vrijdag 11 november 2022

over Kees Fens, deel 2


   Criticus Arnold Heumakers schreef in een memoriam in NRC Handelsblad dat Kees Fens hem heeft leren lezen, “lezen in de meest volledige zin van het woord, lezen zoals literatuur moet worden gelezen”. Hij noemt zijn recensies voorbeeldig, getuigend van aandacht, precisie en verbeeldingskracht – en: ‘zonder een spoor van frivoliteit’. Inderdaad, dat herken ik, naast de precisie en bedachtzaamheid van zijn kritsiche schrijven, was het vooral die diepe ernst die indruk op mij maakte. Zo wilde ik ook met literatuur omgaan.

Heumakers: “Achterop de herdruk van zijn essaybundel De eigenzinnigheid van de literatuur staat een foto waarop we Kees Fens zien lezen. Vrijwel rechtop aan tafel gezeten, met het boek in de ene hand en de wijsvinger van de andere hand, ondersteund door de duim, tegen de lippen gedrukt: een toonbeeld van toewijding en concentratie. Wanneer ikzelf met een boek op de bank lig of in een stoel hang, moet ik wel eens aan die foto denken, nooit zonder iets van gêne. Want rechtop aan tafel, dat is de norm”.

[In Heilige slakken en andere terzijdes, een bundel ultrakorte stukjes die in de Volkskrant hebben gestaan, schrijft Fens: “Ik geef toe, ik zie graag lezende mensen. Ze zijn afwezig, ze hebben hun lichamen achtergelaten in die fraaiste aller houdingen: over het boek gebogen. Tussen u en het boek is een voor ons onzichtbare wereld”.]

Ook voor mij was Kees Fens in eerste instantie iemand die mij tot bepaalde schrijvers introduceerde, prachtig kon schrijven over het tijdvak der Middeleeuwen of de Kerkvaders, een zwak had voor kathedralen en kloosters, voor religie so wie so, erudiete beschouwingen schreef over architectuur en kunstgeschiedenis ... totdat ik ontdekte dat hij ook een heel andere kwaliteit had: hij stuurt je blik, zet je aan om op kleine details te letten en er niet zo maar aan voorbij te gaan. Hij sluit daarbij aan op een manier van leven die ik zelf ook zo veel mogelijk tracht te realiseren en die ik beschouwend en meditatief zou willen noemen, met aandacht voor het hier en nu, voor je omgeving, stil en respectvol omgaan met de dingen die je onder handen hebt, het gewone leven. Ik zou een steeds langzamer leven willen leiden, beschouwelijk en ingetogen; met rust en aandacht ...
Als het proza van Kees Fens je ergens toe aanzet, dan is het dat. Met daarnaast het voornemen veel meer tijd aan lezen te besteden en dat veel geconcentreerder en serieuzer te doen dan je tot nu toe deed.

Tot zover de kleine verschijnselen van het dagelijks leven (ik volg hier min of meer Zwagerman in zijn beschouwing). Maar ook het allergrootste – en allerhoogste komt bij Kees Fens aan de orde. God. De Eeuwigheid. Het Licht. Verrijzenis. (Hier moet Zwagerman een zekere verwantschap hebben gevoeld: in zijn laatste essayistische beschouwingen, die steeds minder over literatuur gingen en steeds meer over beeldende kunst, staan begrippen als de Stilte en het Licht centraal – zo heet ook zijn laatste essaybundel: De Stilte van het Licht – in een soort van eigentijdse mystiek die uitmondt in een nauwelijks verholen en helaas profetisch geworden wens om te verdwijnen in het Niets).

Ook Fens is geëvolueerd van een Amsterdamse katholieke jongen tot een agnostisch mysticus. Ik schreef al dat hij in zijn stukjes over het leven van alledag zich een goed observator van het licht betoont, maar hij kan ook (op dezelfde ingehouden, bescheiden manier waarop hij bijvoorbeeld over de straten van Amsterdam schrijft) schrijven over het Licht als mystieke ervaring. Als voorbeeld noem ik het werkelijk fenomenale stukje Het licht van de ogen; als je ergens kan zeggen dat Fens al schrijvende gaat zingen, dan is het daar.
Ik ga er dan ook graag iets uitgebreider op in.

