De volgende keer wil ik schrijven over Romeo and Juliet, Shakespeare’s beroemde liefdesdrama. Het is zijn tweede tragedie.
De eerste, Titus Andronicus, is een mislukt stuk, een carnaval van bloed,
geweld en wreedheid dat aandoet als een parodie op een tragedie van Seneca of
Marlowe. Het schrijven van komedies beheerste hij vrijwel meteen (de vroege Comedy of Errors is technisch gezien een
vrijwel perfect stuk, hoewel ik persoonlijk niet zo fan ben van al die
hilarische persoonsverwisselingen en misverstanden die de plot hier
voortdrijven) maar het schrijven van tragedies heeft Shakespeare echt moeten
leren.
![]() |
| Richard III |
Tom McAlindon (zie hieronder) beschrijft
hoe Shakespeare de renaissance conceptie van de ‘noble nature’ van zijn helden
hanteert. Want de hoofdpersonen van zijn tragedies zijn nooit in en in slechte
mensen (zelfs Macbeth niet, die uiteindelijk zoveel bloed aan zijn handen
krijgt), dat zou geen interessante tragedie opleveren. Hoogstens zijn soms hun
antagonisten ‘evil characters’, om daarmee het contrast tot de hoofdpersoon
duidelijker te laten uitkomen: Iago versus Othello; King Lear kent zelfs een
heel duidelijke tweedeling tussen ‘goed’ (de kring rondom Lear) en ‘kwaad’ (het
kliekje Edmund – Goneril – Regan).
Die ‘noble nature’ van de hoofdpersoon is vaak tweeledig: dapper op het
slagveld, een bestrijder van onrecht aan de ene kant (kracht en wil); aan de
andere kant in staat tot warmte, liefde en vriendschap in de privésfeer (edele
gevoelens). Zie bijvoorbeeld de veelheid van goede eigenschappen die Ophelia
opsomt als ze het over Hamlets ‘noble mind’ heeft: “The courtier’s, scholar’s,
soldier’s... the expectancy and rose of the fair state, the glass of fashion
and the mould of form”: voorbeeldig – hoveling, soldaat, geleerde... Of de beschrijving van Othello die Desdemona
het hof maakt.
![]() |
| Sarah Bernhardt as Hamlet |
Echter: Hamlets ‘noble mind’, waar Ophelia het nu over heeft, is wel ‘overthrown’. En Othello wurgt tenslotte de vrouw waar hij zo zielsveel van hield. Want ergens is die kracht die op het slagveld of in de publieke ruimte zo’n positieve, vormende factor was, scheefgegroeid en is in de privésfeer tot iets ontwrichtends en verwoestends geworden. Gevoelens die uit de band springen. Vaak is er een specifieke gebeurtenis geweest die dat in gang heeft gezet: bij Hamlet is er een allesoverheersend wraakgevoel ontstaan nadat de geest van zijn overleden vader hem duidelijk is komen maken dat zijn broer, Hamlets oom Claudius, hem vermoord heeft om zo de troon op te kunnen eisen en zijn moeder te trouwen.
En bij Othello is die ontwrichtende kracht de jaloezie die de buitengewoon manipulatieve Iago bij hem wakker heeft geroepen.
Welnu, bij Richard III zien we dat nog niet terug. Alles wat het positieve
spectrum van zijn tweezijdigheid zou moeten representeren is bij hem geveinsd.
Hij is zowel fysiek (hij heeft een bochel) als psychisch gedeformeerd, ‘scarce
half made up’, ‘deformed and unfinished’. Hij is geheel zonder ‘tenderness of
heart and gentle, kind, effeminate remorse’, ‘kind in hatred only’. Hij is een
machtswellusteling die niets op heeft met de vrede die het koningschap van zijn
broer Edward gebracht heeft, enkel uit als hij is op het creëren van
verdeeldheid en het aanzetten tot oorlog en strijd, niet geschikt, zoals hij
zelf zegt, voor ’lute, dance, my lady’s chamber and love’s majesty’. Een
fascinerende figuur die in al zijn extremiteit toch een zeker charisma heeft,
maar genuanceerd is anders. Shakespeare heeft hem wel heel dik aangezet.
