Iago’s dubbele doel is nu bereikt: zijn concurrent Cassio wordt uit de weg geruimd, hij kan zijn plaats innemen én zijn afgunst op de positie en het geluk van zijn generaal vindt haar ultieme bevrediging in de totale ineenstorting van Othello en de (mogelijke) dood van diens geliefde.
Ondertussen is Desdemona bezorgd
omdat ze haar zakdoek, dat speciale geschenk van Othello, kwijt is. Gelukkig
maar dat hij niet jaloers is, zegt ze dan: “my noble Moor is true of mind and
made of no such baseness as jealous creatures are.”
Wij weten wel beter. De beschrijving die ze hier geeft is van de Othello van
voor de Val.
Othello denkt inmiddels (uiteraard
door Iago’s toedoen) dat zijn vrouw die wel heel bijzondere zakdoek aan Cassio
gegeven heeft. Het stuk zou misschien een heel wat minder tragische wending
hebben genomen, wanneer hij haar daarmee nu op de vrouw af geconfronteerd had;
dan had Desdemona zich kunnen verdedigen. In plaats daarvan geeft hij een
uitgebreide beschrijving van die wonderzakdoek, lang geleden vervaardigd door
een Egyptische tovernares:
“There’s magic in the web of it. A sibyl in her prophetic fury sewed the work;
the worms were hallowed that did breed the silk, and it was dyed in mummy [bedoeld
wordt hier een vloeistof, onttrokken aan mummies] which the skilful conserved
in maiden’s hearts.”
Waar is die zakdoek gebleven?
Desdemona ontwijkt de vraag en blijft pleiten voor Cassio. Othello blijft
hameren op hetzelfde refrein. ‘The handkerchief!’ ‘Cassio!’ ‘The handkerchief!’
‘Cassio!’
En jij beweert dat deze man niet
jaloers is? vraagt Emilia aan Desdemona wanneer Othello boos het huis is
uitgestormd. Jaloezie, het is één van dé thema’s van het stuk. Iago had het
eerder omschreven als ‘the green eyed monster which does mock the meat it feeds
on’. Othello had toen onmiddellijk ontkend dat hij daar last van had. Nu zegt
Desdemona: “I never gave him cause.” Maar Emilia, met meer levenswijsheid dan
haar jonge vriendin (hoewel nog niet wijs genoeg om op dit moment haar
echtgenoot al te doorzien) antwoordt: “Jealous souls will not be answered so;
they are not ever jealous for the cause, but jealous for they’re jealous. It’s
a monster [weer dat monster] begot upon itself, born on itself.”
Onder de deskundige begeleiding van
Iago wordt Othello’s ineenstorting nu totaal. Voor Othello is de liefdesrelatie
tussen zijn vrouw en Cassio inmiddels een onomstotelijk feit.
Iago: Will you think so? Othello: Think so, Iago?
Iago: What, to kiss in private? Othello: An unauthorized kiss!
Iago: Or to be naked with her friend in bed, and not mean harm?
Dat laatste is nog tot daar aan
toe. Maar dan noemt Iago weer de zakdoek (die hij in Cassio’s handen gezien zou
hebben) – en dat luchtige object, dat een onbetekenend detail zou moeten zijn,
wordt het mes dat dwars door Othello’s ziel snijdt. Iago overtreft zichzelf in
het langzaam, druppel voor druppel, toedienen van het gif.
Othello: What had he said? Iago:
Faith, that he did. Othello: What? What?
Iago: Lie - Othello: With her? Iago: With her, on her, what you will.
Othello: Lie with her? [‘Lie’ heeft hier de dubbele betekenis van ‘liggen bij’
en ‘liegen’] Lie on her? ... Zounds, that’s fulsome [walgelijk]! Handkerchief –
confessions – handkerchief!