Hij komt te spreken over engelen. Dat zijn lichtgestalten. De herders in het veld, Maria bij de annunciatie (evenals Zacharias en Johannes), Petrus die in de gevangenis bezoek krijgt van een engel: ze werden verblind door het licht (Abraham bij Mamre zat in de felle middagzon, bij het verschijnen van de drie mannen moet het licht nóg feller zijn geworden). Voor even maar: de engel laat je Zien in dit scherpe licht, dan is hij verdwenen en moet je het zelf weer doen. Hij stelt dan dat engelen zeer oud moeten zijn, want pas op hoge leeftijd bereik je dit stadium van lichtgevendheid: het is de eindfase van de doorzichtigheid, wanneer de geest eindelijk het lichaam in zijn macht heeft gekregen. En hij citeert dan iemand die tegen hem zei “Mijn vader stierf als een engel”; die persoon was daarvan hevig geschrokken, van dat stralende licht dat kennelijk van die vader uit ging.
Fens citeert dan Psalm 8: “Wat is de mens dat u aan hem denkt en de zoon van Adam, dat u zich met hem inlaat? U hebt hem nauwelijks minder gemaakt dan een god” (staat er in het Hebreeuws; de Griekse en Latijnse vertalers hebben dat niet aangefdurfd, want schrijven ‘minder gemaakt dan de engelen’). Pas in het laatste stadium van een mensenleven kunnen we getuige zijn van deze bijna goddelijke engelachtigheid.
Dan zijn er deze prachtige regels:
“Licht is het oudste woord. God is Licht. En als dat ontoegankelijke licht breekt en spreekt klinkt daar als eerste woord ‘Licht’. Scheppen is licht maken”.
Om vervolgens de proloog van Miltons Paradise Lost te citeren, dat indrukwekkende, monumentale werk (dat in één van mijn volgende blogs aan de orde komt) – daar wordt gesproken tot de geest: “(thou that) from the first wast present and with mighty wings outspread dove-like satst brooding on the vast abyss and mad’st it pregnant: What in me is dark illumine”.
Ontsteek het Licht in mij.

Om dan weer terug te keren tot mensen in hun laatste levensfase.
“Zoals ieder in zijn omgeving heeft kunnen vaststellen, sommigen raken aan het eind van hun leven overvol van licht... de huid wordt transparant, ze lijken ook van gewicht lichter geworden, ze staan op het punt te gáán... En dan is het hier uit [Verlossing die tegelijkertijd Verlichting is]. Het werd de hoogste tijd”.
Ik krijg hier tranen van in mijn ogen, al waren er ook genoeg mensen die geërgerd reageerden op dit soort passages bij Fens.

Vervuld zijn van Licht. Contemplatief leven, vanuit de Stilte.

Beide aspecten kom ik tegen in een stuk over de Spaanse schilder Francisco de Zurbarán (Fens is óók, bij al het andere wat hij is, een zeer zorvuldig beschouwer van schilderkunst), die veel schilderijen heeft gemaakt van monniken in helwitte pijen.
“Ik keek en ineens wist ik: van die schilder wil ik alles weten, want ik had voor het eerst de mystieke extase gezien, in dat tussengebied van aarde en hemel, tussen tijd en eeuwigheid in; het lichaam is niet meer zichtbaar, het is vervangen door het [witte] kleed en dat kleed is in een verheerlijkte staat ... Er naar kijken is al bijna een verstoring van de stilte. Zo iemand laat men alleen, met zichzelf en met zijn God en die twee zijn in elkaar overgegaan ... ”. Even verderop spreekt hij weer over het kleed van de monniken als het verheerlijkte lichaam, dat “hun onsterfelijkheid al aangeeft waar de laatste resten van lichaam, hoofd en handen, nog zichtbaar zijn. Het is allemaal even streng als troostend. Stiller lijkt niet denkbaar”.
Het stilste werk van Zurbarán noemt hij een afbeelding van de ontmoeting tussen Paus Urbanus II en Bruno, stichter der kartuizers (en weer kom je hier uit bij de raakpunten tussen Fens en Joost Zwagerman, die over ditzelfde schilderij schrijft de De stilte van het licht). Bruno heeft “... aan zijn contemplatie genoeg... Nooit heb ik een mens zo  intens zijn omgeving stil zien maken. Er valt niets te zeggen”. De ‘grootheid van vervulde stilte’ noemt hij het dan.

En voor anderen was het de vraag: geloofde Kees Fens nu in God of had hij het geloof uit zijn jeugd geheel verloren? Het hierboven gebruikte woord ‘agnost’ geeft een antwoord op die vraag, maar het is twijfelachtig of die expiliciet te beantwoorden valt. Joost Zwagerman stelt dat Fens op de eerste plaats geloofde in de taal, in woorden; ik heb zelf het idee dat Fens God op vooral zag als een construct van taal, door mensen gemaakt, met een compleet geloofsbouwwerk dat daaromheen was opgetrokken. Dát fascineerde hem mateloos, hij zag de schoonheid en de peilloze diepte ervan en dat kun je wel degelijk een soort van geloof noemen.