Uiteindelijk delft hij op het slagveld het onderspit tegen Richmond, die zijn
tegenpool is. Richmonds natuur kent wel de volle tweeledigheid: hij is een
dappere soldaat én een goede vriend, een veroveraar die komt met het doel het
onkruid uit te trekken en vrede te stichten.
Ondanks de vele tekortkomingen van dit
stuk, zien we aan het eind ervan al iets verschijnen dat kenmerkened zal worden
voor alle (of laten we zeggen: de meeste) tragedies: er is een bepaalde
verzoening (zo trouwt Richmond met Elizabeth of York, de dochter van Richards
voorganger op de troon, zijn broer king Edward IV, om zo de beide rivaliserende
huizen bijeen te brengen) en daardoor ook continuïteit: na alle moord en doodslag
onder de vorige koning kan nu weer vooruit worden gekeken, er is een nieuwe
regering. Hoe verschrikkelijk ook al het geweld was dat nu achter de rug is en
hoezeer er dus ook een schaduw hangt over dit nieuwe begin: de tragedie wordt
nooit compleet hopeloos of nihilistisch.
![]() |
| Romeo and Juliet, Ford Madox Brown |
Het zal echter nog even duren voordat
Shakespeare de absolute meesterwerken in het genre produceert - en dat in heel
korte tijd achter elkaar: Hamlet,
Othello, King Lear, Macbeth. Stuk voor stuk geniaal. En datzelfde geldt
voor de Romeinse tragedie Anthony and
Cleopatra die zoveel beter is dan het stuk dat in feite deel I is van dit
doorlopende verhaal: het wat koele en afstandelijke Julius Caesar.
Maar na Romeo
and Juliet (1595-96) en vóór Julius
Caesar en Hamlet (1599 / 1600)
houdt Shakespeare zich vooral bezig met komedie. Na Romeo and Juliet wil ik dan ook eerst schrijven over de stukken die
het eind – en hoogtepunt vormen van Shakespeare’s carrière als
komedieschrijver: A midsummernight’s
dream, the Merchant of Venice, As you like it en Twelfth night.
Maar eerst nog wat woorden over de tragedies. Via Harold Bloom (wie anders?) stuitte ik op een boek van Tom McAlindon, docent Engels aan de universiteit van Hull: Shakespeare’s tragic cosmos. Hij behandelt daarin alle hierboven genoemde tragedies (op Titus Andronicus na, maar die telt ook eigenlijk niet mee). En doet dat vanuit een wel heel intigrerende stellingname, die alles te maken heeft met het Elizabethaanse wereldbeeld: hoe de Engelsen in die tijd tegen de de wereld en de kosmos aankeken.
In de tijd waarin Shakespeare leefde,
bestond een grote belangstelling voor kosmologie en de relatie microkosmos –
macrokosmos. Zelfs iemand als de introverte Montaigne, die uitmuntte in het
beschrijven van zijn innerlijk, zag zijn eigen geest wel degelijk als onderdeel
van een veel groter kosmisch geheel. En het is niet voor niets dat boven het
toneel van Shakespeare’s Globe een ‘hemel’ te zien was (‘the brave, overhanging
firmament’ noemt Hamlet het) met de zon, de maan, de planeten en tal van
kosmische symbolen. Dat lééfde voor het publiek in Shakespeare’s dagen.
Tegelijkertijd was dit het tijdperk van de wetenschappelijke revolutie. Het systeem van Copernicus begon steeds meer aanhang te krijgen (hoewel je dat van de kerk niet mocht zeggen); Galilei (zie afbeelding) is van hetzelfde geboortejaar als Shakespeare (1564). Maar in Shakespeare’s werk is daar weinig van terug te vinden. Zijn opvattingen over hoe het universum waren volstrekt traditioneel en leunden nog altijd op de oude kosmologie, zoals die gehanteerd werd door de presocraten, Plato en Aristoteles en die terugging op het systeem van Ptolemeus. De correspondentie tussen microkosmos en macrokosmos, de alchemie van Paracelsus, de viervoudige structuur van zowel de materiële werkelijkheid in de vier elementen als het menselijk karakter in de vier temperamenten: je vindt het allemaal terug.