Othello gebruikt in deze speech vijf herhaalde variaties van ‘lie with her’ en
herhaalt drie keer het woord ‘handkerchief’. Wat er bij Othello nog over was
aan helderheid en samenhangend denken is nu door Iago’s genadeloze werkwijze
geheel en al weggeslagen. Zijn speech eindigt met: “O devil!”, een onbedoelde,
maar volledig exacte, karakterisering van Iago. De toneelaanwijzing luidt nu: Falls into a trance: door alle opwinding
krijgt Othello een epileptische toeval. Wat Iago de gelegenheid geeft zich handenwrijvend
te verkneukelen over zijn, inmiddels totale, triomf: “Work on, my medicine,
work!” Iago’s manipulatie van Othello is een werk van grote genialiteit.
Als Othello weer is bijgekomen komt
Iago’s volgende zet. Als een ware toneelregisseur (soms lijkt het wel alsof
niet Shakespeare, maar Iago de auteur van dit werk is) laat hij Othello zich
verbergen opdat hij een gesprek tussen Iago en Cassio kan afluisteren. Hij
begint Cassio te plagen met zijn relatie met Bianca, een courtisane, zijn
woorden zo kiezend dat Othello zal denken dat het over Desdemona gaat. Het heen
en weer tussen Cassio’s luchthartige vrolijkheid (“she falls me thus about my
neck, so hangs and lolls and weeps upon me, so shakes and pulls me. Ha ha ha!”)
en Othello’s toenemende woede (“Look how he laughs heartily”) produceert een
kakofonie van misverstanden. En zie: precies op het goede moment komt Bianca
op, om Cassio Desdemona’s zakdoek terug te geven die hij haar gevraagd had te
kopiëren. Othello (aside): “By heaven, that should be my handkerchief!” Deze twee
factoren (het luchthartige gedrag van Cassio waarvan Othello denkt dat het op
Desdemona betrekking heeft en het zien van de zakdoek) hebben nu definitief het
pleit beslecht.
Othello: How shall I murder him,
Iago?
Iago: Did you perceive how he laughed at his vice?... And did you see the
handkerchief?...
Othello: Ay, let her rot and perish
and be damned tonight, for she shall not live. No, my heart is turned to stone;
I strike it and it hurts my hand... But yet the pity of it, Iago! Oh, Iago, the
pity of it!
Mijn hart breekt bij deze laatste
woorden, die meer dan wat dan ook Othello’s immense tragiek karakteriseren.
Zelfs wanneer er een meedogenloze moordlust bij hem begint op te komen, blijft
hij zich ervan bewust wat een wonder van schoonheid en fijnzinnigheid zijn
echtgenote is (“the world hath not a sweeter creature... of so gentle a
condition!”). Maar vervolgens: “I will chop her into messes. Cuckold me!...
Get me some poison Iago, this night. I’ll not expostulate with her [uitgebreid
met haar van gedachten wisselen].
Iago: Do it not with poison. Strangle her in her bed, even in the bed she hath
contaminated [zelfs bij de keuze wat voor dood Desdemona zal sterven, blijft
Iago de touwtjes in handen houden].
Othello: Good, good! The justice of it pleases. Very good.
Ene Ludovico verschijnt met een
brief uit Venetië: Othello wordt gesommeerd terug te keren. Voor de ogen van de
delegatie slaat hij zijn vrouw:
Desdemona: Why, sweet Othello! Othello (striking
her): Devil!
Desdemona: I have not deserved this.
Hij laat de Venetianen verbouwereerd
achter. Ludovico beschrijft precies waar het met Othello toe gekomen is:
“Is this the noble Moor whom our full Senate call all in all sufficient? Is
this the nature whom passion could not shake?” Van die grootheid is niets meer
over...
Othello laat Desdemona bij zich
komen. Hij is buitengewoon onaangenaam tegen haar. Ze gaat op haar knieën:
“Upon my knees, what does your speech import? I understand a fury in your
words, but not the words.”
Er is een buitengewone disproportionaliteit in deze ontmoeting: zijn
oncontroleerbare furie die leidt tot wrede retoriek: “O thou weed, who art so
lovely fair and smellest so sweet that the senses ache at thee, woulds’t thou
hadst never been born.”