In het stukje Sputum zegt hij zich te verwonderen ‘over de stenen zekerheid van sprekers en schrijvers’, wanneer het over God gaat. Ook dit is weer een prachtig stukje (al zou de titel, die slaat op de longziekte van zijn vader, dat misschien niet doen vermoeden: een verschrikkelijk woord dat maar niet dood wil gaan), waarin hij beschrijft hoe hij in de kerk van zijn jeugd God kon ervaren, eerst in de muziek, dan in het licht in de gebrandschilderde ramen en tenslotte in de stilte. God en Stilte vallen tenslotte samen. “Welk woord zouden zij samen opleveren? Eeuwigheid, denk ik”.
Maar het kerkgebouw staat inmiddels leeg. “’ Kerk’ is een architectonische term geworden. Als ‘piramide’”. En eigenlijk is God een metafoor. Een oneindige metafoor die steeds opnieuw betekenis moet krijgen door voortdurend nieuwe beelden. Die ook voortdurend tekortschieten. “Er is geen hulpelozer en ontroerender tekst dan die van de geloofsbelijdenis van Nicea. Het woord God is uitgangspunt en eigenlijk ook eindpunt. Meer dan een verzameling indrukwekkende metaforen wist die kerkvergadering niet op te leveren”. Die vervolgens echter wel tot stenen zekerheden werden...

Jacq Vogelaar, een schrijver die je niet zo snel met Kees Fens in verband zou brengen (de katholieke mysticus versus de ex-communist en pleitbezorger van experimenteel en geëngageerd proza), maar die toch een bewonderaar was, geeft een verrassend scherpe karakterisering van de religiositeit van Kees Fens:
“... het religieuze heeft voor Fens, als ik het juist zie, een besef dat de zichtbare wereld z’n grenzen en betekenishorizon te danken heeft aan een onuitgesproken grotere wereld; maar hij houdt zich aan deze kant”.

Wel dringt die grotere wereld soms naar de oppervlakte; zo kent hij vele verhevigde momenten van een grote intensiteit, zowel bij de gebouwen en steden die hij op zijn reizen aandoet, als bij kunstwerken en boeken en soms ook in de ontmoetingen met mensen die hem ontroeren of inspireren. Dat alles kun je wel degelijk omschrijven als een religieus gevoel.

Een voorbeeld van dat gevoel vind je in het stuk De macht van het vierkant, waarin hij eerst beschrijft hoe hij in een kartuizer klooster net buiten Florence op een binnenplaats terecht komt: “Ik neem mij voor dit vierkant als het mooiste te beschouwen dat ik ken”. Om vervolgens een nóg mooiere binnenplaats te ontdekken: die van de Spedali degli Innocenti (het hospitaal der onschuldige kinderen): “Ik ga zitten en staar voor mij uit, in de macht van het volmaakste vierkant. Het kasteel van de ziel heet een beroemd mystiek werk. De binnenhof van de ziel – dat is het geluk”.

Hij had misschien graag een echte geleerde willen worden, zoals de door hem hevig bewonderde Augustinus-kenner F. van der Meer. Want ondanks al zijn eruditie en veelzijdigheid is hij toch vooral een journalist gebleven, iemand van korte tot middellange stukken. Hij was ook eigenlijk helemaal niet zo gebrand op de uitgave van zijn stukken in boekvorm. Geert van Oorschot moest bij hem praten als Brugman om zijn eerste boek, De eigenzinnigheid van de literatuur, uitgegeven te krijgen. Er is een respectabel aantal publicaties in boekvorm gevolgd, maar je kreeg toch de indruk dat het voor Kees niet zo hoefde; hij produceerde zijn krantenstukken in hoog tempo en met een zekere nonchalance: naar zijn idee waren ze voor dát medium bedoeld en de krant van vandaag is morgen oud papier. Jacq Vogelaar had graag gezien dat er jaarlijks een kloeke bundel van de maandagstukken was verschenen; het bleef bij enkele uitgaven van door de jaren heen verspreide stukken. Hij schreef kennelijk liever iedere week een paar stukken dan maandenlang op een doortimmerde verhandeling te moeten ploeteren. Een groot werk waarin één onderwerp helemaal wordt uitgediept is er niet van zijn hand (hij heeft dat gemeen met George Steiner, die al even erudiet en veelzijdig is). Het was zeker mogelijk geweest, gezien zijn belezenheid, zijn veelzijdigheid en superieure stijl. Al was het alleen maar door het verzamelen en redigeren van bestaande stukken van zijn hand: daarvan waren moeiteloos standaardwerken samen te stellen geweest over (het lijstje is ook van Vogelaar) onderwerpen als de Biografie, het leren lezen van poëzie (wat hij zelf uitzonderlijk goed kon), zijn favoriete dichters (Leopold, Nijhoff, Gorter, Bloem, Achterberg, maar ook de dichter Vestdijk), over lezen in het algemeen (lezen als hartstocht heet één van zijn stukken; hij heeft dat met ongekende geestdrift uitgestraald, telkens weer, bij elke publikatie), over Amsterdam, over mystiek.