Nu is het interessante van McAlindons
benadering dat hij het traditionele Elizabethaanse wereldbeeld met zijn
pre-moderne kosmologie verder corrigeert en nuanceert en dat vervolgens op
Shakespeare betrekt en dan met name de toepassing ervan in de tragedies. Dat is
een heel persoonlijke visie die voor mij overtuigend is doordat de geldigheid
ervan zichtbaar wordt als je kijkt na hoe dat in de stukken concreet werkt. Ik
hou erg van zo’n benadering!
Hierover nu dus meer. Daar gaan we!
Voor de Elizabethans was het overkoepelende kosmische principe dat van de
hiërarchie. De kosmos, de werkelijkheid, was dusdanig geordend in hun ogen dat
alles zijn vaste plaats kent. De chaos en ondergang in Shakespeare’s tragedies
kent in deze visie zijn oorzaak in een verstoring van deze ordening, doordat
het rechtmatige gezag uitgedaagd wordt, of passies de plek innemen van de rede.
Dat heeft desintegratie van zowel individu als samenleving tot gevolg.
Dit nu, een visie die lange tijd dominant is geweest onder Shakespeare critici,
is te kort door de bocht. Omdat hiërarchie niet het enige hoofdelement in het
Elizabethaanse wereldbeeld was; de tweede factor is een systeem van voortdurend
in beweging zijnde, elkaar uitdagende en onderling afhankelijke tegengestelden.
Beide factoren kunnen naast elkaar bestaan. In zo’n systeem van voortdurend
bewegende tegengestelden zal er een ordenend principe zijn dat tracht te
bemiddelen en hen onder te brengen in een vaste hiërarchie; maar als dat al
lukt, zal het nooit een blijvende ordening zijn, die zal steeds weer uitgedaagd
worden door nieuwe bewegingen en ontwikkelingen. Die verandering, ondergang en
dood met zich meebrengen: constituerende factoren in de wereld van de tragedies,
waar het gewelddadige conflict tussen tegengestelden eerder nog dan de
verstoring van een vaste hiërarchie het zich voltrekken van de tragedie
veroorzaakt.
McAlindon maakt hier een uitstapje naar de
presocratische filosofen.
Er staan hier twee wereldbeelden tegenover
elkaar. Het idee van een universum als een hiërarchische orde waarin alles zijn
vaste plaats en identiteit kent suggereert dat er een stabiliteit is waar je
van op aan kan, dat je dus zekere kennis kunt vergaren omdat de gehele werkelijkheid
op een herkenbare, rationele manier is ingericht. De notie van een universum
waarin een gespannen evenwicht heerst tussen interacterende en onderling
afhankelijke elementen daarentegen herinnert ons eraan dat ieder patroon van
een harmonieuze orde, iedere vaste identiteit voortdurend weer aan verandering
onderhevig is; dat niets vaststaat en je voortdurend je opvattingen over de
werkelijkheid zult moeten herzien. Geen filosofische zekerheid dus, maar een
dialectisch wereldbeeld dat relativistisch is en voortdurend paradoxen creëert.
Ik realiseer me dat dit alles erg theoretisch klinkt, deels cultuur-historisch, deels filosofisch en u vraagt zich onderhand af wat dit alles met Shakespeare te maken heeft. Ik suggereer ook niet dat hij zich bewust met dit soort theorieën bezig hield of er veel over las; hij nam eenvoudig wat er voorhanden was en dit soort kosmologische opvattingen waren alom aanwezig in zijn tijd, hij zal ze ongetwijfeld ergens opgepikt hebben en onmiddellijk geassimileerd, zoals hij deed met zoveel materiaal waar hij mee in aanraking kwam en gebruikte voor zijn werk. In die zin is er weinig originaliteit in Shakespeare; hij had gewoon een goede neus voor wat bruikbaar was en een ongekend vermogen zich dat eigen te maken en te transformeren tot het goud van zijn toneelstukken.