En haar onschuld: “I hope my noble lord esteemest me honest... Alas, what
ignorant sin have I committed?”
En hij gaat nu werkelijk een grens
over: “What committed? Impudent strumpet!”
Desdemona: By heaven, you do me wrong. Othello: Are you not a strumpet?
Desdemona: No, as I am a Christian...
Othello: What, not a whore? Desdemona: No, as I shall be saved...
Othello: I took you for that cunning whore of Venice that married with Othello”
De ondergang van de Moor kent een
gewelddadigheid van binnenuit die de toeschouwers tot aan de grens brengt van
wat ze nog verdragen kunnen. Niet alleen is Othello’s Val zo buitengewoon
pijnlijk, Shakespeare weet die ook eindeloos te rekken, uit te smeren over
verschillende achtereenvolgende stadia die steeds erger, steeds intenser
worden.
Harold Bloom suggereert dat het
schrijven van deze tragedie ook voor Shakespeare persoonlijk heel pijnlijk moet
zijn geweest; in de Romantiek is het idee ontstaan dat een innerlijke wond de
directe aanleiding is geweest voor het componeren van zijn tragedies.
Bloom: “Shakespeare is, of course, no Lord Byron, scandelously parading before
Europe the pageant of his bleeding heart, yet the incredible agony we rightly
undergo as we observe Othello murdering Desdemona [want daar loopt het
tenslotte op uit] has a private as well as public intensity informing it.”
Emilia heeft bij deze uiteenzetting
aan de deur staan luisteren. Als Iago erbij komt speelt hij (uiteraard)
ontzetting. Maar Emilia lijkt nu wel heel dicht in de buurt van de ware
toedracht te komen: “I will be hanged if some eternal villain, some busy and
insinuating rogue, some cogging, cozening slave, to get some office [inderdaad,
Iago wilde Cassio uit de weg hebben om zijn plek als luitenant in te kunnen
nemen], have not devised this slander. I’ll be hanged else.”
Ze zegt nog net niet tegen Iago: jij was het, maar hoe ver is ze van deze
ontdekking? In de loop van het stuk gaat Shakespeare haar rol steeds
belangrijker maken. Iago probeert haar het zwijgen op te leggen (“You are a
fool. Go to”), maar hij voelt ook wel dat hij haar nu niet meer kan
overheersen. Bij Roderigo kan hij dat nog wel. Diens plannen om Desdemona het
hof te maken zijn op niets uitgelopen en nu staat zij op het punt Othello terug
naar Venetië te volgen. Volgens Iago (volgende zet in zijn meesterplan), zo
legt hij uit aan Roderigo, is er maar één manier om dat te voorkomen en dat
betreft de tot Othello’s plaatsvervanger benoemde Cassio: “the removing of
Cassio... by making him uncapable of Othello’s place – knocking out his
brains.”
Die missie zal Roderigo zijn leven
kosten. Ondertussen is de uiterst pijnlijke dodenmars voor Desdemona door
Shakespeare ingezet. Na het banket met Lodovico stuurt Othello haar naar huis
en zegt haar haar meid (Emilia dus) weg te sturen. Hij zal die avond nog naar
haar toekomen. Je voelt het onheil naderen, als Emilia Desdemona helpt zich
voor de nacht klaar te maken. Desdemona heeft dan ook voorgevoelens: “If I do
die before thee, prithee, shroud me in one of those sheets.” [nl. de wedding sheets die Emilia op het bed
heeft klaargelegd].
Het volgende stadium in Iago’s
plannenmakerij speelt zich af in het donker, op straat. Hij hoopt zich nu te
ontdoen van zowel Cassio als Roderigo. Van de laatste heeft hij juwelen en goud
verdonkeremaand die bedoeld waren als geschenk voor Desdemona (en die hij dus
nooit heeft gegeven). Wat Cassio betreft: Iago is bang dat de Moor hem zal
confronteren (en dan dus te weten zal komen dat er helemaal niets speelt tussen
hem en Desdemona), maar er speelt ook een sentiment dat nog veel overheersender
is: “If Cassio do remain, he hath a daily beauty in his life that makes me
ugly.”- Het is een totale afkeer van Cassio’s fundamentele goedheid die zo
contrasteert met zijn eigen lelijke ziel.