Het heeft niet zo mogen zijn. En dat is toch opmerkelijk. Hij had immers al in 1977 het korte baan werk van de literaire kritiek vaarwel gezegd om de diepte in te kunnen gaan. Het werd de middellange afstand: iedere maandag een stuk met een hoog essayistisch gehalte, waarbij hij inderdaad de diepte in ging, zijn onderwerp van alle kanten omcirkelde en zo breed mogelijk maakte, altijd punten aanstippend die niet alleen het boek in kwestie betroffen, maar de literatuur (of religie, of kunst, of het vak van biografie schrijven) in het algemeen. Maar hey beperkte zich tot dat ene stuk van die halve krantenpagina en de volgende maandag was er weer een deadline. Kees was en bleef een krantenman.

Hij was zonder meer één van de beste essayisten van de Nederlandse 20e eeuwse literatuur (de toekenning van de P.C. Hooftprijs was daarvoor een mooie bekroning). De ware essayist doet niet het werk van de schrijver nog eens dunnetjes over (dat is eigenlijk wat ik hier doe: uit bewondering voor de schrijvers waarmee ik intensief bezig ben, hun werk doorgeven), maar hij wordt zelf creatief, gaat verder waar het werk van de ander ophoudt (Paul Valéry zei: wat af is, is niet werkelijk gemaakt).
Zelf schrijft hij ergens: “Een goede essayist schrijft, over welke auteur hij het ook heeft, altijd over literaire kwesties in het algemeen”. Dat is precies wat Kees Fens doet en wat hem tot zo’n buitengewoon goede essayist maakt.
En, zoals Anthony Mertens opmerkt: essayisten en critici zijn van cruciaal belang voor het voortbestaan van de (primaire) literatuur. Zij houden de conversatie over literatuur (ook die van sinds lang verdwenen schrijvers) levend en dragen zo bij aan haar behoud.

Hoewel: behoud? Kees moet geweten hebben dat hij tot een verdwijnende tijd behoorde. Een tijd waarin deel uitmaken van het katholicisme (zelf verklaarde hij zijn ontvankelijkheid voor – literaire - symboliek en meerduidigheid uit zijn gebed zijn in de katholieke traditie) en een gymnasiumopleiding nog een zeer brede culturele bagage verschaften. Maar de kerk liep leeg, het academisch onderwijs veranderde, het culturele (en religieuze) leven werd al maar oppervlakkiger. Gezaghebbende hoogleraren of critici en essayisten, die een studentenpopulatie of het serieus lezende deel van de bevolking kunnen vormen met hun enthousiasme en eruditie, ze zijn er niet meer.

Het is allemaal zo veel vluchtiger geworden.
In het stukje Een jas voor het leven (de titel slaat op de jas van de koning George V die was overgegaan op zijn zoon, de hertog van Windsor, waarover hij een artikel – met foto’s – las in een Engelse krant) heet het:
“Aan gisteren denkt men niet, met morgen wordt geen rekening gehouden ... Met de tijd meegaan is met ‘zijn’ tijd meegaan en dat betekent: elke dag iets nieuws [en dan dus zeker geen jas die van vader op zoon blijft meegaan]. We geven de dingen geen kans meer zich dierbaar te maken. Na kort gebruik zijn ze kapot. Daar zijn ze zelfs op gemaakt”.