Zonder twijfel hanteert hij ook het eerste
model, dat van de vaste ordeningen en de Pythagoreïsche harmonie. Maar zeker
waar het de tragedies betreft zal hij gevonden hebben dat de paradoxale notie
van de Natuur van harmonie in tegenstellingen, waarin orde tijdelijk kon
omslaan in wanorde en alles geregeerd werd door de tegengestelde krachten
liefde en haat, én meer in overeenstemming was met wat hij om zich heen zag,
zowel in de ordening van de samenleving als in het karakter en het gedrag van
mensen én bruikbaarder was voor zijn drama. Conflict en dialektiek zijn immers
de essentie van drama.
Het linkt Shakespeare ook aan bepaalde
denkers in de 19e en 20e eeuw. Hegel en Marx bijvoorbeeld
met hun beeld van de geschiedenis als een eindeloos voortdurende confrontatie
tussen tegengestelde krachten; of Nietzsche, die in de tragedie de
tegenstelling tussen Apollo en Dionysos werkzaam zag.
Het sluit ook aan bij veel van het 20e eeuwse filosofisch
gedachtengoed dat (vaak voortbordurend op Nietzsche) in veel gevallen perspectivistisch
en skeptisch is.
Shakespeare’s stukken worden geprezen omdat ze geen conclusies trekken maar een
open einde hebben, eerder problemen stellen dan oplossingen bieden; ambivalent
en polyfoon zijn.
Maar je kunt daarin ook weer te ver
doorslaan. Shakespeare bewonderen omdat hij geen mens is van doctrinaire
zekerheid en voortdurend vele ongelijksoortige elementen in zijn stukken tracht
te balanceren en controleren is één ding en het is zeker terecht, want dat is
iets dat Shakespeare doet en zijn stukken open stelt voor, zoals Harold Bloom
altijd zo mooi zegt: ‘endless meditation’. Hij weet de vele kanten die aan een
zaak zit op onnavolgbare wijze te verwerken en integreren.
Maar daaruit de conclusie trekken dat hij die verschillende elementen nooit
samenbrengt in een finale synthese; dat gaat veel te ver. Dan ken je die
stukken een uniformiteit toe die ze niet hebben. Iedere plotontwikkeling, ieder
einde is weer anders. Dat ontkennen wil zeggen dat je de ene doctrine
(‘Shakespeare gaat uit van een hiërarchische ordening’) inruilt voor een andere
doctrine (‘alles blijft altijd in beweging bij hem en niets wordt ooit op
harmonieuze wijze samengevoegd’). Het ligt veel complexer dan dat. De
ogenschijnlijk harmonieuze ordening waarin de komedies eindigen kent meestal
een duistere ondertoon. En de tragedies eindigen nooit helemaal in chaos en
wanhoop, er is altijd (meestal...) een klein sprankje licht aan de einder te
bekennen.
Het erkent een dialectische conceptie van de werkelijkheid, de kosmos, de natuur:
als een dynamisch, slechts steeds tijdelijk stabiel systeem waarin liefde uit
haat, oorlog uit vrede en tragedie uit komedie voortkomt en andersom.
Maar het onderwerp van dit verhaal is de
tragedies. En hoewel de tragedies ons, als ze afgelopen zijn, met vele
onbeantwoorde vragen achterlaten, vragen van zowel een ethisch als metafysisch
karakter, is er toch zeker altijd wel een bepaalde mate van reïntegratie en
harmonie in dat einde opgenomen. Natuurlijk, altijd met de nodige slagen om de
arm en onder de schaduw van de gewelddadige strijd die zojuist beëindigd is,
maar met rampzalig verlies gepaard ging. Maar het is desondanks aanwezig.
