch een bewonderaar was, geeft
een verrassend scherpe karakterisering van de religiositeit van Kees Fens:
“... het religieuze heeft voor Fens, als ik het juist zie, een besef dat de
zichtbare wereld z’n grenzen en betekenishorizon te danken heeft aan een
onuitgesproken grotere wereld; maar hij houdt zich aan deze kant”.
Wel
dringt die grotere wereld soms naar de oppervlakte; zo kent hij vele verhevigde
momenten van een grote intensiteit, zowel bij de gebouwen en steden die hij op
zijn reizen aandoet, als bij kunstwerken en boeken en soms ook in de
ontmoetingen met mensen die hem ontroeren of inspireren. Dat alles kun je wel
degelijk omschrijven als een religieus gevoel.
Een
voorbeeld van dat gevoel vind je in het stuk De macht van het vierkant,
waarin hij eerst beschrijft hoe hij in een kartuizer klooster net buiten
Florence op een binnenplaats terecht komt: “Ik neem mij voor dit vierkant als
het mooiste te beschouwen dat ik ken”. Om vervolgens een nóg mooiere
binnenplaats te ontdekken: die van de Spedali degli Innocenti (het hospitaal
der onschuldige kinderen): “Ik ga zitten en staar voor mij uit, in de macht van
het volmaakste vierkant. Het kasteel van de ziel heet een beroemd
mystiek werk. De binnenhof van de ziel – dat is het geluk”.
Hij had
misschien graag een echte geleerde willen worden, zoals de door hem hevig
bewonderde Augustinus-kenner F. van der Meer. Want ondanks al zijn eruditie en
veelzijdigheid is hij toch vooral een journalist gebleven, iemand van korte tot
middellange stukken. Hij was ook eigenlijk helemaal niet zo gebrand op de
uitgave van zijn stukken in boekvorm. Geert van Oorschot moest bij hem praten
als Brugman om zijn eerste boek, De eigenzinnigheid van de literatuur, uitgegeven
te krijgen. Er is een respectabel aantal publicaties in boekvorm gevolgd, maar je
kreeg toch de indruk dat het voor Kees niet zo hoefde; hij produceerde zijn
krantenstukken in hoog tempo en met een zekere nonchalance: naar zijn idee
waren ze voor dát medium bedoeld en de krant van vandaag is morgen oud papier.
Jacq Vogelaar had graag gezien dat er jaarlijks een kloeke bundel van de
maandagstukken was verschenen; het bleef bij enkele uitgaven van door de jaren
heen verspreide stukken. Hij schreef kennelijk liever iedere week een paar
stukken dan maandenlang op een doortimmerde verhandeling te moeten ploeteren. Een
groot werk waarin één onderwerp helemaal wordt uitgediept is er niet van zijn
hand (hij heeft dat gemeen met George Steiner, die al even erudiet en
veelzijdig is). Het was zeker mogelijk geweest, gezien zijn belezenheid, zijn
veelzijdigheid en superieure stijl. Al was het alleen maar door het verzamelen
en redigeren van bestaande stukken van zijn hand: daarvan waren moeiteloos
standaardwerken samen te stellen geweest over (het lijstje is ook van Vogelaar)
onderwerpen als de Biografie, het leren lezen van poëzie (wat hij zelf
uitzonderlijk goed kon), zijn favoriete dichters (Leopold, Nijhoff, Gorter,
Bloem, Achterberg, maar ook de dichter Vestdijk), over lezen in het algemeen
(lezen als hartstocht heet één van zijn stukken; hij heeft dat met ongekende
geestdrift uitgestraald, telkens weer, bij elke publikatie), over Amsterdam,
over mystiek.