Dan bekent hij zijn voorkeur voor bibliotheken waarvan de grondslag gevormd wordt door een geërfd boekenbezit. “Bij sommige oudere kennissen zie ik soms vertegenwoordigers van het veteranenlegioen, in hun wat sombere uniformen, staan: erfstukken uit de bibliotheek van vader of grootvader... onverwoestbaar... En nu? Rondkijkend langs de planken vrees ik dat de meeste boeken mij niet zullen overleven. Wij maken boeken voor de zeer korte duur, wat misschien iets van de visie op de cultuur kan verraden. Bestendigen, laat staan doorgeven, willen wij of kunnen we niet meer”.

Ik ben dan ook bang dat grootmeesters als Kees Fens, Harold Bloom of George Steiner binnen een generatie vergeten zullen zijn. Zij stonden voor een literatuur, een wijze van cultuur beschouwen, waarvoor nu al steeds minder belangstelling lijkt te zijn. Tijdens hun leven hebben zij velen geïnspireerd, over twintig jaar weet niemand meer wie zij waren, zijn zij een voetnoot voor specialisten geworden.
Ik kan daar soms mistroostig over worden, maar het is de realiteit.

Ik schreef al eerder dat Harold Bloom min of meer in het harnas is gestorven. Gezeten op de rand van het ziekenhuisbed waarin hij een paar dagen later zou sterven, werkte hij nog aan aantekeningen voor zijn laatste boek (Take arms against a sea of troubles). Hetzelfde geldt voor Kees Fens: hij bleef in het ziekenhuis tot het laatste toe schrijven. Toen hij al dood was, gleed bij mij op vrijdag de Volkskrant in de bus, met daarin het laatste stuk van zijn hand: een uitgebreide bespreking van het Liedboek, de zojuist integraal vertaalde sonnettencyclus van Petrarca over zijn geliefde Laura. Dat was op de ochtend van zijn begrafenis.
Ik kreeg kippenval toen in zijn allerlaatste stuk opsloeg... En werd weemoedig om wat er met de dood van één mens verloren ging. De christelijke cultuur is aan het verdwijnen, het werd hierboven al opgemerkt. Maar de kennis daarvan valt nog altijd op te diepen, die rijkdom ligt in boeken opgeslagen. Er is echter, zoals Wiel Kusters, schrijver van de Kees Fens biografie Mijn versnipperd bestaan, opmerkt, ook het verlies van een ander soort kennis, de persoonlijke kennis: een te betreuren braindrain. Natuurlijk ligt die kennis voor een deel ook verwerkt in de boeken en artikelen die Kees Fens tijdens zijn leven schreef, maar dat is passieve kennis geworden, die moet door iemand anders nu weer gewekt worden. Maar alle dwarsverbindingen en associaties die in zijn geest gemaakt zijn en die uniek zijn vanwege zijn specifieke belangstellingsgerichtheid en intelligentie, al die kennis die door een mens heen gegaan is en levend gemaakt – dat alles gaat met deze unieke mens verloren: de oorspronkelijke, verbindende geest en dat ene specifieke geheugen.

“Pas bij het lezen”, schrijft hij, “ontdekt men wat er in het geheugen allemaal opgeborgen is. Zolang er nog vanuit dat geheugen van alles te voorschijn wordt gelezen, leef je. En elke dag is lezen nodig om levenstekens door te krijgen. Ik lees dus ik leef”.

Wie het bovenstaande leest, zal duidelijk zijn dat lezen voor Kees een verslaving was. Ik herken het, want ik heb dat ook. Een dag niet gelezen is een dag niet geleefd. Mijn denken en mijn betrokkenheid bij het leven lopen in sterke mate (hoewel niet alleen) via wat ik lees. Als ik even door omstandigheden niet in staat ben om te lezen, heb ik het gevoel dat mijn hoofd leeg aan het raken is.

Met het eindigen van een leven eindigt ook het lezen. En verdwijnt alle innerlijke rijkdom die dat heeft opgeleverd. Zoals hij zelf schrijft bij het overlijden van pater van Spaendonck, de jezuïet die zijn leraar was aan het Ignatius college: “Een bibliotheek aan kennis verdween in het niets”.

Vrijwel wekelijks schreef Kees Fens over de cultuurgeschiedenis van het Oude Europa en over de christelijke traditie. In de wetenschap dat dat gegeven – en daarmee hijzelf – uit de tijd aan het verdwijnen was. Maar wie zou het anders nog doen?
Bijna niemand meer, nu, ben ik bang.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Shakespeare's Macbeth, deel II

De scène van de moord op Lady Macduff en haar kinderen is vrijwel ondragelijk. Je kunt je afvragen waarom Macduff zijn gezin niet heeft meeg...