![]() |
| Othello en Desdemona |
(Hoezeer de latere tragedies van Shakespeare draaien om karakter blijkt uit een opmerking van Harold Bloom die me altijd is bijgebleven en die van een briljant inzicht getuigt: als Othello en Hamlet onderling van stuk hadden geruild, was er niets aan de hand geweest: Hamlet is zo intelligent dat hij het gemanipuleer van Iago onmiddellijk doorzien zou hebben en Othello had geen enkele moeite gehad Claudius met zijn zwaard te doorsteken op het moment dat hij zeker wist dat hij schuldig is – waar Hamlet voortdurend talmt en steeds weer redenen vindt om het niet te doen).
Bij Hamlet en King Lear ligt het toneel aan het slot bezaaid met doden. Er is zwaar verlies geleden en alle reden tot rouw. Je kunt je Horatio niet voorstellen zonder zijn boezemvriend Hamlet en de dood van zowel Lear als zijn dochter Cordelia breekt ons hart; voor de grote 18e eeuwse criticus Samuel Johnson was het beeld van de koning die opkomt met zijn dode dochter in zijn armen (zie afbeelding) ondragelijk. Maar de overlevenden zijn ook verzameld op het toneel en er kan weer vooruit gekeken worden. De Noor Fortinbras komt de troon opeisen nu de Deense troonopvolger dood is en deze heeft uiteindelijk kunnen doen wat het hele stuk al als zijn opdracht gold: het doden van Claudius. Daarvoor, na zijn terugkeer uit Engeland, heeft hij blijk gegeven van berusting en acceptatie: een rijpheid waarvan in de eerste vier bedrijven nog geen sprake was.
En aan het slot van King Lear nemen de laatste twee overlevende vertegenwoordigers van
de goede partij, Edgar en Albany gezamenlijk de regering van het koninkrijk
Engeland op zich. Er zijn veel slachtoffers gevallen, maar het had nóg slechter
kunnen zijn: Edmund en Goneril als koninklijk paar, je moet er niet aan denken.
En in Macbeth
wordt aan het slot, als de ‘dead butcher and his fiendlike queen’ opgebaard op
het toneel liggen, de beëindiging van het moorddadige regime van de titelheld
als een bevrijding gevierd. “The time is free”, roept Macduff wanneer hij de
dood van Macbeth verkondigt. En, tot de troonopvolger Malcolm: “Hail, King of
Scotland!”
De meest wonderbaarlijke ervaring heb ik
gehad met een opvoering van Anthony and
Cleopatra door de Royal Shakespeare Company in Londen. Beide hoofrolspelers
liggen opgebaard naast elkaar op het toneel, beide op tragische wijze omgekomen
(de overeenkomst met het slotbeeld van Romeo
and Juliet is treffend). Maar ik voelde daar geen tragiek of droefenis en
het is moeilijk te zeggen waarom. Hoewel er in de tekst nergens naar verwezen
wordt, had ik bij dat slotbeeld het visioen van een hereniging in het
hiernamaals. Misschien ook omdat bij dit oudere echtpaar er niets in de knop
gebroken is, zoals bij dat veel jongere echtpaar - en ze beiden het hele stuk
lang op hun beider onafwendbare ondergang leken af te stevenen. Of misschien
komt het eenvoudweg door de taal, de poëzie die het in iedere scène, in iedere
zin haast, een gouden randje lijkt te hebben. In Shakespeare’s laatste grote
tragedie is er aan het slot overal licht op het toneel. Hierna komen nog Timon of Athens en Coriolanus, maar die reken ik niet meer tot de werkelijk grote
tragedies: Timon is onaf, wellicht
niet geheel van de hand van Shakespeare en buitengewoon zuur en misantropisch
bovendien en Coriolanus heb ik altijd
een nóg kouder stuk gevonden dan Julius
Caesar.
Vervolgens schakelt Shakespeare over naar
een totaal ander genre: de romances van zijn nadagen die dan culmineren in zijn
laatste meesterwerken : de Winter’s tale
en the Tempest. Maar stralen zoals in
Anthony and Cleopatra zal hij niet
meer doen.
