Het
heeft niet zo mogen zijn. En dat is toch opmerkelijk. Hij had immers al in 1977
het korte baan werk van de literaire kritiek vaarwel gezegd om de diepte in te
kunnen gaan. Het werd de middellange afstand: iedere maandag een stuk met een
hoog essayistisch gehalte, waarbij hij inderdaad de diepte in ging, zijn
onderwerp van alle kanten omcirkelde en zo breed mogelijk maakte, altijd punten
aanstippend die niet alleen het boek in kwestie betroffen, maar de literatuur
(of religie, of kunst, of het vak van biografie schrijven) in het algemeen.
Maar hey beperkte zich tot dat ene stuk van die halve krantenpagina en de
volgende maandag was er weer een deadline. Kees was en bleef een krantenman.
Hij was
zonder meer één van de beste essayisten van de Nederlandse 20e
eeuwse literatuur (de toekenning van de P.C. Hooftprijs was daarvoor een mooie
bekroning). De ware essayist doet niet het werk van de schrijver nog eens
dunnetjes over (dat is eigenlijk wat ik hier doe: uit bewondering voor de
schrijvers waarmee ik intensief bezig ben, hun werk doorgeven), maar hij wordt
zelf creatief, gaat verder waar het werk van de ander ophoudt (Paul Valéry zei:
wat af is, is niet werkelijk gemaakt).
Zelf schrijft hij ergens: “Een goede essayist schrijft, over welke auteur hij
het ook heeft, altijd over literaire kwesties in het algemeen”. Dat is precies
wat Kees Fens doet en wat hem tot zo’n buitengewoon goede essayist maakt.
En, zoals Anthony Mertens opmerkt: essayisten en critici zijn van cruciaal
belang voor het voortbestaan van de (primaire) literatuur. Zij houden de
conversatie over literatuur (ook die van sinds lang verdwenen schrijvers)
levend en dragen zo bij aan haar behoud.
Hoewel:
behoud? Kees moet geweten hebben dat hij tot een verdwijnende tijd behoorde.
Een tijd waarin deel uitmaken van het katholicisme (zelf verklaarde hij zijn
ontvankelijkheid voor – literaire - symboliek en meerduidigheid uit zijn gebed
zijn in de katholieke traditie) en een gymnasiumopleiding nog een zeer brede
culturele bagage verschaften. Maar de kerk liep leeg, het academisch onderwijs
veranderde, het culturele (en religieuze) leven werd al maar oppervlakkiger.
Gezaghebbende hoogleraren of critici en essayisten, die een studentenpopulatie
of het serieus lezende deel van de bevolking kunnen vormen met hun enthousiasme
en eruditie, ze zijn er niet meer.
Het is
allemaal zo veel vluchtiger geworden.
In het stukje Een jas voor het leven (de titel slaat op de jas van de
koning George V die was overgegaan op zijn zoon, de hertog van Windsor,
waarover hij een artikel – met foto’s – las in een Engelse krant) heet het:
“Aan gisteren denkt men niet, met morgen wordt geen rekening gehouden ... Met
de tijd meegaan is met ‘zijn’ tijd meegaan en dat betekent: elke dag iets
nieuws [en dan dus zeker geen jas die van vader op zoon blijft meegaan]. We
geven de dingen geen kans meer zich dierbaar te maken. Na kort gebruik zijn ze
kapot. Daar zijn ze zelfs op gemaakt”.
Dan
bekent hij zijn voorkeur voor bibliotheken waarvan de grondslag gevormd wordt
door een geërfd boekenbezit. “Bij sommige oudere kennissen zie ik soms
vertegenwoordigers van het veteranenlegioen, in hun wat sombere uniformen,
staan: erfstukken uit de bibliotheek van vader of grootvader...
onverwoestbaar... En nu? Rondkijkend langs de planken vrees ik dat de meeste boeken
mij niet zullen overleven. Wij maken boeken voor de zeer korte duur, wat
misschien iets van de visie op de cultuur kan verraden. Bestendigen, laat staan
doorgeven, willen wij of kunnen we niet meer”.