Hij zet Roderigo aan tot moord op
Cassio, wat mislukt: Roderigo raakt zelf dodelijk gewond. Iago steekt dan
Cassio neer (maar weet hem niet dodelijk te verwonden), een daad van ultieme
lafheid, die later nog een keer herhaald zal worden. Othello neemt het allemaal
van een afstand waar en is ervan overtuigd dat Cassio nu dood is. Nu is hij op
weg naar Desdemona’s slaapkamer, vol moordlustige gedachten: “Thy bed,
lust-stained, shall with lust’s blood be spotted.” Hij wordt er niet
sympathieker op.
Lodovico en Gratiano komen op. Ze
horen twee man kreunen in het donker, maar durven niet dichterbij te komen. Dan
verschijnt Iago met een lantaren. Cassio wijst Roderigo, die nog altijd niet
dood is, aan als degene die hem heeft aangevallen. Iago aarzelt geen moment en brengt
Roderigo de fatale steekwond toe (zijn tweede laffe daad). Zijn laatste
commentaar: “This is the night that either makes me or fordoes me quite.” Hij zal
er niet mee wegkomen. Maar het tragische noodlot van zowel Othello als
Desdemona is onafwendbaar. We gaan naar de laatste scène.
Er is de sinistere binnenkomst van
Othello, kaars in de hand, op Desdemona’s slaapkamer:
“It is the cause, it is the cause, my soul. Let me not name it to you, you
chaste stars! It is the cause [hij zegt het drie keer, maar zou hij zelf weten
wat ‘the cause’ is? Wij in elk geval niet. Zijn eigen reden voor de moord? Het
wordt niet duidelijk]. Yet I’ll not shed her blood, nor scar that whiter skin
of her than snow, and smooth as monumental alabaster.”
Othello wordt alleen maar afschrikwekkender door zijn eed de schoonheid van
zijn vrouw intact te laten door haar te wurgen, geen zwaard in haar te steken.
“Yet she must die... Put out the
light, and then put out the light [weer een raadselachtige frase. Is het eerste
licht de kaars, het tweede Desdemona’s levenslicht?]. If I quench thee, thou
flaming minister, I can again thy former light restore [de kaars]; but once I
put out thy [Desdemona’s] light... I know not where is that Promethean heat
that can thy light resume.”
Tot twee keer kust hij de slapende Desdemona tijdens deze monoloog: “So sweet
was never so fatal. I must weep, but they are cruel tears [zijn tranen brengen
hem niet van zijn voornemen af]. This sorrow’s heavenly; it strikes where it
does love. She wakes.”
Hij gebiedt haar haar gebeden te
zeggen: “I would not kill thy unprepared spirit. No, heaven forfend! I would
not kill thy soul... Think on thy sins.” Desdemona: They are loves I bear to
you. Othello: Aye, and for that thou diest. Desdemona: That death’s unnatural
that kills for loving.”
Het is een eindeloos uitgerekte
marteling die Shakespeare voor zijn publiek in petto heeft. King Lear is de enige tragedie die qua
intensiteit van lijden Othello nog
overtreft. Dat gaat over de ondergang
van een complete wereld, van een koninkrijk. In Othello wordt een prachtige, nobele vrouw, volkomen onschuldig,
vernietigd. Het mag zo zijn dat dit individuele martelaarschap niet opweegt
tegen het einde van een koninkrijk, maar dat laatste is op zo’n grote schaal
dat het nauwelijks te bevatten valt. De dood van Desdemona valt veel meer
binnen onze capaciteit om mee te voelen en mee te lijden.
En het is bijna net zo erg om
getuige te zijn van de teloorgang van Othello, die vecht vanuit het duistere
ravijn waar de machinaties van Iago hem in hebben gestort. Hij wurgt nu zijn
vrouw en zijn lijden (of moeten we zeggen: zelfmedelijden) neemt kosmische
proporties aan, alsof de aarde zich opent en zons – en maansverduisteringen
volgen op een aardbeving:
“Oh, insupportable! Oh, heavy hour! Methinks it should now be a huge eclipse of
sun and moon, and that the affrighted globe did yawn at alteration.”
Iago doodt Roderigo en uiteindelijk
ook zijn eigen vrouw en verwondt Cassio (in een poging hem ook te doden), maar
het is ondenkbaar dat hij een mes zou steken in de grote generaal die hij ooit
vereerde. Othello is Iago’s gevallen oorlogsgod en die pak je niet fysiek aan:
zijn strijd met hem is metafysisch en spriritueel. Othello wordt door Iago’s
machinaties zodanig tot niets gereduceerd, dat deze uiteindelijk niet veel
anders zal kunnen doen dan aan zichzelf het vonnis te voltrekken.
En Desdemona? De befaamde 18e
eeuwse criticus dr. Johnson vond de dood van Cordelia in King Lear ondragelijk (zodanig zelfs dat hij ervoor pleitte het
stuk te veranderen en van een happy end te voorzien), maar ik vind de dood van
Desdemona zelfs nog ondragelijker. De moord heeft iets van een religieus
ritueel, alsof Othello haar offert op het altaar van zijn door Iago fataal verwonde
zelfbeeld. En het slachtoffer geeft nauwelijks een krimp.
We zijn als publiek inmiddels zo
geschokt dat we ons nauwelijks meer afvragen hoe iemand die zojuist gewurgd is
toch nog kan spreken:
Desdemona: A guiltless death I die. (Emilia:) Oh, who has done this deed?
Nobody; I myself. Farewell. Commend me to my kind lord. Oh, farewell!
Het is kenmerkend voor de onvoorstelbare goedheid van deze vrouw dat haar
laatste woorden van aanbeveling voor de man zijn die haar zojuist gewurgd heeft
en dat ze zelfs de schuld van haar eigen dood op zich neemt. Maar Othello
corrigeert haar onmiddellijk (op weinig subtiele wijze): “She’s like a liar
gone to burning hell! ‘Twas I that killed her.”
Ondertussen begint de ware
toedracht eindelijk tot Emilia door te dringen als Othello haar vertelt dat het
‘honest, honest Iago’ was die hem had ingelicht over de relatie van zijn vrouw
met Cassio.
“My husband say she was false? If he say so, may his pernicious soul rot half a
grain a day! He lies to the heart.” Als haar man binnenkomt, confronteert ze
hem ermee: “She false with Cassio. Did you say with Cassio? Iago: With Cassio,
mistress. Go, charm to your tongue [wat wil zeggen: shut up!]. Emilia: I will
not charm my tongue, I am bound to speak. My mistress here lies murdered in her
bed. And your reports have set the murder on.”
Emilia is geweldig in haar
nietsontziende moed, die haar uiteindelijk fataal zal worden: “Twill out, twill
out, I will speak as liberal as the north. Let heaven and men and devils, let
them all, all, all, cry shame against me, I shall speak.” Waarop ze de ware
toedracht met de zakdoek onthult, het schijnbaar onbetekende detail dat voor
Othello het definitieve bewijs voor Desdemona’s (en Cassio’s) schuld was. Het
brengt Iago tot zijn derde opeenvolgende laffe daad: Iago, from behind, stabs Emilia. Montano, de gouverneur van Cyprus
die inmiddels ook gearriveerd is, voorkomt dat Othello Iago met zijn zwaard
doodt; de laatste ontsnapt (voorlopig).
Dit is het enige waar Iago, die tot
nu toe in de briljante opzet van zijn plan nog geen fout gemaakt had, niet op
gerekend had: dat zijn eigen vrouw, zo toegewijd aan haar overleden meesteres
dat ze haar leven op het spel zet bij het zuiveren van Desdemona’s naam, zich
tegen hem zou keren. Het is het meest verrassende keerpunt in de tragedie: nu
is Iago definitief ontmaskerd.
Othello probeert zichzelf,
tegenover de omstanders, nu op te peppen tot iets van zijn oude glorie:
“I have seen the day that, with this little arm, and this good sword, I have
made my way through more impediments than twenty times your stop.” Maar hij
ziet op tijd het nutteloze daarvan in: “But oh, vain boast!...” Niemand hoeft
nog bang voor hem te zijn, hij is echt aan zijn eind gekomen: “Be not afraid,
though you do see me weaponed; here’s my journey’s end... Do you go back
dismayed? ‘Tis a lost fear; man but a rush against Othello’s breast and he
retires [en nu breekt er werkelijk iets in hem]. Where should Othello go?”
Dan wendt hij zich, in een zeldzaam
ontroerende scène, tot de dode Desdemona:
“Now, how doest thou look now? O, ill-starred wench! Pale as thy smock!...
Cold, cold, my girl? Even like thy chastity [het huwelijk is kennelijk nooit
geconsumeerd]” En, tegen hemzelf: “O! curséd, curséd slave!... O Desdemon!
Dead, Desdemon! Dead! Oh! Oh!”
De gevangen Iago wordt
binnengebracht. Othello weet hem nu wel te verwonden, maar: “I bleed, sir, but
not killed.”
Shakespeare staat nu voor een groot
esthetisch dilemma: een groot strijder, een nobele legeraanvoerder is volkomen
aan de grond gebracht, het is de ruïne van een man. Zijn gedrag tegenover
Desdemona in de scènes met haar die voorafgaan aan de moord, is volstrekt
verwerpelijk geweest en de moord zelf is een brute daad die op geen enkele
manier te verdedigen valt. Hoe herstel je hem nog enigszins in zijn
waardigheid? Hij is zich er nu in elk geval van bewust wie de oorzaak van zijn
ondergang is: “Will you, I pray, demand that demi-devil why he hath thus
ensnared my soul and body?”
Iago’s laatste woord: “Demand me nothing. What you know, you know. From this
time forth I never will speak word.” Vermoedelijk zal hij zwijgend bezwijken
onder de martelingen die hem nu te wachten staan.
Uiteraard wordt Othello uit zijn
functie ontheven. Hem wacht berechting, maar hij laat het niet zo ver komen:
“Soft you, a word or two before you go... I pray you, in your letters, when you
shall these ugly deeds relate, speak of me as I am... Then you must speak of
one that loved not wisely but too well; of one not easily jealous but, being
wrought, perplexed to the extreme; of one whose hand, like the base Judean,
threw a pearl away richer than all his tribe [dit zou een verwijzing zijn naar
Herodes, die ook zijn vrouw doodde in een vlaag van jaloezie].”
Zijn verlangen naar herstel van verloren waardigheid is aangrijpend. Hij huilt
terwijl hij spreekt, maar er is nog steeds zelfbedrog. Hij heeft niet goed genoeg liefgehad, hij was te makkelijk jaloers. Hij heeft nog altijd geen inzicht in zijn
eigen tekortkomingen.
Dan de apotheose: “Set you down this; and say besides that in Aleppo once,
where a malignant and a turbaned Turk [Borges wijst erop dat dit een wel zeer
merkwaardige combinatie van twee bijvoeglijke naamwoorden is] beat a Venetian
and traduced the state, I took by the throat the circumciséd dog, and smote
him, thus.” (He stabs himself).
Het is hartverscheurend hoe hij
zich, voordat hij zelf sterft, nog even tot de dode Desdemona wendt:
“I kissed thee ere I killed thee. No way but this, killing myself, to die upon
a kiss.”
(He kisses Desdemona and dies).
Het eerbetoon van Cassio is oprecht
en waar: “For he was great of heart.”
“Despite the apocalyptic intensity of King Lear and Macbeth, I reread them with exuberant pleasure... But nothing by Shakespeare makes me suffer as Othello does. Iago remains the most dangerous of all villains, because his infernal intelligence throws us in despair.”