Ik ben
dan ook bang dat grootmeesters als Kees Fens, Harold Bloom of George Steiner
binnen een generatie vergeten zullen zijn. Zij stonden voor een literatuur, een
wijze van cultuur beschouwen, waarvoor nu al steeds minder belangstelling lijkt
te zijn. Tijdens hun leven hebben zij velen geïnspireerd, over twintig jaar
weet niemand meer wie zij waren, zijn zij een voetnoot voor specialisten
geworden.
Ik kan daar soms mistroostig over worden, maar het is de realiteit.
Ik
schreef al eerder dat Harold Bloom min of meer in het harnas is gestorven.
Gezeten op de rand van het ziekenhuisbed waarin hij een paar dagen later zou
sterven, werkte hij nog aan aantekeningen voor zijn laatste boek (Take arms
against a sea of troubles). Hetzelfde geldt voor Kees Fens: hij bleef in
het ziekenhuis tot het laatste toe schrijven. Toen hij al dood was, gleed bij
mij op vrijdag de Volkskrant in de bus, met daarin het laatste stuk van
zijn hand: een uitgebreide bespreking van het Liedboek, de zojuist
integraal vertaalde sonnettencyclus van Petrarca over zijn geliefde Laura. Dat
was op de ochtend van zijn begrafenis.
Ik kreeg kippenval toen in zijn allerlaatste stuk opsloeg... En werd weemoedig
om wat er met de dood van één mens verloren ging. De christelijke cultuur is
aan het verdwijnen, het werd hierboven al opgemerkt. Maar de kennis daarvan
valt nog altijd op te diepen, die rijkdom ligt in boeken opgeslagen. Er is
echter, zoals Wiel Kusters, schrijver van de Kees Fens biografie Mijn
versnipperd bestaan, opmerkt, ook het verlies van een ander soort kennis,
de persoonlijke kennis: een te betreuren braindrain. Natuurlijk ligt die kennis
voor een deel ook verwerkt in de boeken en artikelen die Kees Fens tijdens zijn
leven schreef, maar dat is passieve kennis geworden, die moet door iemand
anders nu weer gewekt worden. Maar alle dwarsverbindingen en associaties die in
zijn geest gemaakt zijn en die uniek zijn vanwege zijn specifieke
belangstellingsgerichtheid en intelligentie, al die kennis die door een mens
heen gegaan is en levend gemaakt – dat alles gaat met deze unieke mens verloren:
de oorspronkelijke, verbindende geest en dat ene specifieke geheugen.
“Pas bij
het lezen”, schrijft hij, “ontdekt men wat er in het geheugen allemaal
opgeborgen is. Zolang er nog vanuit dat geheugen van alles te voorschijn wordt
gelezen, leef je. En elke dag is lezen nodig om levenstekens door te krijgen.
Ik lees dus ik leef”.
Wie het
bovenstaande leest, zal duidelijk zijn dat lezen voor Kees een verslaving was.
Ik herken het, want ik heb dat ook. Een dag niet gelezen is een dag niet
geleefd. Mijn denken en mijn betrokkenheid bij het leven lopen in sterke mate
(hoewel niet alleen) via wat ik lees. Als ik even door omstandigheden niet in
staat ben om te lezen, heb ik het gevoel dat mijn hoofd leeg aan het raken is.
Met het
eindigen van een leven eindigt ook het lezen. En verdwijnt alle innerlijke
rijkdom die dat heeft opgeleverd. Zoals hij zelf schrijft bij het overlijden
van pater van Spaendonck, de jezuïet die zijn leraar was aan het Ignatius
college: “Een bibliotheek aan kennis verdween in het niets”.
Vrijwel
wekelijks schreef Kees Fens over de cultuurgeschiedenis van het Oude Europa en
over de christelijke traditie. In de wetenschap dat dat gegeven – en daarmee
hijzelf – uit de tijd aan het verdwijnen was. Maar wie zou het anders nog doen?
Bijna niemand meer, nu, ben ik bang.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten